WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 27: 28. IN LONDEN’S ARMENWIJK.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

28. IN LONDEN’S ARMENWIJK.

Wat is het leven toch rijk aan scherpe tegenstellingen en aan ten hemel schreiend onrecht! Op een afstand van ternauwernood een half uur van al de pracht en praal, die bij de laatste kroning in Juni 1910 in de Westminster Abdij tentoongespreid werd, ligt de armenwijk in het Eastland en in het zuidoostelijk deel van Londen. Begeven we ons thans daarheen.

We hebben onze allereenvoudigste plunje aangetrokken en worden begeleid door een vriendelijken missionaris, want het is in deze straten, waar moorden niet tot de zeldzaamheden behooren, en waar nog heden vreemdelingen spoorloos verdwijnen, volstrekt onveilig. Het is raadzaam om horloge en ketting maar liever thuis te laten, en ’t is dames niet aan te bevelen om hier haar handtaschje met geld met zich mede te dragen!

Hoevele boeken zou men niet kunnen vol schrijven over de ontzettende armoede van Londen! Een armoede die het hart breekt en die schande roept over de grootste en rijkste stad der wereld. Tot zulk een ellende als in Londen, vervallen de armen in geen enkel land op aarde, zelfs niet in Azië! Hun leven is een onafgebroken worsteling met de meest kwellende zorgen en het meest nijpende gebrek; met ziekte, vervuiling, gedierte en misdaad.

Daar woont een moeder met acht kinderen in een enkel kamertje, waarvoor ze nauwelijks de huur kan betalen. Hoe moet ze den honger van haar kinderen stillen, wanneer haar man het grootste gedeelte van zijn verdiensten als dokwerker verdrinkt? Jammerlijk slepen de kinderen hun ellendig bestaan voort, en wanneer er een sterft, blijft het liggen, totdat het noodige geld voor een begrafenis bijeengebracht is. Overleven [117]ze de kinderjaren, dan groeien ze op tot straatslijpers en vagebonden, die voor niets anders deugen dan voor bedelaars.

Roerend, en tegelijk ergerlijk is de aanblik dier kleinen, zoo als ze, in lompen gehuld, in de nauwe, stinkende sloppen te midden van allerlei afval, stoeien en spelen. Dat is hun zomervermaak, en van de vrije natuur hebben ze niet eens een voorstelling! Ze zijn aan deze straten in het Eastland gehecht, en zouden niet eens van woonplaats willen wisselen! ’t Is nu immers zomer, en dan heeft men ’t tenminste op straat niet koud!

Onze leidsman brengt ons naar een wijk waar de stegen zoo nauw zijn, dat twee personen elkaar nauwelijks kunnen passeeren. Hier heeft de missionaris veel goeds verricht. De zending heeft hier een eigen vergaderlokaal, kerk en club, en ’t is weldadig om te zien hoe graag de arme kinderen hier heen gaan. Een ruim gymnastieklokaal en een kleine bibliotheek staan hun ter beschikking, en zelfs hebben ze een padvindersclub georganiseerd die achttien leden telt. Op het dak van een huis hebben ze een ruim terrein voor voetbal en andere spelen.

Zulk een zending, een zoogenaamd „Settlement” of kolonie vindt men in de armste wijken van het Eastland. Barmhartige Samaritanen, uit de welgestelde klassen van Londen, offeren een deel van hun tijd op om hier met de armen om te gaan en hun met raad en daad bij te staan.

Ze zijn in zekeren zin het zout dat het bederf tegen gaat. Ze redden velen van het verderf en vormen hen tot fatsoenlijke burgers. Hoe groot is echter het getal van hen, die in dien poel van jammer en misdaad reddeloos ten onder gaan!

Nu voert onze leidsman ons in een arbeiderswoning, die niet eens tot de slechtste behoort; men gaat vanuit de straat twee treden af in een ellendig klein kelderhol. De enkele meubels zien er zoo vervallen uit, dat het schijnt, alsof ze zich nog slechts met moeite staande houden. Aan een ronde tafel in ’t midden zit baas Higgins, met zijn moeder en zijn vrouw voor een karig middageten; het vertrek is klein en bedompt, en geen frissche lucht komt van de straat uit naar binnen. Hoe zal ’t hier dan ’s winters wel wezen, wanneer de beruchte Londensche mist zoo dik is, dat ’s middags een stikdonkere duisternis heerscht en op de rijk verlichte breede straten de electrische lampen aan de overzijde nauwelijks te zien zijn! [118]

Maar baas Higgins is tenminste nog een goede kerel. Hij is juist thuisgekomen van zijn werk: het bouwen van een brug, en hij heeft ’t nog zóó warm, dat de hitte van zijn lichaam afslaat als hij te midden der zijnen in zijn hemdsmouwen aan tafel zit. Hij heeft reeds volwassen zoons, die zelf verdienen en hij vertelt ons wat hij wekelijks verdient, en wat hij noodig heeft voor huur en levensmiddelen.

Reeds bij de oudste staatsregeling heeft elke Engelschman het recht „niet te verhongeren” en een uitstekende Armenzorg van staats- en gemeentewege was het gevolg. Maar, nog ontbreekt het hier aan wetten, die inplaats van de armoede te lenigen, die weten te voorkomen.

Tijdens een bezoek aan Londen was ik op zekeren avond als gast bij een feestmaal van het gilde der zijdehandelaars. Dit gilde is een der oudste van Londen en bestaat reeds acht eeuwen; hoewel tegenwoordig geen der leden meer zijdehandelaar is. Lid kan evenwel lang niet iedereen worden, het is een eer die van vader op zoon overgedragen wordt. Door giften en legaten beschikt het gilde over ontzaglijke sommen, waarvan de rente in zijn geheel voor liefdadige doeleinden gebruikt wordt. Het gildehuis in Londen is een heel oud gebouw, van middeleeuwsche pracht; men vindt hier de prachtigste bekers, kannen en schotels, die alle eeuwen oud zijn. Wel twee duizend huizen in Londen zijn het eigendom van het gilde en tal van scholen worden geheel door het gilde bekostigd; ook worden alle ziekenhuizen uit de kas met ruime giften gesteund.

Toen ik later met een kennis langs de Theems naar huis ging, waren de banken dicht bezet met tal van kerels in lompen en nachtelijke zwervers. De meeste zaten in elkaar gebogen, de handen in de zakken en het hoofd op de borst gezonken. Enkelen zaten met elkaar te praten, terwijl ze hun pijp rookten. Een oude man had een plaats gevonden dicht bij een lantaarnpaal, en las de courant.

„Wat zijn dat voor menschen?”

„De dakloozen,” antwoordde mijn geleider.

„Slapen ze hier den geheelen nacht?”

„Neen, ze wachten tot twee uur, dan deelt het Leger des Heils daarginds onder de brug warme soep en brood uit.”

„En na het eten?” [119]

„Dan zitten ze weer in doffe onverschilligheid op de banken, of ze zwerven door de stad heen om te bedelen of te stelen. ’s Morgens zien ze weer op de een of andere manier aan een gratis maal te komen.”

„Wat doen ze dan overdag?”

„Dan liggen ze in de parken te slapen; ’s nachts worden ze daar door de politie niet geduld.”

„Maar waarom werken ze dan niet?”

„Ze willen niet! Van al deze kerels hier kon ieder gemakkelijk zijn dertig stuivers per dag verdienen, een slaapgelegenheid bekostigen, en onafhankelijk leven, maar ze willen niet. Probeer ’t: verschaf hun werk, biedt hun dertig stuivers dagloon aan! Niet een enkele zou van uw aanbod gebruik maken! Ze willen veel liever bedelen, in de parken slapen en de gemeente tot last zijn.”

„Is hun aantal groot?”

„Veertig duizend—maar, laat ons dat niet vergeten, onder de aanzienlijken en onder den adel zijn minstens evenveel dagdieven en deugnieten te vinden! Van hen heeft men het recht te verwachten, dat ze zich voor hun land nuttig maken. Hij, die des nachts moet rondzwerven, is wel meer te beklagen dan te veroordeelen.”