59. DOOR HET DONKERE WERELDDEEL.
Succes moedigt aan! Reeds in het najaar van 1874 was Stanley weer in Zanzibar om nog eens in het donkere werelddeel zijn geluk te beproeven! Hij rustte een karavaan uit met driehonderd dragers, met proviand, kralen, koperdraad, wapenen, opvouwbare booten, tenten, werktuigen en al datgene wat men op een reis van verscheidene jaren noodig heeft en sloeg de richting in naar het Victoria-Niansa meer. Hij zeilde het geheele meer om, bezocht Oeganda en Oedjidji, waar de hut van Livingstone reeds lang met den grond was gelijk gemaakt, en zeilde toen nog het Tangajika-meer om.
Twee jaar na zijn vertrek bereikte hij den oever van de Loealaba, waaraan Dr. Livingstone zijn leven had gewijd om de raadselen er van op te lossen. Na twee jaren inspannend reizen stond nu Stanley op de westelijkste punt, tot waar ooit een Europeaan vanaf de Indische kust van Afrika was doorgedrongen en voor hem lag een geheel onbekend land, dat op de kaarten van dien tijd slechts door een groote, witte vlek was aangegeven. Van alle kanten waren reizigers den rand van dit gebied genaderd, maar niet een was verder gedrongen; men wist niet eens waar de Loealaba bleef en vergeefs had Livingstone getracht daar inboorlingen en Arabieren uit te vragen. Hier te Njangwe hadden de Arabische slavenhandelaars hun westelijkste markt. Groenten, vruchten, graan, visch, vee, metaaldraad, bogen, pijlen en speren werden hier verkocht en een ruilhandel met ivoor en slaven uit het binnenland gedreven. Maar ofschoon van alle kanten wegen in Njangwe samenliepen waren de Arabieren al even weinig van het binnenland op de hoogte. [247]
Maar moeielijkheden waren er voor den ijzeren wil van Stanley niet. Zijn besluit stond vast in geen geval weer naar het Oosten terug te keeren; hij wilde naar het Westen, naar de Atlantische kust doordringen, al kostte het zijn eigen leven; zijn lijfspreuk was: „Waag te winnen en te verliezen!” Zoo brak hij dan den 5den November 1876 in gezelschap van het machtig en rijk Arabisch opperhoofd Tipoe Tip op en ging in noordelijke richting naar een groot woud. De troep van Tipoe Tip bestond uit zevenhonderd mannen, vrouwen en kinderen; Stanley had honderd vier-en-vijftig manschappen met geweren, revolvers en bijlen gewapend. Dus een groote karavaan, die in lange rijen het oerwoud naderde en onder de geweldige boomen verdween. Als zuilen stonden hier de stammen naast elkaar. Palmen en rotangs worstelden met de wilde wijnranken om de plaats. Varens en riet woekerden op den grond en doornstruiken vormden ondoordringbaar struikgewas. Klimplanten kropen tegen de stammen op en hingen als netten van de takken. Uit het bladerengewelf druppelde dauw als motregen neer; de lucht was zwaar en zwoel, en verzadigd van den geur der planten en van de aarde. Slechts zelden drong een koeltje in de diepte van het woud. Hoog boven de toppen der boomen konden stormen woeden, maar daar beneden in de schemering van het bosch bewoog zich geen blad. In den lossen, van water doortrokken bodem behoefden de wortels zich dus niet zoo diep in te boren om aan boomen en struiken kracht en steun te geven; dikwijls lagen de geweldige wortels van oeroude woudreuzen bijna geheel bloot.
Met bijlen moest de karavaan zich voetje voor voetje een weg door het tropisch oerwoud, door zijn nooit door een zonnestraal getroffen kreupelhout, banen. Mieren, duizendpooten, kevers en andere insecten kropen hier in groote volksverhuizingen rond; tusschen de wortels der boomen loerde de pythonslang op haar buit. Op de takken der boomen klauterden apen en slingerden zich schommelend en met handige sprongen van den eenen boomstam op den anderen. Rijen bavianen maakten geraas en brulden en hier en daar hoorde men de geluiden van den chimpansee, en ontdekte men tusschen een forschen tak zijn gevlochten nest.
Langzaam ging het op den slibberigen bodem en door het struikgewas vooruit. De pakken droeg men op het hoofd, om [248]de armen vrij te hebben en takken en jonge boomen op zij te kunnen schuiven. De kleeren hingen weldra aan flarden, bij de naakte zwarten moest de huid het ontgelden. Voor de dragers van de opvouwbare boot, moest, dikwijls een apart pad met moeite worden uitgehouwen. Daarbij steeds dezelfde zwoele, verstikkende broeikaslucht en de diepe, drukkende schemering! Men tastte als door een donkere gang; nergens een licht, steeds een eeuwige schemering, die door pikzwarte nachten werd afgelost. Evenals de Poolvaarders in den langen winternacht, verlangde ieder naar den terugkeer der zon en naar het daglicht.
Op eenigen afstand van den oostelijken oever van de Loealaba ging de tocht noordwaarts. Stanley klauterde in een boom, die vrij en eenzaam op een heuvel stond. Welk een wondervol gezicht hier, over de toppen der boomen van het woud. In het rond een enkele zee van bladeren, de door de zon bestraalde oppervlakte der dicht in elkaar gevlochten groene kronen der boomen. Hier boven ruischten de bladeren in den wind en de storm veroorzaakte geweldige golven over de groene vlakte. Zelfs voor den moed en de volharding van een Stanley was dit oerwoud een beproeving van zijn energie. Ziekte, verveling en ongehoorzaamheid werd merkbaar in zijn schaar. De groote Tipoe Tip was van oordeel, dat in zulk een land verder doordringen onmogelijk was; hij wilde daarom met zijn zwarte bende omkeeren. Na veel heen en weer praten liet hij zich eindelijk overhalen nog twintig dagreizen verder mede te trekken, en na ontelbaar veel moeite bereikte de karavaan eindelijk weer den oever der Loealaba.
Zonder geluid en majestueus gleed de geweldige watermassa den oever langs. Dik en bruin door de verrotte planten wentelde de rivier zich naar een land, van welks tallooze negerstammen de Europeanen nog in het geheel niets wisten en dat nog nooit door den voet van een blanke was betreden. De olifanten in het duistere woud voelden zich nog niet verontrust door de Europeesche jagers en het nijlpaard lag nog onbezorgd tusschen lotusbladeren en riet. En deze geheimzinnige rivier over welke geleerden met elkaar streden, wilde Stanley overwinnen, het koste wat het wilde.
Tenten en omheiningen werden aan den rechteroever opgericht. Ginds aan den linkeroever werden hutten zichtbaar [249]van onbekende stammen. Stanley liet zijn boot in elkaar zetten om de rivier over te gaan en met de wilden te spreken. Intusschen lag hij peinzend in zijn tent. Door deze eeuwige wouden te voet te gaan, was op den duur niet mogelijk. Waarom den breeden weg niet gebruiken, dien de Loealaba zelf aanbood! Het woud stond vol groeiende booten! Uit deze stammen kon een geheele vloot bruikbare vaartuigen worden gehouwen.
Snel besloten liet Stanley zijn karavaan door trommelslag bijeenroepen, om zijn plan mede te deelen. Met aarzelende schreden naderden de mannen, Tipoe Tip en de overige Arabieren vooraan. Zij verwachtten niets anders dan dat de marsch door het geheele bosch voortgezet zou worden. Toen allen bij elkaar waren, zei Stanley:
„Arabieren, mannen uit Oenjamwesi en Zanzibar! Gij ziet deze rivier, die sedert onheuglijke tijden stil en onbekend naar de zoute zee stroomt, waar mijn blanke vrienden wonen.” En nu zette hij hun zijn plan uiteen, om met een sterke vloot de Loealaba te willen afroeien.
Eerst klonk als antwoord een onwillig gemompel, maar Stanley liet zich niet van zijn stuk brengen. Hij verzekerde hen rondweg, dat hij dezen tocht zou doen, ook al vergezelde hem niemand anders dan Frank Pocock, de eenige overlevende, der drie uit Zanzibar medegenomen blanken. Daarna wendde hij zich tot de bootslieden: „Gij, die met mij over de groote zeeën zijt gezeild, wilt gij nu mij en mijn blanken broeder in het woud laten omkomen?” Reeds kwamen eenigen naar voren en tenslotte verklaarden twee-en-dertig man zich bereid mede te gaan. Tipoe Tip en zijn Arabieren verzekerden echter dat zoo’n tocht reine krankzinnigheid was, men zou in handen vallen van oorlogzuchtige wilden en menscheneters of omkomen in bruisende watervallen. Stanley verzocht aan de Arabieren, tenminste door hun gepraat niet hen af te schrikken, die reeds beloofd hadden te zullen meegaan.
Juist kwam nu van den linkeroever een boot met twee roeiers en een van Stanley’s tolken riep den inboorlingen toe:
„Bezorgt ons booten, opdat wij u ginds kunnen bezoeken.”
„Vult de booten met schelpen en dan kunt gij komen!”
„Gij kunt ieder tien schelpen krijgen,” antwoordde de tolk.
Maar de wilden antwoordden: [250]
„Neen, jelui zijn slechte menschen, keert terug, keert terug!” En daarbij hieven zij een akelig, vreemd lied aan, en van den anderen oever klonk een onheilspellend „o-hoe, o-hoe-hoe!”
„Ginds schijnt een strijdlustig opperhoofd te wonen,” zeide de tolk van Stanley.
„Onzin,” antwoordde Stanley, „waarom zouden zij strijd met ons zoeken?”
„Het zijn wilden en daarom strijdlustig als de dieren.”
„Ik zal je bewijzen, dat je ongelijk hebt,” antwoordde Stanley, stapte met Tipoe Tip, eenige Arabieren en alle tolken in een boot en roeide met snelle slagen naar den anderen oever.
Hier krioelde het van zwarte krijgslieden, en een vloot van twintig booten lag aan den oever.
Op behoorlijken afstand riep de tolk de wilden toe, dat de blanke man hun land wilde zien, men zou niets van hun eigendom aanraken en hen geen kwaad doen. Het antwoord was, dat de blanke man den volgenden morgen naar een klein, nabijgelegen eiland moest roeien; hun opperhoofd zou daar eveneens met tien krijgslieden heengaan. Zoodra men daar broederschap gesloten zou hebben, mochten de vreemdelingen de hutten der zwarten bezoeken!
Daar Stanley een overval vreesde, zond hij in den nacht twintig gewapenden naar het eiland, die zich in het kreupelhout moesten verbergen. Pocock en tien man roeiden den volgenden morgen naar de plaats van samenkomst, terwijl Stanley zelf in de nabijheid in zijn boot wachtte. Stanley had het goed voorzien, een geheele zwerm van booten der wilden verliet den linkeroever, en toen zij het eiland naderden, hieven de zwarten hun oorlogskreet aan: „o-hoe, o-hoe-hoe!” en stormden met gespannen bogen en opgeheven speren aan land. Maar daar waren de twintig in hinderlaag liggenden ook op hun post, en na een korte schermutseling snelden de wilden hals over kop naar hun booten, om zoo gauw als mogelijk naar hun dorpen terug te roeien.
Stanley bracht nu al zijn manschappen naar een beschutte plaats op den linkeroever. Den volgenden morgen waren de inboorlingen gevlucht en hun dorpen stonden leeg. Slechts twee rijen grijnzende schedels van opgegeten vijanden en gevangenen sierden de dorpsstraten. [251]