WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 32: 33. DE LAGUNENSTAD.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

33. DE LAGUNENSTAD.

Wie voor het eerst Italië bezoekt, moet steeds met Venetië, de geboortestad van Marco Polo beginnen, en wel moet hij het zoo inrichten, dat hij er des avonds aankomt. Dan zal zich een tooverwereld voor zijn oogen ontsluiten, en hij zal meenen in een sprookje van de „Duizend en een Nacht” verplaatst te zijn!

Reeds de aankomst is wonderbaar. De trein heeft de vruchtbare vlakte in snelle vaart doorsneden en rolt nu voort over een smallen, maar 3600 meter langen dam, die de Lagunenstad met het vasteland verbindt. Rechts en links niets dan een donkere, onmetelijke watervlakte; slechts vooruit, heel in de verte, duiken tallooze lichten op. Ongeveer tien minuten lang rijdt men over dezen langen dam; dan stopt de trein in een ruime, hel verlichte hal, het station van Venetië.

We zien vooralsnog niets bijzonders. Zoodra we echter het station verlaten, treft ons een zoo eigenaardig schouwspel, dat we sprakeloos een poos blijven staan, verbluft van den ongewonen aanblik.

Geen groot, open plein, zooals men dat zoo vaak voor stations aantreft, geen geratel van rijtuigen en gebel van trammen, dicht voor ons kronkelt als een breed, donker lint een water waaruit de huizen steil opsteken, en rechts en links doorsnijden zijkanalen de stad. En op al deze waterwegen een ontelbare menigte Venetiaansche gondels, die er nog precies eender uitzien als vijfhonderd jaren geleden met hun zwanenhalzen en uitgesneden spitsen, die in het nachtelijk duister aan zeemonsters doen denken. Voor ons ligt het Canal Grande, de voornaamste verkeersweg die zich S-vormig door de stad heen slingert.

We huren een der gondels. De gondelier staat aan het eind van zijn vaartuig, den eenen voet een weinig naar voren geschoven; met bewonderenswaardige handigheid hanteert hij [136]zijn roeispaan. Een doodelijke stilte omgeeft ons: geruischloos glijdt de gondel voort en door het Canal Grande. Hoe verder we komen, des te beter begrijpen we waarom de Italianen deze Lagunenstad zoo liefhebben. Het eene paleis na het andere glijdt ons voorbij, het eene nog prachtiger dan het andere. Daar is het prachtige Palazzo Vendramin Calergi waarin een van Duitschland’s grootste toondichters, Richard Wagner, overleed; daar, aan de overzijde het beroemde Fondaco dei Turchi, in de 17de eeuw bekend als de verblijfplaats der Turken die Venetië bezochten. Verderop het sierlijke, in gothische stijl gebouwde Ca’ d’Oro, waarvan de marmeren gevel, spookachtig in den duisteren nacht uit het water schijnt op te stijgen. Ook het Fondaco dei Tedeschi, de voormalige stapelplaats der Duitsche kooplieden, glijden we voorbij, en komen dan onder den wereldberoemden Ponte di Rialto door, een prachtige brug met marmeren boog, bezet met een dubbele rij winkels.

De gondelier stuurt het vaartuig in een der kleine zijkanalen. Wederom andere beelden: nu eens stille, duistere hoeken, vol spookachtige geheimzinnigheid, dan weer smalle bruggen, waarover men gestalten ziet voortglijden, dan weer een prachtig paleis, waarvan de terrassen tot aan het water reiken. Nu klinkt uit een zijkanaal het smachtende lied van een gondelier. Kortom, tal van indrukken volgen elkaar op, en verlevendigen tevens de herinnering aan de avontuurlijke geschiedenis dezer wonderbare stad. We denken aan de macht en den rijkdom der dagen, aan de pracht en praal die Venetië’s roem over de geheele wereld verspreidden, aan de schitterende optochten over het water, aan het met de grootst mogelijke pracht vertoonde huwelijk van den Doge met de zee. Maar tevens denken we aan den gruwel der inquisitie, aan de folteringen der politieke gevangenen. Juist waren we onder de „Brug der Zuchten” door; een donker gat in den muur toont nog heden den weg dien de ter dood veroordeelden moesten nemen, welke hier in duistere diepte moesten sterven. Ginds, voor ons, verheft zich het Dogen-paleis, van welks kwellingen onder de looden daken de avonturier Casanova zulk een levendige schildering heeft gegeven. Hoevelen zijn daar niet in de verzengende hitte versmacht, die niet, zooals hij, aan hun boeien wisten te ontsnappen? [137]

We stijgen aan de Piazzetta uit. Voor ons liggen twee eilanden en verscheidene trotsche kerken; daarachter de zee, de wonderschoone Adriatische Zee. In de verte zien we een smalle kuststrook. Dat is Lido, de voornaamste badplaats van Italië, die jaarlijks duizenden, zoowel Italianen als vreemdelingen, tot zich trekt.

Na eenige schreden bevinden we ons op het San Marco-plein, in het Noorden en Zuiden begrensd door de zoogenaamde „Procuraziën”, oorspronkelijk de woonplaatsen der negen procuratoren, die aan het hoofd van het stadsbestuur stonden. Het zuidelijke paleis dient tegenwoordig tot residentie van den koning wanneer deze Venetië bezoekt. Het indrukwekkendst is echter de oostelijke zijde van het plein. Hier staat de Marcuskerk, gebouwd in Byzantijnschen stijl, met een heerlijken rijkdom aan mozaïeken, zoowel van binnen als van buiten. Men aanschouwt er niet minder dan vijfhonderd marmeren zuilen. Onder het hoogaltaar rust het gebeente van den heiligen Marcus, den schutsheilige van Venetië, door Venetiaansche burgers in het jaar 829 uit Alexandrië meegebracht. Niet minder indrukwekkend is het Dogenpaleis, naast de San Marco gelegen; met zijn ruime, prachtige zalen herinnert het nog heden ten dage aan de roemrijke Venetiaansche republiek. Maar niets is heerlijker dan ’s avonds bij maanlicht vanaf het balcon van dit paleis neer te zien op het Marcusplein. Duizende menschen, van allerlei stand en van verschillende natiën wandelen hier onder de tonen der muziek heen en weer. Slanke Venetiaansche vrouwen, de zwarte doeken bevallig over de schouders geworpen; zongebrande visschers uit Chioggia, patricische dames met trotsche trekken en aschblond haar, daartusschen Duitschers, Engelschen, Russen, Franschen, Turken, in een bont gewemel. Het vroolijke gebabbel en gelach vermengt zich met de smeltende Italiaansche melodieën, en over dat alles giet de maan een tooverachtig licht, dat de mozaïeken van San Marco verzilvert.—Als een betooverde prins, die tot het leven teruggeroepen is, staat men urenlang tegen de balustrade van het balcon geleund, en niet zonder weemoed neemt men van dit sprookjesachtige tafereel afscheid. [138]