WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 36: 37. „BROOD EN SPELEN”.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

37. „BROOD EN SPELEN”.

„Brood en spelen” brulde het naar vermaak dorstende Romeinsche gepeupel, en om bij het volk in de gunst te blijven, lieten de keizers van het Romeinsche rijk prachtige theaters oprichten waarin van tijd tot tijd op groote schaal volksfeesten gevierd werden. Zulk een theater was het Circus Maximus dat [146]aan 200.000 toeschouwers ruimte bood. Hier werden wedrennen gehouden met vierspannen. Op den van goud flonkerenden wagen stond met gebogen knieën de wagenrenner, de teugels in de handen. Geheel Rome, Senatoren, patriciërs en plebejers waren daarbij tegenwoordig, en temidden van zijn hofhouding en gunstelingen zat de keizer in zijn loge. De wagenrenners droegen verschillende kleuren, en bij het wedden op de een of andere kleur werden vermogens op het spel gezet. Een trompetsignaal gaf het teeken tot vertrek, en in het witte zand der arena joegen de voortrazende wagens dichte stofwolken op.

Zulk een theater was ook het circus van Nero. In den zomer van het jaar 64 n. Chr. ging Rome in vlammen op, en in een week tijds was de geheele stad in de asch gelegd. De Campagna werd wijd en zijd door dezen reusachtigen brand verlicht, en onschatbare kunstwerken gingen voor altijd verloren. Nero echter, de grimmige beheerscher van het Romeinsche rijk, genoot van dit gruwelijke schouwspel, en verheugde zich over de woede der vlammen! Hij zette zich een krans op het hoofd en terwijl hij zijn lier bespeelde, zong hij het lied van de verwoesting van Troje.

Maar onder de burgers verspreidde zich het gerucht dat de keizer zelf Rome zou hebben doen in brand steken, om ruimte te krijgen voor zijn waanzinnige bouwplannen, en zijn nieuw paleis. Nero vreesde den haat van het volk, en, om zich van deze verdenking te zuiveren, beschuldigde hij de leden der jonge christengemeente van deze euveldaad; ze hadden immers vaak in het openbaar de ongebonden leefwijze in de hoofdstad vervloekt, en den ondergang van het Romeinsche rijk en de overwinning der christelijke leer geprofeteerd. Wat lag meer voor de hand dan dat zij de schuldigen waren? Nu zouden ze voor hun misdaad boeten. De leiders der christenen, de apostelen Paulus en Petrus werden in ketenen geslagen, en met andere geloovigen in de Mamertijnsche gevangenis gebracht, een verpest onderaardsch gewelf tusschen het kapitool en het Forum. Bij geheele troepen sleepte men de geloovigen uit hun huizen en uit de plaatsen waar ze hun samenkomsten hielden, en dreef ze als kudden in de onderaardsche holen die met den circus van Nero in verbinding stonden. Hier moesten ze hun straf afwachten, en tevens zou het verbasterde gepeupel van een nieuw schouwspel genieten. [147]

In andere, met ijzeren tralies afgesloten, onderaardsche holen, bewaarde men leeuwen, tijgers en andere roofdieren. Dagen achtereen liet men de dieren honger lijden, en om hun bloeddorst nog meer te prikkelen, moesten de circus-beambten bloedige stukken vleesch voor hun hokken heen en weer bewegen. Rome sprak over niets anders dan over het op handen zijnde schouwspel!

De groote dag brak aan. Voorname mannen en vrouwen kwamen in prachtige draagstoelen, gekleed in purperen zijden gewaden; het krioelde van krijgslieden en blanke wapenen, de lucht was doortrokken met den geur van welriekende oliën en zalven. Men spreidde kussens en dekens over de banken uit, en nam zijn plaats in. In de keizerloge verschenen Nero en zijn hovelingen.

De trompetten schallen en terdood veroordeelde krijgsgevangenen betreden de arena voor het gladiatorengevecht. Voor een deel dragen ze helm en pantser, terwijl andere geheel ongekleed zijn. Net en een drietand zijn de wapenen van dezen, terwijl genen voorzien zijn van zwaard en schild. De tweekamp eindigt eerst met den dood van een der beide partijen, tenzij een wenk van den keizer den overwonnene begenadigt. Daarna komt een algemeen gevecht; maar, alvorens op elkaar los te stormen, begeven de gladiatoren zich met statigen tred tot voor Nero’s loge, en roepen: „Heil, U, Caesar, zij die sterven gaan, groeten U!” Zoodra het bloedige spel teneinde is, worden de lijken weggesleept, en versch zand in de arena rond gestrooid om de bloedsporen te bedekken.

Wederom schallen de trompetten, luider dan voorheen. Een christenschare wordt in de arena gedreven. Inplaats van in kleederen zijn ze in dierenvellen gestoken. Slechts hun bleeke, rustige gelaatstrekken zijn zichtbaar; opwaarts blikkend heffen ze een psalm aan, en hun gezang klinkt trotsch en luide over het heidensche Rome.

Nieuwe trompetstooten—en de ijzeren zijdeuren worden geopend; een troep wilde honden stort zich in de arena. In ’t eerst zijn ze schuw, maar met steenworpen en wilde kreten worden ze aangehitst; ze naderen hun prooi, trekken aan de dierenhuiden en besnuffelden het naakte vleesch. Zoodra er een begint, volgen de anderen zijn voorbeeld, en stillen hun honger. [148]Geen der martelaren smeekt om genade, geen keurt Nero één blik waardig. Eerst met den dood van den laatste verstomt het gezang.

Reeds worden nieuwe scharen binnengevoerd, en nu is het de beurt voor de leeuwen om hun honger te stillen. Zoo gaat het bloedige feest voort. Tijgers, panters, beren, wolven en jakhalzen worden op de christenen losgelaten terwijl het gepeupel brult van dolle opwinding, en de lucht van het bloed den geheelen circus vervult.

Wanneer het schouwspel voorbij en het theater ledig is, wagen zich eenige christenen die zich nog in vrijheid bevinden in de arena om het gebeente der dooden te verzamelen en ze te begraven in de grafplaatsen buiten Rome.

Er staat nog een derde theater op zijn oorspronkelijke plaats, het Colosseum, en dit bouwwerk is zoo goed bewaard gebleven, dat men zich nog een duidelijk beeld van zijn oorspronkelijken toestand kan vormen. Het is het mooiste en grootste bouwwerk uit de oudheid dat Rome bevat. Dit theater, voltooid in het jaar tachtig van onze jaartelling, werd onder de keizers Vespasianus en Titus gebouwd. De rijen banken, die ruimte boden voor 85.000 toeschouwers waren in vier afdeelingen verdeeld, waarvan de achterste en hoogste bestemd waren voor vrouwen en vrijgelaten slaven. Als toegangskaarten deden stukjes elpenbeen dienst, die de ligging der verschillende plaatsen zoo nauwkeurig aangaven, dat ieder dadelijk in het reusachtige gebouw zijn weg kon vinden. De zitplaatsen waren van marmer, en tal van marmeren beelden sierden de muren van het theater.

Daar de spelen gewoonlijk overdag gegeven werden, had men over de arena en de plaatsen der toeschouwers een reusachtigen zijden doek gespannen. Wanneer het theater met publiek gevuld was, bood het een schouwspel van overweldigende pracht. Op de beste plaatsen zaten de Senatoren in purperomzoomde toga, de priesters der verschillende tempels, zwart gesluierde Vestaalsche maagden, en krijgslieden in schitterende wapenrusting. Daarachter kwamen de rijen der Romeinsche burgers in hun witte of bonte toga, het hoofd onbedekt, baardeloos en met kort geknipt haar; ze onderhielden zich met elkaar in een taal die even welluidend was als het tegenwoordige Fransch en Italiaansch. De talrijke vreemdelingen die Rome bezochten, waren aanwezig, gezanten [149]uit alle landen der wereld, staatslieden, kooplieden en reizigers uit Germanië en Gallië, uit Syrië, Griekenland en Egypte.

Nog machtiger indruk krijgt men van dit bouwwerk wanneer met het niet overdag, maar des avonds bij maanlicht, bezoekt. Het plein voor het theater, waar eertijds de gladiatorenkazernen en de lijkenhuizen stonden, is nu leeg en verlaten, en de duistere nacht breidt zich uit over de ruïnen; maar wanneer men de geweldige arena binnentreedt, beschijnt het maanlicht de hooge, grauwe muren en de verweerde banken. Hier en daar gapen donkere holen, ’t zijn de toegangen tot de onderaardsche gewelven waar de christenen en de wilde dieren opgesloten werden. Want ook in dit theater is de bodem letterlijk met bloed gedrenkt.

Geen geluid van de stad, die ter ruste gegaan is, dringt tot ons door. En toch meen ik reeds lang weggestorven stemmen te hooren. Ik hoor het vreugdegehuil van het gepeupel, dat het bloed van de christenen ziet vloeien; ik hoor den strijdkreet der gladiatoren, het gekletter van hun wapenen wanneer zij elkaar op leven en dood bevechten; uit de onderaardsche gewelven stijgt een dof, hongerig gebrul dat de aarde doet beven, en boven dit alles uit stijgt helder en plechtig het overwinningslied der martelaren ten hemel!

Een circus, of een theater van den tegenwoordigen tijd,—dat is slechts speelgoed, in vergelijking met het Colosseum. De oude Romeinen waren meesters in het uitvinden van zulke schouwspelen, die naar den smaak van de massa waren. Geheele wouden werden tevoorschijn getooverd, waarin de gladiatoren op leeuwen en tijgers jacht maakten. In korten tijd kon het geheele tooneel onder water gezet worden, en op dit kunstmatige meer werden bloedige zeeslagen geleverd, totdat het water rood gekleurd was van bloed. Door vernuftige kanalen liep de arena dan in een oogwenk weer leeg, de lijken werden door slaven weggesleept, en het theater werd ingericht voor een nachtelijk feest. Dan werd de arena door fakkels verlicht, en nieuwe scharen gevangen christenen werden gekruisigd of voor de wilde dieren geworpen. Toen de Romeinsche keizer Philippus Arabs in 248 het duizendjarig bestaan van Rome vierde, traden twee en dertig olifanten, een groote menigte wilde dieren en tweeduizend gladiatoren in het Colosseum op. [150]