WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 59: 61. OVER DE CONGO-VALLEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

61. OVER DE CONGO-VALLEN.

Stanley was er van overtuigd, dat deze geweldige rivier, aan welke hij den naam van Livingstone had gegeven, geen andere was dan de Congo, waarvan men de uitmonding reeds vierhonderd jaar kende. Maar hij was ook van meening, dat de Loealaba óf zich met den Nijl vereenigde, óf in het Noord-Westen in verbinding stond met den Niger. De oplossing van dit vraagstuk moest nu door Stanley en zijn geleiders met bloed en tranen worden gekocht. Het werd een tocht die in alle tijden beroemd zal blijven en een waardige tegenhanger is aan moed, gevaren en avonturen, van de boottochten der Spanjaarden, op de door hen ontdekte rivieren van Amerika, den Mississipi en de Amazone-rivier. [254]

Den avond van den eersten dag legde de vloot van Stanley aan een oever aan, waar veertien dorpen verscholen lagen in een dicht beukenbosch, en voor het eerst na de scheiding van Tipoe Tip zou een kamp worden opgeslagen. Maar dezen keer kwamen de inboorlingen de vreemdelingen vriendelijk tegemoet. Maar iets verder omlaag weerklonk het woud weer van geraas en oorlogstrommels. De tromsignalen plantten zich van dorp tot dorp, van oever tot oever verder. Van beide kanten naderden bij troepen de booten der inboorlingen, en spoedig was de vloot van Stanley omringd. „Vrede, vrede,” riepen de tolken, maar de wilden riepen op bevelenden toon: „Keert terug of oorlog!” Eindelijk kwam het toch tot onderhandeling, terwijl het geheele gezelschap, vriend en vijand, stroomafwaarts dreef. Nieuwe dorpen werden tusschen de boomen zichtbaar. Maar hier woonden vijanden van de aanvallers en nu maakten deze haastig dat ze wegkwamen, voordat het tot een strijd was gekomen.

Den volgenden keer liep het samenkomen met de inboorlingen niet zoo gelukkig af. Een hagel van speren werd naar de booten van Stanley geslingerd en op de giftige pijlen der wilden moesten de Europeanen met nadruk antwoord geven. Daarbij maakten de mannen van Stanley een aantal schilden buit, die hen later van veel nut werden.

Bij de volgende kampplaats, dreigden de wilden, de vreemdelingen bij een groot feestmaal, dat zij van plan waren aan te richten, als gebraad te gebruiken, en Stanley vond het daarom raadzamer verder te trekken en liever aan den oever van een zijrivier te kampeeren. Hier was het bosch buitengewoon dicht. Varens en rotangs groeiden tusschen hooge stammen en overal wemelde het van insecten, van bruine, gele en zwarte mieren, en de huiveringwekkende termieten, die alles wat hen in den weg komt, stuk knagen. Een onafgebroken suizen vervulde de lucht door de ontelbaar veel vleugels der insecten, de krekels, sprinkhanen en kevers, die in ontzaglijke menigten sprongen, vlogen, op stengels en bladeren rondliepen, aten of ijverig werkten.

Hier verschenen voor het eerst vredelievende inboorlingen als bezoekers in het kamp. Maar toen de vloot van Stanley verder roeide, weerklonk weer oorlogsgetrommel aan den oever. Stanley liet zijn manschappen, ten strijd gereed, midden in de [255]rivier halt houden. Zwermen flinke booten vlogen ijlings als wilde eenden nader, en de speren der zwarte krijgers klonken helder tegen de schilden.

De tolk in de voorste boot riep hen toe: „Vrede: Neemt u in acht of we schieten!” Deze roep maakte de wilden besluiteloos. Zij trokken zich langzaam onder den overhangenden, begroeiden oever terug. Dikwijls gelukte het aan den tolk geheele scharen roeiende krijgslieden door het eene woord „vrede” te verlammen; maar anderen beantwoordden de vredesboodschap met hoongelach. Onder heftige slagen der roeispanen naderden zij, slingerden hun werpsperen naar de vreemdelingen, en hun pijlen floten door de lucht. Werden zij met kruit en lood beantwoord, dan keerden zij bloedend naar den oever terug.

Het jaar 1877 was reeds aangevangen, toen een vredelievende stam de reizigers voor gevaarlijke watervallen en stroomversnellingen waarschuwde, waarvan zij het razen en bruisen weldra zouden hooren. De vloot gleed nu langs den rechteroever en allen luisterden of zij de watervallen al naderden. Daar snelden eensklaps acht wilden naar den oever en slingerden hun speren naar de bemanning der booten. Eenige dezer speren drongen in de zijden er van, andere vlogen er over heen en toen Stanley nu bevel gaf stroomafwaarts te roeien, dreunde weer de oorlogstrom en een groot aantal lange booten naderden. Het lichaam der inboorlingen was half geel beschilderd, half rood met breede, zwarte strepen. Het gezelschap zag er recht griezelig uit. Hun gehuil en hun hoornsignalen deden een heftigen strijd verwachten.

Stanley plaatste zijn booten in slagorde en liet langs de borstwering van iedere boot de schilden, die vroeger buitgemaakt waren, opstellen ter bescherming van hen die niet medevochten. Een boot van vijf-en-twintig meter roeide recht op die van Stanley aan, maar werd met een knetterend geweervuur ontvangen. Nu ging Stanley tot den aanval over. De boot van den tegenstander kon echter niet snel genoeg wenden, de krijgslieden en roeiers sprongen in het water om al zwemmende te ontkomen. Weldra verdwenen de overigen ook, en de vaart naar de watervallen kon worden voortgezet.

Nu was het bruisen er van reeds duidelijk te hooren. Maar [256]de inboorlingen dachten deze gelegenheid waar te nemen om de vreemdelingen te vangen en stap voor stap moest Stanley nu eens te land, dan weer te water door de scharen wilden heendringen. Op de kalme uitgestrektheden water, tusschen de watervallen, kon geroeid worden, maar dan weer moest de oever bereikt worden en door het kreupelhout een pad worden gehouwen om de booten over land te kunnen trekken. Dikwijls moesten de wilden van boom tot boom worden teruggeslagen; eens beproefden zij zelfs de manschappen van Stanley in een net te vangen, maar de poging eindigde er mede, dat zij zelf acht hunner manschappen verloren. Deze gevangenen waren op het voorhoofd getatoueerd en hun voortanden waren spits toeloopend gevijld. Zij waren als alle stammen van deze streek menscheneters en het versche vleesch der vreemdelingen zou voor hen een zeer welkome buit zijn geweest.

Einde Januari 1877 gleed de vloot van Stanley over den Aequator, en de rivier wendde zich nu steeds meer naar het Westen, een bewijs, dat zij niet naar den Nijl kon stroomen. Hier werd de zevende en laatste Congo-val gelukkig overwonnen en de lange reeks dezer watervallen, die sedert onder den naam Stanley-watervallen bekend zijn, was hiermede ontdekt. Twee jaren later deed men den eersten stap tot vestiging van den Belgischen Congostaat.