WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 30: 31. HET GRAF VAN NAPOLEON.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

31. HET GRAF VAN NAPOLEON.

Van de duizelingwekkende hoogte van den Eiffeltoren zijn we gelukkig weer beneden aangeland, en we begeven ons over het Marsveld naar het Invalidenhuis. Vroeger bewoond door duizenden invaliden van het Fransche leger, herbergt het thans slechts historische herinneringen. [125]

Place de la Concorde te Parijs.

[126]

Dôme des Invalides.

Het graf van Napoleon.

Parijs.

[124]

Onder den vergulden koepel der Dôme des Invalides, die bijna vanaf elk punt der stad zichtbaar is, komen we in een ronde zaal; waarvan het midden bestaat uit een crypta. Deze is eveneens rond, heeft een diepte van eenige meters en is naar boven toe open. Op den bodem leest men in mozaïek de beroemde namen: Rivoli, Pyramiden, Marengo, Austerlitz, Jéna, Friedland, Wagram en Moskou. Twaalf marmerbeelden, die even zoovele overwinningen voorstellen, houden de wacht [127]om de machtige sarcophaag uit rood Siberisch porfier, die de asch van Napoleon bedekt. Een zacht blauw licht beschijnt de crypta. Ook het levendigste Fransche gesprek verstomt bij het betreden van Napoleon’s grafkamer. Diepe stilte omgeeft het stoffelijk overschot van hem, die tijdens zijn leven de wereld vervulde van het gedonder van zijn geschut, en het wapengekletter zijner legioenen, en die binnen verloop van enkele jaren de kaart van Europa volkomen veranderde.

De plechtige stilte, de verheven bouwstijl, en het schemerachtige licht oefenen een aangrijpenden invloed uit op het gemoed van den toeschouwer. Hoevele beelden worden niet voor ons geestesoog te voorschijn geroepen! Onwillekeurig verwacht men de echo te hooren weerklinken der commando’s, die eertijds van den grooten keizer uitgingen!

We zien een blauwoogig kind spelen aan den schoot zijner moeder te Ajaccio. Dan hooren we hoe de jonge revolutionnair geestdriftige redevoeringen houdt in de geheime clubs te Parijs. Bleek en ernstig zien we de gestalte van den zes-en-twintig jarigen generaal voorbij schrijden; na tal van roemrijke overwinningen komt hij terug uit Italië, waar hij als een stormwind was komen neerstrijken in de vlakte van Lombardije, waar hij als overwinnaar zijn intocht hield te Milaan, en waar hij de overoude republiek Venetië voor altoos van de onafhankelijkheid beroofde.

Ginds voor het altaarvenster verheft zich het beeld van den gekruisten Heiland. Het leidt onze gedachten naar den tocht van het keizerlijke leger naar Egypte en het Heilige Land. Frankrijk’s grootste generaal voert de vloot uit de haven van Toulon. Hij ontkomt aan de oorlogsschepen van Nelson, verovert Malta, vaart langs Kreta en Cyprus en landt met 40000 man in Alexandrië. Op den weg naar Kaïro versmachten de soldaten in de dorre woestenij. Bij den Nijl komt het tot een treffen met het Egyptische leger, en aan den voet der pyramiden moet het Oosten zich buigen voor den held van het Westen.

In oostelijke richting vervolgt het leger zijn weg naar Syrië. Vijf eeuwen waren voorbijgegaan sedert de kruisvaarders gepoogd hadden het Heilige Graf aan de ongeloovigen te ontrukken. Nu kletteren wederom de wapenen van het avondland [128]in het Jordaandal en aan den voet van den berg Tabor, en voor de poorten van Nazareth worden de Turken door den Franschen generaal verslagen. Maar, intusschen heeft Nelson de Fransche vloot vernietigd, de keur van het republikeinsche leger heeft den dood gevonden. Napoleon’s droom van een rijk in het morgenland, is in den rook van het laatste wachtvuur verdwenen. Met twee fregatten verlaat hij Egypte, zeilt langs Tripolis en de kusten van Tunis, en komt met gedoofde lichten, behouden door de straat van Gibraltar heen. Bij zijn aankomst te Parijs begroet hem het volk met stormachtigen jubel.

Geleidelijk raakt het oog gewend aan het schemerduister in den koepel der Invaliden en de witte zuilen en marmeren beelden geven onze gedachten een andere wending. De Alpen passen, de St. Bernard, de St. Gothard, de Mont Cenis en de Simplon, de hoogste bergtoppen van Europa, worden door Napoleon met zijn vier armeecorpsen getrotseerd! Soldaten trekken de kanonnen door de sneeuwvelden; en eerst op Italiaanschen bodem scharen ze zich weer in ’t gelid. Bij Marengo oogsten de vanen van Frankrijk nieuwe lauweren, en het lot van geheel Europa berust in handen van Frankrijk’s grootsten held.

„Austerlitz” lezen we in het mozaïek der crypta. Frankrijk’s keizer is opgetrokken naar Mähren, en zijn legioenen strijden onder den vergulden adelaar. De garde-cavalerie rijdt de Russische garde onder den voet, en Napoleon’s leger vernietigt de vereenigde strijdmachten van Oostenrijk en Rusland; de Fransche artillerie beschiet de bevroren oppervlakte van een meer, zoodat de vijand met kanonnen, wagens en paarden omkomt.

Welke nieuwe echo stijgt thans uit de crypta omhoog? „Jena!” Waar de Pruisen verslagen werden, waar hun land tusschen Elbe en Oder onder het vreemde juk gebracht, hun vestingen geslecht werden; Erfurt, Maagdeburg, Stettin en Lübeck geven zich over, terwijl de overwinnaar zijn intocht houdt in Berlijn, de residentie van Frederik den Grooten!

Dan dreunen de voetstappen der scharen door Poolsche straten, op de bloedige slagvelden bij Pultusk op den oostelijken oever van den Weichsel en bij Eylau in West-Pruisen, waar de lijken opgehoopt in de diepe sneeuw liggen. Napoleon zelf snelt [129]op zijn schimmel voort na den slag bij Friedland in Oost-Pruisen, waar de Russen verslagen werden. Met getrokken sabel defileeren garde-cavalerie en huzaren, en nog heden trilt de naklank van hun geestdriftigen jubel om de vaandels van de sarcophaag, en langs de heirwegen van Europa weerklinkt het hoefgetrappel der paarden: het zijn de boden, die de gemeenschap onderhouden tusschen het hoofdkwartier en Parijs.

MIDDEN-EUROPA TEN TIJDE VAN NAPOLEON I (1812).

Napoleon trekt op Weenen aan, en dreigt Oostenrijk te verpletteren. Hij overwint in den bloedigen slag bij Wagram, noord-oostelijk van Weenen; hij maakt zelfstandige rijken tot provinciën van Frankrijk, hun beheerschers tot Fransche vazallen, en deelt koningskronen uit onder zijn bloedverwanten, vrienden en generaals. Zijn rijk strekt zich thans uit van [130]Danzig tot Cadix, van de Elbe tot aan den Tiber, als eertijds het rijk van Karel den Grooten! De macht van den Corsikaan is uitgebreid, en zijn rijk is gevestigd zooals van geen sedert de helden van het oud Romeinsch rijk.

Bajonetten en sabels, kurassen en helmen flikkeren in het zonlicht—Napoleon’s onoverwinnelijke heirscharen trekken over den Njemen, een half millioen soldaten rukt op tegen Moskou, Rusland’s oude hoofdstad. Onafzienbare scharen, tallooze kanonnen en een eindelooze legertros trekt voort over de Russische wegen van Wilna naar Witebsk en Smolensk. De Russen weten het: het gaat om hun vrijheid. Ze verbranden hun eigen steden en dorpen; ze verwoesten hun land, en trekken zich terug naar het binnenland, zooals ze het reeds een eeuw vroeger deden, toen Karel XII van Zweden in Rusland binnendrong. Eindelijk komt het tot een slag aan de Moskowa, en het Fransche leger bezet de stad. Maar dan verlichten de vlammen van het brandende Moskou ver in het rond de Septembernachten!

Op een der terrassen van het Kremlin staat een kleine man in grauwe wapenrok, de handen op den rug staart de keizer nadenkend in de vlammen en de rookwolken, die over de stad heen rollen. In een week is het oude heiligdom der Moskovieten in vlammen opgegaan.

Daarbuiten, in de straten van Parijs, is de schemering neergedaald, en de schaduwen tusschen de zuilen rondom Napoleon’s graf worden dichter. Maar uit deze schaduwen doemen menschelijke gedaanten op, die worstelen met honger, koude en uitputting. De tijden van tegenspoed zijn aangebroken! Het groote leger bevindt zich op den terugtocht. Aan den kant der wegen liggen de lijken, weggeworpen wapenen en achtergelaten bagage. De kanonnen blijven steken in de diepe sneeuw, en de soldaten storten bij geheele regimenten neer als rijpe aren onder de sikkel. Scharen hongerige wolven volgen hun spoor, ze vergenoegen zich met de lijken, terwijl de kozakkenbenden de overlevenden neerhouwen. Bij den overtocht over de Beresina, een zijrivier van den Dnjepr, komen 30.000 man om! Alle gehoorzaamheid en discipline is verdwenen.

Gekleed in een pels, een stok in de hand marcheert de overwonnen keizer als een gewoon soldaat in ’t gelid mee. Het barre klimaat is de sterkste bondgenoot der Russen, en hun [131]voorzichtige taktiek doet het overige om het Fransche leger geheel te vernietigen.

Nu heerscht bijna duisternis om ons heen. Bij Leipzig staan Russen en Oostenrijkers, Pruisen en Zweden tegenover Napoleon. Hier stort zijn trotsch rijk als een kaartenhuis ineen; zelfs Parijs wordt veroverd, en de kroon wordt aan zijn hoofd ontrukt! Als gevangene voert men hem door het Rhônedal over Lyon naar de zee, en per schip naar Elba.

Maar nog is de kracht van dezen man niet uitgeput. Nog eenmaal vervult zijn naam de wereld met angst. Vergezeld van zeven kleine schepen zet hij koers naar Frankrijk’s kusten! Hij trekt over de West-Alpen; in Lyon wordt hij begroet als keizer, en Parijs opent hem de poorten.

Thans staat alles op het spel; in België zal de beslissende slag plaats vinden. Wederom vereenigen zich aan Frankrijk’s grenzen de vijandelijke legers. Europa is eindelijk den voortdurenden krijg moede, het besluit tot een beslissenden slag. Bij Belle-Alliance (Waterloo) strijdt Napoleon voor het laatst, hier wordt zijn lot voor immer bezegeld.

Nog eens verlaat de keizer zijn hoofdstad—nu voor altijd. In de haven Rochefort, tusschen de monden van Loire en Garonne gaat hij aan boord van een Engelsch fregat. Na een zeereis van zeventig dagen wordt hij op St. Helena, een klein eiland in het zuidelijk deel van den Atlantischen Oceaan, aan land gezet, om daar zijn zes laatste levensjaren in harde gevangenschap door te brengen! Onder de wilgen in een dal delft men zijn graf.

Nu heerscht volslagen duisternis in de Dôme des Invalides. Duister ontwaakt de werkelijkheid rondom ons. Negentien jaren na zijn dood vordert Frankrijk het stoffelijk overschot van zijn held op. Het eenzame graf op St. Helena wordt geopend, de viervoudige lijkkist wordt ontsloten in tegenwoordigheid van eenige getrouwen, die gedurende zes lange jaren des keizers gevangenschap gedeeld hebben; in de groen-witte uniform der garde ligt de overwinnaar van Marengo en Austerlitz, onveranderd als op zijn sterfbed voor hun oogen!

Dan brengt men het lijk op een Fransch fregat, de kanonnen donderen, de vlaggen waaien halfstok. In Cherbourg, in Normandië wordt de lijkkist aan land gebracht, en nog eenmaal houdt de veroveraar van Europa, onder militair eerbetoon, ten [132]aanschouwe van geheel Frankrijk zijn intocht in Parijs. Door zestien met rouwfloers bekleede paarden getrokken, begeleid door de oudgedienden uit zijn veldtochten, rijdt de lijkwagen met keizerlijke pracht tusschen dichte rijen van soldaten onder den triomfboog der Place de l’Etoile door langs de Champs Elysées naar de Dôme des Invalides, om daar in de sarcophaag van porfier te worden bijgezet.

Zoo werd de laatste wil van den wereldveroveraar, neergeschreven op St. Helena, vervuld: „Ik wensch dat mijn stof moge rusten aan de boorden der Seine, te midden van het Fransche volk, dat ik zoozeer heb liefgehad.”