23. HET LOT VAN ANDRÉE.
Met welke spanning wachtte de geheele wereld op berichten van Andrée, hoe werd overal de telegraaf in werking gesteld toen het bekend werd dat de held opgestegen, en in noordelijke richting verdwenen was! Op de geheele wereld was er nauwelijks een dagblad dat niet kolommenlange beschrijvingen van de koene opstijging gegeven had. Overal heerschten verbazing en bewondering! Hoe zou het wel afloopen? vroeg een ieder zich af. Atlassen werden te voorschijn gehaald, en onderzoekend liet men het oog gaan over de landen om de ijszeeën. Hoelang zou de zuidenwind aanhouden, en waar zou de ballon weer te voorschijn komen? Te oordeelen naar de manier waarop de „Adelaar” opgestegen was, zou hij, zoo was de algemeene meening, zich hoogstens drie weken in de wolken drijvend kunnen houden! Maar in dien tijd kon hij geweldige afstanden afleggen, en op elke willekeurige plek van de bewoonde wereld weer zichtbaar worden. Juist in dezen tijd van het jaar bevonden zich tal van walvischvaarders en visschers in de noordelijke ijszeeën. De spanning nam met elken dag toe. Niemand dacht meer aan de Noordpool. Waar ook Andrée’s ballon zou landen—hij zou ongetwijfeld den merkwaardigsten tocht gemaakt hebben, waarvan nog ooit een mensch gehoord had.
Nauwelijks waren veertien dagen verloopen, of de eerste verontrustende berichten deden door de pers de ronde. Den 17den Juli zou een Hollander den ballon in de Witte Zee op het water hebben zien drijven! Nasporingen brachten echter aan licht dat de Hollander vrij zeker een doode, opgezwollen walvisch ontmoet had. [99]
Van nu af kwam er echter van alle kanten een stroom van de meest tegenstrijdige berichten. Aan de westkust van Groenland had men vanuit de zee schoten van een buks gehoord; zonder twijfel waren die schoten afgevuurd door Andrée en zijn makkers, die, evenals vroeger de mannen van de „Polaris” op een ijsschots zuidwaarts dreven. Wanneer men op een schip in de herfstnevelen het krijschen van zeemeeuwen hoorde, dan was dat natuurlijk Andrée, die in zijn zeilboot ronddobberend, om hulp riep!
En hoevele bewoners van de landen om de Noordpool heen, wilden den ballon met eigen oogen gezien hebben! De wakkere Russische pelshandelaars, en boeren tot ver in Siberië, bezwoeren met dure eeden, dat ze den „Adelaar” boven dit of dat dorp hadden gezien. Op Sachalin, het eiland der verbannenen in het verre Oosten had men hem stil en geheimzinnig boven de kale rotsen zien drijven. Zelfs de Indianen van Noord-Amerika beweerden, dat ze hem gezien hadden.
Anderen weer, wisten stellig, dat Andrée te Klondyke was, en van daaruit reeds geschreven had. In Britsch-Columbia streek de „Adelaar” over het land heen, en in Canada hadden de Eskimo’s verscheidene blanke mannen ontmoet die hun proviand in een zonderling gevaarte medesleepten. Weer anderen hadden visioenen gehad, en wisten dientengevolge nauwkeurig dat Andrée en zijn makkers in de zee gestort en verdronken waren—ze hadden in den geest de catastrophe mede aangezien. Weer anderen wisten met even groote zekerheid te vertellen dat Andrée nog leefde, maar dringend hulp noodig had.
Op deze wijze had de menschelijke verbeeldingskracht allerwege vrij spel, overal tuurde men met spiedende blikken omhoog, en meende den ballon te zien, zelfs al was ’t slechts een kraai die in den schemeravond voorbijvloog. De beangstigende, maar geweldige werkelijkheid werd langzamerhand tot een wonderbare sage, en bijna ging het met Andrée’s ballons als met het sprookjesschip van den vliegenden Hollander!
Reeds in den herfst werd er vanuit Zweden hulp gezonden, on overal waar Andrée met mogelijkheid zijn kon, werd proviand opgesteld. Een expeditie onderzocht vanuit het nu ledige graf van De Long en zijn makkers een groot deel der kusten [100]van de Siberische IJszee. Professor Rathorst gaf als zijn meening te kennen, dat de luchtschippers Oost-Groenland hadden kunnen bereiken, waar ze zich langen tijd met muskusossen zouden kunnen voeden. Hij rustte derhalve de „Anlactic” uit met het doel om deze kusten grondig te onderzoeken. Weliswaar vond hij Andrée niet, maar hij bracht prachtige kaarten, verzamelingen en het resultaat van belangrijke waarnemingen mede terug.
Zoo verliepen maanden en jaren! Van tijd tot tijd dook een nieuw gerucht op, en steeds vlamde weer een nieuwe straal van hoop op!
Wat was er gevonden van de dertien boeien, die Andrée wilde uitwerpen, en waar waren de duiven gebleven?
Vijf boeien werden twee jaar later gevonden. Drie waren er in het ongereede geraakt, de briefhulzen ontbraken. Twee bevatten een schrijven, en hadden met den stroom een grooten afstand afgelegd, de eene werd op de noordkust van Noorwegen gevonden, de ander op IJsland. Ze waren reeds op den dag van opstijging om 10 uur en om 11 uur uitgeworpen, en behelsden slechts korte berichten over den koers, den toestand aan boord en de plek waar de boei uitgeworpen was. Om 10 uur dreef de ballon in noordelijke richting over vlak ijs heen. „Prachtig weer. Stemming uitstekend.” Om elf uur zweefde hij zeshonderd meter boven het zeeoppervlak „alles wel.”
Van de duiven keerde slechts één enkele weer terug. Een Noorsch schip nam ze reeds vier dagen na de opstijging aan boord. Het bericht, dat ze droeg, was daarom merkwaardig, omdat Andrée het den 13den Juli om half drie geschreven had. De „Adelaar” had toen reeds zes en veertig uur gezweefd, en was dus reeds langer in de lucht geweest dan eenig ander luchtschip! Op het kleine ineengerolde stuk papier stond o.a.: „aan boord alles wel. Dit is de derde duivenpost. Andrée.” De ballon bevond zich toen boven het noordelijk gedeelte van Spitsbergen, maar dreef met een flinke vaart naar het Oost-Zuid-Oosten.
Van dit oogenblik af is er van het lot van den „Adelaar” niets meer bekend;—en, waarschijnlijk zal het ook wel onbekend blijven.
Gedurende tweemaal vier en twintig uren na de opstijging [101]was dus alles aan boord in orde, en de luchtschippers koesterden geen angst voor den afloop van hun tocht. Misschien zweefden ze gedurende verscheidene dagen nu eens naar het Noorden, dan weer naar het Zuiden. Maar elken dag moest de draagkracht van den ballon onvermijdelijk verminderen, totdat tenslotte de „Adelaar” zijn last niet meer kon torsen. Maar, waar hij nederdaalde, dat weet niemand.
Wanneer hij in de buurt van de Noordpool, in de richting van de Behringzee, tusschen het drijfijs geland is, dan was de positie der opvarenden hopeloos, want ze hadden niet voldoenden leeftocht bij zich voor een zoo verren tocht, als in dat geval noodzakelijk zou wezen. Waarschijnlijker is dat de ballon naar het zuidelijk deel van de IJszee, tusschen Frans-Jozefs-land en het schiereiland Kola dreef. Hij moest daarbij steeds slapper worden, en steeds dieper zinken. Ongetwijfeld kapte men alle touwen, en wierp allen ballast overboord. Zoodoende kon hij nog eenige uren, misschien nog een geheelen dag in de lucht blijven. Maar ten slotte moest hij weer dalen, terwijl de donkere zee daaronder den muil opensperde. Nu zal men de laatste boeien opgeofferd, en alles wat men eenigszins kon missen, weggeworpen hebben. Weer verhief zich de ballon, maar verslapte spoedig weer opnieuw, door het minste koeltje heen en weer gedreven. Andrée was een man, die in oogenblikken van gevaar den moed niet verloor; hij en zijn makkers zullen dapper met den dood gestreden hebben!
Indien de winter zijn intocht reeds gedaan had op het noordelijk halfrond, dan had Andrée misschien kans gehad, spoedig hulp te zien opdagen. Dan zou hij een groot gedeelte van zijn leeftocht rustig hebben kunnen prijs geven, dan had hij de duiven kunnen loslaten en hun kooien in zee kunnen werpen. Maar misschien zonk de „Adelaar” op een plek waar geen land te bekennen was. De gondel sleepte over het water en stiet tegen elke oneffenheid; de inzittenden klommen in den draagring en kapten de gondel af. Dan verhief zich misschien de ballon nog eenmaal voor het laatst, om door de winden weer zeewaarts gedreven te worden. Daardoor werd de catastrophe nog slechte enkele uren uitgesteld, want wanneer een ballon zijn grootste hoogte bereikt heeft, daalt hij plotseling. Toen hij weer op de oppervlakte van het water kwam, was de ring het [102]eenige wat nog gekapt kon worden. Hoe ook de omstandigheden mogen geweest zijn, waaronder Andrée en zijn makkers den dood gevonden hebben,—nu, na zooveel jaren weten we het nog niet; laat ons hopen dat hun doodsstrijd kort was! Hun reis was vruchteloos, maar die drie mannen zullen voor altoos toonbeelden blijven van heldenmoed. Ze hebben nieuwe paden betreden, en de tijd is nabij waarop anderen, met betere hulpmiddelen toegerust, hun onzichtbaar spoor door het luchtruim en over de zeeën zullen volgen.