27. TWEE DAGEN IN HET BRITSCH MUSEUM.
Men kan twee dagen in het Britsch Museum, wel het grootste der wereld, doorgebracht hebben, zonder nog zelfs een oppervlakkig overzicht te hebben van de schatten die het bevat! Onder sfinxen en granieten beelden die 6000 jaar oud zijn, wordt men verplaatst in het grijze verleden. Hier staat een doodkist waarin voor 5500 jaar een Egyptische koning ter ruste gelegd werd; hij was de stichter van tal van prachtige graven bij Caïro; en in de Ninivé-zaal staan we vol bewondering voor oude oorkonden en brieven die in spijkerschrift op leemen tabletten gegrift zijn.
Uit de dagen van Sanherig en Sardanapalus, 700 en 600 v. Chr., stamt het Babylonisch-Assyrische verhaal van Schepping en Zondvloed, dat zooveel overeenkomst vertoont met de bijbelsche voorstelling. De goden, zoo heet het, besloten een vloed over de aarde te zenden, waarin alles zou verdrinken. Slechts aan Sit-Napistim, den Babylonischen Noach, werd bevolen een schip te bouwen dat voor hem, zijn familie en zijn huisdieren zou dienen als een veilige wijkplaats. Toen steeg de vloed, en bedekte de gansche aarde, en toen het schip, nadat het water weer gevallen was, op den berg Nizir landde, werden op den zevenden dag een duif, een zwaluw en een raaf losgelaten om op verkenning uit te gaan.—Deze sage is tot ons gekomen door de bibliotheek te Ninivé, die door Sardanapalus werd uitgebreid.
Welk een gevoel van eerbied vervult ons, wanneer we staan voor het beeld van Ramses II. Hij was de Pharao die de kinderen Israëls onderdrukte! Wanneer we dan de Romeinsche zalen betreden, en we het oog vestigen op de buste van Caesar, dan hebben we het gevoel, weer op historischen bodem te staan, en wanneer we dan in de bibliotheek van George III (King’s [115]Library) een bijbel uit het jaar 1455 aanschouwen, de eerste die uit Gutenberg’s eigen drukkerij te Mainz kwam, dan meenen we al zeer nabij den tegenwoordigen tijd te zijn.
De handschriftenverzameling van het Britsch Museum omvat een menigte gedenkwaardige brieven uit de geschiedenis van Engeland. Zoo kunnen we hier het eigenhandig, door Nelson geschreven, plan voor den zeeslag van Trafalgar lezen, alsook de laatste bladzijden uit het dagboek van Gordon, den held van Karthoem, met wien we nog nader zullen kennismaken.
De bibliotheek van het Britsch Museum omvat twee-en-een-half millioen banden die, naast elkaar gezet, een rij van zeventig kilometer lengte zouden vormen. En onze bewondering voor deze menigte van boeken stijgt nog wanneer we denken aan de scherpzinnigheid der navorschers, die er in geslaagd zijn om uit al deze gegevens schatten van wijsheid te putten, aangaande de geschiedenis van volkeren, die reeds tal van eeuwen tot het verleden behooren.
Niet minder dan deze verzamelplaats van historische herinneringen trof mij de levende getuige van een grijs verleden, die tot aan zijn dood op een buitenplaats buiten Londen woonde, en dien ik eens bezocht, in gezelschap van den overste Younghusband, die jaren geleden de Engelsch-Indische expeditie naar Lhassa in Thibet leidde. Toen we aanbelden, kwam de statige grijsaard zelf om ons te ontvangen. Hij was toendertijd vijf-en-negentig jaar oud en heette Sir Joseph Hooker. Eertijds directeur van den grooten Londenschen plantentuin, zat hij nog op het eind van zijn leven over zijn microscoop gebogen, en schreef geleerde verhandelingen over het leven der planten! Reeds twintig jaren voor mijn geboorte was hij tot aan de grenzen van Thibet doorgedrongen, en ook van zijn reis naar de Zuidelijke IJszee vertelde hij met groote levendigheid! Hij was in 1839 scheepsdokter bij de Zuidpool expeditie van James Rosz. Twee-en-zeventig jaren waren er sedert voorbij gegaan, en men kan zich nauwelijks voorstellen, dat er nog persoonlijke herinneringen bewaard konden blijven uit een tijd, die zoo ver in ’t verleden lag.
„Is ’t mogelijk, dat u zich alles nog kunt herinneren, wat op dien tocht voorviel?” vroeg ik.
„Zeker,” antwoordde Hooker, „ik kan me dien tocht beter [116]voor den geest terugbrengen, dan de gebeurtenissen van het vorige jaar.”
En toen beschreef hij ons hoe de ligging van het ijs was, en hoe hij en zijn tochtgenooten aan boord leefden. Ook sprak hij met warmte over dien grooten baanbreker der nieuwere natuurwetenschap, zijn vriend Charles Darwin.