43. DE WITTE PACHA.
Drie jaren lang werkte Gordon aan den Boven-Nijl, in de nabijheid van den aequator. Gedurende de volgende drie jaren vinden wij hem verder noordelijk als stadhouder van het geheele Egyptische Soedan; Chartoem is z’n hoofdstad. Zijn provincie is 2000 kilometer breed, vanaf de Roode Zee tot aan de Sahara en haar uitgestrektheid naar het Noorden en Zuiden is niet minder.
Het geheele land bevindt zich in opstand. De Khedive van Egypte heeft met den koning van het christelijk Abessinië een ongelukkigen oorlog gevoerd en de Mohammedaansche rijken: Kordofan en Darfoer in Westelijk Soedan zijn tegen hem opgestaan. Juist in dit deel van de provincie van Gordon doorkruisen half wilde Bedouïnen-stammen de woestijn, eenige van de boosaardigste slavenhandelaars hebben daar hun holen. [169]
In Mei 1877 beklimt Gordon zijn vluggen dromedaris voor een reis van 3300 kilometer. Hij zelf wil de dorpen en tentkampen der slavenhandelaars in het ver verwijderd Darfoer opzoeken, ondanks het warme jaargetijde. Troosteloos strekt zich naar alle kanten de woestijn uit, grauwgeel, stoffig en droog. Als de zon de middaghoogte heeft bereikt, verdwijnt de schaduw van den dromedaris bijna onder het dier.
De eene mijl na de andere jaagt de Witte Pacha over het woestijnzand op zijn prachtig rijdier, dat in geheel Soedan beroemd is. Eenige honderden Egyptische ruiters volgen hem, maar ze blijven ver achter, alleen de gids is in staat hem bij te houden. Geheimzinnig en onverwacht als de wind stuift hij verder, en houdt voor de poort eener oase stil nog voordat de wacht zijn geweer kan presenteeren. En nadat hij uit naam van den Khedive zijn bevelen heeft uitgedeeld, verdwijnt hij even geheimzinnig; niemand weet waarheen. In een andere 500 kilometer verder liggende oase, heeft men bericht van zijn reis ontvangen, en de hoofdman heeft wachten uitgezet, die de nadering van den Witten Pacha moeten melden. Geel en zandig strekt zich in het rond de door de zon doorgloeide woestijn uit, evenals de spiegel der zee; mijlen ver moet men elken reiziger kunnen zien. Daar meldt de wacht twee zwarte punten in het verschiet. Dat kunnen niet anders dan de voorrijders van den pacha zijn, en het zal nog wel uren duren, voordat hij zelf met zijn troepen aankomt. De beide punten worden grooter en naderen snel; de lange pooten van den dromedaris glippen over den woestijngrond, zij vliegen als op onzichtbare vleugelen. Daar zijn zij reeds aan den rand van de oase, en de bewoners vertrouwen hun oogen niet; de een der beide aangekomenen draagt de goudgeborduurde uniform van den Egyptischen Pacha! Zonder vaandels en militaire muziek en al den uiterlijken glans van z’n positie. Nooit had men in Soedan zoo een stadhouder zien reizen.
Even raadselachtig gauw is hij ook weer verdwenen; in onveilige plaatsen legt hij bezetting; in andere streken bezet hij de paden die naar de bronnen leiden, om oproerige stammen tot onderwerping te dwingen. Met ijzeren gestrengheid breekt hij de macht der opperhoofden, die nog slavenhandel drijven. Hij bevrijdt een menigte zwarte slaven en vormt hen tot [170]soldaten, want hij heeft manschappen noodig; de krijgslieden van zijn gevolg zijn slechts het schuim van Egypte en Syrië. Met een handvol mannen volbrengt hij goed gerichte aanvallen tegen de zwakste punten van den vijand en overwint steeds. In vier maanden heeft hij het oproer onderdrukt en de heerschappij der slavenhandelaars gebroken!
Het spoedig tot rust brengen van West-Soedan, was eveneens een heldendaad en het is nauwelijks te begrijpen, hoe Gordon bijna alleenstaand tegenover talrijke oproerige stammen, ze heeft volbracht. Door zijn ontzaglijke snelheid en verrassende alomtegenwoordigheid, deed hij de menschen gelooven, dat hij over heerscharen te beschikken had, terwijl hem slechts eenige honderden mannen ten dienste stonden en door zijn onwankelbare kalmte en zijn groot overwicht verlamde hij elken aanslag.
Een karavaan met slaven trekt door de woestijn. In lange rijen komen de zwarte mannen aanloopen, die tot den zwaren arbeid der lijfeigenschap veroordeeld zijn en de jonge meisjes, die voor de harems van Egypte en Turkije bestemd zijn, gedreven door hun Arabische meesters, als vee, met zweepslagen aangezet en dikwijls in den dood gedreven. Gedurende de warmste uren van den dag wordt aan de van honger en dorst versmachtenden toegestaan uit te rusten, maar de woestijn biedt geen schaduw en zoo liggen zij midden in de gloeiende middagzon halfdood van uitputting. En dan suist de zweep weer op de naakte ruggen neer, en in de avondkoelte worden zij verder naar het Oosten gedreven.
Daar nadert in een stofwolk de Witte Pacha. De tirannen vluchten als kaf voor den wind, alle banden worden losgemaakt, alle honger gestild, de mannen worden gewapend. Voor een troep slaven heeft het uur der bevrijding geslagen!
Zoo zuiverde Gordon geheel westelijk Soedan. Ten laatste bleef alleen nog Dara in Zuid-Darfoer over. Hier hadden zich de machtigste slavenkoningen, tot weerstand, verzameld. Maar als de bliksem viel hij op zekeren dag hun tentkamp binnen. Zij hadden hem gemakkelijk om het leven kunnen brengen; met bovenmenschelijke kalmte ging hij alleen tusschen hun tenten rond, en niemand waagde het hem aan te raken. Toen zijn troepen aankwamen, liet hij de opperhoofden in zijn tent komen en stelde hen daar zijn voorwaarden: het neerleggen [171]der wapenen en terugtrekken naar hun haardsteden. En de een na den ander gehoorzaamde en ging stil zijns weegs.
Wie was deze buitengewone man, die zijn scepter over een land zwaaide, dat grooter was dan alle koninkrijken van Europa te zamen; Arabieren, Egyptenaren en negers, onderdrukkers en onderdrukten vreesden en bewonderden hem evenzeer! Hij reed op zijn snelvoetigen dromedaris sneller dan de roofzuchtige Bedouïn en haalde zelfs den struisvogel in aan den rand van de Libysche woestijn! Geen gevaar schrikte hem af. Rechtvaardigheid en bescherming van de zwakken, daarin bestond zijn leven en hij verlangde geen loon. Een pacha, die zijn macht niet gebruikt tot afpersingen—van zoo een had men nog nooit gehoord! De herinnering aan Gordon zweeft nog heden als een lied en een sage over de troostelooze woestijn!
Wat bereikte Gordon door zijn rustelooze jacht voor het geluk der zwarten? De slavenhandel wortelde als een onkruid veel te diep in Afrika’s aarde, om opeens uitgeroeid te kunnen worden. Ternauwernood was Gordon naar Chartoem teruggekeerd, of de slavenhandelaars begonnen hun schandelijk bedrijf opnieuw. En toch gaf hij de hoop niet op. „Stuur mij een man,” zoo schreef hij in zijn dagboek, „die geld, roem en onderscheidingen veracht, die geen hoop meer koestert zijn geboorteland terug te zien, en tot God opziet als de bron van het goede en den wreker van het kwade, een man met gezond lichaam en ijzeren karakter, die den dood beschouwt als den bevrijder van alle ellende—ik neem hem in mijn dienst. Indien gij zoo een niet vindt, laat mij dan alleen! Ik heb genoeg aan mijzelf te dragen; ik heb geen bagage noodig!”
Van uit zijn groot paleis te Chartoem regeerde Gordon zijn geweldige provincie en richtte nieuwe slagen tegen den slavenhandel. Dikwijls lag hij, als in September na de zomerwarmte de koortstijd begon, in hooge koorts ijlend op zijn legerstede, of zwierf rusteloos door zijn eenzame zalen, steeds nieuwe plannen smedend om de zwarten te redden. Voor hem had het leven geen waarde, als hij het niet gebruiken kon om het lijden van anderen te verminderen.
Bij de wisseling van het jaar gistte het weer aan alle kanten. De provincie Bahr el-Ghasal, die uit haar binnenland den Witten Nijl talrijke zijrivieren toezendt, was in opstand, en Abessinië [172]dreigde met oorlog. In Bahr el-Ghasal regeerde Ziber, een machtig Arabisch opperhoofd; deze had de brandfakkel tegen Egypte ontstoken en nu dreigde de beweging zich over geheel Darfoer uit te breiden. Het opperhoofd kocht bij de negerstammen in het hartje van Afrika een menigte slaven, om hen als soldaten tegen Egypte te gebruiken. De negers zelf hebben altijd den slavenhandel vergemakkelijkt; als de stammen onder elkaar met bogen, speren en schilden, vervaardigd van de huid van nijlpaarden, oorlog voerden, dan aten zij hun verslagen vijanden op en verkochten de gevangenen als slaven. Daarom viel het aan het Arabisch opperhoofd gemakkelijk manschappen te krijgen. Maar Gordon’s waakzaamheid verijdelde zijn plannen.
Ternauwernood was de rust weer hersteld, of Gordon ontving het bericht dat Khedive Ismail Pacha afgezet was, en een nieuwe Khedive het lot van Egypte bestuurde. Nu spoedde hij zich naar Kaïro en verzocht om zijn ontslag. Maar de nieuwe Khedive kon hem niet missen, en drong bij hem aan, dat hij bleef. Gordon liet zich overhalen en begaf zich nu, in opdracht van den nieuwen Khedive, naar koning Johannes van Abessinië, om te zien of de dreigende oorlog niet was af te wenden. Maar de koning behandelde hem met minachting en stelde onaannemelijke voorwaarden. Daarom keerde Gordon naar zijn hoofdstad Chartoem terug. Maar op het oogenblik, dat hij de grenzen van Soedan had bereikt, werden hij en zijn metgezellen door Abessinische ruiters gevangen genomen, die hem dwongen Soedan te verlaten en door de met sneeuw bedekte bergen van Abessinië den terugtocht naar de kusten van de Roode Zee te ondernemen.
Zoo keerde hij weer naar Kaïro terug. Nijd en afgunst begluurden elk zijner schreden. Vele Europeanen haatten en vreesden hem ook. Want Egypte moest immers tot wanhoop worden gedreven; maar Gordon steunde den Khedive. In zijn eigen vaderland, Engeland, werd hij belasterd en zijn particuliere correspondentie met den Khedive werd in de dagbladen openbaar gemaakt. De een noemde hem krankzinnig, de ander een gevaarlijk avonturier. En toch was Gordon een der grootste en edelste mannen, die ooit heeft geleefd.
Spoedig daarop vinden wij hem in Bombay. Hier ontving hij een telegram van den grooten staatsman Li-hung-tschang, die hem verzocht, dadelijk naar Peking te komen. Rusland bedreigde [173]China met den oorlog en China dacht er nog aan, dat Gordon den Taiping-opstand had onderdrukt. Werkelijk gelukte het hem weer door verstandigen raad, het krijgsgevaar af te wenden, en hij leerde den Chineezen hoe zij hun verdediging moesten inrichten.
Welk blad van Gordon’s levensgeschiedenis wij ook opslaan, ze schijnt ons steeds een heldensage toe. Na zijn terugkeer uit China vertoefde hij in Ierland, daarna in Engelschen dienst, op het eiland Mauritius in het Oosten van Madagascar, en spoedig daarop in Zuid-Afrika. In het einde van 1882 was hij weer in Engeland en een jaar daarna dwaalde hij eenzaam en vergeten door de straten van Jeruzalem. Hij zocht alle plaatsen op, waar de Heiland had geleefd en geleden, alsof hij zich door dezen pelgrimstocht wilde voorbereiden op het laatste jaar van zijn merkwaardig leven.