38. IN DE CATACOMBEN.
Niet ver van het Colosseum ligt het begin van een der oudste en beroemdste wegen, die ooit door menschenvoeten betreden zijn, de Appische weg. Hierlangs hielden keizers en legeraanvoerders hun zegevierenden intocht in Rome; hierlangs werden ze na hun dood uitgedragen om op brandstapels verbrand en in hun familiegraven bijgezet te worden. Hierlangs schreden in duisteren nacht de christenen, om de overblijfselen hunner, in de arena omgekomen, geloofsgenooten aan het onderaardsche Rome toe te vertrouwen. Langs den Appischen weg kwam ook Paulus Rome binnen, omstuwd door een schare christenen, die hem, zooals men in het laatste hoofdstuk van het boek der Handelingen lezen kan, tegemoet gegaan waren. Nog heden staat aan de Via Appia een kleine kapel; ze is geheeten „Quo vadis?” („waarheen gaat ge?”); aan deze kapel is de volgende sage verbonden:
Nadat de apostelen Petrus en Paulus negen maanden lang in den Mamertijnschen kerker gevangen gezeten hadden, werd het doodvonnis over hen beiden geveld. Als Romeinsch burger zou Paulus met het zwaard worden terechtgesteld; Petrus echter werd tot den onteerenden kruisdood veroordeeld.
Doch in den nacht, voorafgaande aan den dag waarop het vonnis voltrokken zou worden, kwamen de gevangenbewaarders bij de gevangenen, bevrijdden hen van hun boeien en fluisterden hun toe: „Vlucht, voor het te laat is!” Paulus vluchtte niet, hij was bereid om voor zijn geloof te sterven. Petrus echter kon, volgens de sage, de verzoeking niet weerstaan. Het was een duistere nacht, de regen stroomde kletterend op het marmeren plaveisel van het Forum neer, en de storm huilde door de zuilengangen. Over de verlaten markt voortsnellend, bereikte hij een der stadspoorten en ontvluchtte Rome langs de Via Appia. Wel sprak zijn geweten, maar hij trachtte het tot zwijgen te brengen door te denken aan al de bekeeringen, die hij zou volvoeren, indien hem nog eenige jaren levens vergund werden.
De storm bedaarde en de lucht werd helder. Daar bespeurde Petrus voor zich uit een lichtschijnsel, dat hem tegemoet kwam. Het licht was niet geel, zooals van vuur, maar blauwachtig als [151]het schijnsel van sterren, en toen het nabij gekomen was, zag Petrus dat het licht van een stralenkrans uitging, die het hoofd omgaf van een man, gehuld in een lang wit gewaad.
Petrus gevoelde bij dezen aanblik een wondere ontroering. Toen de onbekende twee schreden aan Petrus voorbij was, wendde hij zich om en zag den apostel met denzelfden weemoedigen zachten blik aan, dien Petrus zich zoo wel herinnerde van drie en dertig jaar geleden, in den hof van den hoogepriester Kajafas. Hij wierp zich voor Jezus’ voeten, en vroeg:
„Heer, waarheen gaat ge?”
En Jezus antwoordde: „Naar Rome, om nog eenmaal gekruisigd te worden!”
Toen boog Petrus het oude, moede hoofd ter aarde, en weende bitterlijk. Toen hij zich weder ophief, was de Meester verdwenen, en de apostel stond alleen op de Via Appia.
Opnieuw was de storm opgestoken, en zware wolken joegen over de Campagna naar de Appenijnen. Zonder aarzeling, keerde Petrus om, en snelde naar Rome terug. Onderweg ontmoette hij een vrijgelaten slaaf, dien hij zelf gedoopt had.
„Heer, waarheen gaat ge?” vroeg de slaaf verbaasd. En Petrus antwoordde: „Naar Rome om gekruisigd te worden!” Met vluggen tred ging hij verder, ging weer over het Forum, en daalde in de Mamertijnsche gevangenis af. Hier liet hij zich door den gevangenbewaarder de ketenen weer aanleggen.
Den volgenden dag bracht men hem naar een heuvel waar het kruis reeds opgericht was. Daar hij zichzelf evenwel voor onwaardig hield om in dezelfde houding als zijn Heiland te sterven, vroeg hij den Romeinschen krijgsknechten om de gunst om met het hoofd naar omlaag aan het kruis genageld te mogen worden.
Langs de Via Appia gaat men ook wanneer men de onderaardsche catacomben wil bezoeken.
Twee monniken met waskaarsen voeren ons een trap omlaag, en dan gaat het door smalle gangen die een duister en vochtig labyrint onder de aarde vormen. De meeste gangen zijn slechts een meter breed, het dak is gewelfd, en in de wanden ziet men ontelbare nissen waar de christenen hun ontslapene broeders en zusters bij zetten. Men legde het lijk in een doek; kruiste de armen over de borst, wendde hun gezicht naar het Oosten. [152]De nissen werden afgesloten met een marmeren plaat, of met eenige tichelsteenen, en dan zongen de rouwdragers, met fakkels in de handen, geestelijke liederen.
Hoevele lijkstoeten zullen zich wel door deze gangen hebben voortbewogen! Hier rustten de martelaren. Hier verzamelden zich de christenen tot gemeenschappelijk gebed of beraadslagingen, en nog in de vijfde eeuw vierden ze hier in den schoot der aarde feesten ter herinnering aan hun martelaren.
Een steile, donkere trap brengt ons nog een verdieping lager. Vaak liggen vier of vijf verdiepingen onder elkaar, waarvan de diepste meer dan twintig meter beneden den grond ligt. Alle gangen tezamen vormen een lengte van negenhonderd kilometer, en overal vindt men nissen in de wanden; het onderaardsche Rome bevat meer dan drie millioen zulke graven!
Het zou levensgevaarlijk wezen, zich hier zonder een gids te wagen. Men zou doelloos ronddwalen, vergeefs een uitweg zoeken, nu eens rechtsom, dan weer ter linkerzijde een zijgang inslaan. Wanneer de waskaars opgebrand was, zou men al tastend den weg zoeken, telkens struikelend zou men al verder en verder verdwalen. Niet het geringste geluid! Alleen de echo zou op het hulpgeroep antwoorden. De waanzin zou als verlosser komen en men zou het hoofd te pletter stooten tegen een der grafsteenen in deze doodenstad!
In de musea, vooral in het Vatikaan, bevinden zich tal van marmeren gedenkplaten uit dezen oud christelijken tijd. De inschriften zijn in het Latijn of Grieksch geschreven, en bevatten vaak zinnebeeldige voorstellingen waarbij de visch de Heiland, het olijvenblad de vrede, een schip het menschenleven, de duif de ziel van den afgestorvene, het anker de hoop op de opstanding, en de palmtak de zege der zaligen beteekent.
Niets is treffender dan deze grafsteenen met hun korte, veelzeggende afscheidswoorden. Voor de antieke marmeren beelden staat men in stomme bewondering; hier echter, te midden der schatten van deze doodenstad, hoort men de steenen spreken. Voor ongeveer tweeduizend jaren hebben de levenden, vaak in onbeholpen schrift, hun geloof, hun liefde, hun droefheid en hun hoop aan deze steenen toevertrouwd. [153]
Colosseum in Rome.
[154]
Het Forum van Pompeji met de Vesuvius.
[152]
Maar wij moeten afscheid nemen van Rome. Er is echter een middel om zich de terugkomst in de eeuwige stad te verzekeren. [155]
Ik heb het zelf geprobeerd. Op een klein plein in Rome verheft zich voor den voorgevel van een prachtig paleis de Fontana Trevi. De zeegod staat op zijn wagen, een reusachtige schelp, die door twee zeepaarden wordt getrokken. Door tritons geleid willen zij over den rand van de nagemaakte rotsen springen, waarover het water in hel-groene golven en witte stralen afstroomt, om beneden in een rond bassin saam te vloeien.
Als de laatste avond van uw verblijf te Rome is aangebroken, begeeft u dan naar de Fontana Trevi. Hier werpt gij—voor de straatjongens—een klein geldstuk in het bassin; laat uw hand volloopen onder een der waterstralen en drinkt van het water van Rome—dan zal u de toovermacht van den zeegod gevangen houden, en uw ziel zal geen rust vinden, voordat gij nog eens uw schreden hebt gericht naar de Eeuwige Stad!