57. DE LAATSTE REIS VAN LIVINGSTONE.
Vier maanden bleven Stanley en Livingstone bij elkaar. Zij huurden twee groote booten en roeiden naar het noordelijk einde van het Tangajika-meer. Want, al verlangde Livingstone ook gedurende de laatste zes jaren naar het vaderland en vooral naar zijn kinderen, weigerde hij toch terug te keeren, voordat hij wist of de Loealaba tot den Nijl of tot den Congo behoorde. Nu stelden de beide onderzoekers vast, dat het meer noordelijk geen afvoer had. Maar daarmede was het vraagstuk dat Livingstone [239]zoo zeer in beslag nam, nog volstrekt niet opgelost. Pas twee jaren later gelukte het aan den Engelschman Cameron, de Loekoega te ontdekken, die uit het Tangajika-meer komt, en in de Loealaba stroomt. En daar hij bovendien nog vaststelde, dat Njangwe, aan de Loealaba, honderd en vijftig meter lager ligt dan de Nijl bij zijn uitstrooming uit het Albert Niansa-meer, was hiermede bewezen, dat de Loealaba niets met den Nijl te maken had en dat de veronderstelling van Livingstone, de uiterste bronnen van den Nijl in het Bangweolo-meer te willen vinden, een vergissing was! De Loealaba moest dus naar den Atlantischen Oceaan stroomen, en feitelijk is zij niets anders dan de bovenloop van den Congo. [237]
Stanley vindt Livingstone.
[238]
De laatste reis van Livingstone.
[239]
Maar al te gauw was de tijd van Stanley voorbij. Hij moest naar Zanzibar terug, om aan de wereld mede te deelen, dat Livingstone nog leefde. Zij begaven zich te zamen naar Tabora, waar Livingstone nieuwe voorraden wilde afwachten en Stanley schonk hem van zijn overvloed nog veertig balen katoen, kralen en metaaldraad, een boot van zeildoek, een waterdichte tent, twee achterladers en andere wapenen—en voorzag hem ook rijkelijk van ammunitie, werktuigen en kookgereedschap, voorwerpen die voor Livingstone van onschatbare waarde waren, daar hij nog beslist zoo lang in Afrika wilde blijven, totdat hij zijn taak had volbracht.
Stanley had bovendien aan Livingstone beloofd in Zanzibar eenige vertrouwde dragers te huren en naar Tabora te zenden, waar Livingstone hun komst zou afwachten. Zijn dagboeken, brieven en kaarten had Livingstone den vertrekkende overhandigd, wat voor Stanley zelf van het grootste gewicht was; want toen hij in Engeland terugkwam, betwijfelde men zijn berichten! De dagbladen beproefden hem verdacht te maken, al geloofde het groote publiek zijn woorden ook. Later kreeg hij echter voor dit wantrouwen volkomen voldoening, en niemand twijfelde er meer aan, dat hij met het vinden van Livingstone een schitterende daad had verricht.
Eindelijk kwamen de nieuwe dragers van Livingstone, zeven-en-vijftig man te Tabora aan. Zij waren flink en vertrouwbaar en einde Augustus begon Livingstone nu een nieuwe reis, zijn laatste! Nog eens sloeg hij de richting in naar het Tangajika-meer en met Nieuwjaar 1872 bevond hij zich in [240]de nabijheid van het Bangweolo-meer. De regen stroomde dezen keer als nooit te voren, alsof de hemel al zijn sluizen had geopend, en de karavaan kwam hierdoor op den slibberigen weg slechts met moeite vooruit.
Tusschenbeide marcheerde men urenlang in het water en de rivieren waren slechts door hun golven van de omringende moerassen en het ver in het rond overstroomde land te onderscheiden. De inboorlingen waren ook onvriendelijk, weigerden levensmiddelen en gaven verkeerde inlichtingen omtrent den weg. Zulk een moeilijke reis had Livingstone nog nooit gemaakt!
Zijn plan was het Bangweolo-meer aan de zuidzijde om te trekken en al de rivieren na te vorschen, die er in uitloopen. Vooral ook de Loeapoela, die er uitstroomt en in de Loealaba uitmondt. Hij wilde dan, het naar het Noorden stroomende water volgen, en zich van de richting en het laatste punt overtuigen. Maar welken weg de raadselachtige rivier ook naar de een of andere zee mocht inslaan—het af te leggen eind weg was verschrikkelijk groot en de dagen van Livingstone waren geteld. Na lang ziek te zijn geweest, werd zijn toestand tengevolge van de inspanning der laatste reis ernstiger. Zijn lichaam was gesloopt en verzwakt door voortdurende koorts en onvoldoende voedsel. Maar nog steeds geloofde hij aan het succes van zijn reis en met onvermoeide nauwgezetheid schreef hij zijn waarnemingen neer. De eene maand na de andere sleept hij zich voort. Maar zijn krachten waren niet meer voldoende voor zulk een inspanning. Den 21sten April schreef hij met bevende hand nog slechts de volgende woorden in zijn dagboek:
„Beproefde te rijden, maar ik moest gaan liggen en men droeg mij geheel uitgeput terug in het dorp.”
Er werd nu een gemakkelijke draagbaar voor hem gemaakt, en Soesi en Tschoema waren steeds in zijn nabijheid. Den volgenden dag werd hij twee uur ver door de moerassige grasvlakte gedragen, maar de volgende vier dagen was hij niet meer in staat een regel in zijn dagboek neer te schrijven. Slechts op de kaart verbond hij nog een dorp aan den zuidelijken oever van het Bangweolo-meer met een ander. Den 27sten April staat er: [241]
„Met mij is het geheel gedaan en ik blijf hier.—Moet gezond worden!—Heb uitgezonden om twee geiten te koopen voor de melk. Wij zijn aan den oever van de Molilamo.”
Met deze woorden—sluit zijn dagboek, dat dertig jaren omvat! Geiten waren echter niet te vinden, maar het opperhoofd van de plaats zond andere levensmiddelen als geschenken.
Twee dagen later werd de reis voortgezet en het opperhoofd zond booten om de Molilamo over te steken, een beek, die in het meer uitloopt. De zieke werd in een boot getild en over de sterk gezwollen beek geroeid. Aan den oever snelde Soesi vooruit om in het naburig dorp van het opperhoofd Tschitamba, een hut in te richten. De draagbaar volgde langzaam; telkens moest de zieke zijn manschappen verzoeken de baar neer te zetten en hem te laten rusten. Hij scheen in een verdooving te zijn gevallen, die zijn bedienden schrik aanjoeg. Toen hij eindelijk in het dorp aankwam, hadden de inboorlingen zich verzameld en stonden zwijgend, gesteund op hun speren, rondom de baar, waarop de blanke man rustte, van wiens daden en roem zij zoo dikwijls hadden gehoord. Een hut was ingericht, en tegen den binnenmuur werd van gras en takken een bank aangebracht, waarop het bed werd uitgespreid. Voor den ingang werd een vuur ontstoken, waarbij de knaap Majvara de wacht hield.
Vroeg in den morgen van 30 April bracht het opperhoofd Tschitambo zijn gast een bezoek, maar Livingstone was te zwak om met hem te kunnen spreken. Toen ’s avonds de mannen zich ter ruste hadden begeven, werd Soesi te elf uur bij zijn heer geroepen. Uit de verte weerklonk luid geschreeuw; Livingstone vroeg aan Soesi of zijn manschappen zulk een leven maakten. Toen hij hoorde, dat die sliepen, zeide hij:
„Ik hoor aan de kreten, dat de lieden een buffel uit hun durrhaveld verjagen.”
Na een poosje zeide hij:
„Is dat de Loeapoela?”
„Neen,” antwoordde Soesi, „wij zijn in het dorp van Tschitambo.”
„Hoeveel dagreizen zijn het nog tot de Loeapoela?”
„Ik geloof drie dagen,” antwoordde Soesi.
Na een poosje zuchtte Livingstone diep en zeide: [242]
„O, lieve, lieve God!”
Daarna verloor hij het bewustzijn.
Te middernacht riep Majvara Soesi weer bij den zieke, die een poeder wilde innemen. Nadat Soesi hem daarmede had geholpen, zeide hij: „Nu kunt gij gaan.”
Te vier uur in den morgen van 1 Mei 1873 riep Majvara den bediende Soesi weer en verzocht hem dadelijk te komen. „Ik ben bang, ik weet niet of onze heer nog leeft.” Soesi riep Tschoema, en eenige anderen, en zij snelden naar de hut van Livingstone. Deze lag geknield naast zijn bed, het hoofd gebogen op de gevouwen handen. Zoo hadden zij hem dikwijls gezien, verdiept in het gebed, en daarom trokken zij zich in eerbiedig zwijgen terug. Maar het was er hen vreemd bij te moede, en toen niets zich bewoog, naderden zij zachtjes; Livingstone ademde niet meer! Een van de bedienden raakte de wangen van den knielende aan, zij waren koud. De apostel van Afrika was dood!
Diep bedroefd legden zijn bedienden hem op zijn bed en gingen daarna naar buiten om te beraadslagen.
Juist begonnen de hanen in het dorp te kraaien, en een nieuwe dag brak over Afrika aan. Zij gingen de hut van Livingstone weer binnen om zijn bagage te regelen. Allen die hem vergezelden, waren er bij tegenwoordig om gezamenlijk de verantwoording te dragen. Met bijzondere zorg legden zij de dagboeken en brieven van den dokter, zijn bijbel en zijn instrumenten in ijzeren kisten, om ze voor vocht en witte mieren, die anders alles vernielen, te beschermen.
Wat nu? Soesi en Tschoema wisten welk een ontzaglijke taak hen wachtte. Zij kenden den afschuw der inboorlingen voor een lijk; de inboorlingen meenen, dat de geesten in het doodenrijk aan niets anders denken dan aan wraak en slechtheid. Daarom beproeven zij door bezweringen deze geesten te kalmeeren, opdat zij de levenden niet door oorlog, misgewas of ziekte bezoeken. Maar Soesi en Tschoema, die gedurende de laatste zeven jaren de voortdurende metgezellen van Livingstone waren geweest, voelden hun verantwoordelijkheid ook zeer. Zij onderhandelden met de dragers, die Stanley van uit Zanzibar had gezonden. Dezen zeiden: „Gij zijt onder reizen en inspanning oud geworden, daarom moet gij onze opperhoofden zijn, en wij beloven u te zullen gehoorzamen.” [243]
Soesi en Tschoema namen nu het opperbevel op zich over den troep. En zij volvoerden een heldendaad, die in de geschiedenis van alle ontdekkingsreizen haar weerga niet heeft.