WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 45: 46. HET DAGBOEK VAN GORDON.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

46. HET DAGBOEK VAN GORDON.

Het eenige wat er aan betrouwbare berichten omtrent den tijd tusschen 10 September en 14 December 1884 is overgebleven, weten wij uit het dagboek van Gordon, dat nog bestaat en aangrijpend is om te lezen.

In Augustus had de Engelsche regeering eindelijk het besluit opgevat een hulpexpeditie uit te zenden tot redding van Gordon. Het ging nu niet meer om de garnizoenen, maar om Gordon zelf, de geheele wereld verkeerde in opgewondenheid, over zijn lot, en met elke maand werd de spanning grooter. Sedert een half jaar had men geen bericht van hem, en nu overhaastte men het verleenen van hulp om nog bijtijds bij hem te komen. Groote troepenmassa’s van alle wapenen werden naar het Zuiden gezonden, rivierbooten bij honderden gebouwd, de beste Engelsche officieren namen het bevel op zich, en reeds midden September trok het eerste bataljon infanterie Dongola, in de noordelijkste helft van het groote Nijlgebied, binnen. Intusschen waren de stoombooten pas te Alexandrië aangekomen en moesten den Nijl nog af, over de gevaarlijke en tijdroovende watervallen, en de woestijncolonnen, die bestemd waren Chartoem te bestormen, hadden Engeland nog niet eens verlaten.

Zonder verbinding met de buitenwereld, zonder vriend en makker, vertrouwde Gordon zich slechts aan zijn dagboek toe, [179]en in de weinige bladzijden, die daarvan bewaard zijn gebleven, weerspiegelt zich zijn diepst en innigst zieleleven. Hij is een held, een groot legeraanvoerder en een goed christen. Hij beklaagt zich nooit en geen verwijt tegen hen, die in het vaderland de verantwoording van zijn lot dragen, komt over zijn lippen! Dag aan dag beschrijft hij den voortgang der belegering zoo kalm en rustig, alsof het de eenvoudigste zaak ter wereld was. Nergens spreekt hij van zijn eigen heldenmoed en de nachtelijke uren van eenzaamheid, die hij onder het vijandelijk vuur der schansen doorbracht; hij beproeft zelfs zijn heldenmoed te verkleinen, terwijl hij eens schrijft:

„Gedurende de belegering hebben wij vaak over de vraag omtrent de vrees geredeneerd, dat gevoel, hetwelk een echte man volgens het oordeel der wereld niet mag kennen. Ik ben echter steeds door vrees vervuld, dikwijls zelfs zeer erg! Vrees voor den dood is dat echter niet, die is, Gode zij dank, voorbij; maar vrees voor een nederlaag en haar gevolgen. Ik geloof niet aan den steeds kalmen, onwrikbaren man. De hoofdzaak is slechts dat hij niet toont, wat hij voelt. Daarom moet een bevelhebber nooit te nauw samen zijn met zijn ondergeschikten. Want zij slaan hem met scherpe oogen gade, en er bestaat geen gevaarlijker besmettingsstof dan de vrees! Ik kon woedend worden, als ik van angst niet kon eten, en dan zag dat de officieren aan mijn tafel dezelfde neigingen hadden. Misschien vraagt men mij, waarom ik niet met Steward en de anderen heenging? Nu eenvoudig daarom niet, omdat de menschen hier niet zoo dwaas zouden zijn geweest, mij te laten gaan!”

Ondertusschen legerden de derwischen ongeveer tien kilometer van de buitenwerken en wachtten hun tijd af. Uit de verte werden schoten gewisseld, maar de dagen verliepen toch nog eenigszins kalm. Den 20sten September hoorde Gordon door een handig verkenner, dat de hulpexpeditie onderweg was en tien dagen later zond hij zijn stoomboot een eind in noordelijke richting, haar tegemoet, om het naderbrengen der troepen te verhaasten. Maar daardoor boette hij ook de helft van zijn weerstandskracht in.

Den 21sten October kwam de Mahdi zelf in het leger rondom Chartoem en den volgenden dag zond hij aan Gordon [180]de bewijzen, dat de stoomboot van Steward was vergaan, en alle opvarenden gedood waren; hij legde zelfs een lijst over der dagboeken en aanteekeningen, die aan boord waren gevonden. Uit deze papieren had de Mahdi tot op een dag gezien, hoe lang Chartoem zich nog staande kon houden, hoe groot het garnizoen was en hoe de verdediging was georganiseerd, waar de batterijen stonden en hoe lang de ammunitie nog kon strekken. Dat was een ontzettende slag voor Gordon, maar het brak zijn moed niet. Het meest deed hem den dood van Steward en der overigen leed, daar hij meende er zelf schuld aan te hebben. Hij liet den Mahdi echter zeggen: „Ook al kaapt gij mij 20.000 booten weg, toch sta ik hier pal!”

Den 2den November telde hij in de streng bewaakte schuur de zakken met durrha. De proviand strekte nog voor zes weken. Deze termijn kon verlengd worden, als de menschen op half rantsoen werden gesteld. Maar waarom de bezetting door beperking van het dagelijksch voedsel onnoodig zwakker maken? Zij waren toch al met volle magen moedeloos genoeg!

Onder de troepen der Engelsche hulpexpeditie bevond zich een majoor Kitchener, een naam, die later zeer beroemd is geworden. Hij beproefde vermomd Chartoem binnen te sluipen en het gelukte hem Gordon de schriftelijke mededeeling te doen toekomen, dat de hulpbrigade den eersten November uit Dongola zou opbreken. Toen de brief aankwam, was het corps reeds twee dagen onderweg; maar de weg tusschen Dongola en Chartoem bedroeg 450 kilometer!

De brief van Kitchener was in een dagblad gewikkeld. Sedert negen maanden had Gordon niets meer dan duistere geruchten van de buitenwereld gehoord en toen hij dit verdwaald blad, dat als omslag diende, las, zag hij de eene kolom na de andere gevuld met berichten en vermoedens over hemzelf. „De hulpexpeditie tot ontzet van Gordon” stond daar gespatiëerd. Het opschrift ontstemde hem, en hij schreef in zijn dagboek dat het moest heeten: „De expeditie tot ontzet der garnizoenen in Soedan.”

Gordon’s dagboek vertelt ons ook, hoe hij zijn dagen en nachten doorbracht en hoe onvermoeid en ingespannen hij werkte. Pas te drie uur ’s nachts placht hij zich uitgeput op zijn legerstede neer te werpen. Maar dikwijls was hij ternauwernood [181]ingeslapen, of buiten werd tromgeroffel vernomen. Hij ontwaakt, wrijft zich de oogen en herinnert zich, dat hij in Chartoem is. Wat beteekent het geraas? Hij roept de mannen in het geweer en de bevelhebbers naar de buitenwerken. Overdag is Gordon alom tegenwoordig om zijn manschappen gerust te stellen en aan te vuren. Slechts zelden blijft hem een kort ongestoord oogenblik over om in zijn dagboek te schrijven. Als de dag aanbreekt, ziet hij vanaf het dak in het rond. Vandaar overziet hij ver het vlakke land: hij ziet hoe de Arabieren den belegeringsketting steeds vaster snoeren. Hoe ver zijn de Engelsche legerscharen nog achter den vlakken rand van den noordelijken horizon? Zullen zij komen voordat het te laat is?

40.000 schoten werden dagelijks uit Chartoem afgevuurd en ondanks dat reikte de ammunitie nog voor veertig dagen. De soldaten konden er gerust op los schieten, de proviand reikte toch niet langer dan dertig dagen. Maar Gordon dacht aan geen overgave; volhouden en vallen onder de vlag, dat was zijn vast besluit. Talrijk waren de overloopers, die Chartoem verlieten, de ratten verlieten het zinkende schip. Door verraad omgeven, beproefde hij nog steeds de wegsmeltende scharen zijner getrouwen staande te houden.

Den 22sten November had Gordon in het geheel reeds twee duizend soldaten verloren. Toch liet hij de hoop niet varen. Zijn dagboek onthult, dat hij, indien redding bijtijds was gekomen, het plan had gekoesterd, nog meer zuidelijk te trekken, om de garnizoenen in de Aequator-provinciën hulp te verleenen!

Den 10den December is er nog voor vijftien dagen proviand aanwezig. De aanteekeningen in het dagboek worden steeds korter, en gewagen bijna van niets anders dan van deserteurs, overloopers en het inslinken der levensmiddelen. Den 14den December biedt zich nog een laatste gelegenheid aan, uit Chartoem bericht te zenden en het dagboek, dat de bode meeneemt, sluit daarom met dien datum, en met de woorden: „Ik heb mijn best voor de eer van het vaderland gedaan, vaarwel!” Per brief neemt hij van zijn vrienden afscheid en aan zijn zuster schrijft hij: „Ik ben, Gode zij dank, volkomen gelukkig; ik heb mijn plicht gedaan.” Aan een vriend verzoekt hij voor zijn familie te zorgen. Uit al zijn afscheidsbrieven klinkt ons zijn onwankelbare heldhaftige kalmte tegen, maar ook de [182]zekerheid, dat hij sinds dit laatst vaarwel, alle hoop op redding heeft begraven.