WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 50: 52. DAVID LIVINGSTONE.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

52. DAVID LIVINGSTONE.

In een eerlijk en vroom, maar arm arbeidersgezin in Blantyre bij Glasgow in Schotland werd voor honderd jaar een jongen geboren, wiens naam later wereldberoemd zou worden. Hij heette David Livingstone, en werd niet slechts de ontdekker van onbekende landen en volksstammen, meren en rivieren, maar ook een der edelste menschen die ooit hun eigen leven ten beste hunner medemenschen hebben opgeofferd.

Op de dorpsschool leerde hij zonder moeite in korten tijd lezen en schrijven; maar daar zijn ouders niet in staat waren om hem te laten studeeren, deden ze den jongen toen hij tien jaar oud was op een spinnerij, waar hij van ’s morgens 8 tot ’s avonds 10 uur moest werken. Deze zware arbeid brak evenwel zijn moed en zijn weetgierigheid niet, en terwijl de machines om hem heen snorden, en de spoelen door het garen [208]heen en weer vlogen, zwierven zijn gedachten over de fabrieksmuren heen en hielden zich bezig met de natuur en het leven daarbuiten. Vlijt en nauwgezette arbeid bezorgden hem spoedig een hooger loon, en voor het geld dat hij opspaarde, kocht hij tal van boeken, die hij tot diep in den nacht bestudeerde. Teneinde zooveel mogelijk zijn kennis uit te breiden, bezocht hij een avondschool, en op de feestdagen maakte hij met zijn broeders lange wandeltochten.

Zoo groeide David op tot een jongeman, en op zekeren dag verklaarde hij zijn ouders dat hij zendings-arts wilde worden, om de volkeren in het Oosten en Zuiden te bezoeken, de zieken te verplegen, en allen die hem wilden hooren het evangelie te prediken. Om zich de noodige middelen te verschaffen tot studeeren, spaarde hij van zijn fabrieksloon, en toen hij voldoende had voor zijn onderhoud gedurende het eerste semester, ging hij naar Glasgow, waar hij voor anderhalve gulden per week een kamer huurde, en in de medicijnen studeerde. Na afloop van het eerste semester keerde hij weer naar de fabriek terug om weer voldoende te verdienen voor een volgend semester. Op deze wijze sloeg hij er zich door heen, en deed eindelijk met schitterend gevolg zijn examens. Op zekeren dag vergezelde zijn vader hem voor de laatste maal naar Glasgow, om daar voor altijd afscheid van hem te nemen! De jonge zendings-arts reisde af naar Afrika.

Eerst begaf hij zich naar de Kaap, en vandaar naar Koeroeman, het noordelijkste zendingsstation in Betschoeana-land. Van hieruit maakte hij tal van reizen het binnenland in, om de inboorlingen en hun taal te leeren kennen, om hun zieken te helpen, en hun vertrouwen te winnen. Toen hij eens van zulk een reis terugkeerde, vond hij, toen hij 250 K.M. van zijn doel verwijderd kampeerde, een klein, zwart meisje onder zijn wagen gehurkt.

De kleine was haar bezitters ontloopen, om niet als slavin verkocht te worden, en was te voet den wagen van den zendeling gevolgd. Livingstone verkwikte haar met spijs en drank, toen ze plotseling luid begon te huilen. Ze had een man gezien met een buks die haar achterna gezonden was om haar terug te halen, en die nu dreigend naderde. Maar Livingstone nam het meisje in bescherming, en zorgde er voor dat ze ook later voor de [209]slavernij bewaard bleef. Dit kind was voor hem een symbool van Afrika, de bakermat van den slavenhandel, en Livingstone begreep zijn roeping; tot aan zijn dood arbeidde hij, als vele jaren later Gordon, aan de bevrijding der slaven. Hij bestreed de heidensche gebruiken en het botte bijgeloof der inboorlingen, en hoopte mettertijd volgelingen te zullen krijgen die zijn leer verder zouden verbreiden. Livingstone bewees den zwarten dat de tooverkunst hunner medicijnmannen, die tegelijkertijd regenmakers waren, slechts bedrog was, en dat hij hun zelf water kon verschaffen voor hun velden, niet door tooverformules, maar door kanalen die het water van naburige stroomen afleidden. Talrijk waren de zieken die hij hielp, en wier moed en koelbloedigheid hem vaak met verbazing vervulden. Zonder een spier te vertrekken, of een enkelen kik te geven, lieten ze zich gezwellen wegsnijden of andere ingrijpende operaties verrichten. Dan zei hij wel eens: „Maar schreeuw dan toch, kerel, ’t doet toch pijn;” maar de inboorling antwoordde: „Een man schreeuwt niet, dat doen alleen kinderen.”

Zoo won hij langzamerhand het vertrouwen, en een bijzondere macht over de zwarten. In sommige streken hield men hem voor een toovenaar, die over geheime krachten beschikte en dooden kon opwekken. Daar hij nooit dacht aan eigen voordeel, maar altijd slechts aan het welzijn der zwarten, die hij altijd vriendelijk behandelde, en nooit met harde woorden aansprak, verwierf hij zich de liefde en bewondering van deze wilden, die maar één ding niet konden begrijpen, en wel, dat een zoo machtig opperhoofd zichzelf tot dienaar van anderen maakte, inplaats van, zooals ze dat gewoon waren, de zwakkeren te onderdrukken en uit te buiten. De ergste bedreiging, die hij tegenover hen kon gebruiken, was dat hij ze zou verlaten wanneer ze hem niet gehoorzaamden; en wanneer hij dan werkelijk naar een anderen stam moest verder trekken, dan gaven de stamhoofden hem hun eigen zonen en betrouwbare mannen als gidsen mede.

In 1843 stichtte Livingstone het zendingsstation Mabotsa, niet ver van de tegenwoordige stad Mafeking, tegenwoordig gemakkelijk van Kaapstad uit per spoorweg te bereiken. Het stamhoofd van die streek was gaarne bereid hem een stuk grond te verkoopen, waarvoor hij kralen en andere voor hem [210]waardevolle zaken, kreeg. Zeventig jaar geleden was deze streek echter nog geheel een wildernis, en vaak was Livingstone’s leven in gevaar. Zoo was er eens een leeuw in het dorp ingebroken, die geweldig onder de schapen huishield. Onder leiding van Livingstone maakten de inboorlingen jacht op hem. De indringer werd zwaar verwond, en trok zich in het struikgewas terug, maar plotseling stormde hij weer uit de struiken tevoorschijn, en stortte zich op Livingstone, wien hij het vleesch van den schouder afhaalde en den linkerarm brak. Reeds rustte zijn poot op het hoofd van den zendeling, toen een inboorling op het dier toesprong, dat nu zijn slachtoffer losliet om zijn nieuwen aanvaller eveneens toe te takelen. Het beest was echter zoo zwaar gewond, dat zijn kracht uitgeput was, en het dood neerstortte. Nog dertig jaar later voelde Livingstone het litteeken van den beet, en hij heeft zijn linkerarm nooit meer hooger dan tot den schouder kunnen opheffen.

Nadat zijn wonden geheeld waren, bouwde hij eigenhandig het nieuwe zendingshuis, waarbij door een vallenden steen de nauwelijks geheelde arm weer zwaar gekwetst werd. Toen het huis gereed was, betrok hij het met zijn jonge vrouw, de dochter van den bekenden reiziger en zendeling Moffat in Koeroeman.

Te Mabotsa woonde nog een tweede zendeling, die het er nu op toelegde Livingstone het leven te verbitteren. Deze wilde echter de zwarten niet tot getuigen maken van het schouwspel dat twee blanken met elkaar ruzie hadden; hij ruimde dus het veld en trok met zijn vrouw verder, zeventig kilometer noordwaarts. Het huis in Mabotsa had hij van zijn eigen opgespaard geld gebouwd, want van de duizend gulden, die hij jaarlijks van het Engelsche Zendingsgenootschap ontving, kon voor het bouwen van huizen niet veel overblijven. Toen hij wegging, waren de inboorlingen wanhopend. Nog toen de ossen reeds voor den wagen gespannen waren, smeekten ze hem om toch te blijven, terwijl ze beloofden een nieuw huis voor hem te zullen bouwen. Maar, hij bleef bij zijn voornemen, en begaf zich naar het dorp Tschonoeane, waar de hoofdman Setschala leefde.

Deze ontving Livingstone met groote vreugde, en hoorde oplettend naar zijn prediking. Hij beloofde zelfs den geheelen stam tot het Christendom te zullen bekeeren, en wel met [211]behulp van een flinke zweep. Daar Livingstone echter van zulk een methode van bekeering niets wilde weten, zeide Setschala dat hij zijn onderdanen bezwaarlijk, zonder van een zweep gebruik te maken, zou kunnen bewegen tot het geloof aan Christus! Hij zelf zond evenwel zijn talrijke vrouwen allen op één na weg, waarmee hij zijn eigen aanzien een gevoeligen slag toebracht; want een hoofdman met slechts ééne vrouw vond men bijzonder armzalig!

Van dit punt uit maakte Livingstone een reis oostwaarts, naar het gebied, dat Hollandsche boeren uit Kaapland opgezocht hadden. Ze hadden de Kaapkolonie verlaten, daar de Engelsche regeering geen slavenhandel duldde en de vrijlating der Hottentotten beval. De Boeren stichtten derhalve een eigen republiek, Transvaal genaamd, daar ze aan de overzijde van den Vaal, een zijstroom van de Oranje-rivier, gelegen is. Hier meenden ze de zwarten ongestoord tot slavenhandel te kunnen dwingen; ze bezetten alle bronnen en de inboorlingen waren in hun eigen land van vreemden afhankelijk.

Livingstone had in zijn nieuwe nederzetting de handen vol; hij bouwde, verzorgde zijn tuin, bezocht de zieken, herstelde zijn wapenen en wagens, maakte tapijten en schoenwerk, predikte, gaf les in een kinderschool, hield voordrachten over geneeskunde en gaf les aan inboorlingen, die eveneens zendeling wilden worden. Zijn vrijen tijd gebruikte hij voor natuurwetenschappelijke verzamelingen, die hij naar het vaderland zond; bovendien bestudeerde hij de giftige tsetse-vlieg en de ziekte, die door deze teweeggebracht wordt, en hij arbeidde onverdroten aan het uitvinden van middelen om die beide te bekampen.

Zijn nieuwe woonplaats had echter een ernstige schaduwzijde; er was gebrek aan water; daarom besloot Livingstone nog zeventig kilometer noordwaarts naar Koboleng te trekken, waar hij nu voor de derde maal een eigen huis bouwde. Ook ditmaal waren zijn zwarte vrienden geheel verslagen over zijn besluit. Daar ze hem er niet toe konden overhalen te blijven, pakte de geheele stam zijn have en goed bijeen, en trok met hem mee. In Kolobeng bleef Livingstone vijf jaren, de langste en tevens laatste rusttijd van zijn leven. Ook hier won hij het vertrouwen en de vriendschap der inboorlingen, [212]want wanneer het gold een zieke te helpen, dan reed hij bij dag en nacht mijlen ver, zonder om gevaar te denken. In Kolobeng smaakte hij ook de groote vreugde met zijn eigen kinderen, die hier ter wereld kwamen, te kunnen spelen.

De nabuurschap der Boeren vernietigde echter het succes van zijn arbeid. Ze haatten hem wegens zijn bestrijding der slavernij, en beschuldigden hem er van Setschala’s stam van wapenen te voorzien en tegen de Boeren op te hitsen. Ze dreigden alle zwarte zendelingen, die zich in Transvaal zouden vertoonen, zonder meer te zullen dooden, en ook lieten ze geen middel onbeproefd om Livingstone uit den weg te ruimen. Derhalve besloot deze nog verder naar het noorden te trekken, waar blanke mannen die christenen heetten, maar die inboorlingen als dieren behandelden, hem niet bij zijn arbeid zouden storen. Een in Kolobeng uitbrekende hongersnood versterkte hem in zijn besluit. Een groote droogte had den oogst doen mislukken en de bedding der rivieren volkomen uitgedroogd. De inboorlingen moesten er op uit om van de jacht te leven, en de vrouwen verzamelden sprinkhanen als voedingsmiddel. Geen kind bezocht meer de school, en de kerk stond des Zondags vergeefs open. Zoo begaf zich dan Livingstone nogmaals op weg om zich elders te vestigen.