—God zij ons genadig, u beiden en mij … prevelde hij voor zich heen.
Toen de prins den volgenden morgen de zwavelstokken in een van zijn zakken vond, wierp hij ze met een gelukkig lachje in 't vuur, en sloot de oogen terwijl ze knetterend verbrandden. Hij wilde niet zien. Hij had nu het geluk, en verlangde verder niets te weten; want dat dit geen schijn was, las hij in Elze's oogen, toen zij hem haar lippen tot kussen bood, en hij voelde het jubelen in zijn eigen hart, toen hij haar in zijn armen drukte.
—We zullen gaan vóór de zon te veel warmte geeft, zei de oude man.
De morgen had zijn gelaat verhelderd; en Elze noch de prins vingen meer sombere blikken uit zijn vriendelijke oogen op.
—Misschien geeft één jaar geluk meer waarde aan het leven van mijn kind, dan tientallen jaren van schijnbaren vrede … dacht hij. Tot haar oude leven terugkeeren kan ze altijd nog; en de prins lijkt een goed mensch.
Zoo troostte hij zichzelf, terwijl hij zich reisvaardig maakte.
Elze bekeek lachend haar eenvoudig, wit kleedje.
—Anders heb ik niet! zei ze vroolijk. Vader wilde, dat ik altijd witte kleeren zou dragen; dat leert helder zijn en bang voor vuil!
—Je bent zóó mooier dan de mooiste dame, Elze! lachte de prins.
Toen Elze buiten kwam, zag ze rond naar haar duiven… Ze waren er niet!
—Ze zullen in den boom zitten … mompelde ze.
Daarop kuste ze den drempel van haar huisje, en volgde den prins en haar vader.
In zijn breeden stoel gezeten, zag de koning droevig in den tuin, die zijn paleis omgaf. Schemer hing al zwaar in de zomersche paden; en nog altijd was zijn zoon niet terug gekeerd, na twee dagen afwezig zijn.
Hij was alleen. Slechts een onzichtbare schim was met hem in de half-duistere zaal: de Angst, die er ronddwaalde, en hem geheimzinnig toefluisterde: dat de prins misschien nooit weerkwam….
—Ik wil alleen zijn! had nu reeds twee lange dagen zijn bevel geklonken, tot allen die het waagden hem te naderen.
Met gefronst voorhoofd zat hij voor zich uit te staren. Zijn oogen, moe en dof van slapelooze nachten, schenen twee gebluschte sterren. Zijn stille handen waren steun-zoekend om de armen van zijn zetel geklemd.
—Waarmee heb ik dat verdiend?… Waarmee?… dacht hij, en pijnigde zonder tot een vaste uitkomst te geraken zijn oud, moe hoofd met nadenken.
Hij vergat, dat niemand, ook zelfs geen koning, de zee, den storm, en het menschelijke Noodlot bedwingen kan. Dat de zee, de storm, en de natuur in den mensch, sterker zijn dan alle door intellect gemaakte aardsche machten; en dat eenmaal alle geweld daaraan gepleegd, neerkomt op het hoofd van den geweldenaar.
Als levenloos zat hij voor zich uit te staren; een schim van zichzelf….
Plotseling vaart een rilling door hem heen. Hij heeft een stem gehoord: zijn stem! Het gordijn dat de zaal waarin hij zit in tweeën deelt, wordt terzijde geschoven, en in een vagen lichtschijn ontwaart hij zijn zoon, en achter zijn zoon een lichte vrouwen-gestalte.
Opstaande breidt hij zijn armen uit; en met een kreet van geluk sluit hij zijn kind er in, en houdt hem vast … héél lang vast….
Daarop zoeken zijn oogen de lichte gestalte, die met gebogen hoofd was blijven staan; en ze zien naast haar nog een gedaante, donker-grijs in 't weifelend licht.
Vóór zijn vader iets vragen kan, neemt de prins Elze bij de hand; maar ontzag en verlegenheid doen haar eenige schreden van den koning verwijderd neerknielen.
Haar lange, losse haren vallen golvend om haar heen; en terwijl ze het hoofd buigt, vouwt ze haar handen over de borst, en wacht….
Toen zei de prins:
—Vader, dat ik deemoedig tot u wederkeer, dank het dit meisje! Lang zou ik wellicht nog gedoold hebben in mijn niet-begrijpen, met wrok in 't hart, wanneer ik háár niet gevonden had, en door háár: de Liefde, het hoogste geluk. Ge hebt me dit willen onthouden…. O, ik geloof met wijze bedoeling; want ge zijt goed, vader!… en ik wil u niet aanklagen; maar nu ik het gevonden heb, zult ge het mij niet weer ontnemen, niet waar?… Ik breng u dit meisje, dat ik liefheb, als mijn vrouw, en hoop dat gij haar aan zult zien als uw dochter!…
De koning zonk terug in zijn zetel. Zwaar zonk zijn hoofd neer. Hij dacht na. Toen, sterk zijn stem verheffend, gebood hij:
—Men brenge licht!
Weldra verscheen er een dienaar met een lamp, die een helderen schijn over de geknielde gestalte uitgoot.
Nu zag de koning dat Elze zeer schoon was, en van een schoonheid, die zacht stemde zijn goed, oud hart.
—Sta op, meisje! zei hij vriendelijk, en strekte de hand uit. Ik wil niet, dat de vrouw, die mijn zoon liefheeft, zal knielen voor mij!
Elze hief zich op, en de koning geleidde haar naar een zetel, zoo statig alsof ze een edelvrouwe was.
Toen kwam Elze's vader, die zich tot nu toe zwijgend op den achtergrond gehouden had, nader, en boog zich voor den koning.
—Dank, o koning, voor deze eerste woorden! zei hij met trillende stem. De eerste woorden die men hoort van een vreemde, openen of sluiten voor altijd de breede poort van het vertrouwen. In de herinnering van die eerste woorden gebeuren al zijn daden voor ons.
—Wie zijt ge? vroeg de koning norsch.
—Elze's vader; en een mensch zooals gij!
—Wie zeide u hier binnen te treden?
—Het Noodlot, dat uw zoon bij ons bracht, als een gevolg van uw dwaasheid!
—Verklaar u nader!
—Dwaasheid is het: een ezel distels te onthouden, als men weet met hem langs een afgrond te gaan, waar er veel groeien. Beter ware het geweest ze hem zóó volop te voeren, dat hij er niet meer naar omzag!
—Er zijn er niet velen in mijn rijk, die mij zoo durven toespreken als gij!
—Er zijn er ook maar weinigen, die niet zouden beproeven u rijker te verlaten dan ze gekomen zijn. Ik zal u armer verlaten….
Des konings blik verzachtte; een klein lachje speelde om zijn lippen.
—Ik zal u door mijn schatbewaarder laten geven wat ge vraagt!
—Bewaart die ook het levensgeluk voor mijn kind?
Getroffen zweeg de koning. Toen reikte hij Elze's vader de hand.
—Ziehier! zei hij.
—Bedoelt ge hiermee, o koning, dat uw hand dit geluk bewaren zal? Of reikt ge haar mij toe, opdat ik de mijne er in zal leggen, als een gunst van uwe zijde?
—Het laatste bedoel ik…. God alleen meet ons het geluk, dat hij ons toereikt als ons deel!
—Welnu: ik weet niet of onze handen elkaar waard zijn! Mijn hart moet eerst het uwe kennen, voor mijn hand de uwe als een gunst neemt!
—Dit is een beleediging! riep de koning uit.
—Kan de waarheid beleedigen? Van u weet ik niets, dan dat ik uw dienaar was; van mij weet gij niets, dan dat mijn dochter schoon is!
Nu lachte de koning, en zei:
—Als uw dochter uw verstand en trots bij haar schoonheid heeft, zal zij een voortreffelijke koningin zijn.
—Nu wil ik uw hand kussen! antwoordde de oude man, en boog zijn eene knie ten teeken van eerbied; en niet omdat gij een koning zijt, en ook niet omdat gij mij verstand toekent; maar omdat de mensch in u sterker is dan de koning, en de vader sterker dan de mensch.
Toen knielden ook de prins en Elze neer, en de koning zegende hen, terwijl Elze's vader zich bescheiden terugtrok.
Weldra werd de bruiloft gevierd. Het gansche land vlagde, en overal verheugde men zich over de jonge prinses, die, hoewel van nederige geboorte, zoo schoon en goed was, dat ieder die haar voor het eerst zag, onwillekeurig de handen vouwde.
De koning was zeer met haar ingenomen; en door een goede daad zijn vreugde willende toonen, liet hij op den dag die het huwelijksfeest vooraf ging, de oude voedster-moeder in eere herstellen, en gaf haar de plaats aan zijn hof welke zij altijd bekleed had.
Toen Elze ontwaakte op den morgen van haar huwelijk, was 't of een zware, gouden wolk op haar drukte, schitterend als de zon, en toch de zon werend…. Haar vader had alle weldaden die de koning hem wilde bewijzen afgeslagen, en was naar zijn eenzaamheid weergekeerd, die hem liever was dan het leven onder de menschen.
Dit had Elze leed gedaan. Ze had zoo gaarne haar vader bij zich willen houden. Ze had echter den prins zeer lief, en haar vader had er haar op gewezen, dat de jeugd haar rechten niet mag opofferen aan den ouderdom.
—Als ik getrouwd ben, kan ik hem bezoeken zooveel ik wil! troostte zij zich. En 't is waar dat vader dáár gelukkiger is dan hij hier zou zijn…. Dan dacht ze aan haar witte duiven, die haar wel zouden missen, en bemerkte de prins een klein, weemoedig trekje om haar mond, dat hij weg kuste.
Ook het bruiloftsfeest wilde haar vader niet bijwonen.
—'t Zou wezen alsof je een ouden, knoestigen eik als ruiker op tafel zette! had hij gezegd.
Lachend en schertsend met elkaar, hoorde Elze al vroeg in den morgen, de juffers naderen, die haar als eeredames waren toegewezen. Ze zouden haar behulpzaam zijn bij het kleeden. Het waren allen dochters van hooggeplaatste beambten, die niet weinig jaloersch waren op Elze. Ze verborgen hun jaloezie onder een kleed van gemaakte liefheid.
—O, zie toch die zware lokken! prees de een, over Elze's haar strijkende. Hoe zullen wij ze vlechten, zóó, dat de gouden kroon niet dof wordt bij dit glanzende goud.
—Hoe bleek zal het satijn van uw trouw-kleed worden, bij het blank van uw huid, prinses! vleide een tweede.
—Droef zal kwijnen het geschitter van uw diamanten halssieraad, bij het stralen van uw oogen! zei een derde.
Een vierde prees haar tanden, en haar kleine handjes en voetjes; maar Elze voelde het valsche van hun lof. Ze werd ongeduldig; en haar nog losse haren als gouden manen schuddende op haar rug, zag ze rond, en wenkte een stil meisje dat niet mee gesproken had, en zich achteraf hield.
—Wil jij me helpen? zei ze vriendelijk tot het verlegen blozende juffertje; dan kunnen de andere dames terwijl praten.
Spijtig zwegen de jonge dames, elkaar achter Elze's rug spotachtig aanziende.
Toen Elze gekleed was, en de prins haar kwam afhalen, bogen ze diep en eerbiedig. Een van de brutaalsten echter zei, schijnbaar nederig, maar werkelijk met het doel om den prins opmerkzaam te maken op Elze's ongepaste handelwijze:
—Uwe Hoogheid vergeve ons, dat wij met ledige handen staan toe te zien. Uw aanstaande gemalin wees onze diensten van de hand, en liet zich alleen aan het hoog noodige helpen door een der jongsten.
De prins fronste even het voorhoofd; doch toen hij Elze zag, straalde zijn oogen haar schoonheid te gemoet, die alle onaangename gedachten verjoeg; en trotsch bracht hij haar bij zijn vader, den koning, die haar op het voorhoofd kuste, zeggende:
—Ge zijt een geboren vorstin, mijn kind! Elze bloosde van vreugde. Ze antwoordde vroolijk en kinderlijk als de Elze uit het bosch:
—Als het dan maar vorstin over uw aller harten is…. Anders begeer ik niets.
—Je zult begeeren wat nu je plicht zal wezen, Elze! zei toen de prins, haar vol ernstige liefde aanziende.
—Dat zal ik! riep de aanstaande koningin uit; maar een grijs tintje kwam in haar helderblauwe oogen, zooals een fijn wolkje, dat haar het schijnen niet belet, soms langs de zon trekt.
De kleine onaangenaamheid met de eeredames, was door hen schijnbaar vergeten; maar in waarheid verborgen zij een behoefte aan wraak onder hun minzame lachjes en lieve manieren.
Toen Elze, aan de zijde van haar gemaal, langs de diep buigende dames naar het altaar ging, trof een zacht gemompeld woordje haar, als een scherpe pijl, die door haar geluk heendroeg, en haar hart wondde. Een der eeredames had "boschvrouwtje" gefluisterd.
Elze werd bleek; toen, haar man, den prins, aanziende, hief ze haar hoofd fier op, denkende: wat kan mij treffen, als hij mij beschermt…?
De prins had niets gehoord; en zijn ernstig, edel gelaat blonk, of er van binnen een lichtje in brandde.
In het begin leefde Elze als boven de aarde. Iedereen was even goed voor haar. Overal waar ze verscheen, kwam een lach van vreugde, of een juichkreet haar begroeten; en als ze in haar klein wagentje, door een wit paardje getrokken, als een mooie, witte bloem door de straten der hoofdstad reed, wierp jong en oud hoeden en mutsen in de lucht, en brachten alle kinderen haar bloemen, zoodat ze haar paardje, dat ze zelf mende, in moest houden, om hen één voor één te kussen. Ze bleef altijd in 't wit gekleed; en wit werd dan ook de modekleur; want iedereen trachtte haar kleeding en manieren na te bootsen, denkende daardoor haar aangeboren bevalligheid machtig te kunnen worden.
Haar portret werd overal aangebracht, waar het maar eenigszins kon; en beroemde kunstenaars maakten beelden, waarop haar gezicht prijkte, met een vreemd lachje van steen.
De prins had haar zeer lief; hij begon iederen dag meer haar helder verstand en goed hart te waardeeren.
Ook de oude koning zocht haar, als een zonnetje dat zijn uitdoovend leven verwarmde; en als de gedachte aan haar vader af en toe niet als een nevel voor haar geluk had gehangen, zou Elze volmaakt tevreden zijn geweest. Wel zond hij haar iederen dag een duif met een groet, en stuurde zij hem groeten en berichten dat zij gelukkig was; maar soms droeg de witte duif op haar zachte veeren een helder-schitterenden droppel mee….
—Dat is een traan van Elze! zei de oude man dan. Vreugdetranen schreit men alleen als men geleden heeft; en Elze hééft nooit geleden.
Dan streelde hij de duif lang over het gladde lijfje, en gaf haar en de andere duiven het eten dat ze het liefst hadden………………
Toch, eerst bijna onmerkbaar, doch langzaam aan duidelijker, versomberde het gelaat van den prins. Niet dat hij minder lief voor Elze was, maar hij werd stiller; en soms, met een kus, verliet hij haar plotseling. Ze lette op, of de oude koning veranderde in zijn gedrag tegenover haar; maar vond alleen dat hij nog vriendelijker en zachter voor haar was dan vroeger.
Eindelijk vroeg ze den prins naar de reden van zijn somber gezicht; maar hij streelde haar over het glanzende haar, en kuste haar teeder, zeggende:
—Laat ik je niet vermoeien met zaken.
Elze was daar niet mee tevreden. Ze vleide en smeekte net zoo lang, tot de prins haar de reden van zijn somberheid meedeelde.
—Het is niet zoo prettig, eenmaal als koning te moeten optreden, zei hij. Mijn vader wil afstand doen van de regeering, omdat hij zich oud en zwak begint te gevoelen, en mij wil laten werken wijl ik jong ben…. Nu hebben eenige grooten een poos geleden een complot gesmeed, dat tegen mij, of eigenlijk tegen jou gericht was. Men wilde je niet erkennen als toekomstige koningin. De schuldigen zijn gestraft en alles is schijnbaar rustig nu; maar ik vrees dat er een geest van verzet rondwaart…. Jou missen Elze, wil ik niet; en mijn plicht als zoon van mijn vader moet ik doen…. Zie, dit doet me soms nadenken; en mijn gedachten kan ik je niet altijd zeggen…. Ze zouden je leed doen.
Elze zweeg. Ze had wel gemerkt dat ze in den laatsten tijd met minder geestdrift werd begroet, als ze zich onder het volk vertoonde; maar ze had gemeend dat dit kwam, omdat zij niet langer 'n nieuwtje was; omdat men aan haar verschijning gewend werd. Zij wilde dienzelfden dag nog alleen uitrijden, en scherp toezien hoe men haar bejegenen zou.
Bij haar huwelijk had het toen gefluisterde woord een angst-zaadje in haar hart gestrooid, dat stil in duister lei te wachten op ontkiemen. Ze was nu eenige dagen niet uitgegaan, en wilde de houding van het volk eens goed waarnemen.
Ze liet dus haar rijtuig voorkomen, en reed alleen weg, zichzelve tot gerustheid dwingende.
Al dadelijk kwam ze een ouden man tegen, die met een blijden lach groette.
—De oude menschen zullen me ook niet haten, dacht Elze; evenmin als de kinderen. Want bij de eersten zijn alle hartstochten gestorven, en bij de laatsten slapen ze nog.
In de stad groette men haar als altijd; maar met dreigende blikken. Op den hoek van een straat stond een troep volk die steeds aangroeide; zoodat Elze haar paardje moest intoomen, en eindelijk stil hield. Toen kwamen een paar ruwe kerels nader en schreeuwden dreigend:
—Weg met de boschvrouw! en wierpen hun mutsen tegen den grond.
Elze richtte zich hoog op.
—Gaat opzij mannen! riep ze gebiedend, staande als een witte lelie boven de opgewonden menigte. Ik ben niet alleen prinses Elze, maar ook een vrouw! Wie van u zal zoo laf zijn een vrouw kwaad te doen, die u nooit iets misdeed?
Grommend gingen de mannen terzijde, zooals het brullen van den storm even lijkt te wijken voor den helderen klokke-klank van een kerkje, dat roept in den Kerst-nacht; maar achter Elze, die rustig haar paardje liet stappen, groeide het aan tot een booze massa, als een wilde zee van nijdige hoofden.
Elze was niet bang meer, nu ze zekerheid had. Ze voelde zich wonderlijk gerust.
Toen, overstemmend het dof gemompel der menigte, kwamen veel kinderen, zingend. Ze droegen bloeiende witte en roode bloemen-takken, die ze naar Elze wuifden, zoodat een regen van fladderende blaadjes op haar kleed en haren viel.
Ze klommen, toen Elze stil hield, tegen haar rijtuigje op, en wilden allen haar handen en kleederen kussen.
Nu kwamen Elze de tranen in de oogen.
—Ziet ge mannen! riep ze met luide, trillende stem: dit zijn uw kinderen, die me liefhebben!
—Leve onze lieve prinses Elze! juichten de kinderen, haar rijtuigje volgend, en met de nu bloesem-looze bloemen-takken wuivende, terwijl de menigte zich verstrooide.
—Zij is toch wel waarlijk een koningin? mompelde een der ontevredenen, terwijl hij naar den grond zag.
Elze was diep bedroefd. Ze begreep wel dat die stemming tegenover haar hoe langer hoe erger zou worden, en het leven van den prins door haar schuld verbitteren zou.
Lang en ernstig dacht ze na.
—Kon ik maar sterven! was het eind van haar denken; maar ze vond zichzelve nog zoo jong, en den dood zoo naar, en het leven zoo heerlijk! Haar man zou bedroefd wezen; o, zeker! want hij had haar heel lief; maar een korte, sterke droefheid was misschien beter, dan een heel leven vol verdrietelijkheden.
—Kon ik maar sterven! dacht ze telkens en telkens weer. Dan dook het vriendelijke, oude gezicht van haar vader voor haar op, zag ze haar klein, oud huisje in 't stille, ernstige bosch, hoorde ze haar blanke duiven zwiepen door de geurige lucht, tot een groot verlangen haar beving, daarheen te gaan, om haar oude leven weer te beginnen. Maar wat zou de prins daarvan zeggen? Zou hij er ooit in toestemmen, dat ze hem alleen liet.
Het zou haar óók hard vallen heen te gaan; maar dat wilde ze niet bedenken. Ze had den prins zoo lief, dat ze alleen peinsde hoe ze hèm leed zou besparen.
Niemand kon ze raad vragen in haar omgeving; ook niet den ouden koning, in wiens zachte, half uitgebluschte oogen ze niets dan goedheid las.
Plotseling viel haar iets in. 's Nachts, als de prins slapen zou, wilde ze naar het bosch gaan, en den Boschgeest vragen, haar den tooverdrank te geven dien hij 's winters bloemen, planten en boomen gaf, zoodat ze een poos dood leken. Dien drank wilde ze drinken; en als ze dan gestorven zou lijken, en men haar in een graf gelegd zou hebben, wilde ze den Boschgeest vragen haar te komen wekken en bij haar vader te brengen.
Ze zond een duif naar haar vader, met de boodschap, dat hij niet ongerust behoefte te zijn, als hij zou hooren dat ze dood heette. 's Nachts, toen alles stil was, sloop ze onhoorbaar het paleis uit, en ging zoo vlug ze kon naar het bosch, dat als een groot, zwart geheim haar stond te wachten.
In het bosch ging zacht over het zachte mos de Boschgeest. Zijn diep-groen gewaad sleepte fluisterend langs de buigende varens, en zijn zacht gezicht met de diep-blauwe oogen, die als sterren lichtten, was ernstig onder de lange, grijs-blonde haren.
In zijn eene hand hield hij een uitgebloeide papaver. Daarmee maakte hij het woud in slaap, wijd rondom, en gaf het zijn zilveren droom van nachtegalen-zang, die straks in de roerlooze stilte trillen zou, alsof een hemelziel zich op aarde uitzong.
Bij een open plek in het bosch, waar tusschen lang, gebogen pluimgras witte margrieten stonden, bleef de Boschgeest even stil staan. De margrieten wilden niet slapen; ze waren te wit, en hielden het licht vast; daarom bleven ze in hun hartjes langer wakker dan de donker-groene boomen.
De Boschgeest strekte beide handen uit, een slaap-zegen murmelend tusschen zijn langen lokken-baard. Al lager zonken zijn handen, en al zwaarder daalde duister over de schemerbloemen; en toen stil, zijn handen lagen tegen zijn sleepkleed, sliepen al de blanke margrieten tusschen het dommelend pluimgras, en onder de boomen glommen in 't zwart-schijnende mos heldere glimwormpjes, als zacht schijnende aarde-sterretjes.
Toen hief de Boschgeest zijn edel hoofd naar den hemel, en riep de sterren die nog niet waren gekomen te voorschijn, met de sterren die diep in zijn ernstige oogen glansden; en vroolijk kwamen ze, alle!… alle!… en lachten naar de kleine, bescheiden glimwormpjes, die niet lachen konden omdat ze maar op de aarde woonden.
Daarop ging de Boschgeest terug in de donkerte van de boomen, en zag dáár omhoog. En het zilveren licht uit zijn klare oogen, wekte zacht zilveren nachtegalen-lied.
En het woud sliep, en droomde.
En fluister-sleepend langs blaadjes en bloemen, die den zoom van zijn groen kleed kusten, ging de Boschgeest zacht over het zachte mos; en waar hij ging, golfden geuren luchtig op, staken luie glimwormpjes snel hun lichtjes aan, en zeiden krekeltjes hun vredig geluk.
Zoo ging hij langzaam rond door het woud, met een zachten lach in den ernst van zijn oogen.
Daar, plotseling, werd de stilte verbroken; takjes kraakten, blaadjes bewogen, en een lichte gestalte kwam: Elze, die den Boschgeest zocht.
Afwerend strekte hij de handen uit; want menschen waren niet zijn vrienden; maar langzaam zonk Elze voor zijn voeten, zoo zijn hand-gebaar tot een zegening makende; en met een bede in de droeve oogen strekte ze hulpzoekend haar handen naar hem uit.
Toen, bij het licht dat straalde uit zijn eigen oogen, zag de
Boschgeest dat het Elze was.
Ze boog zich tot den zoom van zijn kleed en kuste het, zooals de bloemen en blaadjes het hadden gekust; en vriendelijk hief hij haar op, vragende:
—Elze, wat zoekt ge mij?
—Het leed zendt me tot u om hulp en vrede.
—Elze, is er geen ànder hart waaraan ge kunt rusten dan het mijne? Kan niemand u helpen dan ik?
—Menschen kùnnen niet troosten in leed!…
—Elze, waarom hebt ge mijn rijk verlaten?
—Om de Liefde te volgen.
—Kan die u niet troosten?
—Niet in het leed, dat ze geeft onder de menschen. Alleen in uw rijk is ze vlekkeloos mooi, en geeft ze eindeloos geluk.
—Wat kan ik u geven? Ik had u lief, Elze, méér lief dan de andere menschen: ik kende u, zooals gij mij … wat kan ik voor u doen?… Keer weer tot uw vrede in mijn rijk, Elze! als leed u wacht, daar waar Liefde u leidde.
—Ik kom u den dood vragen!
Zacht lei de Boschgeest zijn arm om Elze's schouder; en haar voerende onder zware, duister-spreidende eiken, deed hij haar neerzitten aan zijn voeten. Toen lei hij zijn hand op haar hoofd, dat ze moe vlijde tegen zijn koel kleed, en zei:
—Ik ken niet uw dood: den zwarten, afzichtelijken dood der menschen. In mijn rijk is geen dood. Uit de verbloeide bloem zweven gepluisde zaadjes, nieuw leven zaaiende in de aarde; haar verdorde blaadjes geven later voedsel, dat andere bloemen en planten doet leven. Ik ken den dood van het licht dat voortleeft in het duister, en den dood van het duister dat zich oplost in licht, telkens weer. Ik ken den dood van de rups die vlinder wordt, en van de vogels die tot voedsel worden aan andere vogels, en van insecten die leefden van doode dieren, en zelf op hun beurt weer dienen moeten, om leven te doen voortduren in anderen vorm; maar uw dood, den dood der menschen, ken ik niet. Ik ken alleen den dood die ten leven is, en de wisseling van stof in stof, en het leven dat door stof voortleeft in stof. Ik ken het leven dat altijd leeft, telkens in andere gedaante, en den dood die is, om leven te doen geboren worden in nieuwen vorm. U kan ik dien dood niet geven; want gij zijt jong, en móógt niet sterven. Ook weet ik dat de dood der menschen een verschrikking is, die niet behoort in mijn rijk.
—Ik kom u niet vragen den dood der menschen; ofschoon dat ook wellicht de dood is die tot leven strekt, evenals de dood in uw rijk; want wij vreezen wat wij niet weten, maar wij weten niet veel…. Ik kom u vragen den schijndood, dien gij des winters uw woud laat sterven! Ik kom u smeeken den tooverdrank dien gij dan bloemen, boomen en planten laat drinken, waardoor ze dood lijken, totdat het hun tijd is om weer te ontwaken.
Ik wilde vier dagen en vier nachten gestorven schijnen, om dood te zijn in een leven dat mij te zwaar wordt, en waarin ik tot last ben aan degenen die ik liefheb … om later weer terug te keeren tot het leven dat vrede was … al was het geen gelùk.
Peinzend zag de Boschgeest op Elze neer.
—Ik zal u geven wat ge vraagt. Ge zijt schoon, en ge lijdt; en wie lijden heb ik lief, en schoonheid heb ik lief … dáárom wil ik u helpen.
Zorg dat ge in dit bosch begraven wordt. Stel dit als uw laatsten wil vast. Ik zal u dan verlossen uit uw schijndood, en u brengen waar ge veilig zult zijn: bij uw vader.
Nu haalde de Boschgeest uit zijn rijk geplooid, donker-groen-glanzend kleed een bloem van wonderen vorm te voorschijn, en reikte haar Elze toe.
—Leg deze bloem op uw borst als ge slapen gaat; en laat verder alles aan mij over.
Elze kuste dankend de handen van den Boschgeest, en sloop met haar schat door niemand opgemerkt het paleis binnen.
Den volgenden dag wendde zij zware ongesteldheid voor; en hield zich zóó ziek, dat de prins en de oude koning zich zeer bezorgd maakten. De bekwaamste geneesheeren werden geraadpleegd; die, niets van Elze's ziekte begrijpende, vreemde namen verzonnen, waarachter zij hun onkunde verborgen.
Geduldig nam Elze de drankjes in die men voor haar bereidde; met een smartelijk lachje vernemende, hoe den ganschen dag volks-oploopen aan de deuren van het paleis ontstonden, omdat men er zoo veel belang in stelde, te hooren hoe haar toestand was.
—Als ik voor hen dood zal zijn, zullen dezelfden die mij scholden, schreien!… dacht ze bitter.
Ze voelde zich waarlijk moedeloos en ziek van verdriet; en sprak van sterven, toen de prins en de goede, oude koning zich ongerust over haar heen bogen, omdat ze zoo heel stil was. Ze nam hun beider handen in haar handen, en zei ernstig:
—Ik weet niet of ik erg ziek ben mijn lieve man, en mijn goede koning; maar voor ik misschien zóó ziek ben, dat mijn woorden voor waanzin zouden worden aangezien, heb ik u één ding te vragen, dat ge mij niet weigeren zult, nietwaar?
Snikkend viel de prins op de knieën en verborg zijn gelaat in de lange, blonde haren, die als een droeve, stille stroom van Elze's legerstede afhingen. Ook de koning wischte een traan weg.
—Spreek, mijn kind! zei hij.
—Eerst wil ik u danken voor uw liefde en goedheid, mijn man en mijn vorst, en dan vraag ik u als eenige gunst: zoo ik mocht sterven, begraaf mij in het bosch, dat leidt naar het huis van mijn vader. Mijn liefste herinneringen zijn daaraan verbonden…. Niet waar: gij zult doen wat ik u vraag?… Dan wilde ik ook zoo gaarne begraven worden in het oude, witte kleedje dat ik droeg, toen ik voor het eerst dit paleis binnentrad…. Zweert ge me dit?
—We zweren het! zeiden de prins en de koning, hun tranen inhoudende. Maar ge zult niet sterven! Ge zijt jong en sterk! Ge zult leven en gelukkig zijn.
Toen zong Elze zacht, en 't klonk als weenen:
De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,
De liefde brengt beide: geluk en leed.
Nu wist de prins het laatste woord van het liedje, dat hij Elze voor 't eerst had hooren zingen; en Elze kuste hem, zooals zij wist: voor 't laatst.
—Gaat nu gerust heen! zei ze. Ik voel me zoo goed! Gaat wat rusten, en zendt voedstermoeder hier, zoo ge niet wilt dat ik alleen zal zijn!
De prins ging, om in eenzaamheid uit te schreien, en de koning verwijderde zich met hem.
Toen de voedster gekomen was, en aan haar zijde neerzat, zei Elze:
—Voedster, ga wat slapen; ik voel me veel beter, en kan roepen als ik u noodig heb.
Werkelijk sprak ze kalm en opgewekt, zeker als ze was, dat hetgeen ze doen wilde, op den duur strekken zou om het geluk van den prins te verzekeren.
De goede vrouw sloot de oogen, en sluimerde weldra in.
Toen kwam de nacht; en met hem, voor Elze de mogelijkheid om een leugen, de eerste leugen van haar leven, in de plooien van zijn mantel te verbergen. Ze nam de wonderbloem, die ze onder haar hoofdkussen verborgen had, en lei die op haar borst. Weldra voelde ze haar leden koud en stijf worden, en verloor het bewustzijn.
Toen ze ontwaakte, was het ernstige gelaat van den Boschgeest over haar heengebogen.
—Arm kind! zei hij. Nu ik alles weet, eer ik uw moed en uw verstand. Ge doet een goede daad.
—Ik ben nu dood! zei Elze, en zag om zich heen. De Boschgeest kuste Elze op haar beide oogen, en een wondere vrede doorstroomde haar. Ze sluimerde in; en toen ze weer haar oogen opende, zag ze, dat ze geslapen had, leunende tegen een boom, die langs het pad stond dat naar de woning van haar vader voerde.
Zacht naderde ze 't huisje, en deed de deur open. Haar vader sliep nog; en zwijgend bleef ze staan kijken naar zijn goed, oud gezicht. Toen kuste ze hem op het voorhoofd.
Hij opende de oogen, en zei met een rustigen lach:
—Zoo, ben je daar al?… Ik heb je wel verwacht: duiven moeten niet wonen bij spreeuwen, uilen en valken.
Elze vertelde hem alles; en toen ze aan 't einde van haar verhaal was gekomen, zei ze:
—Nu wil ik mijn haren afknippen.
Ze nam een schaar en knipte langzaam haar lange lokken af die om haar heen vielen. Droef schreide de schaar door het blonde goud; en iedere lok die viel, scheen Elze een schop aarde op haar doodkist.
—Ik ben nu dood, zei ze nogmaals, en ging werken, en het huisje verzorgen zooals vroeger. Maar ze zong niet meer….
Haar vader hing haar gouden tressen achter het vriendelijk neerziende
Christusbeeld aan den muur.
—Als men hierheen komt, zou men je herkennen! zei hij tot Elze. Ik zal je een jongenspak meebrengen; dat zal goed staan bij je korte haren.
Elze trok een jongenspak aan, en voelde zich nu veel rustiger; want ook zij vreesde dat de prins haar vader zou komen bezoeken. Ze trachtte maar te denken, dat haar kort prinsesse-leven een droom was geweest; en werkelijk leek het haar zoo.
Eens, op een helderen zomermorgen, kwam de prins te paard aanrijden. Elze, die juist bezig was haar duiven te voederen, ontroerde zóó, dat ze duizelde.
—Heidaar, jongen! riep de prins, van het paard springend, terwijl hij haar de teugels toewierp. Houd mijn paard eens vast.
De prins stiet de deur van het huisje open; maar toen hij zag dat het leeg was, ging hij zitten wachten op de bank. Hij wilde Elze's vader zien.
Elze beefde van het hoofd tot de voeten, terwijl ze met afgewend gelaat het paard vasthield, dat haar besnuffelde, en vroolijk hinnekend blijk gaf dat het haar herkende. Ze streelde het dier over de glanzende flank, denkende: het paard herkent me; hij niet!
—Ben je al lang hier? vroeg de prins haar eindelijk, om eens iets te zeggen.
—Zoolang het meisje dat hier woonde, weg is … antwoordde Elze met veranderde stem; en bleef met trillende vingers het paard streelen.
—Weet je dat zij dood is? zei de prins; plotseling in snikken uitbarstend.
—Ja, antwoordde Elze; en kneep haar vuist samen, om zich goed te houden.
—Ik zal maar heengaan, vervolgde de prins. Wat doe ik eigenlijk langer hier! Als de oude man thuis komt, zeg hem dan, dat ik hier ben geweest, om hem te vertellen dat ik weer ga trouwen. Mijn volk eischt dit; en omdat ik koning moet worden, zal ik gehoorzamen. Zeg hem: dat ik Elze niet vergeten ben, al ga ik nu trouwen. Dat moet hij niet denken!… Nu zal ik maar gaan!… Goeden dag!… Je zult de boodschap wel overbrengen, niet waar?
—Ja, zei Elze; en reikte met afgewend gelaat den prins de teugels over. Zonder haar aan te zien reed hij weg … terwijl Elze op haar knieën zonk, en de witte duiven haar als een witte sneeuwval bedekten.
Ze jaagde hen heen, en ging het huisje in, waar ze bij het houten
Christusbeeld neerknielde.
—Nu zal hij niet weerkomen, dacht ze; maar dood ben ik nog niet!…
Ze beefde over haar heele lijf of ze koorts had; doch toen haar vader thuis kwam, had zij haar werk gedaan, en was kalm als altijd.
Zoo gingen veel jaren voorbij. Elze bleef in haar jongenskleeren zorgen voor haar vader. Van den prins hoorde zij niets meer. Hij was nu regeerend vorst, was getrouwd met een prinses, en had twee kinderen: een jongen en een meisje.
—Nu wil ik hem eens zien! Ik wil zien of hij gelukkig is! zei Elze bij zichzelve. Ik zal nu toch wel wáárlijk dood zijn!
Haar vader hoorde haar zwijgend aan, toen ze hem haar wensch zei, en ging even stil en rustig heen als altijd, om zijn kruiden te zoeken; maar op de tafel had hij den Bijbel opengeslagen, en een groote streep gezet onder de woorden: "Leid ons niet in verzoeking."
Elze schudde weemoedig haar kort-lokkig hoofd. Ze nam een oude viool van den wand, die ze mee wilde nemen, om op een reizend muzikant te lijken.
Na een vermoeienden tocht kwam ze bij het paleis van den koning, waar ze bleef wachten. Een der wachters van het paleis vroeg haar, wat ze wilde.
—Den koning zien, zei ze.
—Je bent moe!
—Ja; ik kom van heel ver.
Toen gaf de man haar een slok drinken, en zei haar, dat over een poos de koning met de koningin uit zou rijden. Ze moest maar wachten.
Werkelijk kwam vrij spoedig een open rijtuig voor, en zag ze den koning en de koningin komen, en voor een raam van het paleis twee lieve kinder-gezichtjes verschijnen. De koningin was een mooie vrouw; en de koning zag er tevreden en gelukkig uit.
Toen het rijtuig Elze voorbij reed, werd ze koud van schrik: de koning had haar wonder-doordringend aangezien. Ze dwong zichzelve echter haar muts af te nemen; en greep toen doodsbleek een goudstuk van den grond, dat de koning haar toe had geworpen. In de verte hoorde ze het volk juichen, en zag ze jonge mannen hun mutsen zwaaien, waar het rijtuig voorbij reed.
—Dat zijn de kinderen die mij liefhadden! dacht ze bitter.
Ze ging langs den tuin van het paleis het bosch in, en zocht de plek waar haar graf was. Daar knielde ze neer, en schreide tot ze geen tranen meer had.
Nu ben ik wel waarlijk dood, dacht ze; want ik heb op mijn eigen graf geschreid!
Het graf zag er vervallen uit, en was niet meer onderhouden.
Hij is dus gelukkig! dacht ze. Dat wilde ik; nu moet ik tevreden zijn. Hij heeft mij vergeten en ook mijn graf…. Het is goed zoo…. Ik heb dit gewild…. Het was dus goed wat ik deed!
Haar vader wachtte haar, gezeten op de bank voor het huisje; en toen hij haar zag komen, stond hij op, en sloot haar in zijn sterke armen.
—Nu beklaag ik mijzelven en den koning! zei hij met een wonderen glans in de vriendelijke oogen.
—Waarom vader?
—Mijzelven beklaag ik, omdat ik pas tegen het einde van mijn leven zie: dat de dwaasheid der Liefde de hoogste wijsheid is; en den koning beklaag ik, omdat hij de Liefde niet ziet nu zij het schoonst is!… Gij, Elze, zijt een heilige!
—Neen, vader, zei Elze zacht: ik ben maar een vrouw…. Ik heb hem méér lief dan mezelve…. En nu is Elze tweemaal dood; want eerst heeft zij het Leven overwonnen, en nu heeft het Leven háár overwonnen.
—Ge zijt een heilige! sprak de oude man. Nu zal de vrede in u komen, van een die géén begeerte meer heeft.
En zoo was het.
DE WATERMOLEN. WAT HET BEEKJE VERTELDE.
In een stil dal omringd door sombere pijnbosschen, lag een watermolen. Het waren niet alleen pijnbosschen, het waren ook lage eikestruiken, met hun rondgetande bladeren dicht bij elkaar schuilende; en wazige larixbosschen, waarin droomerig-blauw de ruimte tusschen de stammen wegdoezelde het duister in: vreemde, zwijgende bosschen, waar zelfs de wind geen toegang vond, en waar niets groeide dan de onbeweeglijke boomen, welker harde, bladerlooze takjes beneden aan de stammen in elkaar grepen, onontwarbare raadsels voor de oogen vormende.
Ook waren er alleenstaande dennen, hun takken uitgooiende waarheen ze wilden; hun groei gansch volbrengende zonder dat ze behoefden te vragen of ze hun buurman hinderden; in volle kracht opstrevende uit den met erica en heigras begroeiden grond; zich gevende zooals ze voelden dat ze moesten zijn; niet belemmerd in hun groei door hinderlijke nabijheid van natuurgenooten; die lucht en licht namen, daar waar zij, zoo ze hun vollen wasdom wilden bereiken, die lucht en dat licht noodig hadden. Ze waren weelderig, mooi en karaktervol, zooals al wat onbeperkte vrijheid rondom zich weet, en alleen streeft naar hoogste kracht van uiting.
Door het dal gleed een beekje.
Dat beekje bracht het donkere rad van den watermolen in beweging.
Het was er heel stil, en ver van de plaatsen waar menschen huizen hebben neergezet: veel huizen, dicht bijeen, waarin ze wonen, vlak bij elkaar, zoo min mogelijk vrijheid om zich heen hebbende.
Waar het beekje langs den molen gleed, lag een verweerde, steenen brug over hem heen, het dal met den molen verbindende.
Achter den molen, glooiden heuvels door larix-bosschen beklommen; en slingerend doorstreepte hen een door wagensporen getrokken pad, dat wagens met zakken vol tarwe en maïs naar den molen leidde.
Langs het beekje, tegen de glooiende oevers, groeiden bramen, distels en hooge grashalmen met gepluimde toppen, die wuifden en bogen als de wind hen even streelde.
Bij de verweerde, steenen brug, die een boog welfde over het beekje, groeiden sierlijke brandnetels.
De menschen houden niet van de brandnetels, nu.
Maar de lieve God, toen hij de wereld had geschapen, en al de planten en boomen en bloemen er op, vond hen heel mooi.
En toen Hij de menschen had geschapen naar zijn beeld, wist Hij, dat de menschen hen ook mooi zouden vinden.
Om hen dus te beschermen voor de menschen, die begééren wat ze mooi vinden, gaf Hij den brandnetels een verdedigingsmiddel. Daarom kunnen ze nu ongestoord groeien; want ze branden, en verwonden de hand die zich naar hen uitstrekt.
Ongehinderd steken ze hun sierlijke bladeren naar alle kanten uit, en laten hun bloemen: blonde, geel-blonde bloemen, als fijne, ronde krullokken, luchtig hangen. Uitdagend staan ze te kijken; alsof ze wilden zeggen door hun houding: raak me eens aan als je durft!
De menschen, toen ze bemerkten dat de lieve God de brandnetels dus boven veel andere bloemen beschermde, zeiden om zich te troosten: dat de brandnetels leelijk waren.
De brandnetels zelf weten wel beter. Ze lachen heel zachtjes om de menschen, die zichzelf wijsmaken dat ze niet willen, als ze niet kunnen; en ze blijven onberoerd door onheilige aanraking wachten, tot de lieve God-zèlf hen plukt.
Langs het beekje stonden ze; en die het dichtst bij de steenen brug waren, vlijden zich sierlijk tegen haar aan. Zelfbewust hieven enkelen zich op tot boven den glooienden oever, in on-omkoopbare on-verwinbaarheid durvende.
En de brug, goedig, bleef roerloos liggen om haar plicht te doen, en het dal te verbinden met den watermolen.
Bij het molenrad, waar list het water van het beekje zoo opgevangen had, dat het om te kunnen ontsnappen eerst werk moest doen, groeiden wilde rozen. Hun geur hing over het klaterende water, dat zong bij 't werk doen, en verspreidde zich om den molen, als een teedere vriendelijkheid. Hun overhangende takken tipten nu en dan even in 't water, en werden dartel bespat met wegschietende dropjes. Met hun fijne meeldraden hielden ze die dropjes een poosje vast, ze dragende als edelsteenen. Als het zonlicht dan tusschen de takken kroop, deed het de druppels schitteren en kleurvonken; dronk hen daarna in, en verspreidde hen later als onzichtbaren, van rozegeur doortrokken damp in het dal.
De wilde rozen en de brandnetels konden elkaar niet zien; want de brug lag tusschen hen. De rozen waren nieuwsgierig, en zonden menigmaal losse bloembladen naar de brandnetels. Maar de bloembladen bleven liggen op het brugje, of vielen in de beek; en wat ze zagen, vertelden ze niet aan den rozestruik; maar dat namen ze mee in hun graf: de zwijgende aarde.
De brandnetels waren niet zoo nieuwsgierig, omdat ze aan zichzelf, en aan de bizondere plaats die ze onder de planten bekleedden genoeg hadden, en gansch vervuld waren met de gedachte daaraan.
Ze zagen zichzelven in 't klare water, wetende hoe mooi ze zich teekenden tegen het grijs-roode brugje, en schudden hun geel-blonde krullokken, met een air van meerderheid neerziende op stekelige distels met paars-roode bloemtoppen, die er uitzagen alsof ze 't niet konden helpen, en zich nu maar gaven zooals ze waren, hun rechte, vorm-looze bloemblaadjes opstekend zonder pretentie van mooi-doen.
Bij de brug stonden drie boomen. Een sterke, rechte populier in 't midden, en twee gebogen wilgen aan weerszijden. De twee gebogen wilgen wendden zich van den rechten peppel af, of ze hem alleen wilden laten….
Bij het zwarte molenrad was het altijd schemerdonker.
Boven de wilde rozen uit stonden eenige dennen, den rozestruiken plaats inruimende laag bij hun stammen, maar van uit de hoogte schaduw leggende over het rad en een gedeelte van den molen. Daardoor kon men in het dal het molenrad niet zien; alleen hooren.
Eentonig suisde het weg door het dal, als het geluid van een watervalletje dichtbij gevende.
Het suisde rust en vrede door het dal, stil-ijverig doorwerkende, dagen en nachten, zomers en winters, als het in beweging was gezet.
Want de vorst, hoe machtig ook, kon het dartele beekje niet stremmen. Telkens ontsnapte het aan de boeien, die het nauwer en nauwer insloten en huppelde langs de bevroren kanten of langs de schitterende sneeuw, ijverig zijn werk doende, hoewel de heele natuur rustte rondom.
Alleen de altijd groene dennen zeiden: wij storen ons óók niet aan den winter; net als jij!
En het beekje vertelde dan korte, stoute vertelseltjes aan de dennen, vol lachjes van ingehouden pret, en spotte met den witten wintervorst, die geen macht over hem had.
Dan lachten de anders sombere dennen mee, en dan schudde de zware laag sneeuw-diamanten op hun neerhangende takken, die met moeite de vracht vasthielden. En de maan, de klare, strakke winter-maan lachte ook, als ze de zon, die altijd vroolijk is, kwam vervangen.
Alleen als de zon en de maan wegbleven, stonden de dennen vreemd in den mist, en werden triest. Dan zwollen aan hun donkere naaldtakken zware, dikke tranen, en vielen eentonig in 't korte gras dat in winterslaap kwijnde.
Maar het beekje werkte door, en gleed langs de kale oevers, waar de bloemen dood waren, in vroolijken ijver. Het gleed door het dal, langs de denne-bosschen, die zacht van de lente zongen, blij dat ze groen mochten blijven. Het gleed verder langs de plaatsen waar menschen wonen, dicht bijeen, en vertelde, wat menschen niet verstaan … mééstal niet. Het vertelde van den witten man die in den molen woonde, en van de stille vrouw, en van het blonde kindje, dat het zoo liefhad om haar zon-lokken en hemel-oogen.
Het vertelde dat het zoo gaarne langs den molen stroomde nu, en daar gewillig werkte voor het blonde meisje, met liefde doende, wat het als plicht was opgelegd. Het vertelde maar al dóór, al dóór, omdat het niet zwijgen kòn, van het beeld dat het opgenomen had in zijn rimpelig vlak, dicht bij 't molenrad, waar 't water rustig gleed, moe van 't werk-doen.
Het vertelde van de kleine handjes, die bij het donkere rad de weg-spattende dropjes trachtten te grijpen, en te houden, evenals de wilde rozen, die dan lief toezagen, of ze dachten, dat een van hun zusjes daar stond. Want roze, zacht-roze was het blonde kind, en teer, en fijn als blaadjes van wilde rozen. En haar oogen, groote sprookjes-oogen, keken evenals de wilde rozen, wijd open, toe. En haar lachje parelde als de weg-schietende dropjes van 't zilver-water wevende molenrad.
Vóór het blonde kind op den molen was gebracht, mopperde het beekje wel eens, over het werk, dat het gedwongen doen moest. Toen was op een lentedag het blonde kind gekomen om toe te zien. De stille, bleeke vrouw, die in den molen woonde, hield het op den arm; en het had op haar hoofdje een wit mutsje, waaruit rond het kopje keek, met de groote blauwe vraag-oogen, en het kleine, roode mondje, nog niet vast gesloten. Het stak de armpjes uit naar het molenrad, kraaiende van pret om het zilveren gewar dat het zwarte rad omwoelde. Na dien tijd deed het beekje zoo gaarne zijn werk, als belooning de blij-lieve verschijning van het kleine meisje nemende. Telkens als het beekje het meisje weer zag, was het iets grooter geworden. Als het kwam, deed het groote rad zijn best, en weefde mooi zijn glanzende wazen, die even bleven, en dan braken, en spatte glinster-droppels naar het kind met de sprookjes-oogen. En 't beekje, tevreden, liet met zich sollen, en gleed weg, het dal in, en vertelde, vertelde van het blonde kind, aan de brandnetels, aan de distels en de braamstruiken, en aan de hooge, gepluimde gras-halmen, die bogen als de wind hen even streelde. En de witte bloemen van de bramen, wijze, zachte, bescheiden bloemen, die wel wisten dat ze er alleen waren om vruchten te geven, zeiden het bedaard-weg aan het kortere gras, hoog op den gloeienden oeverkant, waarheen ze hun ranken vlijden, voluit-licht en zon zoekende.
En het korte gras vertelde het aan de erica, wier verdienste te veel bekend was, dan dat ze door onnoodige drukte de aandacht hoefde te trekken. Ze wist wel, dat een korten tijd van 't jaar er niets mooiers was dan zij; en dat vond ze genoeg. Ze sloot zich dicht aaneen met haar broers en zusters, om door vereende krachten nog hooger schoon te bereiken, van zacht-paarse weelde, die wijd uitlag, stil en onbewogen, wetende dat 't zoo goed was. De erica vertelde het met een klein airtje van stijf-deftigheid aan de eenvoudige gele brem, die toch ook haar best deed; en die dacht er over. Ze probeerde even over de erica heen te kijken, om het blonde kind te zien. De blauwe klokjes, hier en daar gebogen luisterend tusschen het gras, hoorden het vanzelf; en ze bengelden heen en weer op hun dunne, van boven even omgebogen stengeltjes, om de aandacht te trekken als het kindje komen zou in het dal.
Ook de lage eiken, struik-eiken, die als broedende vogels langs het dal zaten, hoorden het. Ze wierpen hun blader-takken over en onder elkaar, en breidden ze, waar ruimte was, ver over den grond uit, een beetje lui lijkende. Ze hielden 't verhaaltje tusschen hun rond-getande bladeren vast, waar 't bleef hangen. Dan nog hoorden het de droomerige larixen, en bepeinsden het tusschen hun blauwe ruimte, niet goed begrijpende. Ook vertelde de erica het in een mededeelzame bui aan de donkere dennen, die het zongen in hun kruinen, en aan de hooge eiken, die het wijs, als sterke mannen, die 't leven kennen, niet verder zeiden.
Ook hoorden het de blank-grijs beplekte berken, met hun bladeren als vallende tranen, alleen, of in groepjes bij elkaar staande: ranke, slanke vrouwen lijkende, een beetje geneigd tot treuren. Ze lispelden het in hun licht-bewogen loover, niet zeker van vreugde; tè gevoelvol; tè angstig.
Zoo wist weldra het gansche dal van het blonde kind; en zoo ver de boomstammen droegen, hoorden de wijkende bosschen het verhaaltje in vage klanken, en vingen 't op, en zongen 't ook, telkens vager.
Toen het winter werd, zag het beekje een langen tijd het blonde kind niet. En onwillig deed het weer zijn werk, kortjes mopperend over 't zware molenrad heen. Het zag wel den witten man, die in den molen woonde, juist als in den zomer met zijn knechts zakken in den molen dragen, die op wagens, met breede, dampende paarden er voor, gebracht werden. Het zag hem soms, als er geen werk was, en 't rad rusten mocht, op het verweerde brugje staan bij de drie boomen, het dal inziende, dat loom te wachten lei; maar de bleeke vrouw met het blonde kind zag het niet.
En het steenen brugje welfde dan vreemd over 't beekje, ijl in de dunne lucht, haar vrienden, de brandnetels missende.
En traag gleed het beekje dan heen.
Op den eersten zachten lentedag kwam de stille vrouw weer, het blonde meisje aan de hand houdende, dat nu liep. Het had nog dezelfde verbaasde vraag-oogen, en hetzelfde zon-haar; maar diep-in begonnen de oogen te raden….
Alle mooie dagen kwam de vrouw buiten, aan haar hand het teer-blonde kind, en in haar oogen, zachte, moede oogen vol droeve liefde, weemoed die vèr weg zag, en wist van spoedig heengaan.
Zoo gingen vele zomers en winters voorbij; en altijd grooter werd 't blonde meisje, en altijd dieper haar sprookjes-oogen: blauw, met donkere stralen.
De bleeke vrouw kwam niet meer buiten. Ze was er de laatste maal geweest, vroeg in de lente, en had toen geschreid, zóó, dat het blonde meisje zich angstig aan haar vastklemde, en ook schreide, en "Moedertje … moedertje!" snikte.
Daarna was de vrouw niet meer gekomen, en kwam het kleine meisje alleen. Hoeveel zomers het meisje nu op den molen was, wist het beekje niet precies; maar het was nu zoo hoog als het molenrad, en heel teer roze-wit in haar donkerblauw kleedje, waarover haar zon-lokken golfden.
Ze kwam dikwijls zitten aan den voet van de dennen, tusschen de wilde rozen, en zag met de rozen het klaterend gewentel aan, haar knietjes opgetrokken en haar armen daaromheen geslagen. Ze luisterde met de wilde rozen, haar hoofdje leunend tegen een dennestam, naar de liedjes die het beekje voor haar zong; en 't was dan, of haar oogen àl dieper, àl dieper werden, en verhaaltjes vertelden.
Maar op een grijzen najaarsdag kwamen veel zwarte mannen door het dal, en het brugje over naar den molen. Toen ze heengingen, droegen ze een zwarte kist en liepen het dal weer in, langzaam, héél langzaam…. De witte man die in den molen woonde, ging ook mee; en 't beekje, dat geen werk behoefde te doen dien dag, zag, hoe hard nu zijn gezicht was, met die stijf op elkaar geknepen lippen en strakke oogen. En het beekje stroomde ook het dal in, mee met den donkeren stoet, niet begrijpende, zachtjes vragende en klagende.
Lang duurde het, vóór het blonde meisje weer kwam bij het molenrad; en toen het kwam, eindelijk, in een stillen schemeravond, en evenals vroeger onder de dennen neerhurkte, zag het beekje, dat de blauwe oogen nòg dieper, nòg donkerder waren geworden, en al maar vráágden, zonder te zien. De wilde rozestruiken tikten tegen haar teer-bleeke wangen, en het rad deed zijn best, en weefde nu donkere wazen in den schemer, die alles omhulde, en spatte heldere droppels, die als groote tranen op het donkere kleedje lagen.
Doodstil bleef het blonde meisje zitten; totdat het beekje haar vreemde oogen niet meer kon zien. Toen kwam, met donkere stem, de witte man het roepen, en het ging.
En het zware rad klaterde voort in den starre-nacht als vroeger, en het beekje gleed voort langs de gelende braamstruiken. De bleeke, stille vrouw kwam nooit weer; en het blonde meisje kwam alleen tegen den avond onder de dennen, met haar vreemde oogen, die vertèlden.
Toen kwam weer de winter; en het meisje bleef weg. Vroeg in 't voorjaar zag het beekje haar weer. Haar kleertjes waren nu langer, en hingen bijna tot op haar voeten. Ze droeg een donker lint om haar zon-lokken, en hield een groot boek onder den arm.
Onder de dennen keek ze eerst rond, of ze vreesde gezien te worden. Toen kuste ze het boek, keek weer rond, ging zitten onder de dennen, sloeg het boek open, en las.
En het zwarte rad wond rond zijn blinkende water-webben, en het beekje gleed glanzend het dal in, waar de eerste bloempjes verlegen rondzagen in 't leven.
En het rad wierp heldere droppels op de knoppende rozestruiken, en op 't blauwe kleedje van 't blonde meisje, dat àl maar las, langzaam nog en met moeite, maar diep-ernstig haar blauwe oogen over het boek met sprookjes.
Als ze even opzag om te denken, las het beekje in haar oogen wat zij gelezen had. Dan lag het boek op haar knieën, en volgden haar oogen het rad, zonder te zien; en dan was een lachje om haar lippen en licht in haar oogen. Dan las het beekje uit haar oogen veel moois en veel liefs, en vertelde haar, totdat ze luisterde, zijn eigen vertelsels. Met het blonde hoofdje aan den boom geleund, luisterde ze toe, licht in haar oogen, glans op haar zacht-bleek gezicht.
Later vertelde zij hardop het beekje mooie verhaaltjes, die ze zelf verzon, van prinsen, prinsessen, elfen en kabouters. Ze zei tegen het beekje, dat kleine aardmannetjes het molenrad draaiden. Toen werd het beekje boos, omdat het wel beter wist. Maar het blonde meisje vertelde voort, zóó mooi, dat het beekje er op 't laatst ook plezier in kreeg, en net deed, of hij 't geloofde van de aardmannetjes.
Den witten man zag het niet veel meer; alleen als er wagens met zakken moesten worden opgeladen, of leeg gedragen.
Zoo werd het zomer; en het blonde meisje ging over het brugje het dal in. Ze voelde wel dat alles haar kende daar. Het gras, dat haar voetjes streelde, de erica die haar kleedje vast wilde houden, de blauwe klokjes die "welkom" riepen, alles was haar zoo lief-bekend.
De vertrouwelijke struik-eiken riepen: Rust bij ons!
De hooge dennen zongen: Bij ons!… en het blonde kind zag op naar de blauwe lucht met blanke wolken, en voelde de liefde die haar omringde.
Dit had het beekje gedaan.
Toen ze terugkeerde naar den molen, zag ze bij de brug de brandnetels staan, die even, stijfjes, bogen, en die, toen ze zagen dat het meisje hen bleef aanstaren, hun sierlijkste houding aannamen. Zij vond de brandnetels heel mooi, zooals ze daar schuin over 't beekje hingen; maar ze voelde niet de begeerte in zich opkomen, hen te plukken. Haar sprookjesboek had haar geleerd, dat bloemen en planten denken, lijden kunnen, en pijn voelen. Ze had niet de begeerte om te willen hebben wat mooi is. Ze had er een stillen eerbied voor, als voor den lieven God-zelf die het gemaakt had; en ze voelde dat zij geen leven mocht verkorten, dat Hij wilde laten voortduren.
De wilde rozestruik stond in vollen bloei, en de zomer lag warm in het dal, toen het blonde kind weer met haar sprookjesboek bij 't molenrad zat. Ze kon nu vlot lezen, en nam het sprookjesboek alleen uit gewoonte mee; want ze kende het van buiten. Ze kwam luisteren naar de vertelseltjes, die 't beekje haar verhaalde. Heel stil luisterde ze; dan, bij 't eentonig geklater, dat haar lief, droomerig stemmetje begeleidde, verhaalde ze zelf, zoo voor zich heen, zich zeker alleen wanende, wat er in haar eigen hoofdje aan mooie, wondere dingen rond-dwaalden.
Toen ze, heen willende gaan, de rozenstruiken wat terzijde boog, zag ze in 't korte gras, aan de overzijde van 't beekje, tegen den glooienden oever aan … den prins … uit haar sprookjesboek. Hij lag languit in 't gras, en hield de oogen gesloten zooals ze dacht; maar in waarheid keek hij tusschen zijn wimpers door naar het blonde meisje met haar wit-roze gezichtje, zich niet bewegende uit vrees haar anders te zullen verjagen. Het was zóó iets wonderlijk liefs, dat blonde kind in haar effen blauw kleedje, waarover de gouden haren languit golfden, tusschen de wilde rozen uitkijkende, dat hij eerst dacht te droomen en zich doodstil hield. Zij bleef hem met haar diepe sprookjes-oogen aanzien, als iets heel natuurlijks; en teer-roze blaadjes lieten los van den rozenstruik, en zweefden naar 't beekje, dat hen meenam, het dal in.
De prins droeg een zwart fluweelen buisje; zijn hoed, een gewone, wit-strooien hoed, helaas! zonder veeren, lag in 't gras; en zijn armen waren gevouwen achter zijn hoofd, als hoofdkussen.
Al een heele poos had hij daar gelegen, gelokt door 't vredige geruisch van 't molenrad, eerst niets hoorende dan dat. Toen, als iets wonderlijks, het stemmetje, vol gevoel, vertellende.
Hij had niet durven kijken, niet precies kunnen nagaan, waar het stemmetje vandaan kwam, tot opeens de rozenstruiken opzij bogen, en het blonde meisje omlijstten, dat hem nog altijd aanzag.
Langzaam opende de prins de oogen: zachte, vriendelijke oogen, in een droefgeestig gezicht. Het meisje liet den rozenstruik los, die nu tusschen hem en haar dicht sloeg.
Hij sloot weer half de oogen, en bleef stil liggen.
Toen kwam het blonde meisje achter de dennen vandaan, voorzichtigjes, zachtjes als een schuw vogeltje, dat toch nieuwsgierig is. Ze nam afgevallen rozeblaadjes in haar hand, en gooide ze in de beek, doende alsof ze hem niet zag. Het sprookjesboek hield ze vast; en af en toe dwaalden haar groot-open vraag-oogen naar den prins, die de zijne nog altijd half dicht hield en zich niet bewoog.
En het molenrad achter de rozen zong, en weefde zilveren waden, en het meisje vond dit alles heel natuurlijk, dat het zoo was.
—Wat lees je? vroeg eindelijk de prins.
Het kind hief met beide handen het boek in de hoogte; en hij las, zijn oogen nu geheel openend:
—Sprookjes?
—Ja. Jij bent zeker een prins?
Een bleek lachje gleed over het ernstige gezicht van den prins.
—Ja; zei hij.
Hij was een prins, behoorende tot de uitverkorenen, die heersenen zullen, als de lieve God hen laat leven tot ze koning worden: koning over de zielen der menschen, heerschende door het schoone woord, dat doet buigen voor wien het voert als schepter, het hóóg houdende.
—Dat dacht ik dadelijk! Je hebt zeker al veel ondervonden. Ben je al eens betooverd geweest?
—Ja; zei de prins, en hij jokte niet.
—Vertel eens!
Het wonder-teere figuurtje ging tegenover hem zitten, op den glooienden oever; en de blauwe straal-oogen zagen in diepe verwachting naar het gezicht van den prins.
Hij sloot weer de oogen.
—Even denken, wat ik je vertellen zal.
Na een poos hief hij zich op; en half zittende, half leunende in 't gras, verzon hij een sprookje. Het blonde meisje had de handen gevouwen in haar schoot en zag tot hem op. Zachtjes was ze afgegleden tot bij het beekje, dat nu bijna haar voetjes aanraakte. Haar adem hield ze soms in … dan weer zuchtte ze diep; en haar luisterende oogen schenen haast te groot voor het teere gezichtje. Haar mondje, half open, luisterde mee.
Toen de jonge man eindigde, zuchtte ze weer. Ze zei niets; maar haar oogen vertelden, hoe mooi ze 't had gevonden.
Eindelijk zei ze, toen de prins bleef zwijgen, haar even-lachend aanziende:
—Je woont zeker in een kasteel?
—Ja; zei de prins.
Hij woonde in een hoog kasteel, met sterke muren, en een diepe gracht er omheen. Niemand kon hem bereiken, tenzij hij zelfde ophaalbrug neerliet, en vergunde tot hem te komen. Dat mochten maar heel weinigen; want de prins kende de menschen, en wist hoe weinigen maar waard waren, binnen te treden in het hooge kasteel, dat trotsch op hen neerzag, trotsch omdat het verborg een mooie, hoog-zoekende ziel, die leefde van schoonheid alleen.
—Neem mij eens mee naar je kasteel! zei het kind.
—Misschien; later…. Woon jij hier?
—In den molen?… Ja … eigenlijk niet! Zie je, ik woon er wel: ik slaap er en eet en drink er, en doe er mijn werk; maar dat doen mijn handen, en mijn oogen, en mijn mond. Ik dènk altijd ergens anders.
—Je woont hier toch niet alléén, wel?
—Neen … mijn vader nog.
De jonge man vroeg niet verder; hij begreep. Hij zag het beekje weg-glijden en hoorde het molenrad klateren en voelde medelijden in zich komen.
—Ben je veel alleen?
—Ja; haast altijd. Vader heeft altijd druk werk, en de knechts ook…. En dan … ze mógen me niet graag; ze noemen me prinsesje…. Ze denken dat ik trotsch ben … maar, dàt is het niet!
—Wie heeft je lezen geleerd?
De mooie, heldere oogen zagen hem aan … en in hun diepten smeekte het.
De prins begreep. Hij begreep veel, omdat hij zelf veel geleden had. Hij voelde, waarom het kind niet antwoordde, en waarom er nu een stroeve trek om haar mondje kwam.
—Lees je veel? vroeg hij verder.
—Neen, ik heb maar één boek. Dat is nog van háár, en ik ken het heelemaal van buiten. Maar het molenrad vertelt me verhaaltjes. Dat denkt het tenminste, want eigenlijk maak ik ze zelf. En ik vertel het beekje ook wel eens wat.
—Dat heb ik daareven gehoord. Het was heel mooi!
—Verhaaltjes zijn altijd mooi…. Heb je wel eens kabouters gezien? Die zitten hier 's avonds bij 't brugje, in de schaduw. Je kunt dan hun oogen zien glinsteren in 't donker, als ze kijken naar de elfen die in 't maanlicht over 't beekje zweven. Elfen komen alleen in 't licht: in 't maanlicht. O! ze zijn zoo mooi! Ze dansen, met bloemen en kransen. Ze zijn wazig-wit gekleed, met haren die glanzen; en ze zingen … soms heel treurig … meestal wel treurig … maar dat is juist zoo mooi!… Wanneer neem je me mee naar je kasteel?
—Ik weet het nog niet. Ik kan er nu niet komen.
Tot zijn eigen verwondering sprak de jonge man tot het kind als tot een gelijke.
—Waarom niet? vroeg ze.
—Ik heb den sleutel van het kasteel verloren, en kan hem niet terug vinden…. Ik kan nu ook niet zoeken.
—Waarom niet?
—Omdat ik ziek ben en hier eerst gezond moet worden.
—Hier?
—Neen, in 't dorp, achter de bosschen.
Het kind dacht na.
—Weten ze in 't dorp, dat je een prins bent? vroeg ze.
—Neen.
—Weet ik het dan alleen?
—Velen gelooven het niet!
—Zoo; ik zag het dadelijk! Je ziet er uit als een prins!
—Waarom?
—Je hebt het gezicht van een prins!… Ben je erg ziek?
—Ik weet het zelf niet. Misschien wel.
—Zou het mogelijk zijn dat je dood ging?
—Ik weet het niet…. Misschien wel.
—Vóórdat je weer in je kasteel bent?
—Misschien wel!
Allerlei indrukken volgden elkaar op, in het gezichtje van het kind: angst, droefheid, verwondering, en eindelijk een geheimzinnige blijheid. Ze boog zich zoo ver ze kon voorover, en zei zacht, met hoopvolle oogen: