WeRead Powered by ReaderPub
Van pool tot pool cover

Van pool tot pool

Chapter 65: 67. GERED UIT DE HANDEN DER REBELLEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The author recounts a long voyage that begins in the high North and proceeds toward the equator, blending vivid landscape observation, transport and industrial detail, and accounts of polar exploration. Early sections describe rail travel through endless forests, the midnight sun, massive iron-ore extraction and loading operations, snowy approaches to Lapland and deep mountain lakes, and encounters with local reindeer-herding communities. Interwoven are historical and scientific reflections on Arctic ice and earlier polar expeditions and the practical difficulties of navigation. Later chapters contrast progressively warmer climates, diverse peoples, and natural phenomena encountered on the southward journey.

[Inhoud]

67. GERED UIT DE HANDEN DER REBELLEN.

Juist in de dagen waarin Stanley de treurige overblijfselen zijner achterhoede in Banalja terugvond, waren er in de [282]provincie Aequatoria ernstige dingen voorgevallen. De autoriteit van den gouverneur over zijn troepen was reeds lang slechts een schijn-gezag geweest, en den 18den Augustus kwam het in Doefilé tot openlijke rebellie. Door Stanley’s officier Jephson was allerwege de oproep der Egyptische regeering bekend gemaakt aan de garnizoenen in Aequatoria, om het land te verlaten en zich bij de hulp-expeditie aan te sluiten; dit bevel strookte echter in ’t geheel niet met de wenschen der Egyptische officieren; daarom strooiden deze onder de soldaten het praatje rond, dat de brieven die Stanley had meegebracht, valsch waren, dat ’t niet waar was dat Chartoem gevallen was, dat Stanley slechts een avonturier was, die in ’t geheel niet uit Egypte gekomen was; maar dat hij met den gouverneur een complot gesmeed had om hen, hun vrouwen en kinderen uit het land te voeren, om ze den Engelschen als slaven te verkoopen. Deze leugens werkten in dit onwetende en fanatieke land als vuur onder de bevolking, en toen de gouverneur den 18den Augustus te Doefilé kwam, werd hij met Jephson gevangen genomen. Men verklaarde hem voor afgezet, ontzette de hem goedgezinde officieren uit hun posten, en sommigen verlangden zelfs dat men den pacha in boeien zou klinken. Maar dit duldden de soldaten niet, daarvoor hadden ze te vaak zijn rechtvaardigheidszin en zijn goede zorgen ondervonden. Met Stanley hoopten de rebellen bij diens terugkeer, spoedig af te rekenen; ze waren van plan hem in het land te lokken, hem van alle geweren, munitie en leeftocht te berooven, en hem dan eenvoudig weg te jagen.

Daar rukten in October plotseling uit het Noorden de Mahdisten aan en spoedig kwam de eisch van hun aanvoerder tot den gevangen gouverneur om, tegen vrijen aftocht, zichzelf en zijn mannen, over te geven.

Redjaf viel, met al zijn voorraden in handen der derwischen, en de bevolking der geheele streek sloeg hals over kop op de vlucht.

Thans kwamen de leugens der oproerige officieren aan het licht, en de soldaten vervloekten hun aanvoerders: „Wanneer we onzen gouverneur gehoorzaamd hadden, dan bevonden we ons thans in veiligheid; al deze jaren is hij als een vader en moeder voor ons geweest; maar inplaats van op hem, hebben we op u vertrouwd, en nu zijn we verloren!” [283]

De poging om Redjaf te heroveren mislukte, de Mahdisten behielden de overhand, en er ontstond onder de soldaten zulk een paniek dat ze weigerden nog verder te vechten, wanneer hun pacha hun niet werd teruggegeven. Bij den strijd om Redjaf waren de ergste vijanden van Emin gesneuveld, en zoo herkregen de gouverneur en Jephson hun vrijheid. Hij had drie maanden in strenge gevangenschap doorgebracht, maar toen hij te Wadelai aankwam, werd hij door de bevolking met gejubel ontvangen.

Weliswaar werden de Mahdisten den 25sten November door Emin’s troepen verslagen, maar, daar het eene station na het andere hun in handen viel, en ze vanuit Chartoem versterking kregen, moest Wadelai toch prijsgegeven worden, en in het begin van Januari trok Emin naar Toengoeroe terug.

In deze Januari-dagen van 1889 had Stanley met zijn karavaan eindelijk weder de grasvlakten van Aequatoria betreden, en vol onrust over het zwijgen van Emin rukte hij in geforceerde marschen voort. Den 28sten Januari was hij weer in Kavalli, den 6den Februari kwam Jephson bij hem, en eindelijk, den 17den Februari kwam Emin in zijn kamp aan.

Weliswaar hadden de rebellen hem om vergiffenis gevraagd, maar toch zonnen ze op verraad, en koesterden nog steeds het plan om zich van de munitie der expeditie meester te maken, en den gouverneur en Stanley uit den weg te ruimen.

Maar, om dit plan ten uitvoer te brengen, hadden ze tijd noodig en daar het gerucht van de groote troepenmacht die Stanley meevoerde, en van de verschrikkelijke uitwerking van zijn geweren hun een heilzamen angst inboezemde, bepaalden de aanvoerders zich er toe om den eigenlijken afmarsch van Stanley en den geredden Emin zooveel mogelijk te vertragen, totdat het aantal hunner kameraden tot een overmacht zou zijn aangegroeid. Daarbij sleepten de mannen, die hun gouverneur zoogenaamd naar de oostkust zouden vergezellen, zulk een massa bagage mede dat Stanley’s dragers op verre na niet toereikend waren, en met recht weerspannig werden.

Stanley verklaarde derhalve aan de Egyptische officieren dat ze zelf voor hun bagage moesten zorgen, en dat hij zijn mannen, die zich bij de redding der Egyptenaren zoo dapper geweerd hadden, niet zou laten gebruiken voor hun molensteenen [284]om maïs te malen, en hun groote vaten voor het bereiden van bier naar de kust te sleepen.

Daar hij hun heimelijke bedoeling doorzag, gaf hij allen die hem wilden volgen een bepaalden bedenktijd, en door vertrouwde spionnen liet hij zich van alles wat er tegen hem beraamd werd op de hoogte houden. Emin pacha, die nog slechts belangstelling voor natuur-wetenschappelijke studiën scheen te hebben, en die gedurende dien tijd van wachten zich bijna uitsluitend bezighield met het verzamelen van vogels en insecten, vertrouwde nog steeds op zijn officieren, en het kostte Stanley heel wat moeite om hem over de stemming van zijn eigen manschappen in te lichten. Met de inboorlingen rondom stond Stanley thans op den besten voet, daar hij hen bijstond in hun strijd tegen koning Kabba-Rega. Het kamp der karavaan was intusschen zoo groot als een stad geworden en werd door de dankbare inboorlingen uitnemend geproviandeerd.

Den 10den April was Stanley gereed. Nu begon het eigenlijke ontzet van Emin, de marsch der vereenigde troepen naar de kust. Stanley’s troepen waren thans 460 man sterk, die van Emin 600, dat was alles wat overbleef van de 10.000 man waarop de gouverneur in goed vertrouwen gemeend had te kunnen rekenen! En ook dezen bleven hem nog niet eens allen getrouw, ze deserteerden bij troepen.

Nog eenmaal scheen het ontzet van Emin gevaar te loopen! Den 13den April werd Stanley zwaar ziek, evenals zijn arts en Jephson; zoodat de marsch een langen tijd onderbroken moest worden. Eerst den 8sten Mei kon men verder trekken.

De groote karavaan trok langs den voet van een der machtigste sneeuwbergen van Afrika, de Roewenzori, welks top Stanley reeds in 1888 als eerste Europeaan aanschouwd had, en die later in 1906 door den hertog der Abruzzen voor het eerst bestegen werd. Achter Boekolo stiet men weer op Arabische rooversbenden, waarmee men, tengevolge van een misverstand, slaags raakte. Ook met de mannen van Kabba-Rega had Stanley menige schermutseling, terwijl door het slechte weer bijna de geheele karavaan aan koorts leed!

Den 4den Juli had men eindelijk de uitgestrekte vlakte voor zich, die zich uitstrekt van Eduard-Niansa tot aan de kust. Na een marsch van vijf maanden kwam een expeditie [285]den 4den December te Bagamoyo tegenover Zanzibar. Reeds in Mpoeapoea waren ze door den keizerlijken commissaris van Duitsch-Oost-Afrika, majoor Wissmann, verwelkomd. Bij een feestbanket dat ter eere van redders en geredden te Bagamoyo gegeven werd, kreeg Emin pacha nog, tengevolge van zijn bijziendheid een ongeluk, daar hij uit een raam viel!

Na zijn genezing trad hij den 7den April in dienst van het Duitsche rijk, maar het was hem slechts twee en een half jaar vergund zijn bekwaamheid en ervaringen in dienst te stellen van de Duitsche koloniën in Afrika. Uit de handen der Mahdisten hadden Stanley’s moed en volharding hem ten koste van driehonderd menschenlevens bevrijd. En thans viel de voormalige gouverneur van Aequatoria op een reis in het binnenland in handen van vijandelijke Arabieren, en werd door hen den 23sten October 1892, vermoord, een bittere ironie der wereldgeschiedenis.

Slechts zijn dochtertje Ferida, wier moeder een Abessynische was, keerde naar Europa terug, en leeft nog heden onder ons.

Hiermede besluiten we onze tweede reis „Van Pool tot Pool”. Maar we ontmoeten elkaar weder in het „Zwarte Werelddeel” om ons van daar uit over Spanje met Columbus naar de nieuwe wereld in te schepen en om tenslotte ook het „zesde werelddeel” de Zuidpool te bezoeken. Alzoo: „tot weerziens!” [286]