39. POMPEJI.
Weer eenige uren langs glinsterende rails en wij zijn te Napels. Ginds in het Oosten broedt de kegel van den Vesuvius, als een vuurspuwende draak over den zeeboezem, aan welks oever steden en dorpen en stralend witte landhuizen, zoo dicht naast elkaar liggen, als de kralen van een rozenkrans. Op de met lava geplaveide straten van Napels loopen wij rond en kunnen ons niet verzadigen aan het gezicht van de prachtige, bruine gezichten, de bonte, morsige kleederdrachten. Steeds weer zouden wij de melodieuse liederen willen hooren, die ter eere van het liefelijk Napels weerklinken. „Napels zien en dan sterven” is een Italiaansch spreekwoord, het wil zeggen dat voor hem die Napels niet zag, het leven geen waarde heeft!
Wij gaan het nationaal museum binnen en nu verdwijnen voor ons het bonte leven daarbuiten op de straten, de blauwe Golf van Napels en de krans van groenende tuinen. Hier overweldigt ons het verleden, dat in een grootsche verzameling van kunstwerken, beelden en schilderijen uit Pompeji ons tegemoet treedt.
In de zevende eeuw voor de geboorte van Christus, werd niet ver van de kust, aan de Golf van Napels, aan den [156]zuidelijken voet van den Vesuvius de stad Pompeji gesticht. Ongeveer tachtig jaar voor onze tijdrekening kwam ze onder Romeinsche heerschappij en gedurende de volgende honderd vijftig jaren ontwikkelde zij zich in architectuur, taal en gewoonten tot een echte Romeinsche stad. Een muur met torens omringde de huizen en straten met haar 20.000 inwoners en bij het invallen van den nacht werden de acht stadspoorten gesloten. Op het voornaamste plein, het Forum, waar volksvergaderingen en feesten werden gehouden, verhief zich, tusschen open hallen en zuilengangen en een reeks marmeren beelden, de tempel van Jupiter.
Op het tweede plein stonden het theater en een oude Grieksche tempel.
Pompeji werd spoedig een lievelingsstad der aanzienlijke Romeinen, die in het stadsgebied zelf van Pompeji of in de wonderschoone omgeving ervan prachtige villa’s lieten bouwen. Een dezer villa’s, bij de noord-westelijke stadspoort, behoorde aan den beroemden redenaar en schrijver Cicero, die van tijd tot tijd in dezen, zijnen „Tusculum”, ontspanning zocht van het geraas en het onrustige leven in Rome. Men weet heel nauwkeurig dat hij zich hier het laatst ophield in het jaar 44 na Christus, kort na den moord van den grooten Julius Caesar.
Niet ver van de villa van Cicero liep noord-westelijk de „Weg der Graven”, die evenals de Appische heirweg aan beide zijden door grafmonumenten is begrensd, van de eenvoudigste gedenksteenen, tot de kostbaarste altaren en tempels; zij bevatten alle de urnen met het gebeente en de asch der dooden.
De straten waren recht en regelmatig aangelegd, eenige breed, vele heel smal. Zij waren met lavazerken, geplaveid en verhoogde trottoirs liepen langs de huizen. Langs eenige straten waren aan beide zijden winkels, hier en daar was een rij steenen dwars over de straat gelegd, opdat de voetgangers na hevige stortregens, die destijds evenals nu nog alle wegen in kanalen en rivieren veranderden, droogvoets aan den anderen kant konden komen.
Pompeji bezat vele baden, die prachtig en met de uiterste geriefelijkheid waren ingericht. Uit steen opgetrokken, waren zij koel en donker, en boden gedurende den warmen zomer [157]een heerlijke verkwikking. Men legde zijn kleeren in de nissen van de ontkleedhal, en liep van het eene badkamertje naar het andere, om eerst een heet luchtbad, dan een warm bad, en eindelijk een koud bad te nemen. De muren van de kamer voor het koude bad waren met schilderijen versierd, die schaduwrijke bosschages en donkere wouden voorstelden; de blauw gewelfde zoldering was met gouden sterren bezaaid, en het zonlicht viel slechts door een klein rond venster naar binnen; daardoor geleek het bassin op een klein meer in een bosch, onder den vrijen hemel. Men liet zich door de badknechten masseeren en met welriekende oliën inwrijven.
De huizen der welgestelde burgers waren met uitgezochten smaak, en grooten kunstzin ingericht. Naar de straatzijde toe was niet veel meer te zien dan kale, gelijkvormige muren, want de oude Romeinen wilden het heiligdom van hun tehuis niet laten ontwijden door het geraas der straat en de nieuwsgierigheid der voorbijgangers. Precies zoo is het ook nu nog, zooal niet in Italië en Griekenland dan toch in het gansche Aziatische Oosten. In het inwendige wordt daarentegen des te grooter pracht tentoongesteld. Hier stonden beelden en busten, onder open zuilengangen, geurende, weelderige bloembedden, en midden in de voornaamste zaal, in het „atrium” was in den mozaïeken vloer een marmeren bassin aangebracht. Door een vierkante opening in de zoldering boven het bassin, keken zon en maan binnen, en de regen vermengde vaak zijn droppels met de stralen van de steeds klaterende fontein.
Indien de heer des huizes een gastmaal gaf, dan droegen slaven tafels aan, en terwijl ze op lange rustbedden lagen, gebruikten zij de overdadige spijzen; dronken, schertsten en luisterden onderhand naar de tonen der fluiten, citers en cimbalen en volgden met slaperige, door het gebruik van wijn verduisterde oogen de bewegingen van danseressen.
Dat was een gelukkige tijd van ongestoorde rust voor Pompeji! Men genoot van de gaven der wouden, der tuinen en van de zee, dreef handel, vervulde zijn ambtsplichten en verzamelde zich voor beraadslagingen op het Forum, op welks steenen zerken de marmeren zuilen koele schaduwen wierpen. Wie dacht aan den nabijzijnden Vesuvius! Sedert duizenden jaren was de vulkaan reeds uitgebluscht en op oeroude lavastroomen [158]stonden oeroude boomen en tegen de hellingen van den berg rijpten in de zon de heerlijkste druiven, waaruit nog tegenwoordig een wijn wordt geperst, die „de tranen van Christus” heet. De sage vertelt, dat de Heiland eens op zijn omwandeling op aarde, den Vesuvius heeft beklommen, en eerst is blijven staan in stomme bewondering over het heerlijke landschap dat de Golf van Napels omgeeft. Daarna zou Hij, door leed, over deze plaats der ijdelheid en der zonde bitter hebben geschreid. En juist op de plaats waar zijn tranen op aarde neerdruppelden, ontsproot een wijnrank, die haars gelijke niet had!