WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 33: 34. DWARS DOOR ITALIË.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

34. DWARS DOOR ITALIË.

Wel moeten de verwachtingen hooggespannen zijn van hem, die van Venetië zijn eerste indrukken van Italië ontving, toen hij door de poorten der Lagunenstad zijn intrede in dit land deed. Wij echter komen op onze reis, van Zwitserland’s hemelhooge bergen in een heerlijk dal aan de oevers van het Lago Maggiore. Door steile bergen omringd, bevat dit donkerblauwe meer een groep kleine eilandjes, bezet met witte huizen, fraaie paleizen en groene parken. Een dezer eilandjes draagt den beroemden naam „Isola Bella”, het „mooie eiland”.

Dan snelt de spoortrein de Lombardische vlakte in, die het grootste deel van Noord-Italië omvat, en waardoor de Po heenstroomt, alvorens in de Adriatische Zee uit te monden.

De eerste groote stad, die nog geen bepaald Italiaansch karakter draagt, is Milaan. De straten zijn breed en goed geplaveid, de huizen modern gebouwd; men zou kunnen wanen zich in een groote Duitsche stad te bevinden. Ook van fabrieken, die in de kleinere Italiaansche steden nagenoeg geheel ontbreken, is Milaan ruimschoots voorzien.

Maar twee wonderen herbergt de stad. Het eene is de Dom, een der prachtigste Gotische bouwwerken. In het middelpunt der stad verheft zich dit indrukwekkende Godshuis op een ruim plein. Eerst wanneer men de vijfhonderd treden, deels binnen in het gebouw, deels aan de buitenzijde van den toren bestegen heeft, kan men zich een voorstelling maken van de reusachtige afmetingen. Niet minder dan acht en negentig spitsen, versieren als een woud van marmer het dakwerk, en het aantal marmeren beelden dat aan de buitenzijde is aangebracht, moet ongeveer tweeduizend bedragen. Geen andere kerk is met pulk een kwistigen rijkdom van marmer voorzien. De oogverblindende schittering van al dit marmer, vormt een wonderbare tegenstelling met het mystieke schemerlicht dat daarbinnen, door de beschilderde glazen, heerscht; daglicht en schemering hebben hier een verbond gesloten, om dit meesterwerk van architectuur, waarover meer dan twee eeuwen gebouwd werd, een bijzondere bekoring te verleenen.

Het tweede wonder van Milaan is het Heilige Avondmaal van [139]Leonardo da Vinci. Deze schat bevindt zich in het refectorium van een klooster, dat tegen de kerk Santa Maria delle Grazia aangebouwd is; jammer is ’t dat de jaren slechts te duidelijk hun sporen op dit beroemde schilderstuk hebben achtergelaten. Maar nog steeds verkondigen de omtrekken en verbleekte kleuren het genie van Leonardo.

De vruchtbare, dicht bebouwde vlakte van Lombardije biedt den reiziger geen bonte verscheidenheid van tafereelen. Eerst bij Piacenza, waar wij de Po oversteken, en waar reeds de noordelijke uitloopers der Apenijnen in ’t gezicht komen, wordt het terrein heuvelachtig. De trein voert ons langs den noordelijken rand der Apenijnen naar Bologna. Wij snellen de oude universiteitsstad Parma, waar de beroemde schilder Corregio arbeidde, voorbij evenals het overoude Reggio, de geboorteplaats van den dichter Ariosto. Dan volgt Modena, met zijn bijna duizendjarigen Dom en ten slotte bereiken we de vijftienhonderd jaar oude universiteitsstad Bologna.

Gedurende de middeleeuwen, en ook tijdens de Renaissance, was Bologna de verzamelplaats van alle naar wetenschap, dorstende jongelieden. Hier heeft ook Ulrich von Hutten zich aan de bron der kennis gelaafd. Bologna’s geschiedenis reikt ver in het verleden terug. Reeds in de vijfde eeuw voor onze jaartelling werd een heftige strijd gevoerd om het bezit der stad, totdat het door de Romeinen tot een hunner koloniën gemaakt werd. Ook keizer Frederik Barbarossa had menigen harden kamp om Bologna te voeren. Zijn zoon Enzio werd in 1249 in den bloedigen slag van Forsalta gevangen genomen, en werd langen tijd als gijzelaar door de Bolognesers gehouden. Het paleis waar hij in gevangenschap zuchtte, en, volgens het verhaal, door de schoone Lucia Biadagola vertroost werd, is nog heden ten dage te zien. Bologna is rijk aan kerken en paleizen. Een der mooiste is de onvoltooide kerk San Petronio. Hier werd Karel V door Paus Clemens VII gekroond.

De stad die op Bologna volgt, Ravenna, is het Pompeji uit den tijd der eerste Christenheid. Oorspronkelijk was Ravenna, evenals Venetië, een lagunen-stad. Ten tijde van keizer Augustus was het de oorlogshaven voor de vloot der Adriatische zee. Maar tegenwoordig ligt de stad op een afstand van tien kilometer van de zee verwijderd; zoozeer is in den loop der eeuwen [140]de kustlijn veranderd! Talrijke monumenten verkondigen nog heden ten dage den glans der vroegere Germaansche heerschappij over Italië. Weliswaar zijn er van het trotsche paleis van Theoderik nog slechts enkele zuilen over, maar nog altijd verheft zich in indrukwekkenden eenvoud zijn grafmonument. Hier is ook de laatste rustplaats van Italië’s grootsten dichter, Dante. Bij Bologna begint de spoorweg naar Florence de Apenijnen te doorsnijden. Het landschap verliest nu zijn eentonigheid. Diepe dalen en ravijnen wisselen af met steile rotsgevaarten, watervallen en wilde bergstroomen. Alvorens Florence te bereiken komen we door meer dan 20 tunnels, want deze stad, de kroon van Toscane, ligt diep in het dal van den Arno verscholen.

„La Bella”, de schoone, zoo noemen de Italianen Florence. Maar haar schoonheid springt niet dadelijk in het oog, zooals die van Venetië, ze is een schoonheid die slechts geleidelijk haar bekoorlijkheden tentoonspreidt.

De aantrekkelijkheid der stad ligt in de kunstschatten die binnen haar muren besloten zijn. Men hoeft nog niet de Uffiziën of het Palazzo Pitti bezocht te hebben, men behoeft nog niet op de Piazza della Signoria met het burchtachtige Palazzo Vecchio gestaan te hebben, om deze bijzondere bekoorlijkheid van Florence op te merken. Bijna op elken hoek der straat, bij elke fontein worden wij door een kunstwerk getroffen, en worden we herinnerd aan de namen van een Leonardo, Michel Angelo of Rafaël.

Niet ver van het station ligt een eenvoudige kerk, San Lorenzo genaamd, gebouwd door de Medici en andere Florentijnsche families. Deze kerk biedt weinig aantrekkelijks voor het oog, maar ze bevat de mooiste en zinrijkste grafmonumenten ter wereld. Ze zijn vervaardigd door Michel Angelo. Het was zijn plan om in deze kleine kapel nog meer van zulke meesterwerken op te richten, maar verstoordheid over het omverwerpen der republiek benam hem hiertoe den lust. Zoo hebben deze grafmonumenten, behalve hun oorspronkelijk doel, den roem der Medici door alle tijden heen te verkondigen, nog een tweede beteekenis; ze zijn de laatste getuigenissen der Florentijnsche kunst, die met den val der republiek uitstierf. Nauwelijks een eeuw had dit bloeitijdperk geduurd, maar gedurende dezen tijd zijn er binnen de muren van Florence zoovele kunstschatten [141]opgehoopt, dat de stad voor altoos „La Bella” zal blijven heeten.

Zuidelijk van Florence komen de sporen der antieke wereld duidelijker voor den dag dan die der Renaissance. Reeds het Trasmeensche meer, langs welke Westelijken oever we voorbij sporen, wekt de herinnering aan het oude Rome. Hier versloeg Hannibal in 217 v. Chr. het leger van den onvoorzichtigen Romeinschen consul Flaminius. Van af de bergtoppen der Apenijnen zien nog trotsche, ommuurde burchten uit de middeleeuwen op ons neer, en de een of andere bergvesting als Perugia of Siena herinneren ons aan de Renaissance; maar hoe meer we het dal van den Tiber naderen, des te talrijker worden de overblijfselen uit de oudheid, om eindelijk in de Campagne, en in Rome zelf, uit tal van ruïnes te verhalen van een wereld waaraan ook wij, bewoners van noordelijke gewesten, het grootste deel van onze beschaving te danken hebben. Daar ligt de eeuwige stad voor ons! Beschenen door de stralen der zon, schittert de vergulde koepel van den St. Pieter als een hemelsch vuur boven Rome!