WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 64: 66. HET LOT VAN DE ACHTERHOEDE.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

66. HET LOT VAN DE ACHTERHOEDE.

Ten tweeden male het donkere oerwoud in! Den 8sten Juni was Stanley reeds weder in het fort Bodo, waar hij alles in den besten toestand aantrof. De gewassen waren uitstekend opgekomen, de oogst was binnengehaald, en er was opnieuw gezaaid. De bevelhebber van het garnizoen, luitenant Stairs, had de invaliden uit het kamp van Oegarrowa gehaald, maar tengevolge van de schandelijke behandeling der Arabieren, waren er van de zes-en-vijftig man slechts veertien levend in het fort Bodo aangekomen!

Den 16den Juni begon de opmarsen naar Jamboeja, en weerklonk dagelijks de waarschuwende roep der gidsen: „Roode mieren onderweg! Pas op, een boomstronk, o! splinters! Een kuil, rechts! Pas op, links! Pas op, doornen! Een wortel! Roode mieren in aantocht! Pas op de roode mieren! Een boomstam! Splinters daaronder!”

Zoo ging het verder, van het eene kamp naar het andere. [277]Toen Stanley den 21sten Juni te Ipoto aankwam, waren de Arabieren aldaar niet weinig geschrokken, daar ze bang waren voor een wraakoefening wegens de wijze waarop ze zijn invaliden behandeld hadden. Maar Stanley hield zich in, want eerst moest de achterhoede gered worden, en hij mocht het fort Bodo met zijn bezetting van zestig man niet blootstellen aan een overrompeling door Arabische roovers. Derhalve vergenoegde hij er zich mee, een deel der geroofde wapenen te doen uitleveren, en trok toen verder de Aroewini stroomafwaarts.

De lastdragers die hem door Emin medegegeven waren, hadden het meeste van de vermoeienissen der dagmarschen te lijden; bij een heftigen stortregen, vielen er plotseling drie dood neer, alsof ze door een kogel getroffen waren, en dagelijks waren er meerderen die ditzelfde lot deelden.

Den 13den Juli bereikte Stanley het kamp van Oegarrowa. Maar de plek was als uitgestorven, alle bewoners waren stroomafwaarts getrokken. Met behulp van talrijke kano’s, die men den inboorlingen ontnam, achterhaalde men echter de mannen van Oegarrowa, en hier, in het kamp der Arabieren trof Stanley eindelijk de vrijwilligers aan, die hij de achterhoede tegemoet gezonden had. Van de twintig man waren er vier gesneuveld, en van de overige zestien man was er slechts één enkele zonder schot- of speerwond afgekomen! Ze hadden voor de vijandelijke inboorlingen moeten wijken, en zich onder bescherming der Arabieren moeten stellen. Ook de afgezanten die Oegarrowa in opdracht van Stanley naar Jamboeja gezonden had, waren niet in staat geweest, zich door de vijandelijke benden heen een weg te banen. Het lot der achterhoede was dus nog geheel in het duister gehuld. Daar moest wel iets verschrikkelijks gebeurd zijn!

Den 12den Augustus werd de marsch voortgezet. De bezwaren, die de weg opleverde, bleven dezelfde, alleen werd de karavaan niet meer door de inboorlingen lastig gevallen. De dicht bewoonde streken, waardoor men zich bij den opmarsch met moeite een weg had moeten banen, waren thans verlaten; de inboorlingen waren verdwenen, hun groote dorpen waren te deele verwoest De slaven- en ivoorhandelaars hadden hier weer eens duchtig huisgehouden! [278]

Zoo brak de 17de Augustus aan. Na de opeenvolgende tooneelen van verwoesting en verlatenheid aan beide oevers, vertoonde zich in den lichten morgennevel een nog gespaard gebleven dorp, en toen men naderbij gekomen was, werd een versterkte omheining zichtbaar. Witte gewaden kwamen in ’t zicht, en in den morgenwind wapperde een roode vaan met de halve maan. Weer een kamp der Arabieren! Hier was misschien de achterhoede! „De majoor, jongens! Aan de riemen!” riep Stanley zijn mannen toe, en onder luid hoera-geroep vloog de kano met razende snelheid voort.

Een eind voor het dorp hield Stanley stil, en daar hij aan land een troep vreemde menschen zag, riep hij:

„Tot wien behooren jullie?”

„We behooren tot Stanley’s mannen,” klonk het antwoord.

In enkele oogenblikken was Stanley aan land, en voor hem stond, als eenige Europeaan, de arts Bonny.

„Wel Bonny, hoe gaat ’t? Waar is de majoor? Soms ziek?”

„De majoor is dood!”

„Dood? Goede God! Hoe is hij gestorven? Aan koorts?”

„Neen, hij is doodgeschoten!”

„Door wie?”

„Door de Manjema, de mannen van Tipoe Tip!”

„Genadige hemel! En waar is de plaatsvervangende officier?”

„Aan de Stanley-vallen!”

„Om Godswil! Wat doet hij daar?”

„Hij is daarheen gegaan om meer dragers te krijgen.”

„En waar zijn de andere officieren?”

„De eene is in Bangala, en de andere is al sedert lang ziek naar huis teruggekeerd!”

Bij stukjes en beetjes vernam nu Stanley het lot van de achterhoede. Majoor Barttelot had de instructies van Stanley niet opgevolgd, die hem uitdrukkelijk gelast had, om slechts een tijdlang op de door Tipoe Tip beloofde dragers te wachten; maar om dan, wanneer de Arabier zijn woord niet zou houden, met al de bagage in kleine dagmarschen op te rukken, om in elk geval dichter by Stanley te komen. Tipoe Tip had, zooals Stanley wel voorzien had, zijn woord niet gehouden, en majoor Barttelot had zich door de beloften van den sluwen Arabier volkomen om den tuin laten leiden! [279]

Deze had spoedig de benarde positie van den majoor bemerkt, en het was zijn streven geweest om zich zijn hulp zoo duur mogelijk te laten betalen. De rooftochten van zijn benden hadden de oevers van de Aroewini verwoest en ontvolkt, en de achterhoede was nu voor de proviandeering op de milddadigheid der Arabieren aangewezen. Dit was ’t juist wat Tipoe Tip beoogde: op deze wijze kreeg hij voortdurend meer van de kostbare bagage van Stanley in handen. Hoewel er geen schermutselingen hadden plaats gehad, was de munitie-voorraad reeds tot op de helft ingekrompen, de helft van het buskruit en meer dan twee derden der kogels waren verdwenen; de slaghoedjes had men aan Tipoe Tip moeten verkoopen!

Maar, nog erger! Tengevolge van ongunstige berichten omtrent het lot van Stanley had Barttelot een groot deel der bagage naar Bangala teruggezonden, zoodat Stanley thans aan alles gebrek had, en voor zichzelf uit een stuk doek der tent, een soort van kousen moest maken! Alsof dit alles nog niet voldoende was, had Barttelot ook een deel van de Europeesche proviand, en bijna alle geneesmiddelen teruggezonden, en dat nog wel terwijl zijn mannen van honger omkwamen, en het kamp meer zieken dan gezonden bevatte! Van de 271 man sterke achterhoede waren er nog slechts 101 in leven, en van dezen was nog de helft door honger en ontbering ten doode opgeschreven. Kortom, de aanvoerder was bij al den tegenspoed volkomen zijn hoofd kwijtgeraakt. En toen eindelijk, tien maanden later dan afgesproken was, Tipoe Tip met een deel der beloofde dragers aankwam, waren deze zoo onbruikbaar, dat de majoor zijn zelfbeheersching volkomen kwijt raakte. Bij een twist, die hierover ontstond, had een der Arabieren hem eenvoudig neergeschoten.

Zelfs de ijzeren energie van iemand als Stanley moest wel door het verhaal van dezen rampspoed gebroken worden. De halve expeditie vernietigd door de roekeloosheid van den aanvoerder! Niets dan moord en dood, ziekte en zorg, kommer en gebrek. Welk een welkom voor deze kleine heldenschaar! Dagen lang was Stanley als ’t ware versteend bij den aanblik van al deze ellende.

Toen hij echter weer eenigszins tot zichzelve gekomen was, zorgde hij er eerst voor, dat velen van de achterhoede die zichzelf met slecht toebereide maniok vergiftigd hadden, weer op [280]krachten kwamen; toen dit het geval was, werd den 1sten September de terugmarsch ondernomen.

Alzoo ten derden male door de verschrikkingen van het oerwoud! En dat met een karavaan waarin op één gezonde drie zieken voorkwamen. De vreeselijkste ervaringen hadden de mannen nog niet verstandiger gemaakt, en noch de vergiftigde pijlen noch de vlijmscherpe speren der inboorlingen hielden de mannen er van af om zich van den troep af te scheiden, en alleen op buit uit te gaan. Daarbij dag aan dag regen, die de bezwaren van den tocht nagenoeg onoverkomelijk maakte! Meer dan eens dreigde de hongerdood een einde aan de geheele expeditie te zullen maken.

Den 15den December, in een kamp nabij het punt waar de Ihoeroe en de Doei samenstroomen, wanhoopte zelfs Stanley er aan, den volgenden dag nog te zullen beleven.

De uitgezonden fourageerders waren sedert dagen verdwenen; of verzorgden zichzelf misschien in weelderige bananenaanplantingen, zonder aan hun kameraden te denken. Van hen die in het kamp waren achtergebleven, waren slechts weinigen in staat om in het woud bessen of paddestoelen te zoeken. Wie nog gaan kon, volgde den aanvoerder om de vermisten te zoeken. Het werd nacht, wellicht de laatste nacht, dien ze zouden beleven! De sterren waren niet te zien, er brandde geen vuur, want er was toch niets om te koken. Diepe stilte heerschte rondom—slechts nu en dan een vertwijfeld steunen.

„Uit de pikzwarte duisternis,” zoo lezen we in Stanley’s dagboek „doemden vage gestalten op, die het koortsgebied bevolken, er waart door de lucht een gefluister van graven en eenige vergetelheid, een demon fluistert de verhitte verbeelding in, dat het beter is te rusten, dan met een gebroken hart te denken, en de wind in de toppen der boomen van het duistere woud schijnt te zuchten en te steunen: verloren! verloren! verloren! Vergeefs zijn uw arbeid en uw kommer! De eene noodlotsdag na den anderen; stuk voor stuk zullen uw mannen den dood ten prooi vallen, en dan zult ge alleen zijn!”

„Allah ho Akbar” weerklonk plotseling de roep van een man in het duister. „God is groot”—een Muzelman herinnerde de Christenen er aan hunnen God te gedenken!

Tegen den morgen sluimerde Stanley in, maar toen de dag [281]nog nauwelijks aangebroken was en het spookachtig licht zijn doodstille makkers deed zien, sprong hij weer op. „Vooruit, jongens naar de bananen! Met Gods hulp zullen we vandaag nog bananen hebben! Allen stonden met inspanning van hun laatste krachten op, en struikelend van zwakte gingen ze in het grauwe morgenlicht achter elkaar aan.

Hoor! Was dat niet als het gerommel van stemmen in de verte? Neen, ’t was reeds nabij! En komt daar niet als gedragen door de hand van een schim een bundel groene bananen uit het struikgewas te voorschijn? Daar zijn de fourageerders met schatten beladen! En op hetzelfde oogenblik vergaten allen hun ellende, en jubelend stijgt hun dank ten hemel: „God zij gedankt!” Snel werden vuren aangestoken, waarop de bananen geroosterd werden, en toen men weer voldoende krachten had opgedaan om zich op weg te begeven, gingen ze naar het kamp terug, om ook daar aan de halfdooden weer nieuw leven te schenken.

Dit verschrikkelijkste avontuur van de geheele expeditie vond plaats op een afstand van weinige dagreizen van het fort Bodo, waar Stanley op den 20sten December aankwam. In het geheel had de marsch van Banalja naar het fort honderd en zes menschenlevens gekost!

„In het fort Bodo alles wel!” Dit gelukkige bericht had tegelijkertijd iets verbluffends voor Stanley. Immers, hij had er in ’t geheel niet op gerekend de bezetting nog in het fort aan te zullen treffen.

Emin pacha en Jephson hadden, zoo luidde de stellige afspraak, een expeditie tot ontzet zullen vormen! Maar er was van beiden niet het geringste bericht tot hier doorgedrongen. Had dan alles samengespannen om het doel dezer expeditie onmogelijk te maken? Er moest in het gebied van den gouverneur wel iets zeer bijzonders hebben plaats gegrepen, wanneer zelfs Stanley’s eigen officieren de strikste bevelen om het fort te ontzetten niet hadden kunnen nakomen!