53. DE ONTDEKKING VAN HET NGAMI-MEER.
Reeds toen Livingstone voor het eerst Afrika betreden had, en in Koeroeman vertoefde, hoorde hij, dat er ver in het Noorden, een groot zoetwatermeer was, dat men Ngami noemde. En op een zijner latere tochten was het hem zelfs gelukt om dit meer, dat nog nooit door Europeanen bezocht was, tot op tien dagreizen te naderen. Maar hij moest toen omkeeren, omdat onder zijn trekossen de runderpest uitbrak. Nu kwam echter op zekeren dag te Kolobeng een bode bij hem van den zwarten koning Letscholetebe, wiens gebied aan het Ngami-meer gelegen was; deze liet den zendeling verzoeken om tot hem te komen en beloofde hem een goed onthaal. Ook was er in zijn land veel ivoor. Toen de menschen van Livingstone van ivoor hoorden, waren ze terstond tot de lange reis bereid, [213]en den 1sten Juni 1849 ging het weder noordwaarts. Een vriend van Livingstone, de Engelschman Oswell ging mee; als een welgesteld man had hij verscheidene wagens, tachtig ossen, twintig paarden en vijf-en-twintig dienaren medegenomen. Een dezer laatsten diende als gids, want reeds na twee dagen voerde de weg langs streken die nog nooit door een Europeaan betreden waren. Aan den woestijnrand kampeerden ze; overal in de rondte waren de bronnen uitgedroogd. Slechts in een kuil, waar een neushoorn zich in het zand rondgewenteld had, stond nog zooveel water, dat elk paard een slok kon nemen, maar voor de ossen was het niet toereikend, en daar de weg, tot aan de volgende rustplaats honderd en twintig kilometer lang was, en dwars door de beruchte Kalahari-woestijn liep, werden de ossen weer teruggedreven naar een veertig kilometer verder terug gelegen bron. Toen ze terugkwamen, had men echter reeds verscheidene waterrijke bronnen opgegraven, en toen de karavaan opbrak, hadden alle dieren zooveel gedronken als ze maar wilden.
Verlaten en dor strekte de woestijn zich voor hun oogen uit. De uitgedroogde wagens knarsten over de zandvlakte, en de raderen zonken diep in het mulle zand. De ossen, die gebrek hadden aan water, verloren snel hun krachten. Na een tocht van drie dagen door de Kalahari, had men pas zeventig K.M. afgelegd. Toen raakte plotseling de gids de kluts kwijt, en wanneer men hem vroeg hoever het nog was tot aan de naaste bron, dan antwoordde hij op goed geluk af: vijftig kilometer. Een somber vooruitzicht voor de reizigers! Voordat ze zoover kwamen, zouden alle ossen allang van dorst omgekomen zijn! De paarden moesten vooruitgezonden worden, dan bleven die tenminste gespaard. In geval van nood kon men dan, wanneer de geheele karavaan omkwam, met de paarden verder trekken en van de jacht leven. Bovendien zouden de ossen het spoor van de paarden kunnen volgen, en misschien, door hun instinct geleid, een bron vinden.
De paarden en hun berijders waren echter nauwelijks een uur weg, of ze kwamen aan een oase, en spoedig verried het kwaken van kikvorschen de aanwezigheid van een waterplas, die allen het leven redde.
Na een tocht van twee maanden bereikte Livingstone de [214]oevers van het Ngami-meer, dat nog nooit door een Europeaan aanschouwd was. De koning Letscholetebe bleek evenwel niet zoo vriendschappelijk gezind te zijn als men gehoopt had. Toen hij hoorde dat Livingstone nog verder noordwaarts wilde trekken, naar het groote stamhoofd Sebitoeane, was hij bang dat deze van de blanken vuurwapenen zou krijgen en strooptochten in zijn gebied zou ondernemen. Dientengevolge moest de expeditie weer naar Kolobeng terugkeeren. Maar Livingstone’s volharding kende geen hinderpalen; hij kwam nog een tweeden keer aan het Ngami-meer terug, vergezeld van zijn familie en van Oswell. Op dezen tocht kwam hij ook in het gebied van den machtigen Sebitoeane, die hem gastvrij ontving. Dit stamhoofd, in dit deel van Midden-Afrika als een goedhartig mensch bekend, was blij een blanke te zien, en begreep terstond dat deze zendeling hem en zijn stam goed gezind was. Reeds den eersten Zondag woonde hij de godsdienstoefening bij, en luisterde aandachtig naar Livingstone’s woorden. Eenige dagen later kreeg Sebitoeane echter een longontsteking, en het duurde niet lang of Livingstone zag dat het stamhoofd op sterven lag. Zijn laatste woorden golden Livingstone’s kleinen zoon: „Breng hem in de hut van de vrouwen en geef hem wat melk!” Toen blies Livingstone’s nieuwe vriend den laatsten adem uit.
Nu zetten de beide reizigers hun tocht noordoostwaarts voort, naar het groote dorp Linjanti, en ontdekten spoedig daarop een groote rivier, de Zambesi. Haar benedenloop was den Europeanen reeds lang bekend, maar niemand kende haar bovenloop. Het klimaat van deze streken was zeer ongezond, aan het oprichten van een zendingsstation viel hier dan ook niet te denken. Het Makololo-volk, de stam van het doode opperhoofd, beloofde hem weliswaar grondbezit, hutten en ossen, wanneer hij daar wilde blijven, maar Livingstone had grootere plannen. Voordat hier aan een zendingsstation gedacht kon worden, moest er eerst een eerlijke handel bloeien; ook het Makololo-volk was begonnen slaven te verkoopen, teneinde in het bezit te komen van vuurwapenen en andere begeerlijke zaken uit Europa. Wanneer men ze nu er toe kon brengen om met ivoor en struisvederen handel te drijven, dan konden ze evengoed alles wat hun hart begeerde van de Europeanen in ruil bekomen. Maar daartoe ontbrak in de eerste plaats een weg naar de kust, [215]hetzij van den Atlantischen, hetzij van den Indischen Oceaan, en het was Livingstone’s plan, zulk een weg te zoeken. Later, zoo meende hij, wanneer de slavenhandel voor een eerlijken handel had plaats gemaakt, zou het nog altijd tijd genoeg wezen om hier het christendom te prediken.
Zoo trok hij dan weer zuidwaarts. Vrouw en kinderen konden hem op deze moeitevolle tochten niet vergezellen; hij zond ze naar Engeland. In Kaapstad nam hij van de zijnen afscheid, daarop reisde hij alleen naar Koeroeman, en begaf zich langs een omweg naar Kolobeng. Hij had onderweg veel oponthoud, en ditmaal was dat zijn geluk. Want intusschen had de eerste President der Boerenrepubliek, Pretorius, met zeshonderd Boeren, en zevenhonderd aangeworven zwarten Kolobeng verwoest, Livingstone’s geheele have geroofd, zijn vee weggedreven, alles wat ze niet konden meenemen, tot zelfs de meubels, stuk geslagen, zijn boeken verscheurd, de dorpen der inboorlingen overvallen, en zestig menschen met kanonnen neergeschoten. De verwachting der Boeren, om Livingstone zelf in handen te krijgen, werd gelukkig niet verwezenlijkt. De zwarten hadden zich echter dapper verweerd, en vijf-en-dertig dooden hadden de Boeren moeten achterlaten. Deze overval moest een straf voor de zwarten zijn, omdat ze Engelsche reizigers vrijen doortocht verschaft hadden. Daarbij waren deze Boeren Christenen, maar ze sloten hun land voor alle Europeanen, teneinde ongehinderd zelve de zwarten te kunnen mishandelen en uitzuigen, en ze als slaven te kunnen gebruiken, terwijl ze zelf rustig thuis zaten, hun pijp rookten, en in kalme gemoedsrust—den Bijbel lazen!