40. ONDER DE ASCH VAN DEN VESUVIUS.
Een jaar voor den brand van Rome werd Pompeji door een geweldige aardbeving geschokt, maar de bewoners vatten weer gauw moed en bouwden hun stad weer schooner en prachtiger op. Zestien jaren gingen voorbij, toen viel de meest vernietigende slag, die ooit een stad heeft getroffen sedert Sodom en Gomorrha door vuur uit den hemel werden verteerd.
Plinius de Oudere, die ons een onsterfelijk natuur-wetenschappelijk werk heeft nagelaten, was destijds bevelhebber over de Romeinsche vloot; ze lag in de bocht van Napels voor anker, terwijl hij zelf vertoefde bij zijn zuster, op een plaats niet ver van Pompeji. Plinius de Jongere, zijn neef, een jonge man van achttien jaren, was eveneens bij zijn moeder te gast.
De 24ste Augustus van het jaar 79 brak aan. De Vesuvius had zich zoo lang stil gehouden, maar nu kende zijn woede geen grenzen. In den loop van enkele uren begroef hij Pompeji en nog twee andere steden, Herculanum en Stabiae onder een regen van puimsteen en asch en onder een stroom gloeiende lava en heete modder. Onder hen die er het leven bij verloren behoorde ook Plinius de Oudere.
Verscheidene jaren later schreef de geschiedschrijver Tacitus aan Plinius den Jongeren en verzocht hem eenig bericht te geven over den dood van zijn oom. Deze geschriften zijn nog bewaard. Plinius beschrijft hoe zijn oom beneden aan het strand door een regen van asch en zwaveldampen stikt. Hij zelf had gezien hoe vurige vlammen uit den krater opstegen en hoe de Vesuvius [159]een zwarte wolk uitspuwde die zich omhoog, als de kroon van een pijnboom vertakte. Hij was met zijn moeder gevlucht in den voorhof van haar huis; maar toen de grond onder hun voeten begon te wankelen en de lucht zich met asch vulde, snelden zij met nog een menigte menschen weg. Zijn reeds bejaarde moeder smeekte hem zich toch door een haastige vlucht te redden, maar hij wilde haar niet alleen laten. „Dikke rookerige duisternis,” zoo luidt zijn beschrijving, „welfde zich dreigend boven ons. Zij overstroomde de aarde als een voortstormende rivier, en golfde achter ons aan. „Laat ons terzijde afslaan,” zeide ik, „zoolang wij nog kunnen zien, opdat wij onderweg niet vallen en in de duisternis, door hen, die ons volgen, worden vertreden.” Ternauwernood waren wij gelukkig aan het gedrang ontkomen, of diepe nacht omringde ons reeds, een nacht, niet alleen zonder maan of bewolkt, maar zooals hij in dichtgesloten ruimten heerscht, waar het licht is uitgebluscht.” Dan vertelt Plinius hoe de vluchtenden kussens op hun hoofd bonden om niet verpletterd te worden door neervallende steenen en hoe men onophoudelijk de asch van zich moest afschudden om niet door den last daarvan op den grond te worden gedrukt. Hij zelf bleef onder deze gebeurtenissen heel kalm, want hij was er van overtuigd, dat de geheele wereld nu ten onder moest gaan.
Door deze uitbarsting van den Vesuvius werd Pompeji onder een dikke, zes meter hooge laag puimsteen en asch begraven. Nog vele jaren later gingen de bewoners van omliggende streken er heen om met spaden allerhande uit te graven. Maar daarna daalde Pompeji in den nacht der vergetelheid en sliep 1500 jaren onder de aarde. Maar na 1500 jaren werd de stad weer ontdekt en men begon opnieuw te graven. Akkers, moerbeiboschjes en landgoederen waren intusschen op het kleed van het geweldige bed van asch opgegroeid. Maar pas vijftig jaar geleden begon de navorsching van den nieuwen tijd met ernst de bedolven stad op te graven, en nu heeft men het reeds voor meer dan de helft gedaan. Tegenwoordig kan de vreemdeling ongehinderd door haar straten rijden, de oude winkels en baden inzien en de prachtige muurschilderingen in de paleizen der aanzienlijken bewonderen. De zuilen van den tempel van Jupiter, die zoo lang in ondoordringbaren nacht begraven [160]waren—werpen nu weer, in de verblindende zon hun schaduw op dezelfde steenen zerken van het Forum als te voren. De Weg der Graven is opengelegd en jonge cypressen schieten omhoog tusschen de grafteekenen. De dooden, die voor den tweeden keer begraven werden, toen de Vesuvius zijn asch over hen uitspreidde, luisterden nu opnieuw naar de schreden van een jong geslacht, buiten op de straat.
Maar de ongelukkigen, die levend onder den aschregen werden begraven, zijn lang tot stof vergaan, en toch zijn er nog en in de musea kunnen wij hen met verwrongen ledematen, het gelaat op den grond gedrukt, zien liggen precies in de houding, die zij innamen, toen zij neervielen en de asch hen bedekte. Want zoo bleven zij als in een gietvorm 1800 jaren liggen! Hun stof werd weer aarde, maar de ontstane ledige ruimte bleef bestaan, en als men gips in zulke holten giet, dan verkrijgt men een levendig afbeeldsel van die menschen in het oogenblik van hun dood! Hier ligt een vrouw, die voor haar huis is neergestort en krampachtig een buidel van goud en zilver met beide handen omklemd houdt; ginds een man, wiens hoofd zwaar op de ellebogen is neergevallen en daar een hond, die zich ineen heeft gerold, voordat hij stikte. Zoo is de slapende stad tot nieuw leven ontwaakt en de dooden zijn teruggekeerd uit het rijk der schaduwen.
Onverbiddelijk heeft de spade alle geheimen van Pompeji onthuld; de asch heeft alles getrouw bewaard, tot zelfs de vluchtige invallen, die op de hoeken van huizen werden geschreven. Op een huis werd aangegeven, dat het vanaf den eersten Juli te huur was: „Mogelijke huurders worden verzocht zich tot den slaaf Primus te wenden.” Op een anderen hoek raadt een grappenmaker een kennis aan: „Loop heen en hang je op!” Een burger schrijft van zijn vriend: „Ik hoor tot mijn leedwezen, dat je gestorven bent.—Vaarwel!” Een andere muur draagt de vriendelijke aanmaning: „Hier is geen plaats voor luilakken, maak dat je wegkomt, jij, deugniet!” Het merkwaardigst zijn echter de woorden Sodom en Gomorrha, die stellig door een Jood tegen een huis werden ingekrast. Zelfs de schrijfoefeningen der schooljongens zijn nog tegen een muur te herkennen, pogingen in het Grieksche alphabet, hetgeen bewust dat de Grieksche taal een deel van het onderwijs uitmaakte. [161]Oudere jongens hebben, precies als zij nu nog doen, verzen van voorname dichters ingekrast, en eens vindt men, met houtskool geschreven en nog maar voor de helft leesbaar: „Verheug u op het vuur, Christen!” Zoo bespotte men de martelaars, die met teer overgoten in den tuin van Nero als fakkels werden verbrand!
De kunstschatten, schilderijen en beeldhouwwerken, die men te Pompeji heeft uitgegraven, hebben met den geheelen aanleg der stad, haar bouwtrant en haar inschriften een licht over het leven der Oudheid geworpen, dat men te voren nooit had vermoed. Maar nog een veel rijkeren oogst voor de wetenschap verwacht men uit het bed van lava en slib, dat Herculanum, de stad die naast Pompeji lag, bedekt. Maar op dien bodem zijn intusschen twee steden verrezen, die eerst verwijderd zouden moeten worden als ook Herculanum uit zijn eeuwigen slaap gewekt zou worden.
Vaarwel, Pompeji en Napels!
Wij gaan in gedachten op een schip dat ons over de Golf van Napels draagt. Rechts laten wij het verrukkelijke eiland Capri achter ons. Aan de noordelijke zijde ervan kan men liggend in een platte roeiboot, of zwemmend een rotsopening, die niet hooger is dan een meter, voorbij gaan, die toegang geeft tot de Blauwe Grot. Zij werd in 1826 door twee Duitsche schilders ontdekt. Daarbinnen strekt zich een stille, kristalheldere watervlakte uit, meer dan vijftig meter den berg in en het gewelf boven den waterspiegel is vijftien meter hoog. De eenige verlichting van het inwendige der grot, is de reflectie der kleur van den hemel en van de zee in de grot, van welker gewelf en wanden druipsteenen als ijskegels neerhangen—alles blauw. Dompelt men een roeispaan of de hand in het water dan glinstert zij, door de reflectie van den witten zandbodem, zilverwit. Maar men kan het slechts bij kalm weer wagen er in te varen, anders zou de boot tegen de rotsachtige zoldering verpletteren. Slechts moedige bewoners van Capri wagen er zich ook bij hooge zee in, met groote handigheid en vlugheid boegseeren zij hun boot tusschen twee golfslagen in de grot.
Aan onze linkerhand verbergt een landtong de witte huizen en olijftuinen van Sorrent, een kleine stad, die door groote dichters werd bezongen. Daarna stevenen wij op de turkoois-blauwe [162]watervlakte van de Tyrrheensche zee verder. In het Zuiden duikt het rotseiland Stromboli uit de golven op, met zijn vuurspuwenden op een vuurtoren gelijkenden vulkaan. In de straat van Messina zijn wij tusschen de kusten van Calabrië en Cicilië, die zoo vaak door ontzettende aardbevingen werden verwoest. Maar nu gaat het naar buiten, in de groote, open Middellandsche Zee. Achter ons verdwijnt Italië en daarmede Europa aan den horizon, en wij schommelen naar het Oosten, naar het land der pharao’s.