WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 3: 2. AAN DE NOORDKAAP.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

2. AAN DE NOORDKAAP.

De grens van Zweden is nu bereikt, de wolken liggen dicht als veerenbedden over het station „Riksgränsen” (landgrens) op een hoogte van 520 Meter. Dan gaat het op Noorweegsch gebied omlaag naar de zee. De trein geeft zich nu over aan zijn eigen zwaarte, de machinist behoeft slechts te remmen. Op een 180 meter lange viaduct van tien gewelfde bogen, gaan wij over het woeste Noorddal en rijden dan langs de linkerzijde van het Hondedal. In de diepte schuimt de blauw-groene [8]rivier. De dwergboomen beginnen zich weer in de hoogte te verheffen, hoe dieper wij komen. De bergruggen verdwijnen in de wolken. Maar onder den rand der wolkenmantels storten ruischende watervallen van de rotswanden af. Nog enkele krommingen en wij zijn in de havenstad Narvik, die tusschen hooge, steile bergen ligt. Hier waar het Zweedsche erts de wereld inrolt, wacht ons de stoomboot „Salten”.

Bij scherpen Zuid-Westen wind en nevelig weer, draagt ze ons den volgenden dag de Ofotenfjord uit, om zich dan naar het Noord-Oosten te wenden, tusschen groote eilanden, door smalle zeeëngten en over open vlakken van den Atlantischen Oceaan, waarop men de uitgestrekte wereldzee tusschen de eilanden door ziet schemeren. Elk oogenblik verandert de omgeving. De onderste hellingen der hooge bergen zijn met berkenbosschen en groene weiden bedekt, hier en daar ligt een eenzame hoeve temidden van haar akkers, van welke de gerst zoo hoog in het Noorden niet meer rijp wordt. De hoogten zijn kaal, op de toppen ligt sneeuw, en van de punten der sneeuwvelden dansen de bergbeekjes naar de zee omlaag. Wij ontmoeten eenige visschersbooten, roei- en motorbooten, alle met bruine zeilen. Zij komen van de vischvangst aan de kusten van Finmarken, hebben den buit hunner netten verkocht en keeren nu met hun verdienste naar huis terug. De lichten der vuurtorens op de landtongen en klippen slapen in den hellen zomernacht, het weer was onvriendelijk tegen ons, maar in den nacht klaart de noordelijke horizon op. Slechts een kleine opening breekt door de wolken, maar groot genoeg, dat de zon er door kan zien, en eindelijk kunnen wij ons met eigen oogen overtuigen, dat de dagvorstin op deze hooge breedte niet meer in de zee verzinkt.

Voor ons ligt Tromsö; ginds de kerk en het museum, hier aan den oever houten loodsen op hun palen en aan de landingsbrug visschersschuiten en stoombooten. Uit de berkenboschjes boven de haven komen sierlijke houten villa’s kijken, en als de zon zich weer achter de wolken verbergt, teekent zich de geheele stad donker af tegen den helderen noordelijken hemel. Maar van den ondersten rand der wolken overstroomt het licht als stralen van een geweldig zoeklicht, de zeeëngte. Alles slaapt. Slechts twee jongens staan op een pier en eenige mannen werken [9]in hun boot. Nu valt het zonlicht brandgeel op daken en gevels en in het Zuiden staan de van regen zware wolken donker violet.

Tromsö is een kleine en gezellige, maar vuile stad. Het museum bevat de dierenwereld van de noordelijke zeeën van af den walvisch tot het kleinste wormpje. In den bonthandel van Tromsö spelen de kostbare vellen van den blauw- en zilvervos, van het sabeldier en den hermelijn een groote rol.

Verscheiden Russische zeilschepen liggen voor de stad. Zij kwamen bevracht met hout, van Archangel en hadden de reis van daar tot hier in tien dagen afgelegd. In Tromsö en omgeving koopen zij dan versche dorschen en andere visschen, die aan boord worden ingezouten en met deze lading gaan de schepen weer naar den mond van de Dwina terug. In het gunstigst geval is de winst van zulk een schip op een reis 5000 roebel. De Noorweegsche visschers houden echter niet van de Russische kooplieden. Zij vinden, dat zij te veel verdienen aan de dorschen; bovendien drinken de Russische matrozen naar hun inzicht te veel en leven te ruw in de havensteden.

Slechts ongaarne scheidt men van dit eeuwig wisselend landschap, om gedurende den eeuwigen dag eenige uren te gaan slapen. Als men dan echter buiten op de Loppzee ontwaakt, waar de hooge golven van den oceaan onbelemmerd tegen het schip slaan, dan is men blij nog eenigen tijd te kunnen bleven liggen. Men kan al zeeziek worden als men kleeren en handdoeken heen en weer ziet fladderen, en handkoffers, schoenen en boeken op den bodem van de hut hoort dansen!

Maar nu glijden wij kalm water binnen, waar men slechts zelden een visscher, hier en daar een stoomboot met erts uit de Varangerfjord of een schip met timmerhout van de kust van de Witte Zee ziet. Wij maken een uitstapje naar de Kvänangenfjord en een harer vertakkingen de Jökelfjord in, aan welker uitersten rand ijsschollen rondzwemmen. De gillende toon van een stoomfluit weergalmt tusschen de bergen. Dat is het teeken van een Lap, die zich aan het strand heeft gevestigd en spoedig stoot een boot van den oever af, die ons tegemoet komt en waarvan de bezitter aan onzen loods inlichtingen geeft. Hij is dorschvisscher en kent het vaarwater. Hij is een levendige, kleine, aardige kerel, die ons, terwijl hij [10]wijdbeens met bloot hoofd staat, verzekert, dat wij bij 70 vadem diepgang niet op grond zullen komen! Het zwartgroene water, waartegen de ijsschotsen in stralend wit afsteken, zegt ons ook reeds zelf, dat het nog een flink eind is tot de ankerplaats in den fjord.

Langzaam glijden wij den fjord binnen en voor ons ontrolt zich een grootsch beeld. Over een geweldigen rotswand hangt een gletscher. Als van tijd tot tijd ijsblokken door hun eigen gewicht omlaag storten, vloeien zij aan de voet van den berg weer tot een nieuwe gletschertong samen; deze rekt zich langzaam voorwaarts tot ze den fjord heeft bereikt; hier rolt de kracht van het water den ijsrand uit, en blokken storten omlaag; dan „kalft” de gletscher, zooals men pleegt te zeggen. Maar nu rust hij; de Lap verzekert echter, dat de ijstong ’s zomers elke twee dagen en ’s winters dagelijks „kalft” en als de blokken van den ijswand afstorten, kan men het kraken 60 kilometer ver hooren. De kapitein van de „Salten” laat twee kanonschoten afvuren, om het ijs te schokken, maar vandaag laat de „Jökel”, de gletscher, zich niet in zijn rust storen. Misschien tot ons geluk, want het kalven van den gletscher kan een stortgolf teweegbrengen, die kleine schepen doet kenteren.

Onze loods, de Lap, wordt koninklijk betaald en daar hij buitendien een arm vol boterhammen, vruchten en sigaren ontvangt, wordt hij opgetogen van geluk. Zulke aardige reizigers had hij nog nooit ontmoet, herhaalt hij onophoudelijk! De „Salten” keert langzaam in het binnenste bekken van den Jökelfjord. Hij stevent als hij weer in de open zee is aangekomen, verder noordwaarts, op Hammerfest aan, de noordelijkste stad der aarde; voor welker slechtriekende traankokerijen talrijke Russische zeilschepen liggen, die van hier met visch naar Archangel gaan. In dien avond stoomen wij over een open gat, waar de zee grijsgroen is en hoog gaat. Eenige dolfijnen krommen hun blanke, zwarte ruggen bevallig over de golven.

Het is koud en winderig geworden; voortdurend stroomt een fijne regen op de „Salten” neer; en uit den dichten nevel glanzen slechts de allernaaste rotseilanden, achter welke zij beschutting voor den wind zoeken, om de smalle, schoone zeeëngte [11]tusschen het vasteland en het eiland Magerö binnen te varen. Onze koers gaat oostelijk om Magerö heen. In het Zuiden opent de Porsangerfjord, in het Oosten is Svärholtklubben even zichtbaar met den Vogelberg, een steil omlaaggaande kaap, waarop ontelbaar veel meeuwen nestelen. Daarna wenden wij ons noordwaarts. Aan stuurboordzijde speelt een dolfijn in de golven, die nu door den storm worden gezweept. Het schip stampt onaangenaam; de stoelen op het dek wandelen kris en kras door elkaar en in het rond rommelt het van beweegbare voorwerpen. Wij hebben het middagmaal juist geëindigd, daar slingert het schip heftig, en de tafel is in een ommezien afgenomen. Op den vloer zwemmen de sardinen in den rooden wijn!

Zoo worstelen wij met de golven en rollen langzaam naar ons doel. Voor ons verheft zich de rots van de Noordkaap. Europa’s noordelijkst voorgebergte, dat steil naar de zee afdaalt. Als wij maar eerst gelukkig onder de beschutting der hooge rotswanden zijn, waar reeds twee toeristen-stoombooten voor anker liggen! Het gelukt, weldra zijn wij in veilige beschutting en de zee wordt kalmer.

Slechts de binnenste hoek van de bocht is stil, boven ons huilt de storm en suist in teugelooze woede de steile hellingen af en over de zee heen. Op een hoogte van 300 Meter staat op den top van de Noordkaap een klein paviljoen.

Het middernachtuur is nabij. Er heerscht een geel schemerlicht, loodzware wolkenmassa’s jagen over zee en land. Vergeefs wachten wij op de doorbraak der middernachtzon in het Noorden! Maar misschien nog grootscher dan zij, is het uitzicht, dat wij nu naar het Noorden hebben! Voor ons ligt staalgrijs en koud de witte ijszee, op den achtergrond der blauwzwarte wolken dansen de witte schuimkoppen van de golven der zee, die de Zuid-Weststorm naar Nova-Zembla en het Frans-Jozef-land drijft.