WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 21: 22. „ALLES KLAAR!”
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

22. „ALLES KLAAR!”

Den 11den Juli 1897, een Zondag, brak aan. Reeds des morgens om drie uur vertoonden zich bij de Hollanderkaap [96]eenige rimpels op het effen watervlak. Het was een lichte bries, die elk uur in kracht toenam!

Om acht uur werd de laatste post bezorgd en nog het een en ander in het schuitje van den ballon gebracht. Andrée belegde een krijgsraad. Zijn beide tochtgenooten, de ingenieur Fränkel en Dr. Strindberg verklaarden zich voor de opstijging. Hij zelf sloot zich daarbij aan. Onverwijld toog men aan ’t werk. De bemanning der kanonneerboot „Svenskund”, het schip, dat de luchtvaarders naar het Denen-eiland gebracht had, werd aan land gezet, en om 11 uur begon men met het afbreken van de loods. Reeds was een groot gedeelte van de voorzijde weggenomen. Aan de windzijde werd zeildoek gespannen om eenige beschutting voor den wind te vormen. Uitstekende balken werden met een dikke laag vilt omwikkeld, zoodat ze bij het slingeren van den ballon geen gaten in het omhulsel konden boren.

Gedurende de eerstvolgende uren heerschte er een koortsachtige opgewondenheid. Iedereen deed zijn uiterste best. Aan alle kanten weerklonk het kraken en dreunen van planken, die losgebroken werden. Men repte zich, als gold het een brand te blusschen. Door een scheepsroeper deelde Andrée met de stem van een godheid zijn bevelen uit; aan ieder moest hij zijn bijzondere bevelen geven en naar alle kanten moest hij zijn opmerkzaamheid richten. Intusschen daalden, van de hooge berghellingen achter de loods, zware wolken neer.

Reeds rukte de ballon ongeduldig aan de touwen, en vaak werden reeds alle zandzakken van den bodem opgelicht. Nu werd hij een weinig gevierd om de gondel met de zes draagtouwen aan den ring te kunnen bevestigen. De kooien met de duiven werden in de gondel gezet en de zandzakken voor een groot deel verwijderd. De ballon werd nu alleen nog maar vastgehouden door drie bundels ballastzakken, waarvan de luchtschippers op het laatste oogenblik de touwen zouden doorkappen, en door drie dikke kabels die om eenige balken op den grond heengeslagen waren. Bij elken kabel stond een matroos met een bijl. Twee dozijn zakken met zand werden als ballast ingeladen.

„Alles klaar!”

Andrée dankt allen, die hem geholpen hebben, en neemt [97]haastig van ieder afzonderlijk afscheid. Zonder veel woorden drukt men elkaar stevig de hand. Wanneer de laatste oogenblikken maar eerst voorbij waren, wenscht ieder in stilte. Een onvergetelijk schouwspel moet deze opstijging opgeleverd hebben.

Dan doopt Andrée den ballon met den naam „Ornen” (Adelaar) en hij springt in de gondel waar Fränkel en Strindberg reeds onder de Zweedsche vlag hebben plaats genomen. Met blanke messen in de handen staan ze daar, en met één enkele snede kappen ze de touwen der ballastzakken!

Een rustig oogenblik wordt afgewacht. Er heerscht een diepe stilte. Men waagt het nauwelijks te fluisteren, slechts het suizen van den wind in de bijna ledige loods is hoorbaar. De drie helden leunen tegen den rand van de gondel. Andrée bewaart een onverstoorbare kalmte; geen spoor van aandoening is op zijn gelaat te bekennen. Om halfdrie klinkt zijn stem:

„Kappen—een, twee, drie!”

Op hetzelfde oogenblik springen de kabels los, en statig verheft zich de „Adelaar” uit zijn nest!

„Leve Andrée!” klinkt het daar beneden.

„Groet Zweden van mij!” roept hij met luider stem, terwijl hij zich over den rand van de gondel heenbuigt; met de sleeptouwen die een spoor van schuim in het water achter laten, als het zog van een stoomschip, zweefde de „Adelaar” in noordoostelijke richting over de Hollanderkaap heen. Voordat hij die achter zich had, daalde hij bedenkelijk, wellicht door een sterken luchtstroom naar beneden gedrukt. De gondel kwam zelfs in het water, maar sprong toen weer in de hoogte. Negen zandzakken moesten uitgeworpen worden om te beletten dat de „Adelaar” tegen de klippen zou stooten. Daarmede gingen tweehonderd kilogram ballast overboord!

Nog ernstiger was, dat bij het opstijgen een groot stuk der sleeptouwen scheurde. Daarmee ging meer dan een halve ton ballast verloren! Het geheele fundament, waarop Andrée zijn plannen gebouwd had, scheen vernietigd! Hij was niet meer door de sleeptouwen in aanraking met de aarde, maar zweefde als een speelbal der winden, vrij in de lucht!

De „Adelaar” verhief zich dan ook tot een hoogte van ongeveer zevenhonderd meter. Een tijd lang werd hij door een [98]wolk aan het gezicht onttrokken, maar weldra kwam hij weer te voorschijn. Na verloop van een uur verdween hij achter de rotsige eilanden in het Noordoosten, in de wijde eenzaamheid der poolzeeën—voor altijd.

Zwijgend en ernstig begaven zich de helpers der drie helden weer aan boord van de „Svensksund”.—