WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 47: 49. DE STRUISVOGEL.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

49. DE STRUISVOGEL.

Tegenwoordig is in Soedan alles anders geworden; een spoorweg loopt van de Nijldelta naar Chartoem, en een andere van de Roode Zee naar Berber. Chartoem bezit thans scholen, [195]hospitalen, kerken en andere openbare gebouwen en de stoombooten bevaren den Nijl tot aan de groote meren. Gordon’s plan het Victoria-Niansa meer met Mombas aan de kust te verbinden, is verwezenlijkt, en een spoorlijn doorsnijdt Britsch Oost-Afrika. Kortom van alle kanten zijn de blanken steeds dieper in het zwarte werelddeel binnengedrongen, en hebben zich de heerschappij over bijna geheel Afrika verzekerd. De fauna van dit werelddeel is dientengevolge herhaaldelijk in het gedrang gekomen, en door te grooten ijver der jagers is in vele streken het wild volkomen uitgeroeid; het heeft ontoegankelijke oorden opgezocht, waar het voorloopig nog ongestoord kan voortleven.

In de Sahara, in de Libysche Woestijn, op de vlakke velden aan den boven-Nijl, op de steppen van Zuid-Afrika, overal waar open vlakten zijn, leeft een der schoonste en belangwekkendste vertegenwoordigers van Afrika’s dierenwereld, de struisvogel. Hoewel hij wegens zijn kostbare vederen sedert tal van eeuwen wordt gejaagd, komt hij nog in menigte voor. In de onherbergzame woestijnstreken houdt hij zich evenwel niet op; hij leeft slechts daar, waar water in de nabijheid is.

Deze wonderlijke vogel bereikt een hoogte van twee-en-een-halven meter en weegt in volwassen toestand vijf-en-zeventig kilogram. Hij heeft een kleinen, platten kop met groote, schitterende oogen. Zijn vleugels, waaraan de kostbare vederen zitten, zijn zoo klein, dat zij hem niet in staat stellen, om zich in de lucht te verheffen en te vliegen; maar als vergoeding daarvoor kan hij een duizelingwekkende snelheid bereiken, en laat een paard en ruiter ver achter zich.

De struisvogels leven in kleine troepen bijeen van vijf of zes stuks. Den morgen gebruiken ze om hun maag te vullen met planten, en ook wel met kleine dieren en insekten. Dan rusten ze, of spelen met elkaar waarbij ze in een kring over het zand loopen, zonder hinder te hebben van de zon en den gloeienden bodem. Dan drinken ze, en des middags gaan ze weer op jacht om voedsel te zoeken. Des avonds zoeken ze hun legerstede op.

Het scherpste zintuig van den struisvogel is het gezicht, hoewel ook hun reuk en gehoor buitengewoon ontwikkeld zijn. Wanneer er gevaar in aantocht is, vlucht hij fladderend weg en neemt dan passen, die een lengte bereiken van drie tot vier [196]meter. Door de waakzaamheid van den struisvogel houdt de zebra zich bij voorkeur in zijn nabijheid op, teneinde tijdig tegen naderend onheil gewaarschuwd te zijn.

De struisvogeljacht wordt van ouds door de Arabieren van Noord-Afrika op snelle paarden of dromedarissen uitgeoefend. Twee of drie ruiters achtervolgen een mannetje, dat na een vlucht van een uur uitgeput is. Weliswaar zijn dan ook de paarden aan het eind van hun krachten, maar een der ruiters dwingt zijn ros tot een laatste krachtsinspanning, en haalt ten slotte den struisvogel in; dan velt hij hem met een slag op den kop terneer. Dan springen de ruiters van hun paarden, villen de dieren en keeren de huid om, die dan dient als een zak, waarin ze de veeren bergen, en zoo keeren ze dan weer naar hun tenten terug.

De veeren van den wilden struisvogel zijn veel mooier en kostbaarder dan die van de tamme exemplaren. Een volwassen struisvogel levert steeds 14 groote, witte veeren op.

De wijfjes leggen haar reusachtige eieren in kuilen in het zand, en, merkwaardigerwijze, zijn ’t de mannetjes die de eieren uitbroeden. Overdag gaan ze uren lang van het nest af, maar dekken de eieren met zand toe. Reeds na anderhalve maand komen de jongen uit, ze zijn dan even groot als jonge hanen, maar een enkel struisvogelei weegt dan ook evenveel als vier-en-twintig kippeneieren tezamen, en heeft in doorsnede een lengte van vijftien centimeter.

De eetlust van den struisvogel is verwonderlijk. Er is bijna niets wat hij versmaadt. De groote dierenkenner Brehm, die er tamme struisvogels op na hield, vertelt dat ze ratten en kuikens verteren, kleine steenen inslikken, en dat tweemaal zijn sleutelbos in een struisvogelmaag verdween. Men vond eenmaal in zulk een maag voor vier kilogram aan „diversen”, en wel: steenen, lompen, metaal, munten, sleutels, enz. Brehm bezat een tamme baviaan, die met alle dieren in vijandschap leefde, alleen niet met de struisvogels; maar op den duur ging ook deze vriendschap over in vijandschap, want wanneer de baviaan op een muur van den hof zat, en zijn staart naar beneden liet hangen, kwam altijd een der struisvogels, die nu eenmaal niets kon zien of hij moest dadelijk probeeren hoe het smaakte, en die hem altijd in dit gevoelige aanhangsel beet. De aap werd [197]dan natuurlijk woedend, en sprong op den struisvogel toe, die er nooit zonder eenige schrammen en geplukte veeren afkwam.

Er wordt wel eens beweerd, dat de struisvogel het domste dier is dat er bestaat. Dit is een bewering die niet door alle Zoölogen gedeeld wordt. De Duitsche onderzoekingsreizer Schillings, die beroemd is wegens zijn moment-opnamen, des nachts van wilde dieren gemaakt, volgde op zekeren keer uren lang het spoor van eenige leeuwen; het spoor bracht hem langs een struisvogelnest waarin een paar jongen waren, die pas waren uitgebroed. De ouden waren klaarblijkelijk niet aanwezig, en, merkwaardigerwijze hadden de leeuwen de jongen ongemoeid gelaten. Spoedig vond hij de oplossing van dit raadsel: de oude struisvogels, die in den helderen maannacht reeds lang van tevoren het gevaar hadden zien aankomen, waren bij het naderen der leeuwen opgesprongen om ze van het nest weg te lokken. Deze list was hun ook gelukt, het spoor wees eindelijk uit dat de leeuwen de vluchtende struisvogels achtervolgd hadden, en zoodoende zich steeds verder van het nest hadden verwijderd. Toen het struisvogelpaar meende dat ze den vijand ver genoeg hadden weggelokt, waren ze omgekeerd om langs een omweg weer naar hun jongen terug te keeren.