WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 53: 55. DE APOSTEL VAN AFRIKA.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

55. DE APOSTEL VAN AFRIKA.

In het jaar 1866 landde Livingstone opnieuw in Zanzibar en dezen keer in de hoedanigheid van Britsch consul van de binnenlanden van Afrika. Hij doorkruiste het land van het Nyassa-meer; toen hij zich echter in de booten der inboorlingen naar den westelijken oever van het meer wilde laten overzetten, beletten Arabieren hem dit, die hem kenden als den gevaarlijksten vijand van den slavenhandel. Hij moest dus te voet het meer omgaan, en veroverde voet voor voet voor de wetenschap nieuwe streken, werkte kaarten uit, hield aanteekeningen en legde verzamelingen aan. Nog eens naderde hij streken, die hij reeds van de vorige reizen kende, waar de vrouwen van de zwarten aan den oever der rivier door krokodillen werden weggesleept, waar zijn echtgenoote was gestorven en alle zendelingen, die men er op zijn verzoek heen gezonden had, aan koorts waren gestorven! [222]

Hij had slechts zeven-en-dertig manschappen bij zich; een hunner, Moesa, had hem vroeger reeds vergezeld, en velen zijner bedienden waren Indiërs. Maar spoedig bleek het dat zijn geleide armzalig gespuis was. Hij moest de Indiërs wegzenden en van de overigen kon hij slechts aan weinigen vertrouwen geven. De besten waren Soesi en Tschoema, die later in Afrika en Europa beroemd werden om hun voorbeeldigen trouw. Daarentegen was Moesa een schurk. Toen hij van een slavenhandelaar vernam, dat het geheele land, hetwelk Livingstone wilde doortrekken, door oorlogzuchtige stammen was bewoond, die kort geleden een troep van veertig Arabieren overvallen en gedood hadden, overviel hem en de meesten zijner makkers zulk een vrees, dat zij op de vlucht gingen. Bij zijn komst te Zanzibar vertelde Moesa aan den Engelschen consul, dat Livingstone overvallen en gedood en van al zijn bezittingen beroofd was geworden. Hij had zijn verzonnen bericht zoo handig bedacht, en zoo goed uit het hoofd geleerd, dat hij zich bij het kruisverhoor in geen tegenspraken verwikkelde en overal geloofd werd. De Engelsche bladen brachten reeds kolommen vol klaagliederen over den doode. Slechts één vriend van Livingstone, die hem op zijn vroegere reizen had vergezeld, en Moesa heel precies kende, twijfelde aan de waarheid van het bericht. Hij ging zelf naar Afrika, volgde het spoor van den doodgewaande en vernam toen ook spoedig van de inboorlingen, dat Livingstone nooit overvallen was, maar zich nu op weg bevond naar het tot nu toe onbekende Tangajika-meer.

Deze weg was ver en bezwaarlijk, en berokkende Livingstone groote verliezen. De levensmiddelen raakten op, en een gehuurde drager ging er met de reisapotheek vandoor. Dientengevolge was Livingstone van alle middelen tegen de koorts beroofd, en zijn gezondheid werd ernstig geschokt. Toch bereikte hij de zuidelijke punt van het Tangajika-meer, en een jaar later ontdekte hij het Bangweolo-meer. Per boot bezocht hij de in het meer liggende eilanden, en wekte groot opzien onder de inboorlingen, die nog nooit een blanke hadden gezien.

Rondom het meer strekten zich groote moerassen uit, en Livingstone had de overtuiging gekregen, dat men in deze streek de uiterste zuidelijke bron van den Nijl had te zoeken. [223]De vraag omtrent de waterscheiding van den Nijl boeide hem zoo sterk, dat hij het eene jaar na het andere in Afrika bleef en toch werd het hem niet gegund dit vraagstuk op te lossen. Hij heeft nooit gehoord, dat de rivier, die uit het Bangweolo-meer komt, niet naar den Nijl stroomt, maar een zijrivier van de Loealaba of de Boven-Congo is.

Aan den oever van het Bangweolo-meer sloegen de meesten zijner geleiders aan het muiten, maar hij wist hen in zooverre te kalmeeren, dat zij hem nog verder volgden. Hij reisde nu in gezelschap van een vriendschappelijk gezind Arabier, Mohammed genaamd. Bij den troep waren nog eenige Arabieren, verscheiden inboorlingen van den oostelijken oever van het Tangajika-meer en slaven, die ivoor en proviand droegen. Hoe vaak zag Livingstone nu groote scharen slaven voorttrekken, die met een hout, dat als een vork om hun hals greep, vooruit geduwd werden, en als zij zich niet verder konden sleepen door hun onmenschelijke pijnigers op de plaats werden gedood, opdat zij andere kooplieden niet ten goede zouden komen. Eens hoorde hij zulk een troep uit volle borst zingen, en toen hij hen naar de reden van hun vroolijkheid vroeg, vertelden zij hem, dat zij wraakliederen zongen. Nu werden zij naar de kust gebracht, om zich zelf af te werken in slavernij, maar eens zou hun juk worden afgeschud. Dan zouden zij naar hun wouden terug keeren en daar de tirannen op hun beurt martelen.

Livingstone werd op deze reis ernstig ziek en moest op een baar worden gedragen. Dikwijls lag hij in ijlende koorts en verloor volkomen elk besef van tijd. Als men slechts gelukkig het Tangajika-meer bereikte en over het meer het land Oedjidji, aan den oostelijken oever, dan kreeg hij weer rust, nieuwe voorraden en brieven uit het geboorteland en deze hoop hield hem staande.

Van alles beroofd en rampzalig bereikte hij werkelijk Oedjidji, een der hoofdpunten van den Arabischen slavenhandel. Maar de verwachte voorraden waren spoorloos verdwenen en van al de brieven, die hij aan den sultan van Zanzibar en naar zijn geboorteland had geschreven, is er nooit een aangekomen. De stammen aan den oostelijken kant van het meer waren juist met elkaar in strijd. Toch liet Livingstone den moed niet zakken. Geen noodlot scheen vreeselijk genoeg om de weerstandskracht [224]van dezen man te breken. Met Soesi en een schaar nieuw aangeworven dragers brak hij opnieuw op, om in westelijke richting over het meer te gaan, waar het land Manjema zijn doel was. Door het grensgebied hiervan stroomde de Loealaba, en als het hem gelukte vast te stellen waar deze geweldige rivier bleef, of zij naar de Middellandsche Zee of naar den Atlantischen Oceaan stroomde, dan wilde hij met een gerust geweten naar het vaderland terugkeeren. Hij had zich voorgenomen het zwarte werelddeel niet eerder te verlaten, voor hij dit vraagstuk zou hebben opgelost, en aan dit besluit heeft hij vergeefs zijn leven opgeofferd.

Ook in het Manjemaland waren de zwarten met elkaar in oorlog, aten hun verslagen vijanden op, aanbaden afgoden, die zij zelf uit hout sneden, en geloofden aan bezweringen en meer dergelijke dwaasheden. „Sterven bij u de menschen ook, of kent gij bezweringen, die tegen den dood helpen?” vroegen zij. „Waar blijft den mensch als het leven is uitgebluscht?” Livingstone beproefde hun dat alles duidelijk te maken.

Daarna trok hij verder in westelijke richting. De Loealaba liet hem geen rust; de inboorlingen der streken, die hij doortrok, zagen hem evenals de andere vreemdelingen, voor een slavenhandelaar aan, en ondersteunden hem op geen enkele manier.

Maar welk een sprookjesachtig land trok hij door. Op de heuvels wuifden palmen in den wind, en klimplanten, zoo dik als kabeltouw slingerden zich rondom reusachtige boomen, op welke krijschende papegaaien van tak tot tak vlogen. Geheele scharen vroolijke apen, leefden in het groene bladerendak en de dieren wedijverden met den plantengroei in verscheidenheid en rijkdom. Vreemde planten, die insecten en zelfs kleine visschen, die in het natte gras omhoogsprongen, naar zich toe trokken en opaten, groeiden aan de oevers der rivieren, en voor al zulke natuurverschijnselen had Livingstone een steeds open oog.

Doordat de regentijd intrad, kon hij gedurende verscheidene maanden niet verder trekken en toen het eindelijk weer zoover kwam, had hij nog slechts drie metgezellen, onder wie de twee getrouwen Soesi en Tschoema.

In het donkere kreupelhout van het tropisch bosch reet hij zijn voeten open, hij klauterde verder over omgevallen boomstammen en vermolmde takken, door gezwollen rivieren moest [225]hij waden, terwijl tusschen de toppen der boomen en in het dichte kreupelhout koortsdampen als nauwelijks zichtbare sluiers zweefden. Weer werd hij ziek en moest lang in een armelijke hut op een bed van gras blijven liggen, waar hij zijn tijd doorbracht met steeds weer zijn reeds geheel stuk gelezen bijbel te bestudeeren en zich door de inboorlingen te laten inlichten over hun strijd met menschen en mensch-apen, want ook de gorilla huisde daar in het woud.

Zoo verliep het eene jaar na het andere zonder dat ook maar het zwakste geluid van het gewoel der wereld tot het oor van Livingstone doordrong, en hij zelf was voor de Europeesche wereld verdwenen. Wat hem hier terughield, was nog steeds de Loealaba rivier. Stortte ze haar onuitputtelijk water in de groote zee in het Westen of stroomde ze langzaam door bosschen, moerassen en woestijnen naar Egypte?

Livingstone had een dochter, Agnes genaamd. Zij leeft nog en in haar gastvrij huis te Edinburg zijn nog de dagboeken haars vaders, zijn oude bijbel en zijn instrumenten te zien.

Als jong kind had zij aan haar vader geschreven, dat hij zich voor haar niet moest haasten met het naar huis keeren, dat het veel beter was, dat hij eerst kalm zijn werk voltooide, opdat hij er zelf tevreden over zou kunnen zijn. Zulk een opwekking van den kant zijner eigen dochter kon natuurlijk niet anders dan hem in zijn besluit versterken, en in een brief uit Manjema schreef hij haar, dat hij aan zijn jonge landgenooten ook een voorbeeld van volharding wilde geven. In dezen brief vertelde hij ook hoe oud, grijs en tandeloos hij is geworden, dat hij ingevallen wangen en diep weggezonken oogen heeft. Een opperhoofd had hem een jongen gorilla geschonken, over dien schrijft hij: „Als het dier zit, is het bijna twee voet hoog en hij is de verstandigste, de minst dwaze aap, dien ik ooit heb gezien. Hij strekt zijn handen smeekend uit om opgetild en rondgedragen te worden en als men weigert, vertrekt hij zijn gezicht als een schreiend mensch en wringt de handen precies als een mensch. Soms strekt hij nog een derde hand uit om de vraag nog dringender te maken. Hij nam mij dadelijk als vriend aan en als iemand hem plaagt, zoekt hij bij mij bescherming: op mijn mat heeft hij een legerstede uit gras en bladeren gemaakt en als het tijd is om te gaan slapen, dekt [226]hij zich met de mat toe. Helaas kan ik hem niet mede naar huis nemen, want ik vrees, dat hij sterft, voor dat ik op weg naar huis ga. Maar hij ziet er erg verwilderd uit; zoolang zijn moeder leefde, die hem goed verzorgde, was zijn lang zwart haar mooi en fijn. Maar waartoe zou ik hem meebrengen? Alleen word ik al genoeg aangegaapt—twee gorilla’s, hij en ik, zouden zeker niet met rust worden gelaten!”

In Februari 1871 verliet Livingstone Manjema, en begaf zich naar Njangwe, aan den oever van de Loealaba, een middelpunt van den slavenhandel. Weer toonden de inboorlingen zich vijandig, omdat zij ook hem voor een slavenhandelaar hielden, en tevergeefs beproefde hij booten te krijgen om de groote rivier af te varen. Hij bood een der Arabische opperhoofden, Doegoembo genaamd, betaling aan, als deze hem zou willen helpen, maar terwijl Doegoembo over het aanbod nadacht, werd Livingstone ooggetuige van een voorval, dat aan afschuwelijkheid alles overtrof, wat hij nog in Afrika had bijgewoond.

Het was een mooie Julidag aan den oever van den Loealaba. Vijftienhonderd zwarten, voor het meerendeel vrouwen, waren in een dorp aan den oever, waar een markt gehouden werd, samengekomen. Livingstone dwaalde buiten in het vrije veld rond, toen hij op eens zag, hoe twee kanonnen op de menigte werden gericht en afgevuurd. De slavenhandelaars waren aan het werk! Velen van hen, die overvallen waren, snelden naar de booten, maar de bende slavenjagers sneed hen den weg af en stortte een regen van pijlen op hen neer, en de booten aan den oever lagen te dicht naast elkaar om inallerijl afgestooten te kunnen worden. Het gekerm der gewonden vervulde de lucht, en allen liepen in wanhoop door elkaar. Boven den waterspiegel vertoonden zich een menigte zwarte koppen; velen der vervolgden beproefden zwemmend een eiland te bereiken, dat anderhalve kilometer verwijderd was, maar de stroom was hen tegen. Eenigen verdwenen stil in de diepte, anderen stieten luide jammerklachten uit, en strekten de armen ten hemel, voordat ze in de donkere kristallen zalen der krokodillen neerdaalden. Drie kano’s, die te zwaar beladen waren, zonken, en de geheele bemanning kwam om. Gaandeweg werd het getal der boven het water zichtbare hoofden steeds kleiner en slechts enkelen streden nog maar om het behoud van hun leven, toen [227]het opperhoofd Doegoembe zich eindelijk ontfermde en de laatste een-en-twintig liet redden. Een dappere vrouw weigerde echter zijn hulp aan te nemen, en verkoos den krokodil boven de genade van den slavenkoning. De Arabieren zelf schatten de omgekomenen op vierhonderd man. De beschrijving van zulke tooneelen, die daarna door de geheele Engelsche pers ging, verwekte in Europa zulk een storm van afschuw, dat een commissie benoemd en naar Zanzibar werd gezonden, om den slavenhandel aan de plaats zelf te bestudeeren en om met den sultan van Zanzibar middelen te beramen tot geheele uitroeiing er van. Wij weten met welke uitkomst. Nog ten tijde van Gordon was de slavenhandel in Soedan in vollen gang, en er zouden nog tientallen van jaren voorbijgaan, voordat de macht der slavenhandelaars gebroken zou zijn. Maar het was voor Livingstone zelf een geluk, dat hij zich niet bij het opperhoofd Doegoembe had aangesloten, want de inboorlingen vereenigden zich tot verweer, overvielen den slavenhandelaar en zijn bende en doodden tweehonderd van hun pijnigers.

Maar nu bleef de vraag naar het lot van de Loealaba-rivier onopgelost en Livingstone zelf begon te vreezen, dat zijn droom, in de Loealaba de bron van den Nijl voor zich te hebben, ongegrond was. Een gerucht drong tot hem door, dat de rivier naar het Westen afsloeg; maar nog steeds kon hij de hoop niet opgeven, dat de Loealaba naar het Noorden ging en de bron van den Nijl dus onder de zijrivieren van het Bangweolo-meer was te zoeken. Ofschoon de moeilijkheden rondom hem als muren omhoog kwamen, werd zijn besluit, niet toe te geven, nog sterker. Zonder een sterke, goed uitgeruste karavaan, kon hij wel is waar niets bereiken. Daarom moest hij terugkeeren naar Oedjidji, waar zeker reeds lang nieuwe voorraden van de kust waren aangekomen. Onder duizend gevaren ondernam hij den terugtocht door het in opstand verkeerend land, en half dood van koortsaanvallen en van alles ontbloot, bereikte hij in October Oedjidji.

Maar hier wachtte hem een nieuwe teleurstelling! Wel waren de voorraden overgekomen, maar de Arabische schurk, die de zaken van Livingstone zou bewaren, had ze verkocht, daaronder waren tweeduizend meter stoffen en verschillende zakken kralen, de eenige gangbare munt in het verkeer met [228]de zwarten. De Arabier zeide doodbedaard, dat hij gemeend had, dat de zendeling dood was!

Hoe Livingstone te moede was in dezen benarden toestand, lezen wij in zijn dagboek; hij geleek op den man die naar Jericho reisde en in handen van roovers viel en hij scheen vergeefs te moeten wachten op den priester, den Leviet en den barmhartigen Samaritaan. Maar vijf dagen na zijn aankomst in Oedjidji schrijft hij in dagboek:

„Toen ik mij nog het diepst terneergeslagen voelde, naderde de barmhartige Samaritaan reeds! Op zekeren morgen kwam Soesi haastig aanloopen en riep buiten adem: „Een Engelschman! Ik zie hem!” Met deze woorden maakte hij weer rechtsomkeert om den vreemdeling tegemoet te snellen.

Een Amerikaansche vlag aan het hoofd der karavaan gaf te kennen van welk land zij waren, die daar naderden. Balen van koopwaren, tenten, kookgereedschap, suiker, badkuipen enz. werden meegevoerd, en ik moest onwillekeurig denken: „dat moet een rijk heer zijn, niet zoo’n arme drommel als ik ben.”