The Project Gutenberg eBook of Van 't viooltje dat weten wilde
Title: Van 't viooltje dat weten wilde
Author: Marie Marx-Koning
Release date: November 1, 2003 [eBook #10334]
Most recently updated: October 28, 2024
Language: Dutch
Credits: Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team. Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team
Prepared by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team.
Gemaakt door Jeroen Hellingman en het PG gedistribueerd proeflees team.
VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE
DOOR MARIE METZ-KONING
INHOUD.
Van 't Viooltje dat weten wilde
De Tulp en de Madeliefjes
Elze
De Watermolen. Wat het Beekje vertelde
VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE.
In het bosch, aan den rand van een smal zandpad, stond een klein viooltje, een blauw, ach, zoo zacht-blauw viooltje: blauw, als denkende kinderoogen, als oogen, waar diep-in raden van levensdroefheid angstigt. 't Stond wonder klein in 't groote bosch.
Hoog, recht, streefden de dennen er òp uit de aarde. Hun kruinen reikten in 't licht. Geheimzinnige zangen zongen ze. Geheimzinnige, eentonige zangen, die als slaapliedjes sussen de menschenziel, de moede, denk-moede menschenziel. Donkere zangen van melancholie zongen ze voor den eenzame, zangen van geluk voor wie niet eenzaam is.
Glad, lichtgroen mos golfde aan hun voeten uit. Het golfde op en neer, glanzende lichtplekken makende in het donkere van de boomen-schaduw.
Dat was waar de dennekruinen al 't licht namen; maar aan den rand van het met afgevallen denne-naalden bestrooide zandpad, waar iets meer licht viel, stond wat kort, dor gras, en daartusschen het viooltje.
Dit was de wereld van 't blauwe bloempje, de wereld waarin het ontwaakte, op een warmen zomerdag, verbaasd en niets begrijpende van al die groote dingen om zich heen: die hooge, rechte, trotsche boomen, die boven alles uit het licht zagen, en welker kruinen over het zandpad elkander raakten.
Het waren geen vertrouwelijke boomen, met takken hier en daar laag aan de stammen, waar de wind onder fluisterde, en die bescherming wuifden. Ze waren recht, steil als orgelpijpen, en stonden haast alle op gelijken afstand van elkaar.
Het viooltje staarde vragend van den eenen boom naar den anderen, van den anderen weer naar een volgenden en dan weer naar volgende boomen, die achter elkaar schoven en in de verte weg-reiden. Ze keek angstig naar al de spitse, bruin-geworden denne-naalden, die om haar heen lagen, en naar het korte, spitse gras, dat er uitzag alsof het pijn wou doen.
Ze zag door de denne-kruinen heen kleine stukjes blauw van den hemel, en daarheen zag ze gaarne; want daar was het licht!
Zoolang het dag was en ze den hemel kon zien, vond ze haar wereld wel eentonig, maar toch draaglijk. Toen 't avond begon te worden en 't licht wegtrok, met zichtbare schokjes: eerst tusschen de boomstammen, toen van 't pad, en eindelijk boven de kruinen, vond ze het vreeselijk daar zoo eenzaam te staan, en rilde ze van angst; vooral toen de wind wat sterker werd.
De wind!… het streelen over haar heen van iets dat ze niet zag!… het angstig wegbuigen van 't gras, naar één kant op!… het fluiten en joelen langs de stammen!… het kraken en vallen van doode takjes uit de kruinen!… en vooral het ver aankomen en sterk boven haar gaan van machtige tonen, hoog in de dennen… tonen die zwollen, weg-ruischten, stierven, en weer kwamen aansuizen, telkens weer, zonder rust!… O! het maakte haar bang!… 't Was haar, of een booze geest door 't bosch joeg, angst over haar heen ademend!
Eindelijk, toen 't licht weer kwam, eerst tusschen de kruinen, toen op 't pad, en langzaam voortkruipende de boomrijen in waar 't verdween, voelde ze zich wat geruster. Het ruischen en zingen hoog in de donker-groene dennen duurde voort; maar langzaam aan werd ze er vertrouwd mee. De volgende dagen en nachten luisterde ze er naar, zich geheel overgevende aan het genot van luisteren. Ze leerde hooren: de wisselingen in de eentonige zangen, die altijd dezelfde schenen en toch telkens anders waren. Ze leerde hooren wat ze eerst niet hoorde, toen ze niet durfde luisteren: de melodieën die de dennen zongen in den nacht, en de melodieën die ze zongen in 't licht, telkens andere, en toch altijd dezelfde soort. Ze leerde hooren wanneer de kruinen wilden zeggen, dat ze 't licht zagen komen, wanneer ze donker zongen, dat 't avond werd, en wanneer ze klaagden, dat ze ondoordringbaar, dik-zwart, één waren met den nacht.
Dit alles boeide haar.
Als de wind stil was geworden, en de dennen lief-zacht zongen, ging ze rusten. Moe van 't luisteren, ging ze dan weg in een slaap zonder droomen.
Zoo ook dien nacht. Vroeg was ze, gesust door de dennen, gaan slapen, nog in 't schemerlicht, dat sluierend neerhing. Heel lang had haar rust niet geduurd, toen ze opeens ontwaakte, omdat er iets tegen haar aanstootte. Ze keek op, nog duizelig van den plotselingen overgang in de werkelijkheid uit geheel vergeten er van, en zag een wonderlijk voorwerp vlak bij zich, dat een heel eind boven haar uitstak. Het had een indrukwekkend voorkomen in haar oogen, en zag met wijsgeerig air neer op 't kleine bloempje. De kant die naar haar toegekeerd was, scheen in 't onzekere licht doezelig wit; den anderen, grijs-groenen kant kon ze maar even zien.
Boven het breede, zacht-witte lichaam zat een driehoekige, platte kop, met grooten mond en uitpuilende oogen. Twee pooten waren gevouwen onder de schaduw van het lijf en twee pooten steunden de houding van omhoog zitten, en wijs neerzien.
Nog te weinig wakker om angstig te zijn, riep 't viooltje:
—Hè, wat is dat?
—Ik ben het! Neem me niet kwalijk, dat ik zoo onbeleefd je slaap stoor! 't Was bij ongeluk!
—Maar wie ben je?
—Ik heet kikker!
—Wat doe je hier?
—Wel, springen, natuurlijk!
—Waarom?
—Waarom! waarom! omdat ik het doe!
—Moet je het dan doen?
—Ja, af en toe, als ik niet stil zit. Je kunt toch niet altijd op dezelfde plaats blijven!
—Waarom niet?
't Viooltje was nu goed wakker, en keek onschuldig-open den kikker aan.
—Hoor eens, zei deze, als je nu nog één keer "waarom" vraagt, ga ik heen. Ik wil graag wat met je praten; maar je moet me beloven geen "waarom" meer te zeggen. Dat is een onaangename gewoonte, die me altijd erg uit mijn humeur brengt.
—Dan zal ik het niet meer doen. Blijf maar wat bij me. Ik ben altijd zoo alleen hier! Vertel me eens wat! Waar kom je vandaan?
—Op 't oogenblik van den straatweg.
—Wat is dat?
—Een breed pad, dat moeilijk te begaan is, omdat ze er allemaal steenen in geslagen hebben, met kieren tusschen iederen steen, en hoogtes, en laagtes, dat je een goede borst moet hebben om er over heen te komen. Gelukkig heb ik die nog al.
De kikker blies zich eens een beetje op, en haalde diep adem, zoodat zijn wit en grijs gevlekte borst opbolde.
—Wat deedt je op den straatweg? vroeg 't viooltje.
—Och, ik ga daar wel eens heen om menschen te zien!
—Wat zijn menschen?
—Dieren, net als ik, maar veel, véél grooter. Zie je, jij bent een plant, en ik een dier; anders is er niet. Menschen loopen op hun twee achterste pooten en ze hebben er vier. Met de twee andere doen ze vreeselijk gek; en ze trekken erg malle dingen over hun vel aan.
—Waarom doen ze zoo?
—Wat heb ik je gezegd?
—O, ja, vergeef het me! Toe, word niet boos… smeekte 't viooltje nederig.
—Stil maar; ik begrijp dat het moeilijk voor je is, om af te leeren. Mijn vader zei altijd: Jongen, "waarom" dat is de duivel; dien moet je niet aanroepen. Dit had mijn vader van de menschen. Hij is namelijk eens een poosje bij de menschen gelogeerd geweest. Dat zijn deftige dieren! Als vader daarvan vertelde, waren we doodstil. De duivel is los in "waarom" zei hij. De duivel is iets, waar de menschen elkaar zoo onder elkaar bang mee maken; en het moet ook iets heel ergs zijn. Zeg, jouw vader en moeder hebben raar met je omgesprongen; ik zie ze hier nergens in de buurt. Zijn ze dood?
—Ik weet het niet! zei bedeesd het viooltje.
Ze voelde zich héél wat minder dan de kikker, die zooveel wist, en een vader en een moeder had gehad. Ze begreep wel niet wat dat voor dingen waren, maar in ieder geval: zij had ze niet!
—Dat zal de schuld wel zijn van dat rare ding, dat over je heen aait en dan daar boven in de dennen begint te zingen! zei ze; onwillekeurig de schuld gevende aan dat, wat in haar leven de meeste plaats innam. En evenals allen, die luisteren naar hetgeen hun intuïtie hun vóórzegt, raadde ze goed.
—Den wind meen je!
—Zoo, heet dat wind! Nu ben ik er aan gewend; maar toen ik het voor het eerst goed hoorde en voelde, 's avonds nog wel, vond ik het iets heel ergs. Misschien is dat de duivel wel!
—Neen, de duivel is 't niet; maar hoewel ik er persoonlijk weinig last van heb, moet ik erkennen dat het niet prettig is om te hooren. Als je laag bij den grond staat, gaat 't nog; maar de boomen hebben er veel last van. Vader zei altijd: Jongen, blijf laag bij den grond; dan heb je 't minst last van alles. Dat had hij van de menschen. Die raden elkaar óók altijd aan, om laag bij den grond te blijven.—Zeg, hoe oud ben je?
—Wat bedoel je daarmee?
—Hoe dikwijls heb je 't licht zien komen en weggaan?
—Eerst was het licht, toen ging het weg, toen was 't er weer; en daarna is 't nog eens weg geweest.
—Dus drie dagen zoowat. En noem je dat al erg: den wind dien je nu gehad hebt? Dan zal je nog eens wat anders beleven als de storm komt! Dat is een oudere broer van den wind, en een nijdige ook! Je zult rillen en beven als je dien daar boven hoort! Dan staan de dennen te trillen, dat de grond waarop je staat meetrilt. Takken worden afgescheurd; soms heele boomen uit den grond gerukt! Het kraakt en beeft en siddert om je heen, of er niets heel blijft, en of de aarde van binnen kermt!
—Hoe vreeselijk! Als dat eens kwam! Och, lieve kikker! blijf bij me!
—Ik zal zien wat ik doe. Ik kan me begrijpen dat zoo'n klein ding als jij, dat nog niets van de wereld kent, raar staat te kijken, bij alles wat je eenzaamheid even verstoort. Ik voor mij verwonder me over niets meer!
—Vertel me eens wat van de menschen! vleide 't viooltje.
Ze vond het heerlijk, gezelschap te hebben.
—Met plezier! zei de kikker; en ging een beetje verzitten, omdat een grassprietje hem hinderde. Zooals ik je zei: ze doen heel raar, en zijn erg deftige dieren. Soms zijn ze goed voor je, en soms kwaad. Je kunt niets op hen aan. Over 't algemeen zijn het, behalve de ooievaars, voor ons de gevaarlijkste dieren. Meestal doen we dan ook, als 't ongeluk wil, dat we in hun handen vallen, maar heel lijdzaam. Het helpt je niets, of je al probeert weg te komen. Ze hebben zulke lange pooten, dat ze je toch wel inhalen. Als ze klein zijn vooral, doen ze niets liever dan ons plagen, en sarren, en pijn doen. Hoe meer pijn we dan hebben, en hoe angstiger we springen om hun gemartel te ontkomen, hoe meer pret zij hebben. De grootere menschen doen je meestal niets. Ze nemen je alleen wel eens mee, en sluiten je op. Dat doen ze haast met alles; ook met zichzelven. Ze sluiten zichzelven op in groote, steenen dingen, die ze huizen noemen, en die ze zelf maken; wat natuurlijk heel veel tijd en moeite kost. Ze doen erg mal met hun koppen. Ze praten veel; maar zeggen nooit de waarheid. Dat mogen ze niet doen, net zoo min als "waarom" vragen. Eén ding is zeker: als ze je eenmaal meenemen, zeg dan je familie maar voor altijd vaarwel! Weerom kom je niet licht meer. Ik heb wel eens gehoord dat ze ons opeten; maar dat kan ik niet gelooven. Dat heeft vader ook nooit gezien; en die zag toch héél wat! Ook heb ik wel eens hooren vertellen, dat ze je soms wat ingeven, waardoor je een naren dood sterft; en dat ze dan bij je staan kijken, of er héél wat moois te zien is. Maar ook dit weet ik alleen van hooren zeggen. Vader zag zóó iets nooit!
—Vertel nog meer! zei 't viooltje, diep ademhalend, toen de kikker zweeg. Ze vond alles heel merkwaardig wat de kikker vertelde, al begreep ze dikwijls niet wat hij bedoelde. Ze kon zelf slecht praten; beter luisteren; en maakte er in haar droomerig hoofdje maar iets van, als ze niet precies begreep. Ze vond 't ook niet noodig, om uitleg te vragen, van dingen die haar niet bizonder troffen. Alleen was 't gezellig, iemand zoo bij zich!
—Vertel nog wat! zei ze weer toen de kikker bleef zwijgen.
—Jawel; maar ik moet eerst bedenken wat ik vertellen zal; want er is zooveel, zie je!
—Wat is dat! riep opeens het viooltje.
Een zacht, bleek licht was langzaam over het zandpad komen glijden. Het plekte donkere schaduwen en keek blank door de openingen in de denne-kruinen. Hard-blank bleef het liggen waar geen schaduw was.
—Dat is de maan! zei de kikker omhoog ziende, Die komt soms 's nachts. Maar je kunt niets op haar aan; soms blijft ze nachten weg. De menschen maken dan ook zelf 's nachts licht in hun huizen.
—Slapen die dan nooit?
—Jawel; maar dan willen zij nog iets doen. Vader zei dikwijls: Je kunt niet begrijpen, zooveel als die dieren altijd te doen hebben. Denk je dat ze ooit niets doen? Zoo net als jij of ik? Dat noemen ze "duivelsoorkussen." Ik denk daar maar niet over na; want vader deed altijd net of hij het begreep,—dat had hij van de menschen,—en dan vroeg ik maar niet verder, en hield me slim. Maar ik heb nooit begrepen wat ze altijd doen, en waar ze plezier in hebben. Vader zei dikwijls: 't Zijn deftige dieren; en soms doen ze geen kwaad ook; maar dom dat ze zijn!… Neen, daar heb je geen begrip van.—Ze maken expres overal moeite van. Eerst maken ze iets vuil, dan weer schoon, dan weer vuil, en zoo maar door. Ze trekken de raarste dingen over hun vel aan, en moeten die zelf maken en schoon houden. Daar is me wat aan vast! Ze maken huizen, heel hoog soms, waarin groote troepen bijeen wonen; en ze zijn altijd aan 't sjouwen, en hebben het altijd druk.
En dan klagen ze weer, over de drukte die ze zèlf eerst maken. Niets doen, 't prettigste wat er is, mogen ze nooit. Dat leeren ze al heel vroeg. Er zijn er, die nooit eens echt rustig buiten hun huizen zijn: zoo onder de boomen, of in een weiland! En begrijpen?… Begrijpen doen ze niets! Niet eens, hoe je je ècht lekker voelt. Ik houd het er voor, dat ze niet eens weten: hoe jij en ik leven. Vader zei, dat ze van alles opschrijven in boeken. Dat zijn groote, vierkante dingen van allerlei kleur, van binnen wit, met zwarte kriebeltjes. Allemaal leugens! zei vader, die ze verzinnen, omdat ze eigenlijk niets weten. Nu, ik voor mij, geloof dat vader overdreef. Er zullen toch niet énkel leugens in staan? Wel geloof ik, dat die boeken er ook al weer zijn, om maar veel te doen hebben.—
—Wat is dat nu weer! riep bevend 't viooltje. Over het blank beplekte pad, kwamen twee hooge gedaanten aan: een donkere en een lichte.
—Stil, fluisterde de kikker: dat zijn menschen Die zwarte noemen ze:
Man; die witte: Vrouw.
Houd je doodstil, als ik je raden mag; want je kunt ze nooit vertrouwen. Als ze je zien, nemen ze je mee, en dan gooien ze je soms een eind verder op den weg neer, waar je sterven kunt!
Het hoofd van de Vrouw, nu helder in een plek maanlicht, dan donker in de schaduw, was gebogen. Terwijl ze ging, was 't of lichtplekken opkropen tegen haar witte kleed, tot aan haar hoofd, waar ze dan even straalden en verdwenen.
Zoo zag het viooltje.
Den Man kon ze niet zoo goed zien. Ze zag alleen zijn hoofd lichten, boven het hoofd van de Vrouw.
Toen kwam zacht lieve muziek door de stilte.
De Vrouw zei: "Wat is het hier mooi!" en zag niet op.
De Man zag haar aan, en zei: "Ja."
Toen weer stilte.
Langzaam, héél langzaam gingen ze voorbij, alsof het zand hun voeten vast hield; en ze spraken niet.
—Waarom zeggen ze niets meer? fluisterde 't viooltje, dat hun stemmen mooi vond.
—Vader zei altijd: Als ze niets te zeggen hebben, dan praten de menschen; en als ze wel wat te zeggen hebben, dan zwijgen ze. Stom! eenvoudig stom!
Het viooltje vond dit heel jammer. Ze had de Vrouw nog zoo gaarne iets hooren zeggen; maar ze zag beiden verder en verder gaan, al maar zwijgend.
Opeens hoorde ze in de verte ritselen, en zag ze hen weer komen.
—Daar komen ze weer! mopperde de kikker. Met dat gezanik! Je durft je niet te bewegen, zoolang ze in de buurt zijn!
Nu was de Man het dichtst bij het viooltje.
Hij zag de Vrouw weer aan en zei: "Dit is de laatste avond"; en toen:
"Ik heb je nog zooveel te zeggen!"….
De Vrouw zag hem ook aan. Het viooltje kon haar oogen niet zien, want haar gezicht was juist in de schaduw; maar geoefend door 't lange luisteren naar het eentonige zingen der dennen, kon ze zien met haar gehoor, en hoorde ze licht in de stem van de Vrouw, die zei: "Zeg liever niets. Het is niet noodig en beter zoo."….
Verder gingen ze weer op het zachte pad, stil als schimmen. Nu, over hun rug, daalden de lichtplekken tot aan hun voeten, en bleven dan strak liggen op den grond.
—Zie je wel! fluisterde triomphantelijk de kikker; als hij iets te zeggen heeft, dan moet hij maar niet spreken! Stom of niet? En dat doen ze nu allemaal, om later maar weer veel te doen te hebben. Daar ben ik zeker van!
—Ik wou dat de Vrouw nog terug kwam! zei 't viooltje; haar halsje rekkende, om te zien, het witte kleed, dat donkerder en donkerder werd.
—Vindt je dat dan zoo prettig?
—Ja, er is licht op haar hoofd, en licht in haar stem… en… ik houd zoo van licht!
—Je bent een grappig klein ding! Licht in haar stem! Of je licht hooren kunt! Weet je wat? Je bent overspannen van 't vele denken en van 't alléén zijn! Licht in haar stem! Hoe kom je er aan?
—Er is licht in haar stem, en licht op haar hoofd. Ik wou dat ze weêr kwam!
—Op haar hoofd is blond haar, dat glanst in 't maanlicht!
—Er is licht in haar stem! De Man moet licht in haar stem gezien hebben!
—Haar stem was niet onaangenaam. Ik houd het er voor, dat ze niet kwaad is. Stil, daar komt de Man weer! O! O! wat een gezanik! mopperde de kikker, die juist bezig was zijn lenig lichaam wat uit te rekken, en nu weer onbeweeglijk, als levenloos, ging zitten.
—Het licht van haar stem heeft hij in zijn oogen! juichte zacht 't viooltje.
De man ging vlug. Zijn hoofd, met hoog blank, van de oogen tot aan het donkere haar, hield hij flink. Als zooeven klommen licht-plekjes tegen hem op.
—Het licht van háár stem heeft hij in zijn oogen! Het licht van háár hoofd, is op zijn hoofd! jubelde 't viooltje weer.
De Man keek recht voor zich uit; alsof hij iets zag daar.
—Waar kijkt hij nu naar? fluisterde het blauwe bloempje.
—Naar niets!
—Jawel! ik weet het: hij ziet het licht van haar stem!
—Ik houd het er voor, dat hij weer veel te doen heeft, en dááraan denkt. Vader zei altijd: Al wat er bij de menschen gebeurt, is, omdat ze veel te doen hebben.
—Hij zag het licht van haar stem!
—Och, gekheid! Dat is allemaal gekheid! Jij begrijpt daar niets van! Met dat "laatste avond!" Je begrijpt er niets van! Ze hadden veel verstandiger gedaan, als ze hier een beetje waren blijven praten, net als wij; en dat zouden ze veel liever gedaan hebben ook! De laatste avond! Net of 't ooit een laatste avond hoeft te zijn, als je niet wilt! Behalve als je leven uit is natuurlijk; dan kan je er niets aan doen. Allemaal gekheid… stòmheid… Natuurlijk doen ze weer zoo, omdat ze wat te doen hebben, ieder op een andere plaats! Ik zou zeggen: ik wil niets te doen hebben!
—Ik zou zeggen: ik wil het licht zien in je stem!
—Allemaal gekheid! Ze hadden doodeenvoudig bij elkaar moeten blijven, en alles vertellen wat ze te zeggen hadden!
—Ik zou zeggen: het licht dat op jouw hoofd is, moet ook op 't mijne wezen!
—Vader zei: ze doen haast altijd iets anders, dan waar ze zin in hebben. Weet je wanneer een paar menschen bij elkaar blijven? Als ze een papier hebben waarop staat dat ze het mòèten doen. Dàn doen ze 't, al zouden ze véél liever niet bij elkaar blijven.
—Dan ben ik maar blij, dat ik geen mensch ben! Ik zou niet willen, dat iemand bij me bleef om een papier, of hoe noem je 't. Ik zou zeggen: je moet héél graag blijven of heengaan! Ik zou 't wàt naar vinden, als iemand tegen me zei: liever zou ik heengaan; maar ik mòet bij je blijven.
—Ja, maar, dat zeggen ze niet! Ze zeggen immers nooit iets, als ze wat te vertellen hebben? "De waarheid" is uit den duivel, zeggen ze. "Niets doen", "waarom zeggen" en "de waarheid" zijn samen de duivel, zei Vader; en het een komt uit het ander voort.
—Dan vind ik den duivel zoo erg niet!
—Neen, ik ook niet. Maar vader zei altijd: de menschen zijn erge deftige dieren; en soms niet kwaad ook; maar dòm!!
—Hoe kwam je vader bij de menschen?
—Ze hebben hem meegenomen! We zaten met ons allen in een sloot, dicht bij een menschenhuis. Eens op een avond zat vader op het land, naar de lucht te kijken, zooals we meestal doen bij mooi weer. Toen kwam er heel stil een mensch op hem af, en pakte hem beet, en nam hem mee in het huis. Daar zette hij hem in een glazen kastje, half vol water, met een laddertje er in voor vader zijn tijdverdrijf, denk ik. Ze waren niet kwaad voor hem, gaven hem genoeg te eten en keken dikwijls naar hem. Vader vond het dan ook in 't begin wel aardig bij de menschen, en lachte zich soms half dood om al de malligheid die hij zag vertoonen. Later begon het hem te vervelen. Eens, op een dag toen de zon buiten zóó lekker scheen, dat vader boven op het laddertje geklommen was, om er tenminste iets van te zien, begon hij zóó te verlangen, om uit het donkere huis weg te komen, dat hij de kat, dat is een dier dat ook bij de menschen woont, eens vriendelijk aansprak, en verzocht even tegen het glazen huisje te stooten, opdat het om zou vallen, en vader zou kunnen ontsnappen.
De kat, die erg trotsch is op haar voorzichtige manieren, en er zich altijd veel op laat voorstaan dat ze haast nooit iets omgooit, had er geen zin in. Ze bleef vader met haar groene, knippende oogen maar al aanstaren. Op eens komt een van de kleine menschen, die in het huis woonden, op de kat af, en knijpt haar in den staart. De kat schrikt, en springt net tegen het glazen huisje van vader aan. Het huisje valt om, en vader neemt de gelegenheid waar, om uit een gat van het menschenhuis te springen, en gauw de sloot weer op te zoeken. We vonden het allemaal erg prettig dat hij terug was; want hij kon zoo mooi van zijn avonturen vertellen toen!
Maar nu wordt het tijd om te gaan slapen, vindt je ook niet?
—Blijf je hier? zei verheugd het viooltje.
—Och, jawel, als ik je daar plezier mee kan doen.
—O, héél veel! Zie je, ik ben altijd zoo alleen… en dan… je bent zoo knàp… Je wéét zooveel! Ik zou het zoo prettig vinden, als ik wakker werd, en je was er dan nog.
—Nu, ik wil wel blijven, 't Is me net hetzelfde waar ik overnacht. Slaap wel dan! Je bent niet onaardig, en niet dom ook, zei de kikker gevleid; en hij zag met zijn air van meerderheid, welgevallig neer op 't kleine bloempje, dat zoo toonde hem te waardeeren.
—Slaap wel! Ik zal van de Vrouw droomen, en van haar stem!
—Ik droom nooit.
—Wat zou ik haar gaarne terug willen zien, en nog eens hooren zeggen:
"Wat is het mooi hier!"
—Maak je maar niet ongerust! Die komt nog wel eens voorbij!
—Heerlijk! Slaap wel dan! En 't blauwe bloempje boog haar kopje opzij, om een zacht kusje te drukken op het griezelig koude lichaam van den kikker, die dit nauwelijks bemerkte. Ze rilde even; maar wilde dit niet toonen, dankbaar als ze was, nu niet meer zoo alleen te zijn.
—Wel te rusten! zei ze nog eens vriendelijk. Maar de kikker antwoordde niet. Hij trok zijn achterpooten nog wat meer op onder zijn rustig lichaam, en bleef stil zitten, met een uitdrukking van wijs weten in zijn kop.
Nog even keek het viooltje naar haar nieuwen vriend. Ze wilde weten of hij al sliep; maar ze kon zijn oogen niet zien. Wel zag ze hem zitten, onbeweeglijk stil, geheimzinnig rustig, aldoor in dezelfde houding. Toen deed ze haar oogen dicht, en viel in slaap.
Zacht streelde de wind over haar heen en orgelde door de dennen. Ze sliep door, droomende van de Vrouw, en van den kikker, en van het geluk, niet meer alleen te zijn.
En de wind zong zijn zangen in de donkere kruinen.
En de kruinen zongen het licht tegen, dat hen 't eerst zag. Ze zongen hun lied van vrede en rust, hun lied van melancholie voor den eenzame, hun lied van geluk, voor hem die niet eenzaam is, voor hem, die draagt het lichtende geluk in zich, overal.
Toen het viooltje wakker werd, en haar vriendje nog bij zich vond, en het dennelied hoorde, hief ze haar teer-blauw kopje vol gedachten naar de dennen, en zag op in heerlijke dankbaarheid, waar de nieuwe dag kwam tusschen hun kruinen. Ze durfde niet het eerst te spreken, en wachtte tot de kikker iets zeggen zou. Hij zat nog altijd in dezelfde houding van rust; en met stille bewondering keek het bloempje naar zijn mooie, zachte, gemarmerde borst.
Eindelijk vroeg ze met een heel bedeesd stemmetje:
—Ben je wakker?
—Al lang! zei de kikker bedaard.
—Waarom zeg je dan niets?… Goeden morgen!
—Ik zat te denken waar ik mijn ontbijt zal gaan nemen.
—Wat is dat?
—Waar ik zal gaan eten!
—Wat is eten?
—Dat moet je doen om te blijven leven.
—Ik doe het toch nooit!…
—Jawel, dat is te zeggen: van jou kan men het niet zien! Ik eet wormpjes en vliegen en muggen; maar jij eet vocht uit de aarde, met je wortels die er in vastzitten!
Het viooltje dacht na. Ze had daar nog niet op gelet. Ze had maar gedroomd boven de aarde uit, er niet aan denkende, dat ze er in vastzat met haar wortels, en dat haar leven samenhing met het voedsel dat de donkere, zwijgende aarde haar verstrekte. Ze had met haar blauwe gedachten geleefd boven de aarde, gezocht tot het licht, en begreep nu opeens, dat de aarde had gezorgd dat ze dit doen kon. Wat was dat wonderlijk! Waarom zocht je bóven de aarde, als je van de aarde leefde? Waarom?
—Waarom leef je eigenlijk? vroeg ze den kikker, als slotsom van haar overdenken.
—Wat heb ik je gezegd? waarschuwde deze, zijn sfinxen-houding bewarende.
—O, ja, neem me niet kwalijk! Maar weet je: ik moet altijd denken aan 't geen ik niet begrijp.
—Dat is verkeerd. Ik denk alleen aan wat ik weet; dat is veel eenvoudiger. Maar nu ga ik eerst eten zoeken. Aan 't eind van dit pad is een weiland; daar zal ik wel wormpjes vinden!
—Je komt toch weer terug?
—Jawel … als je me tenminste belooft, niet meer te denken aan dingen die je niet begrijpt. Dat brengt me uit mijn humeur.
—Dat kan ik niet beloven! Ik kan er toch niets aan doen, als ik aan iets denk?
—Praat er dan niet over.
—Ik zal mijn best doen, heusch! beloofde 't viooltje: Ga nu maar eten en kom gauw terug.
De kikker rekte zijne lenige ledematen wat uit. Hij was stram van 't stil zitten. Toen liep hij rekkende tusschen 't korte gras door, tot aan den rand van 't zandpad, en sprong heen.
Het viooltje zag hem na zoolang ze kon. Terwijl hij zich omkeerde om heen te gaan, had ze zijn donkere slapen gezien, met de goud-en-zwarte oogen er in, die ze heel mooi vond. Ook het glanzend gladde lichaam van rust, vond ze mooi om te zien; en de ineenvloeiende en uit elkaar gaande marmerplekken op zijn vel, leken haar geheimzinnige teekens.
Ze was maar een teer, klein viooltje: meer ziel dan lichaam; meer geur dan bloem; en ze zag nederig in haar droomerige onwetendheid tegen alles op, en voelde in alles het geheimzinnige van niet-begrijpen, dat over haar heen hing als een dikke sluier.
Toen ze den kikker niet meer zag, zuchtte ze even. Ze zou zijn gezelschap erg missen, als hij eens voor goed weg ging. Ze was nu weer alleen, met de hooge, grijs-brons bemoste dennen, met het spitse, onvriendelijke gras, en de nog onvriendelijker uitziende afgevallen denne-naalden, die boos en hard om haar heen lagen.
—Kwam de Vrouw maar eens … dacht ze hardop.
Ze was weer alleen met het eentonige dennelied, en verlangde zoo naar die lieve stem-muziek.
—Ik zou haar zoo gaarne zien in 't licht! Ik wou dat ze kwam en mij meenam, opdat ik haar àltijd zou kunnen hooren!
Toen bedacht ze, dat ze dan losgemaakt zou worden van de aarde, die zorgde dat ze leven kon. Wat dàn?… Door een kleine opening in de dennen boven haar, viel waar ze stond juist een lichtblik van den blauwen hemel. Ze zag omhoog, met haar zachte oogen in het licht, en haar geurend bloemenzieltje steeg op tot het licht, vragende.
Maar het licht kuste haar, en zweeg.
Zoo stond ze, toen ze opeens, onder het ruischen van de dennen door, de stem van de Vrouw hoorde.
—Háár stem! jubelde ze, zich trillend opheffend om te luisteren.
Ze zag de Vrouw heel in de verte komen, met een zwarte Gedaante naast zich. Hoe meer ze naderde, hoe duidelijker het viooltje haar stem hoorde; en teleurgesteld riep ze uit:
—Het licht is uit haar stem!
Ze rekte angstig haar stengel om te zien, en zag: dat de Gedaante niet de Man was. Het was een lichaam, lijkende op dat van den Man, maar met een ander hoofd. Zijn arm lag in den arm van de Vrouw, en beiden praatten om beurten, en lachten. Er was geen oogenblik stilte.
—Waarom zegt ze nu niet "Wat is het mooi hier!" misschien komt het licht dan weer in haar stem!… dacht 't viooltje.
De Vrouw ging voorbij; en 't blauwe bloempje, om haar te houden, riep zoo hard ze kon:
—Vrouw!… Vrouw!… Vrouw!
De Vrouw hoorde haar. Ze wendde het hoofd: een bleek hoofd met zachte violen-oogen. Ze zag angstig om, alsof ze kwaad deed met te luisteren, liet den arm van de Gedaante los, en bleef staan. Toen zag ze omhoog, denkende dat de dennen haar riepen. De zwarte Gedaante liep langzaam door, en bleef toen ook staan. Hij sloeg met een stok tegen het gras, en keek naar den grond.
De Vrouw stond alleen, midden in het zandpad. Ze zag omhoog en luisterde….
—Vrouw!… Vrouw!… riep weer 't viooltje.
Toen zag het kleine bloempje, en de zwarte Gedaante zag het niet, hoe de violen-oogen van de Vrouw begonnen te glinsteren, terwijl ze wijd, wijd open omhoog zagen….
En ze zag een licht komen in haar oogen, en nòg een licht en nòg een… En ze zag die lichtjes vallen over haar zachte, bleeke wangen… Toen keek de Vrouw naar de Gedaante, die wachtte en niet zag, kwam met haar hand over haar blauwe glans-oogen, het licht uitdoovende er in, en ging naar de Gedaante, zeggende:
—Aardig, dat ruischen van die dennen!
—'t Ligt er aan wat je aardig noemt, 't Maakt mij altijd akelig naargeestig. En de Gedaante nam weer haar arm, zeggende: Niet sentimenteel zijn!
Samen gingen ze nu verder langs de grijs-bemoste dennen, welker geur zwaar in de zwoele lucht hing: in den vochtig zwoelen damp, dien de morgenwarmte uit het nattige mos deed stijgen.
—Het licht is uit haar stem! maar 't is niet weg! Ik heb het zien komen in haar oogen, en 't is neergevallen! juichte 't viooltje. Straks, als de kikker komt, moet hij het voor me zoeken.
Juist kwam hij aanspringen.
—'k Heb heerlijk gesmuld, zei hij; en daar ben ik weer.
—De Vrouw is hier geweest! begon dadelijk 't bloempje.
—Dat weet ik. Ik heb haar gezien met een anderen Man.
—Zoo, was dat óók een man… Het licht was uit haar stem. Ze sprak veel, en ze lachte; maar het licht was uit haar stem.
—Natuurlijk … Ze had zeker niets te vertellen; daarom praatte ze nú wel.
—Het licht was uit haar stem. Maar ik heb het zien komen in haar oogen, toen ik haar riep.
—Zoo, heb je haar geroepen? Dat kunnen ze meestal niet hooren! Dat is héél zeldzaam! En kwam ze bij je?
—Neen, ze dacht dat de dennen haar riepen; en ze bleef staan kijken en luisteren naar de dennen. Toen zijn er lichtjes in haar oogen gekomen, en die zijn neergevallen … ik denk op het pad, ginds! Die moet je mij geven; die wil ik hebben, opdat ik ze voor haar bewaren kan, of bij me houden.
—Dat waren tránen, klein, dom ding daar je bent! Dat waren tránen! Die kàn je niet weervinden!
—Tranen! Wat zijn dat?
—Dat zijn ronde, blinkende druppels, die soms uit de oogen van de menschen komen. Maar als ze gevallen zijn, dan kan je ze niet weer vinden; dan worden het donkere plekjes, net als dauwdruppels die neervallen.
—Wat zijn dat?
—Dat zijn ook ronde, lichte dingen; net als tranen. Je zult ze wel eens gezien hebben; maar hier onder de boomen schitteren ze niet zoo mooi. Als 't zonlicht er op schijnt, dan vertoonen ze allerlei kleuren. Ze hangen 's morgens aan blaadjes en grashalmen. Maar als je er tegen stoot, dan vallen ze op de aarde, en dan zie je op de plaats waar ze neervielen niets dan zwarte plekjes.
—Wat vind ik dat treurig! Och, wat vind ik dat treurig … klaagde 't viooltje.
—Wel, dat is heel gewoon alles! Heb je al eens een ster zien vallen?
—Neen, wat is dat?
—'s Avonds zie je hier door de openingen in de denne-kruinen toch wel lichtjes?
—Ja!
—Nu, die vallen soms ook. En als ze vallen van den hemel, blijft er niets over van hun licht. Dat is dan óók weg!
—Och, wat vind ik dat treurig! Dat licht dat weg is!… Waarom moet dat zoo zijn?
—Begin je al weer met den duivel aan te roepen?
—Dat mooie licht, uit de oogen van de Vrouw, dat nu zwart is geworden op de aarde, net als het licht van gevallen dauwdruppels! Ik wil weten waarom dat is! riep 't bloempje trillend. Ik haat de aarde, als ze die mooie, lichte dingen zwart maakt! Ik wil niet meer vast zitten aan de aarde! Och, beste kikker, maak mijn wortels los uit die leelijke, booze aarde!… Of zeg me, ik bid je, zeg me de reden waarom ze zoo doet!
—Ik zal dan maar erkennen, dat ik het ook niet weet.
—Maar waarom laten de menschen dan die lichten uit hun oogen vallen?
—Ja, vader zei: dat gebeurt zoo dikwijls, die tranen! Dat is alles heel gewoon! Dat gebeurt, als ze iets moeten doen, dat ze liever niet doen! Waarom zijn ze zoo gek! Láten ze het dan niet doen! Ik vind daar niets treurigs in! Waar bemoei je je mee? Bemoei je niet met dingen die je niet aangaan!
—Ja, maar, ik vind de Vrouw zoo mooi, en haar stem zoo lief, en ik wil niet dat ze iets moest doen, dat ze liever niet doet! Ik wil dat ze licht in haar stem zal hebben en in haar oogen, en dat ze het niet laat vallen, op de aarde die het zwart maakt! Vindt de Man dat nu goed?
—Die ziet het niet, denk ik! Die heeft weer zooveel te doen, dat hij geen tijd heeft om het te zien, denk ik!
—Maar ik bedoel den Man van 's avonds, toen ze zei: "Wat is het mooi hier"; vindt dié dat dan goed?
—Die heeft natuurlijk óók veel te doen! Daar komt bij de menschen alles op neer, en alles uit voort, zei Vader. Kom, praat eens over wat anders! Je maakt je van streek om niets, 't Is dat jij, klein ding, nog zoo niets gewend bent; anders zou je 't ook heel gewoon vinden.
—Moet de Vrouw nu zoo blijven doorpraten, terwijl dat mooie licht weg is? Wat is dat treurig! Maar ik wil het niet, het mag niet!… jammerde het viooltje weer.
—Stil, fluisterde de kikker, daar komt de Man van gisteren avond! Hè, wat loopt hij hard! Zeker weer veel te doen!
En de kikker grinnikte zachtjes voor zich heen.
De Man kwam aan. Hoog kwam hij aan over het beschaduwde zandpad, en zijn bruin hoofd was gebogen. Hij ging voorbij.
—Man!… Man!… Man!… riep 't viooltje weer, zoo hard ze kon.
De man bleef staan. Hij fronste zijn wenkbrauwen en keek heel donker. Toen keek hij in de kruinen en luisterde. Het donkere gleed weg van zijn gezicht en er kwam licht op glanzen.
—Het licht! Het licht van de Vrouw!… juichte 't viooltje. Zie eens! Zie eens!
Maar het licht ging weg, en het gezicht van den Man werd weer heel donker. Hij zag recht voor zich uit en ging.
—Man!… Man!… riep nogmaals 't blauwe bloempje. Blijf toch! hóór toch! De Vrouw heeft licht laten vallen hier, uit haar oogen! Het licht is weg uit haar stem, en uit haar oogen! Geef het haar weer, de mooie, mooie Vrouw. Het was zooeven bij jou! Ik heb het gezién!… Ik heb het gezién!…
De man aarzelde even. Hij hoorde wel iets, maar versnelde toen zijn pas, en verdween.
—Houd je toch stil! mopperde de kikker, wien al dat gezeur verveelde. 't Helpt je toch niets. Ze kunnen je immers meestal niet eens hooren! En als ze je hooren, nemen ze je mee; en dan ga je heel gauw dood. Hij dacht óók weer dat de dennen riepen; dat was je geluk, anders had hij je meegenomen. De dennen kan hij niet meenemen!
—Ik wóú het!… Ik wóú dat hij me mee genomen had; dan zou ik misschien weten, waarom ze dit alles doen, dat mij zoo treurig maakt! Ik wil wel dood gaan, bij hèn, als ik dan maar éérst weet, wat zij weten!
—Zij weten ook niets! Hoor eens, als je nu je best doet, om heel bedaard te zijn, zal ik je een groot geheim vertellen, dat Vader mij meedeelde. Vader zei: "Waarom" is de duivel; en dien mag je niet aanroepen. Dat wist hij van de menschen. Maar heel in 't geheim, heeft hij mij nog iets anders verteld. Eigenlijk heb ik beloofd het nooit te zullen oververtellen … maar … jij spreekt toch nooit iemand … en … heel lang leven jullie viooltjes niet!
—Ik beloof je, dat ik nooit, aan wien ook, iets vertellen zal. Och, wien zóú ik het ook doen? Mijn zwak stemmetje kunnen de dennen niet hooren! En het gras om me heen, al hoorde dat wat, 't zou niet eens luisteren. Het mooie, glanzende, zachte mos, staat te ver weg; anders was ik daar vroeger al een praatje mee begonnen; maar dan zou ik toch nóóit zeggen, wat ik beloofd heb te verzwijgen. Heusch niet!
—Nu dan: de menschen mogen geen "waarom" vragen, zooals ik je al zoo dikwijls zei: maar als ze alleen zijn in hun huis, of in een stukje er van, dan doen ze dat tòch wel eens. Dan buigen ze zich op den grond, vouwen hun vóórpooten samen en praten in zichzelf. Dat heet "bidden" zei Vader. Dan roepen ze dikwijls, heel dikwijls, terwijl tranen op den grond vallen: "Waarom?… waarom?… waarom?… 't Gaat altijd heel stilletjes; de een weet dat nooit van den ander; want 't màg volstrekt niet! Vader zei: je wordt er akelig van, als je 't hoort; en vader wèrd niet gauw akelig. En als ze dan zoo een poosje aan den gang zijn geweest, staan ze maar weer op, en gaan maar weer wat anders doen; want antwoord krijgen ze tòch nooit.
Zie je, nu denk ik, dat je al even wijs zoudt blijven, als je meegenomen werd naar de menschen. Als ze zelf alles wisten, zouden ze niet stilletjes "waarom" roepen; vooral omdat 't niet eens màg.
—O, wat is dat treurig! Wat is dat vreeselijk, vrééselijk treurig!… snikte 't viooltje.
—Je bent sentimenteel! zei de kikker kalm. Kon ik je maar wat afleiding bezorgen! Maar 't is mijn tijd van zingen niet.
—Het is zoo treurig! zoo treurig. Ik wil óók bidden; mijn heele verdere leven, altijd maar door "waarom?"… "waarom?"… "waarom?"… bidden.
—Dat zal vroolijk zijn! zei de kikker, een mugje happende, dat juist voorbij vloog.
—Och, ik kan toch nooit meer vroolijk zijn! Eigenlijk ben ik het uit mezelve nooit geweest. En al wat je me vertelt, is zoo innig, innig treurig.
—Je bent sentimenteel! Dát is de zaak! Dezelfde dingen die mij doen lachen, doen jou huilen! Eigenlijk kan men niet anders verwachten van iemand met zoo'n uiterlijk als jij!… 't Was misschien nog maar het beste, als ik je alleen liet.
De kikker hief zich een beetje op, en keek met zijn wijzen kop ver over het viooltje en haar verdriet heen, naar het einde van het zandpad, waar het weiland was.
Het viooltje dacht aan de Gedaante, lijkende op den Man, en hoe die gezegd had: "Niet sentimenteel zijn"; en ze was blij, dat ze niet mee behoefde te gaan met den kikker, die haar sentimenteel vond, zooals de Vrouw mee was gegaan met de Gedaante….
Ze wilde wel alleen blijven. Ze kon dan tenminste stil denken wat ze mòèst denken, en treurig zijn, als ze treurig mòèst zijn….
—Och, beste kikker, zei ze, ik wil graag gelooven dat je 't goed met me meent; maar ik geloof ook, dat 't misschien wel beter is, als je me maar weer alleen laat. Wij hooren toch niet bij elkaar. Ik ben maar een arm, teer viooltje, en geen kikker, die loopen kan en springen, overal heen! Ik kan niet helpen dat ik sentimenteel ben, en niet wijs en tevreden, zooals jij. Laat me maar alleen. Och, hadt je maar heelemaal niets verteld; dat was misschien beter. Nu weet ik alleen: dat ik nóóit iets weten zal! nóóit iets begrijpen kan!
—Zie je wel! zei boos de kikker: zie je wel dat de duivel los is in "waarom"? Daar heb je 't nu al! Eerst was je blij, gezelschap te hebben in je eenzaamheid. Om jou heb ik hier mijn tijd verdaan, op een plaats waar ik heelemaal niet hoor! Je vond me knap, en wou dat ik vertellen zou, en nu … ik begrijp je niet!
—Dat ìs 't juist, beste kikker! En ik kan toch niet anders zijn…. Aldoor moet ik denken aan 't licht uit de stem van de Vrouw, en aan 't licht uit haar oogen, dat zwart geworden is, toen het viel, net als 't licht van gevallen dauwdroppels en sterren…. En ik kan maar niet anders denken en zeggen, dan dat dit zoo treurig is, en dat ik weten wil, waaròm dat zoo is….
—Nu, vaarwel dan. 't Spijt me voor jou. Je bent anders niet dom; alleen ontzettend sentimenteel; en dat kan ik niet uitstaan. Misschien kom ik later nog wel eens terug, als je wat ouder en verstandiger bent geworden. Vader zei altijd "Je moet de dingen nemen, zooals ze zijn." Dat had hij van de menschen; die zeggen dat óók altijd tegen elkaar.
—Maar als ze alleen zijn, roepen ze …!
—Zwijg, als 't je blieft. 't Spijt me, dat ik je dit verteld heb! Nu ga ik maar. Als je me aan 't eind van 't pad nog roept, en belooft, geen "waarom" meer te zullen vragen, kom ik terug. Anders ga ik heen en laat je met den duivel alleen…. Wat moet je nu beginnen, als de storm komt en ik ben er niet meer?
—Als de storm komt, zal ik niet bang meer zijn; want hij kan niet zóó erg wezen, als wat ik heb ondervonden. Ik zal mijn zwak stemmetje tot hem laten gaan, en vragen "waarom", en naar zijn sterke stem hooren om antwoord.
—Dat zal je weinig helpen! Dat doen de menschen ook. Die verzinnen van alles om antwoord te krijgen. Maar 't antwoord komt tòch nooit!… Nu, ik ga dan maar! Goeden dag!
De kikker rekte zijn lichaam uit en sloot zijn mond stijf toe: breed en wijs. Het hinderde hem, voor zoover een koele kikker-natuur iets hinderen kan, dat het viooltje, hoewel het eerst zoo hoog tegen hem opzag, nu zoo gelaten afstand deed van zijn gezelschap. "Dat komt van 't praten," dacht hij. Vader zei altijd: "Als je wijs wilt schijnen, moet je weinig zeggen." Dat had hij van de menschen.
Vooral omdat hij wist, zoo'n hoog-wijs uiterlijk te hebben, speet het hem, dat hij zich had laten verleiden om uit de rol van sfinx te treden, waarin hij gewoonlijk bij alle dieren en planten zooveel succes had.
—Dag kikker! dag beste, goede kikker! zei zacht 't viooltje. Dank je voor je gezelschap. Denk nog eens aan me; later; als ik dood ben misschien. Ik kan tòch niet leeren, om net als de menschen, te praten over wat ik nièt denk, en te zwijgen over wat ik wèl denk!… Vaarwel!—
En 't stemmetje van 't viooltje kroop weg in haar keeltje. Ze wist, dat ze de waarheid sprak; maar 't zou haar toch hard vallen, weer alleen te zijn.
Ze zou graag uit vriendelijkheid een kusje op het mooie, koude kikkerlijf gedrukt hebben; maar de kikker was al te ver van haar vandaan; en eigenlijk vond ze dat wel prettig; want ze zou 't meer gedaan hebben om hèm, dan om zichzelve. Hij was zoo griezelig koud om aan te raken!
—Vaarwel! zei de kikker, zich omdraaiende, en met zijn koele, geheimzinnige, goud-en-zwarte oogen even naar 't blauwe bloempje ziende.
't Viooltje wàs sentimenteel; en dat wàs vervelend. Hij kroop langzaam door 't korte gras, en sprong op 't zandpad. Aan 't eind van 't pad bleef hij even wachten, zooals hij beloofd had; maar toen hij niets hoorde, sprong hij lustig verder, naar 't groene weiland, waar witte madeliefjes stonden en gouden boterbloempjes en roode en paarse klaver, die niet sentimenteel waren, en die altijd met groot genoegen luisterden, zonder te veel te vragen, als hij vertelde van de menschen, waar hij zooveel van wist.
"Dat komt omdat ze in 't licht staan, en meer afleiding hebben, 't Is te donker en te stil op dat boschpad," dacht hij, wegspringende.
………
Het kleine, blauwe viooltje, stond nu weer alleen in haar eentonige omgeving. Haar hartje was droevig. Ze zag op naar de steile dennen, en vroeg "waarom?"
En haar stemmetje ging wèg in het ruischen van de altijd-groene, statige boomen, en haar geur verdwaalde in den dennegeur.
Ze zag op naar de plekjes licht boven haar, in de openingen van de dichtst bij staande denne-kruin, en vroeg smeekend "waarom?"
En haar licht stemmetje stéég in het zwijgende licht, dat het wègdroeg … zonder antwoord te geven.
Toen het duister kwam, zag ze droevig rond, en fluisterde "waarom?"
En het duister nam haar duister zieltje in zich op, en zweeg.
Zoo gingen lange, lànge uren voorbij.
Het kleine bloempje werd zwak. Haar kopje begon te hangen; haar fijne blaadjes begonnen droog te worden, en om te krullen aan de kanten.
Ze werd heel stil.
Toen, op een blanken maneschijn-avond, kwam de Vrouw weer.
Ze kwam zacht, alléén, over 't mulle pad.
Haar kleed was wit, haar gezicht bleek, en haar handen waren gevouwen.
—Vrouw!… riep zacht 't viooltje, even oplevende in vreugde.
De Vrouw stond stil. Ze zag om zich heen of ze alleen was, en hief de gevouwen handen op.
Toen gebeurde het.
Voorover wierp ze zich in 't gras, dicht bij 't viooltje, en haar hoofd lei ze op haar gevouwen handen.
En haar stem, nu héél donker, kwam in het donker héél zacht tot het viooltje:
—Waarom?… O mijn Gòd! waarom?… snikte ze.
—Dat is bidden … dacht het viooltje. En ze zei de Vrouw na:
—Waarom?… O mijn Gòd! waarom?
En wachtte………
En ze hoorde de dennen ruischen; en ze hoorde de Vrouw snikken………
En ze wachtte………
Maar er kwam geen antwoord dan 't dennen-lied, dat zong van den hemel, die zwijgend het zilveren maanlicht indronk, tot zoover het uitstraalde.
En wijd … wijd … héél wijd…! zwijgend en rustig, als een gelukkige, die weet zijn zaligheid, maar haar niet zeggen kan, omdat ze te groot is: zwijgend en rustig straalde de hemelhoven de dennekruinen, vèr boven het duistere boschpad, waar de Vrouw uitsnikte haar duister leed, op de zwarte zwijgende aarde.
En het wétende Licht zag neer door de donkere kruinen, op de schreiende
Vrouw, en op 't viooltje, en zwéég … als alles.
Toen zag het viooltje dat het wáár was, dat er geen antwoord is….
Eindelijk richtte de Vrouw zich op. Ze streek het blonde háár van het voorhoofd, en 't bloempje zag, hoe strak en recht haar oogen staarden nu, zonder licht er in.
—Neem me mee!… neem me mee! fluisterde het. Ik heb het licht gezien op het gelaat van den Man! Ik zal je er van vertellen, àltijd!
De Vrouw bukte zich, nam het half-doode bloempje, en ging.
—Dat was het éénige Licht … zei ze….
En ze gingen samen verder … het viooltje stervende, maar bijna tevreden. Ze wist nog wel niet "waarom"; maar ze had de Vrouw wat kunnen troosten, dacht ze. Ze boog haar teer kopje tegen de zachte vingers van de Vrouw, en voelde zich bijna gelukkig zoo.
Toen ze dood was, lei de Vrouw haar weg, heel stil, dat niemand het zag… En héél stil, dat niemand het zag, ging ze soms naar het doode bloempje … om het te zièn….
Dan was 't, of uit den dooden violen-geur, zacht-trillend de droeve klacht omhoog steeg: "Waarom?"…. "Och, waarom?" …
En die zachte klacht steeg op, in de lucht, hoog boven de aarde, en vermengde zich met veel klachten die daar zweefden…. En toen … wist niemand waarheen die te zamen gingen.
—Naar het Licht … dacht de Vrouw.
Naar het Licht, dat zijn stralen neerzendt in de zielen der menschen, en hun tranen doet schitteren, hoewel het weet, dat het schoone schijnsel niet leven kan op aarde, en dat tranen zwart worden waar ze vallen.
Naar het schoone, wreede Licht, dat in heilige oogenblikken de menschenziel aanroert, die rond-zoekt in het donkere leven, en het smachten naar eeuwig geluk, naar eeuwigen vrede, naar eeuwige liefde doet geboren worden.
Naar het ondoorgrondelijke Licht, de wreed-zoete Liefde, die op aarde rondzweeft in de gestalte van Weemoed, aankloppende bij alle schoonheidzoekende zielen eenmaal, om dáár te sterven. Want het leven, zooals de menschen het gemaakt hebben, doodt alle groote schoonheid, alle eerlijke emotie, langzaam, met zijn zacht nijpende worg-vingers, die niet loslaten.
Zoo dacht de Vrouw, als ze het doode viooltje zag.
………………
En de kikker vertelde nog dikwijls van de menschen; maar dit vertelde hij niet; want daar was zijn vader niet bij geweest.
Later ging hij weer eens 't pad langs, waar het viooltje gestaan had. 't Was er niet meer.—Dood! zei de kikker; en hij sprong verder. 't Weiland verveelde hem; hij wou weer naar den straatweg. Hij wou die malle, deftige, domme dieren weer eens zien, en zich slap lachen, om de dwaasheid die ze allemaal deden, hoewel ze er meestal geen zin in hadden. Hij wou zich weer eens slap lachen, omdat ze altijd zooveel te doen hadden, en haast altijd anders deden dan ze wel wilden doen.
En hij làchte dan ook…. Altijd: stilletjes, achter zijn wijs sfinxen-gezicht, in zijn koud kikkerhart; zoo, in zichzèlf.
En hij lachte; want gelukkig: hij was niet sentimenteel, en voelde niet de tragedie, achter het doen der menschen vaak verborgen.
En hij lachte; want zijn vader had altijd tegen hem gezegd, als remedie tegen nadenken, dat onrust brengt:
"Jongen, pas op: in "waarom"-vragen zit de duivel. "Waarom" wil de Waarheid weten, en de duivel houdt de Waarheid vast, en sart je er uit de verte mee."
Zijn vader had altijd gezegd:
In "niets-doen" zit "waarom". "Waarom" wil de Waarheid weten, en die drie samen zijn de "duivel".
Hij begreep dit wel niet precies, maar zijn vader had het van de menschen; en dat zijn de deftigste dieren, al zijn ze stom. Hij praatte dus de verwarde theorieën van zijn vader na, die ze van de menschen nagepraat had, die ze elkaar napraten, als remedie tegen nadenken, dat onrust brengt.
Toch was het nog niet zoo héél dom. De theorie was wel wijs; maar ze diende alleen, om te voorkomen dat de menschen, die héél deftige dieren zijn, zouden moeten erkennen, dat ze de Waarheid niet weten.
Daarom noemden ze 't zoeken naar Waarheid "de duivel", en maakten daar "iets héél ergs" van.
En het niet-zoeken noemden ze "God".
Wee hem, die God vraagt naar Waarheid. De duivel geeft hem antwoord, en
God sterft voor hem; en het gansche wijze woorden-gebouw valt in puin.
Dan staat hij alleen, en snikt eenzaam zijn "waarom" tot het Licht dat hij toch voelt, tot de Liefde die hij toch wéét … en die hem soms zwijgend kust….
Altijd zwijgend … àltijd zwijgend.
DE TULP EN DE MADELIEFJES.
Daar was eens een groot weiland, dat wijd-uit in de Zon lag. Veel duizenden madeliefjes groeiden er, en leefden er hun tevreden leventje.
Och, altijd tevreden waren ze wel niet. Er waren zoo nu en dan kleine kibbel-partijtjes tusschen de naaste buren, en kleine kwaadsprekerijtjes, heel zachtjes uitgefluisterd in 't vertrouwelijk schemer-uurtje, als de spiedende Zon wegzonk, een rooden gloed over het weiland achterlatende. Want voor de Zon hadden ze eerbied; en ze wisten, dat de Zon niet wilde, dat ze kibbelden of kwaad spraken. Daarom openden ze, zoodra ze Haar zagen, hun kelkjes wijd, héél wijd, en toonden hun gouden hartjes. Hoe hooger de Zon aan den hemel steeg, hoe wijder ze zich openden voor haar gloeienden blik, opdat Zij toch vooral zou zien, dat ze 't wel durfden. Want ze kenden de macht van de Zon, hun God, en ze wisten, dat ze voor Haar toch niets verbergen konden; dat Zij lezen kon in hun kleine, gouden hartjes, al hun gedachten, vriendelijke en booze.
De Zon was meestal tevreden; want over hun kleine jokkentjes, stoutheidjes en boosheidjes, dacht Ze, zooals een héél groote Zon denkt over't doen van héél kleine madeliefjes: met een vergevenden glimlach.
Die kleine madeliefjes!… ze stonden ook altijd op dezelfde plaats, op hetzelfde stille weiland. Ze moesten wel eens kibbelen of kwaadspreken, puur uit verveling. Zijzelf, ziende over de heele aarde, ziende hoe klein alles daar was, vergeleken bij het groote heelal, waarvan Zij, de machtige Zon, nog maar een klein onderdeel was, kon 't zich wel niet goed begrijpen, dat de madeliefjes zich boos maakten om zulke nietigheden als zij hun verdriet noemden; maar Zij was toegevend, omdat Zij begreep: dat klein verdriet, in kleine hartjes groot moest schijnen…
Eens op een morgen was er een ontzettende drukte op het weiland.—Een paar madeliefjes hadden al heel vroeg, bij de morgen-schemering, iets wonderlijks ontdekt, vlak bij zich. 't Was een spichtig uit den grond komende groene punt, veel dikker dan gras, en er heel anders uitziende, dan één van de planten die op 't weiland groeiden. Ze hadden hun stengels hoog uitgerekt, en bogen nieuwsgierig hun blanke kopjes naar het wonderlijke ding. Zóó verdiept waren ze in de beschouwing er van, dat ze vergaten hun kelkjes te openen, hoewel de Zon al een poosje over het weiland gekeken had. Met een helderen straal van verwondering stootte de Zon tegen hun gesloten kelkjes. Toen openden ze zich wijd, en toonden Haar onschuldig hun hartjes, als altijd.
Dien dag hadden ze geen tijd, om het praatje te vervolgen, dat de dichtst-bij staande madeliefjes 's morgens tegen hun buurtjes gehouden hadden, over het vreemde ding, dat in de gewone kalmte een ongehoorde beweging gebracht had, van luisterende, fluisterende, nieuwsgierig vragende bloempjes. Geen seconde wilde de Zon wegschuilen achter een wolk, om hun tijd te geven, eventjes, maar héél eventjes te kijken.
's Avonds begon een der buurtjes, na den gebruikelijken groet, en een praatje over een sterfgeval in den omtrek:—Jammer! zoo'n jong madeliefje nog, èrg treurig, vooral voor de familie!—over 't vreemde groene ding, dat erg gegroeid was dien dag, en heel bovenaan een rood puntje vertoonde.
—Nu heb ik van mijn leven al heel wat gezien, lispte de een; maar zóó iets nog nooit!
—Als dàt een bloem moet worden, mag 't zich wel haasten! grinnikte de ander. Ik ben erg benieuwd wat dáárvan worden zal.
—Laten we maar afwachten buurvrouw! Veel bizonders zal 't niet wezen, 't Is nu te donker om goed te zien! Morgen weten we er meer van, denkelijk.
En grinnekend van in-pret over 't ding dat ze niet begrepen, bogen ze hun kopjes in de vallende duisternis, en sliepen in: den slaap des rechtvaardigen.
De waarheid was, dat door een wonderlijke gril van 't Noodlot, een tulpenbol op 't weiland was gevallen, misschien uit de voorraad-schuur, ook "broekzak" genaamd, van een der vele, heel vroeg in 't voorjaar op 't weiland spelende jongens. Precies hoe het gebeurd was, wist natuurlijk alleen de Zon. De vele regens hadden den grond week gemaakt,en de tulpenbol was door zijn eigen zwaarte diep genoeg gezakt, om te kunnen ontspruiten, of misschien wel in de weeke aarde getrapt, door molsla of veldsla zoekende vrouwen. Om 't even: hij lag daar; en de voor allen even goede, koesterende Zon, deed hem ontspruiten in de zwarte aarde, waar ze Haar warmte indrong, en trok de bloem, die in hem verborgen was tot zich, zoo hoog haar groei dit toeliet; en die groei was nu eenmaal hooger dan de groei van de madeliefjes.
Heel vroeg in den morgen keken de buurtjes weer naar het vreemde ding. Ze hadden er van gedroomd; en dus was het hun eerste gedachte bij 't wakker worden.
Het was alweer gegroeid. Het was nu een ei-vormig rood ding, met spitse punt, omhoog gehouden door een dikken, rechten stengel, waaromheen zachte, groene bladen sloten, in den vorm van handen, gevouwen om te bidden.
Het was nu zóó groot geworden, dat al de madeliefjes het haast konden zien.
Dat gaf me een gebabbel!
De Zon scheen dien dag gewichtige bezigheden te hebben; ze vertoonde zich niet. Ze had een blauw-grijs gordijn vóór zich geschoven, waaronder de aarde geduldig wachtte.
De bloempjes, Haar blik dus niet vreezende, gaven zich over aan't volle genot van babbelen. Tot nu toe hadden ze alleen gebabbeld over dingen die ze meenden te begrijpen; nu waren al hun hartstochtjes los over dat vreemde, brutale ding, dat zich boven hen verhief, aller oogen tot zich trok, en dat dùrfde!… dùrfde!… anders dùrfde te zijn dan zij.
—Heb je ooit zóó iets gezien? klonk het vol ergernis.
—Neen maar, hoe vin je 't? In 't róód!
—Natuurlijk, als ze in 't wit was, net als wij, zou ze niet in 't oog loopen.
—En die rechte houding!
—En die aanstellerige blaadjes!
—Net doen of je 't niet ziet! Geen notitie van nemen.
Maar zonder dat ze het zelf wilden, werden hun oogen altijd weer naar de wonderlijke verschijning getrokken, en gaven ze spijtig hun op- en aanmerkingen.
De arme tulp voelde wel al die booze oogen; ze voelde wel het gefluister om haar heen!… Och, hoe gaarne was ze ook klein en wit geworden, net als de madeliefjes: niet opgemerkt wordende, en gewoon mee-doende hun leventje! Maar of ze haar blader-handen al ootmoedig smeekend vouwde en omhoog zag, 't hielp haar niets. Ze had nu eenmaal dien groei, en die kleur, en kon daaraan niets veranderen. Ze had een vaag gevoel van ondankbaarheid, tegenover de Zon, die haar had doen geboren worden, toch niet leelijker dan de andere bloempjes, hoewel anders; en ze wilde trachten haar verdriet moedig te dragen, om Háár.
Toch konden al haar gedachten niet wegnemen, het gevoel van verlatenheid, dat in haar nog gesloten kelk opwelde. Ze kon niets doen om de madeliefjes vriendelijker te stemmen, en hen te overtuigen, dat ze niet anders wilde zijn dan zij, maar 't wel mòèst zijn. Ze kende zichzelve nog niet. Ze had zichzelve natuurlijk nooit zien staan: hoog boven haar omgeving uitstekende; rood onder de witten, en met dien rechten, dikken stengel zoo trotsch lijkende. Daarom begreep ze ook niet, waarom men haar zoo boos aanzag. Ze vond de madeliefjes hard en slecht; en begreep dàn ook weer niet: waarom die zoo lief en vriendelijk onder elkaar konden zijn.
Den ganschen dag stond ze daar stil, rechtop, en drukte haar bladen tegen haar stengel, om toch vooral zoo klein mogelijk plaatsje in te nemen, en niet verwaand te schijnen.
Ze was toen héél eenzaam.
De nacht kwam; en de madeliefjes gingen slapen, na ginnegappend hun avondgroet te hebben gewisseld, de tulp buiten-sluitende. Volmaakte rust lag over de velden. Toen, langzaam, ging het wolkgordijn opzij, en welfde de wijde sterren-hemel over alles heen.
De tulp sliep niet. Verbijsterd zag ze boven zich die sterren-openbaring. Ze dacht, dat het vriendelijk glinsterende bloempjes waren, die tegen haar lachten, tot troost; en zacht wiegde ze heen en weer, tot groet. Nu voelde ze zich niet meer alleen! Een zwellende vreugde kwam in haar; en haar smeekende hand-bladen dànkten!… dànkten!…
Zóó, opziende, vergat ze al haar verdriet: de kleine, booze blikken van de madeliefjes, de onvriendelijke opmerkingen, en het buiten-sluiten van hun avondgroet.
Zóó viel ze in slaap, droomende van lichte bloemen blanker dan witte bloemen, levende in een donkere weide, héél hoog, en haar lief toelachende alsof ze hun zuster was.
Toen ze den volgenden morgen wakker werd, voelde ze 't niet meer zoo erg, dat al de witte madeliefjes naar haar tuurden, of ze niet weer wat vréémds zouden opmerken. Haar hart had den nacht-vrede nog bewaard, en dacht aan de sterren.
Aarzelend kwam het licht over de weide, nog maar alleen de hoogste topjes er op kleurende. Het aarzelen werd zékerheid; en toen kwam het aanjubelen: het Licht, het Zonlicht, het stralende, goede Liefdelicht … over àlles heen!
Ze voelde het zacht rusten op haar nog gesloten kelk, en een wijde jubel doorstroomde haar. Haar stralende kelk opende zich voor het stralende Licht, en weenend van zaligheid, lei ze het gouden bloem-hart open voor de Zon, die er in ging, het vullende gehéél, en het kussende met groote liefde….
Want de Zon heeft boven andere bloemen de tulpen lief. Geen bloem straalt in Haar licht zooals de tulp; geen bloem geeft zooveel glans voor gloed weerom.
Zóó bleef ze staan, hoog op haar steilen stengel, haar hand-bladen even uitspreidende, opdat ze toch óók voelen zouden, héél voelen zouden: het Licht! de Zon!
Ze dacht er niet meer aan: of ze het doen mòcht: of ze zóó meer plaats innam dan anderen! Ze mòèst het doen!