WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 41: 42. MET GORDON DEN NIJL OP.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

42. MET GORDON DEN NIJL OP.

Gordon had het stadhouderschap van de nieuwe provincie, niet ver van de bronnen van den Nijl op zich genomen in de hoop den slavenhandel eindelijk te kunnen uitroeien of althans eenigszins de jacht op zwarte mannen en vrouwen te stuiten. [166]Hij voer van Caïro over de Roode Zee naar Soeakin, reed naar Berber aan den Nijl en werd daar door den generaal gouverneur der provincie Chartoem met grooten luister ontvangen. Hier vernam hij dat de Nijl nog 1500 kilometer verder zuidelijk bevaarbaar was en hij dus zijn reis zonder oponthoud kon voortzetten.

De Nijl bood aan Gordon’s stoomboot den uitnemendsten weg. Maar dezelfde rivier kan voor den reiziger ook een onoverwinnelijken hinderpaal zijn. Want na den regentijd treedt ze buiten haar oevers en vormt een onontwarbaar doolhof van zijarmen, meren en moerassen. Tusschen ondoordringbare bosschen van riet en velden van papyrusstruiken is de vrije waterweg dikwijls niet meer dan een nauwe doortocht. De wortels der grootere planten maken zich los uit het slik en pakken zich samen met stengels en aarde tot koeken, die dan door het aandringende water naar het Noorden worden gedreven. In smalle openingen of bij scherpe bochten blijven ze hangen en telkens worden weer nieuwe van deze eilanden aangespoeld en botsen tegen ze aan. Zoo stuwden zij het water der rivier op, en tusschen deze natuurlijke dammen vormt het water meren. Zulke gezwellen van drijvende en vastrakende, verrottende vegetatie noemt men „Sedd”, en hoe sterker de regen is, des te grooter is deze stroomafwaarts gedreven slibmassa. Eindelijk weeken de hardgeworden koeken weer, bezwijken voor den druk van het water en dan is de Nijl weer bevaarbaar.

Langzaam gleed Gordon’s stoomboot stroomopwaarts en drong steeds dieper in de tot nu toe onbekende wereld van het tropisch Afrika. Aan den oever schommelden de waaiers der papyrusstruiken boven het riet. Uit het merg van den papyrus bereidden de oude Egyptenaren een stof, het papier, waarop zij hun kronieken neerschreven. Tusschen de struiken zag de bemanning van de stoomboot de zwarte inboorlingen en zwervende scharen luid schreeuwende apen. De nijlpaarden, op zwemmende eilanden gelijkend, vertoonden zich slechts bij nacht, als zij het ondiepe water opwoelden. Achter de weelderige vegetatie van de oevers strekten zich eindelooze grassteppen uit, met hun groot aantal dieren, en hun schaarsche bosschen.

Na vier dagen en vier nachten gleed de stoomboot het eiland Abba voorbij. Hier woonde in zijn grot een bedelmonnik, de [167]derwisch Mohammed Ahmed, en deze eenvoudige man wierp zich later op tot beheerscher van Soedan en zijn fanatieke scharen zouden tien jaar later Gordon’s moordenaar worden!

Midden April bereikte Gordon Gondokoro, een kleine plaats, die tegenwoordig op de grens van Soedan en Britsch-Oost-Afrika ligt. En nu begon hij als stadhouder van de aequator-provincie zijn werkzaamheid. De Egyptische soldaten die hier en in twee andere plaatsen aan den Nijl in garnizoen lagen en op eigen hand een rooversleven leidden, voedde hij op tot nuttigen arbeid met ploeg en spade, de slavenjagers die men meester kon worden, werden gevangen genomen en de slaven bevrijd. Overal stond Gordon de armen bij, beschermde de hulpeloozen en zond aan de hongerenden durrha.

De hitte was ontzettend en misschien nog erger de wolken bloeddorstige muggen, door welke Gordon en zijn metgezellen werden geplaagd. Maar toen in September de regen begon te vallen en de geheele streek in een moeras veranderde, werd hun toestand nog gevaarlijker, want uit deze moerassen stegen moordende koortsdampen omhoog. Na een maand waren reeds zeven van Gordon’s officieren aan de koorts overleden, maar hij zelf werkte onverpoosd aan zijn taak. „Als God wil, zal ik in dit land veel uitrichten”, schreef hij in zijn dagboek.

Spoedig zag hij, dat de beste streken van zijn provincie aan de groote meren in het Zuiden lagen. Maar de provincie Aequatoria was te ver van Egypte verwijderd; zij hing als aan een oneindig lang koord, den Nijl. En van het Victoria-Niansa—het grootste meer—tot aan Caïro waren het in rechte lijn 3500 kilometer. Des te korter was de weg naar Mombasa, aan de Oostkust. Gordon raadde daarom den Khedive aan Mombasa te veroveren en vandaar uit een weg naar het Victoria-Niansameer aan te leggen. Daardoor zou de bestrijding van den slavenhandel aanmerkelijk veel gemakkelijker zijn geweest. Met vurige woorden schilderde hij hem in brieven den toestand in Soedan en deze brieven deden den Khedive de oogen opengaan over dingen, waarover hij uit den mond zijner pacha’s nooit de waarheid had vernomen.

Gordon wilde allereerst een stoombootdienst instellen naar de meren; toen de Nijl begon te stijgen, kwamen de stoombooten aan. Nu ging het verder naar het Zuiden. De inboorlingen [168]sloegen deze expeditie echter met haat gade en vreesden de Egyptische overheersching. Zij beproefden het verder doordringen van den „Witten Pacha” te verhinderen, het was Gordon zeer pijnlijk de wapenen tegen hen te moeten keeren. Zij verlangden verder niets dan in hun woestijnen en bosschen met rust te worden gelaten, en het doel van den indringer was hen onbegrijpelijk. Gewelddaden stond Gordon echter aan zijn manschappen niet toe. Gestolen vee moesten zij weer teruggeven en de dochter van een hoofd, die zij gevangen genomen hadden, liet hij met kostbare stoffen en gewaden tooien en onder ridderlijke bescherming weer naar huis brengen. In tegenstelling van alle andere Europeanen kende hij noch haat noch wreedheid; vandaar zijn merkwaardige macht over de wilden van Afrika, precies zooals hij tien jaren vroeger over de Chineezen had gehad!

Na groote moeielijkheden bereikte hij eindelijk het noordelijkste der Nijl-meren, het Albert-Niansameer. Het bereiken van dit doel was een heldendaad. Maar tot aan het Victoria-Niansameer door te dringen gelukte hem niet, want de beheerscher van het land tusschen de meren duldde geen indringers noch blanke, noch Arabieren.