The Project Gutenberg eBook of Van Toledo naar Granada
Title: Van Toledo naar Granada
Author: Jane Dieulafoy
Release date: November 28, 2004 [eBook #14198]
Most recently updated: December 18, 2020
Language: Dutch
Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the PG Distributed Proofreaders Team
Van Toledo naar Granada.
Naar het Fransch van Mevr. Jane Dieulafoy.
De synagoge Santa Maria la Blanca in Toledo.
I.
De aanblik van Castilië.—De rondtrekkende kudden.—De Mesta.—De Taag en haar dichters.—De Cuesta del Carmel.—De Cristo de la Luz.—De hydraulische machine van Juanilo Turriano.—De Zocodover.—Oude paleizen en antieke synagogen.—De Joden van Toledo.—Een herinnering aan de overstrooming van de Taag.
|
Castiliaansche schoone. |
“Van Madrid naar Toledo,” schrijft een spaansch schrijver uit de 18de eeuw, “leidt een volkomen vlakke weg.”
Hoe waar is dat nog steeds, en wat is die weg somber en eentonig, die zich tusschen de hoofdstad van het moderne Spanje en de oude hoofdstad van het westgothisch rijk uitstrekt! Nauwelijks heeft men de huizen van Madrid, die amphitheatersgewijs gerangschikt zijn boven den blauwen halven cirkel van de Guadarramaketen, uit het gezicht verloren, of men betreedt een streek zoo verlaten, dat ze iemand een huivering bezorgt.
Boven zich ziet men den hemel onverstoorbaar blauw, en beneden strekt zich eene eentonige, grijze vlakte uit, bezaaid met sprieten van een harde grassoort, en hier en daar de asch van het stroo, dat terstond na den oogst verbrand wordt. De zeer weinige dorpen, waarvan de hutten gebouwd zijn van aarde of van steenen, die de kleur van den grond hebben, zijn haast niet te onderscheiden. Men zou ze heelemaal niet zien, wanneer niet enkele boomen een mager bouquetje van groen deden oprijzen rondom de armoedige plaatsjes. Als men door de kale vlakte gaat, komt men tot de overtuiging, dat de bevelen van den Raad van Castilië, waarbij aan elken dorpsbewoner de plicht werd opgelegd, minstens vijf boomen per jaar te planten, wel slecht werden opgevolgd.
De oorsprong van die antieke verordening klimt seker wel op tot een periode uit het grijs verleden. Bladzijde 370Zou zij mogelijk nog in verband staan met zekere oude wetten van den godsdienst, waarbij het aanplanten van boomen, het ontginnen van woeste gronden en het telen van vee behoorden tot de vrome werken, door Ormuzd, den god van het oude Perzië, bevolen en gezegend? De Arabieren hadden zich in hun omzwervingen te zeer gemengd onder de volken, die ze onderworpen hadden, en de Perzen hadden door hun wetenschap, hun intelligentie en hun kunstzin te veel indruk op hen gemaakt, dan dat zij aan dien invloed konden zijn ontsnapt. Moet men zich erover verbazen, als ze aan dat volk hun wetten ontleenden en de daar heerschende overleveringen meebrachten naar Spanje, wetten, die de Christenen na de verdrijving van den erfvijand wijs genoeg waren te behouden? Wat zou het te wenschen zijn geweest, dat ze de bepalingen onveranderd hadden gelaten, die den akkerbouw regelden; de helft van Spanje zou niet onvruchtbaar en dor zijn zooals tegenwoordig.
Hoe het zij, men behoeft geen moeite te doen, boomen te zoeken tusschen Madrid en Toledo. Men zou er zijn oogen vruchteloos bij inspannen en er zijn geduld bij verliezen.
Zeker, de Castiliaan houdt wel van schaduw, die de hitte van de gloeiende zon tempert; maar hij houdt meer van de graankorrels, die opgegeten zouden worden door de vogels, nestelend in het gebladerte der boomen. Wat kan den landman het gekweel der vogels schelen, van die beeldige bouquetjes van vederen, zooals Calderon ze zoo aardig noemt, als hij denkt aan den oogst, dien hij heeft gezaaid, gewied en ingehaald met zwaren, noesten arbeid! Enkel de nachtegaal en de zwaluw vinden genade in zijn oogen, maar alleen omdat ze insecten verdelgen en de insecten verderfelijk zijn voor den oogst. De Castiliaan is arm; hij heeft slechts te kiezen tusschen het eene of het andere kwaad!
Als vergoeding mogelijk is Castilië rijk aan historische en legendarische herinneringen.
Te Esquivias zal men niet nalaten, zich het huwelijk en het langdurige verblijf van Cervantes ter plaatse te herinneren; iets verder zal men zich de schaduw van den ridder van de droevige figuur voor den geest roepen, die van Sancho Pansa en zelfs die van Dulcinea, wier geboortedorp het in de onmiddellijke nabijheid gelegen Toboso was. Al wat in die geschiedenis voorkomt, heeft sporen nagelaten in het land, en tot Rossinante toe, tot het rijdier van Sancho Pansa, tot de kudden; waar de Ridder op aan viel, hebben een talrijke nakomelingschap gekregen in magere paarden, domme ezels en langharige merinosschapen. Wie zou eraan durven twijfelen? Om zoo’n ongeloovigen Thomas te straffen, zou het nog niet eens voldoende zijn, dat men de Inquisitie weer in het leven riep.
Het is niet de eerste keer, dat ik die rondzwervende kudden aantref, die al sedert oude tijden van de eene naar de andere weide trekken van het eene eind van Spanje naar het andere, al naar de wisselende seizoenen. Ze zijn niet van heden of gisteren, die zwervende kolonies, geleid door herders te paard en gehoed door halfwilde honden, alle planten wegvretend van den grond en dien daardoor onvruchtbaar houdend, terwijl ze hem onder hun voeten treden.
Millioenen schapen in het bezit van een soort van genootschap, bekend onder den naam van Mesta en waartoe de grootste heeren en de abten van de rijkste kloosters behoorden, lieten zich in de lente en den herfst in sommige streken neer, waar hun korte, gretige tanden weldra elk grassprietje hadden afgegraasd. Er waren bepaalde privileges aan het genootschap toegekend, waardoor de omzwervingen begunstigd werden, en de Mesta werd zelfs zoo machtig, en kon zoo autoritair optreden, dat het durfde verbieden, bepaalde vruchtbare landen te bebouwen, om er overvloedige weidegronden te behouden.
En terwijl de herders, die zoo in bescherming werden genomen, al stoutmoediger werden, verloor de onderdrukte boer allen moed, want niets beschermde hem tegen een gevreesden inval van den vijand. Het zou hem niets geholpen hebben, had hij zich beklaagd over de door de kudden aangerichte verwoestingen, kudden, die toebehoorden aan de edele heeren van Santiago of Calatrava, of dat hij zich verdedigde tegen de veertig duizend tot den ongehuwden staat veroordeelde herders, daar de eischen van het nomadenleven hun niet toestonden te trouwen, en die vaak nog veel woester en boosaardiger waren dan hun honden! Zonder hoop en zonder ergens een toevlucht te kunnen vinden, liet de boer zijn ploeg in den steek en verliet het ouderlijk dak. Het was dan nog beter tot landverhuizing zijn toevlucht te nemen, naar de Nieuwe Wereld te gaan, die fabelachtige streken op te zoeken, waar men het goud met de spade opschepte; waar men niets wist van de onderdrukking door de groote grondbezitters, van den dwang tot arbeid, uitgaande van de kloosterorden, en vooral niet van de schapen! In de Middeleeuwen was het zachte, lieve schaapje een plaag, nog veel erger dan de sprinkhanen; het moderne Spanje gaat nog onder de gevolgen gebukt. De boer keert nooit terug naar den grond, die hem is lief geweest, als hij eenmaal zijn hart en zijn krachtige armen ervan heeft losgemaakt. Bij hem is een dergelijk besluit onherroepelijk.
Zoodat terwijl oudtijds de oevers van de Guadiana bezaaid waren met steden en groote dorpen, die een bloeiend aanzien hadden, men er tegenwoordig slechts ruïnen ziet of armoedige dorpjes, gebouwd rondom een kerk, die driemaal te groot is voor de luie en verarmde bevolking. Van eeuw tot eeuw zijn de moedigsten en sterksten van elke generatie heengegaan, om Zuid-Amerika of de Philippijnen te bevolken, en de beste qualiteiten zijn erdoor in de verdrukking gekomen.
Sedert 1835 zijn de voorrechten van de Mesta afgeschaft, en de rondtrekkende kudden mogen zich nu slechts bewegen over een oppervlakte ter breedte van tachtig meter; maar het gaat niet in een paar dagen, dat een zoo ingewortelde kwaal wijkt voor een zoo laat toegediend geneesmiddel, en er zullen nog eeuwen verloopen, eer de Castiliaan weer smaak krijgt in den landbouw. Ernstig, statig en somber en onverschillig, zal hij nog langen tijd de zorg voor het bebouwen van zijn velden overlaten aan de Galiciërs, de bewoners der Balearen, of van de Bladzijde 371Baskische Provinciën, die op zijn kosten leven. Hij zal er de voorkeur aan geven, honger te lijden in alle vormen, door de etiquette gewild, dan van de gewoonte af te wijken, door werk te doen, dat voor dienenden is en dat een hidalgo onwaardig is.
Dat alles komt van dat domme schaap; het is niet te ontkennen, dat het beest wat op zijn rekening heeft! Zijn wol alleen pleit voor hem en bezorgt hem mogelijk vergiffenis; maar zijn côteletten! O wee, men moet eens in Spanje hebben gereisd, om voor eeuwig er genoeg van te hebben.
Daar is de Taag; een krans van donker groen wijst aan, waar de rivier stroomt. Het is een kalme rivier tusschen groene populieren, en zij vloeit zoo slaperig, dat noch de boomen haar hooren passeeren, noch het zand iets van haar voorbijgaan bespeurt. In haar stille rust waarschuwen haar de vroolijke nachtegalen met luider stem, dat de zon is opgegaan, en dat zij ook wakker worden moet. Tusschen het riet aan de oevers zegt de zoet voortvloeiende stroom niet, dat het water is ontwaakt, maar dat het althans bewegelijk is.
Om strijd hebben de dichters haar bezongen. Garcilaso de la Vega roept de grillige nimfen aan, die aan de oevers spelen, en zingt van de vier stroomgodinnen, door de Taag bemind, die te zamen er op uit gingen. Op deze nimfen doelt ook Cervantes, als hij gewaagt van de schoonheden, die het kristalheldere water tot woning hebben gekozen en zich op de groene weide neerzetten, om met haar vlugge vingers kostbare stoffen te weven, waarin zijde, parelen en goud gemengd zijn.
Op zijn beurt ondergaat Moratin de bekoring van de golfjes der Taag en hij viert ze in idyllen, waar Theocritus, noch Virgilius zich voor zouden moeten schamen; maar niemand heeft beter den statigen stroom gehuldigd, zooals hij aan het einde van zijn tocht is gekomen dan de onsterfelijke dichter van de Lusiade. De Taag is niet enkel voor hem de klare stroom, waarmee de helden uit zijn herderszangen dwepen, neen, zij is de epische, de heilige rivier, een soort van bezielende godin.
“Muzen van de Taag,” zegt hij “die mij van mijn prille jonkheid af met uw adem hebt bezield, indien ik altijd in landelijke zangen de schoonheid van uw rivier heb gevierd, wilt mij dezen keer een verheven stijl verleenen, een statigen, indrukwekkenden toon.... Verleent mij de kracht tot het vinden van klanken, wier grootschheid, zoo mogelijk, evenaart de heldendaden, door uw krijgshaftig volk verricht.”
De Taag, die al lang geblaseerd is door den hyperbolischen lof der dichters, zet traag haar loop voort als een verouderde rivier, terwijl de spoorweg zich er van verwijdert en recht op Toledo aan rijdt. Gelukkig komt hij niet dicht bij de wallen der oude stad. Toen hij den spoorweg aanlegde, is de ingenieur daarvoor als voor iets heiligs teruggedeinsd. De reis wordt voortgezet of in een of ander ouderwetsch voertuig, van niet te beschrijven aard of in een grooten wagen met vele banken, al naar gelang er meer of minder reizigers zijn of dat ze meer of minder eerbied afdwingen. De zweepen klappen, de muildieren schoppen achteruit, de koetsiers vloeken en de stijging naar de stad der zeven heuvelen begint te midden van wolken stof, zoo dicht, dat de goden van den Olympus ze vurig zouden hebben begeerd, als het hun lustte, op de aarde neer te dalen. Helaas, wat zouden ze hier nu nog te doen hebben, nu ze zooveel reden hebben, om boos op ons te zijn!
Nog wat knarsend wielgeratel, en links verschijnt op de rotsen, waar ook niet het kleinste mosplantje groeit, de allerdecoratiefste ruïne, die men zich kan denken, juist geschikt, om de etsnaald van den kunstenaar aan het werk te zetten. Het is het oude kasteel van San Cervantes met zijn zware, onvriendelijke muren, waar de zon van tallooze zomers op heeft gebrand.
Nu rijst het nog boven de Taag op, maar vroeger verdedigde het de rivier. Een vertooning van oorlog en machtsbesef is het gebouw geweest, thans door den tijd gebroken.
Ook San Cervantes is door dichters bezongen.
“Gij, die u naast Toledo verheft, koning Alfonsus stichtte u aan de Taag. Er wordt verteld, dat gij ijzer steldet tegenover de houten oorlogswerktuigen van uwe vijanden.... En nu, nu staat gij daar veracht op die kale rots; uwe kasteelen, die u eertijds tot een kroon dienden, zijn thans zitplaatsen voor troepen kraaien en zien er uit als eenzame tanden in den mond van een grijsaard, zeggend, hoe oud hij wel is.
“Luister naar mij, gij stout kasteel, en volbreng, wat ik van u vraag, hoewel twee dozijn verzen juist geen belooning verdienen. Indien mijn geliefde, die boos is als de hel en schoon als de hemel, of beter nog gezegd, die trotsch is als de stad Toledo, uitgaat, om van de bloeiende amandelboomen te genieten, als zij dan van het water van de Taag een spiegel maakt voor haar schoonheid, stel haar dan uw ruïnen tot voorbeeld en vertel haar, zonder te spreken al die duizend dingen, die gij zoo goed weet....”
Het oude kasteel is niet alleen door dichters bezongen; zijn legenden en zijn histories van strijd en liefde, vol van ridderlijkheid, zijn gewijd door den romancero.
Koning Alfonsus had zich verwijderd aan de spits van een dapper leger en liet het opperbevel over Toledo over aan Bérangère, die door afkomst een der edelste vrouwen uit het rijk was, door huwelijk tot koningin was verheven en om hare schoonheid toch reeds souvereine was.
De Mooren, die er van onderricht waren, dat de stad door haar verdedigers verlaten was, snelden toe; maar vóór ze over de Taag trokken, moesten ze het kasteel veroveren, dat aan den ingang zich verhief.
Toen beklom de koningin een der torens van het Alcazar, en met verwoede oogen zag ze, welk gevaar het handjevol dapperen liep, dat in het fort was opgesloten en dat weldra onder de slagen der opdringende ongeloovigen zou bezwijken.
En daar komt tot de Mooren de heraut van koningin Bérangère. Zij laat op een toon van verwijt zeggen:
“Is het niet laf van u, een zoo zwakken vijand aan te vallen? Indien gij zoo dapper zijt, als gij de menschen wilt doen gelooven, gaat dan heen en valt koning Alfonsus aan, zijn echtgenoot en zijn christenen onder de muren van Carelië.” Bladzijde 372
De bevelhebber der Mooren was door dit verwijt vernederd, en hij wist, dat de koningin zeer schoon was.
“Laat dan boven van het meest nabijzijnde bolwerk Donna Bérangère ons haar gelaat ongesluierd vertoonen, en ik zal het beleg opheffen.”
Tegen zonsondergang verscheen de koningin en stond op het muurwerk met ongesluierd gelaat, omringd door haar jonkvrouwen in prachtige gewaden, schooner dan de opkomende maan te midden der eerste sterren, die aan den hemel schitteren.
|
Handelsstraat te Toledo. |
De Moorenvorst zag haar lang aan, en groette haar met de teekenen van den grootsten eerbied.
Bij het aanbreken van den morgen brak hij met de zijnen het beleg op van het kasteel en sloeg den weg naar Carelië in.
In den tijd van Lope de Vega was het oude kasteel, dat ongebruikt stond, zoo verlaten en eenzaam, dat personen van hoogen rang, die om eerezaken genoodzaakt waren te duelleeren, elkaar onder zijn muren rendez-vous geven. In het aardige blijspel, getiteld “Beminnen, zonder dat men weet wie”, moet de held van het stuk er tot getuige dienen in een van die duels, die in dien tijd zoo veelvuldig waren. Als het niet uit de mode was, zou men er nu nog wel, zonder vrees voor stoornis te moeten hebben, zulke tragische conflicten kunnen uitvechten.
Nadat wij een kudde buffels waren tegengekomen van zeer mooien bouw en zwart als de duivel, wel te verstaan, als de duivel zeer zwart is, reed mijn rijtuig over de brug van Alcantara, die aan beide zijden is afgesloten door twee versterkte poorten met het wapen van het huis Oostenrijk.
Van dit punt gezien, ziet de Taag er zeer dreigend uit, en in de diepte der kloof, waarin ze stroomt, schijnt de rivier de stad Toledo te omstrengelen, als om haar te verstikken, eerder dan om haar in liefhebbende armen op te nemen. Zonder twijfel heeft de eene of andere hemelsche Durandal die bedding in de rotsen uitgehold dwars door den berg heen en de steile rotsen boven het slijkerige water afgeslepen. Ik hef de oogen op, en daar omhoog staat op den top der rotsen, als een kostbaar juweel, gevat in ijzer, de stad der gothische concilies, de oude hoofdstad van Nieuw-Castilië. Onder de lompen van haar aziatische kleêren slaapt de sombere, kloosterachtige stad, juist als in de Middeleeuwen en dat op slechts twee uren afstands van het levende, vroolijke Madrid. Zulk een snelle reis door veertien eeuwen heen is verwarrend voor den geest, en een langdurig verblijf is noodig, om iemand van den schok te doen bekomen.
Als men de tweede poort is doorgegaan, en onder de waakzame oogen der douaneambtenaren is gepasseerd, komt men op een weg, die sterk helt en den naam draagt van Cuesta del Carmel. Het is de ontaarde zoon van een nog steileren weg, die dicht langs de kerk Cristo de la Luz, een zeer oud en eerwaardig monument, voorbij ging.
|
De Puerta del Sol. |
Het is ongeveer zeven eeuwen geleden, dat Alfonsus de dappere binnen Toledo verscheen, dat hij juist had bevrijd van het juk der ongeloovigen, en dat hij naast zich had den Cid Campeador. Toen werden Bladzijde 374de blikken der beide helden plotseling aangetrokken door een zacht licht. De wanden van het oude heiligdom hadden zich geopend, een hemelsche muziek liet zich hooren, en de lamp der christelijke kapel, die sedert 369 jaren niet opgehouden heeft te branden, ofschoon niemand zorg er voor heeft gedragen, schittert voor de verrukte oogen der zegevierende krijgers.
Alfonsus en de Cid stegen van hun paarden, knielden neer en gaven bevel, dat men in het aan den eeredienst teruggegeven heiligdom een heilige mis zou opdragen.
Bekoorlijke droom van vrome zielen. Daaraan heeft dit kleine gebouw zijn naam te danken van El Cristo de la Luz.
De bouwmeesters hebben druk beraadslaagd over de vraag, tot welken tijd men moet opklimmen om den datum vast te stellen van het oudste deel van de kapel. Enkelen van hen hebben er een uiting in willen zien van arabische kunst uit een zeer primitieve periode, ongeveer vallend in den tijd der sarraceensche verovering. Zij wilden er ook een prototype in zien van de vermaarde moskee van Cordova. Het vierkante grondplan, de zijbeuken met de ijzeren bogen en de zuilen van zeer grove bewerking kunnen wel tot steun dienen van hun theorie, maar geven daaromtrent toch geen zekerheid.
Er zijn nog zoo laat als 1871 frescoschilderingen ontdekt, voorstellend de heilige martelaren van Toledo, en waarschijnlijk afkomstig uit de twaalfde eeuw. Zij kwamen voor den dag door het vallen van brokken der kalklaag, die ze bedekte. Zij behooren thuis in een tijd, toen de Ridders van Sint-Jan op die door een wonder aangewezen plek een afdeeling van hun Orde stichtten. Ter aanvulling dient ook nog gesproken van de tweede kapel, gebouwd in 1842 door kardinaal Mendoza, en die eigenlijk zou moeten worden weggenomen, om aan het oude gebouw zijn oorspronkelijk karakter terug te geven.
Een weinig hooger dan Cristo de la Luz staat, trotsch en eenzaam als een triomfboog, de wondermooie Puerta del Sol. De steenen van die poort, die zoo lang door de zonnestralen zijn gebrand en verguld, lachen den reiziger toe. Wat is zij vaak in proza geprezen, in verzen bezongen en op allerlei manieren verheerlijkt! Zelfs de Taag zou reden kunnen hebben, daarop jaloersch te zijn.
Ik herinner mij, dat ik vroeger eens onder hare bogen ben doorgegaan. Tegenwoordig loopt de rijweg er langs, zeker opdat men de poort beter zou kunnen bewonderen, en mogelijk ook om een zachtere helling te geven aan een weg met een zeer druk karrenvervoer. Het is inderdaad altijd vol op de Cuesta del Carmel, en soms heeft men moeite, zich een weg te banen door de troepen ezels, die aan de rivier water gaan halen, want Toledo, dat op een rots is gebouwd, schijnt bijna even dorstig als de Manzanares zelf.
Het is niet sinds gisteren, dat men er van droomt, de zoete wateren van de geliefde Taag omhoog te voeren tot aan de lippen der stedelingen. Het gelukte reeds aan Karel IV. Daar hij altijd veel belang stelde in mechanica, en, zooals men zich zal herinneren, langen tijd ontstemd was, doordat een zeker aantal klokken niet juist gelijktijdig wilden slaan, belastte hij een ingenieur uit Cremona, Juanilo Turriano geheeten, met het oplossen van de vraag der watervoorziening. De Italiaan stelde een hydraulisch toestel samen, dat door de tijdgenooten met meer geestdrift wordt verheerlijkt, dan dat het met juistheid wordt beschreven. Alvarez de Colmenar, die in de vorige eeuw leefde, spreekt er over naar hooren zeggen, want het bestond niet meer in zijn tijd. Het schijnt een soort van besproeier te zijn geweest.
“De Machine van Juanilo bestond uit groote ijzeren vaten, die aan elkander bevestigd waren en een soort van ketting vormden, die van het kasteel naar de Taag afdaalde; het water kwam in den eersten binnen, werd dan in den tweeden gedreven door raderen en zoo achtereenvolgens in de andere tot bij het slot, waar het in een vergaarbekken werd opgevangen en zich door de geheele stad verspreidde door een kanaal, hetgeen een groot gemak opleverde.”
Juanilo stierf in 1585, en zijn machine, door een joodschen werktuigkundige verbeterd, werkte nog vier en twintig jaren, maar toen ook die man was gestorven, stond ze voor altijd stil.
Buiten enkele bogen van het metselwerk vindt men niets terug van het werk van den ingenieur; maar de italiaansche vervaardiger gaat nog tegenwoordig in de stad door voor een toovenaar, in staat, de natuur en de bovennatuurlijke wereld aan zijn wil dienstbaar te maken.
Juanilo, die onderhouden werd op kosten van het kapittel der kathedraal, had een automaat vervaardigd, die elken dag op een vooraf vastgesteld uur uit zijn huisje trad, zich dan met onverstoorbare kalmte naar de keuken der kanunniken begaf, daar in een mandje den maaltijd voor zijn meester ontving, den kok eerbiedig groette, dan op zijn hielen omdraaide en zonder de minste onbescheidenheid of de allergeringste gulzigheid dadelijk naar de woning van zijn heer terugkeerde. De straat, waar hij door moest, heet nog de Straat van den Houten Man.
Eindelijk is de hoogte bereikt, en mijn rijtuig houdt zijn plechtigen intocht op het Zocodoverplein. Zocodover! Welk een deftige en verheven naam, ofschoon hij eenvoudig beteekent de Paardenmarkt, en wat schijnt hij goed te passen bij de heldenherinneringen van de keizerlijke stad! Op dit plateau was het wapenplein, waar de krijgers samenkwamen, vóór ze uittogen op een veldtocht; hier speelden de ridders bij de plechtige intochten der katholieke koningen; hier vereenigden zich de Communero’s, die aangevuurd werden door de groote Maria de Padilla; hier werd de rechtbank opgeslagen, waarvan de aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje, rechtens Groot-Inquisiteur was. Alle souvereinen van Spanje, alle beroemde mannen, moesten hun beeld vinden op den Zocodover, want bijna allen hebben dien grond betreden.
Als men thans het plein aanschouwt, vervliegen alle wonderbaarlijke of tragische herinneringen! Het Zocodover is niet anders dan een banaal, onregelmatig plein, waar de armoedige en karakterlooze huizen door ruwe zuilen worden gesteund. Onder de zoo gevormde portieken verkoopen bescheiden kooplui meloenen, sandalen en couranten.
Op een ronde steenen bank liggen, slapend of Bladzijde 375rookend, bedelaars, die onbeschrijfelijk vuil zijn en fier schijnen te wezen op hun lompen. Ze doen maar hazeslaapjes, want ze kijken uit naar elken vreemdeling, die op het plein verschijnt of aan den ingang van de Handelsstraat, die naar de kathedraal voert. Deze fraaie gewoonte dateert niet van gisteren.
In een van zijn verhalen vertelt Cervantes van de ontelbare menigte bedelaars, valsche gebrekkigen en zakkenrollers, die dezen uitverkoren observatiepost innemen. Hij kon ze naar het leven schilderen uit zijn nabijzijnde woning. Er verandert niets in dien mooien zonneschijn van Spanje, die een mensch tot luiheid geneigd maakt en den geest verstompt.
Indien men eenige dagen te Toledo blijft, doet zich het moeilijke probleem voor, of men al of niet aalmoezen moet geven, waar er met zooveel aandrang om gevraagd wordt. Zult ge een klein beetje goeden wil toonen? Goed, maar onmiddellijk zijt ge bekend, en ge zult niet kunnen uitgaan, of dadelijk hechten zich vijftig vuile handen met haakvingers aan uw kleêren, zien u onderzoekend honderden oogen aan en waagt men het, den onderzoekingstocht tot in uw zakken voort te zetten, om daar ... pikante herinneringen achter te laten.
Houdt ge u doof, dan wordt ge toch gevolgd, bedrongen en met scheldwoorden bovendien overladen onder het vaderlijk oog van een politieagent, wiens hart de bedelaars hebben weten te verteederen.
Dus is het probleem onoplosbaar. Is men eenmaal tot dat besluit gekomen dan gaat men de dieven te slim af worden en men doet een wandeling door den dichten doolhof van straatjes en steegjes, die de stad doorsnijden, en waar het stil en rustig is. Soms loopt men op die smalle verkeerswegen, waar een beladen muilezel beide muren raakt, gevaar, verpletterd te worden, en er moet vlug een schuilplaats worden gezocht in een inspringend gedeelte van een huis, om niet te worden platgedrukt. Maar welk gevaar zou men niet willen loopen, om maar niet de Handelsstraat binnen te gaan en in handen der bedelaars te vallen!
Het gebeurt wel eens, dat men in die bochtige straten antieke koetsen tegenkomt, verschijnend uit de monumentale ingangen van oude paleizen, en de zaak krijgt een tragischen kant, als twee rijtuigen zonder elkaar op te merken, van beide einden dezelfde straat inrijden. Het eenige redmiddel is dan af te spannen en den wagen met de handen terug te schuiven.
Maar wie moet uitspannen? Wie zal achteruitgaan? Ernstige vraag in een land, waar het gevoel van eer een eeredienst is geworden, en waar de bewustheid van eigen waardigheid nog eerder dan het geloof bergen zou verzetten.
Het is ... een zeker aantal jaren geleden, dat er een beroemd geworden ontmoeting plaats had tusschen de koets van de echtgenoote van den President van den Raad van Castilië en die der vrouw van den President van den Raad van Indië. Door bemiddeling van de palfreniers hadden de dames de onderhandelingen gevoerd, zonder dat ze elkaar konden overtuigen. Geen van beide wilde teruggaan. Al meer dan drie uur stonden de paarden neus aan neus, en de koetsiers scholden op elkaar. Bij gebrek aan een Salomo, die al eenige jaren dood was, en bij ontstentenis van de scheidsrechters in den Haag, die nog niet waren geboren, stelde een goede ziel, die zich het ernstige geval aantrok, voor, haar te onderwerpen aan het oordeel van den Kardinaal en zich aan diens beslissing te onderwerpen.
“Hier bestaat in het geheel geen moeilijkheid,” zeide de prelaat, volkomen op de hoogte van vraagstukken van étiquette, “de jongste van de dames moet aan de andere den doorgang vrij laten.”
Nauwelijks was deze beslissing aan de partijen meegedeeld, of uit de beide koetsen hoorde men terzelfdertijd het formeele bevel:
“Span de paarden uit en ga terug; ik wijk voor de Presidente van den Raad van Castilië. Zooals Zijne Eminentie terecht zegt, geeft haar leeftijd haar daar recht op.”
“Ga zoo spoedig mogelijk achteruit; ik laat den voorrang aan de Presidente van den Raad van Indië; zooals Zijne Eminentie terecht heeft beslist geven haar jaren haar aanspraak op die eer.”
Ik heb geen dergelijke ervaring opgedaan, want ik stapte af in een echt spaansche herberg, een fonda, waarvan de deur in prachtig snijwerk allerlei wapens vertoonde en uitkwam aan de breede straat, die van het Zocodover naar het Alcazar voert, ’t Is een paleis, dat er heel mooi moet hebben uitgezien, vóór het voorplein of de patio ter hoogte van de eerste étage overdekt is geworden, om er een eetzaal van te maken.
Magnifieke deuren, zwaar en massief als die van een kathedraal, voorzien van sleutels van een armslengte, gaven toegang tot de kamers. De mijne was dubbel, dat wil zeggen, voorzien van een alkoof, die zeer groot en zorgvuldig afgesloten was, en waar niet alleen twee reuzenbedden stonden, maar buitendien alles, wat tot de waschbenoodigdheden behoort, te vinden was. Noch geluid, noch licht, noch warmte zouden daar kunnen binnendringen, zelfs al zouden er honderd menschen zich op de patio bevinden, en al zond de zon van het zenith haar stralen naar omlaag. En hier besteeg weldra mijn geest zijn geliefd ros, dat mij dezen keer snel wegvoerde naar Sjiras en Zasjan. Want is ook niet aldus in de rijke perzische huizen elke kamer samengesteld uit drie achter elkaar gelegen vertrekken, waar het al koeler en geheimzinniger wordt, en die men al of niet bewoont naar het seizoen of zelfs naar het uur van den dag?
Ik was ongeveer twintig jaren geleden in Toledo geweest en sinds dien tijd had ik er altijd spijt van gehad, dat ik de stad alleen als toeriste had gezien. Nu moest ik mijn verzuim goed maken.
Maar hoe zou ik methodisch kunnen te werk gaan in deze stad van helden, waar alle beschavingen van Spanje vertegenwoordigd zijn geweest en waar elk van haar sporen heeft nagelaten? Toledo in wijken verdeelen, zou dat niet zijn, alles door elkander mengen en alles tegelijk overhoop halen? Daar zij op een niet zeer groot plateau is gebouwd, heeft de stad zich niet ver kunnen uitbreiden of verplaatsen, zoodat zoowel in het Noorden als in het Zuiden, in het Oosten als in het Westen de heerschers hun paleizen en hun tempels hebben gebouwd. Zal het Bladzijde 376niet beter wezen, door de eeuwen heen, van stap tot stap het zedelijk en godsdienstig leven en de kunstuitingen te volgen, dan zonder overgang tot de bestudeering over te gaan van monumenten, die soms vier of vijf eeuwen van elkander in leeftijd verschillen?
Ik heb een besluit genomen in laatstbedoelden zin, ook al op raad van mijn geleerden vriend, professor Ventura Prosper y Reyes, dien geheel Toledo hoog vereert om zijn talenten en zijn ongeëvenaarde goedheid. Geen deur blijft voor hem gesloten, als hij vraagt om te worden binnen gelaten en den magischen groet uitbrengt, die nooit uit een zondigen mond wordt gehoord, “Ave Maria purissima”, waarop geantwoord wordt met een “Sin pecado concebida” en een vriendelijken glimlach.
|
Madrileensche. |
Na het bezoek aan de kapel van Cristo de la Luz en aan de in een winkel veranderde overblijfselen van de oude moskee der Torneria moest volgen het bekijken van de oude synagogen, bekend onder den naam van Santa Maria la Blanca en Transito. Als men de israëlietische families mag gelooven, door de vervolging al sinds vijf eeuwen naar de overzijde der straat van Gibraltar teruggedreven, zouden de Hebreeërs in Spanje zijn gekomen na de vernietiging van Jeruzalem door Titus. Allen, die aan de gevangenschap konden ontkomen, volgden de kusten der Middellandsche Zee en aarzelden niet, om de zee over te steken, ten einde zich in het vruchtbare Andaluzië te vestigen. Men is niet gehouden, deze overlevering als een geloofsartikel aan te nemen. De eerste vermelding van de spaansche joden klimt op tot de vierde eeuw en komt voor in een zeer onvrijzinnig besluit. Daar er onder de joden een krachtige geest van initiatief was te vinden en groote werkzaamheid, namen zij toe in rijkdom en daar zij zich sterk vermenigvuldigden, kregen zij een voorsprong op de Westgothen, die lui en zorgeloos waren. Maar toen de arische heerschers tot het orthodoxe geloof waren overgegaan, begon de geest van vervolging vaardig over hen te worden. Een wreede wet veroordeelde het gansche jodenvolk tot slavernij. Montesquieu kon zonder veel overdrijving de opmerking maken, dat het gothisch wetboek in principe alle voorwendsels bevatte, waarvan later de Inquisitie en de vorsten uit de veertiende eeuw gebruik maakten in hun strijd tegen de Israëlieten.
De verovering van Spanje door de Mohammedanen was een weldaad voor de Joden. Zij muntten uit in kunst en wetenschap; zij monopoliseerden het bankwezen en waren zoowat de eenigen, die aan geneeskunde deden en medicijnen verkochten. De scholen van Cordova, Toledo en Barcelona telden hen onder hun beste leerlingen. Zelfs verkregen ze in dien tijd zulke hooge betrekkingen, dat men ze na de bevrijding der Mooren er niet weer uit durfde ontzetten.
Men ontmoet een menigte joodsche namen onder die van geleerden en financiers uit den tijd en aan de hoven van Alfonsus X, Alfonsus XI, Hendrik IV en vele andere christelijke vorsten. Alfonsus de Wijze gebruikte hen voor de samenstelling van zijn beroemde astronomische tabellen; Jacobus I van Arragon had een Israëliet tot leermeester; Johan II, vader van Isabella de Katholieke, droeg een van hen op, de liederen te verzamelen, die het Cancionero nacional vormen.
In dezen tijd richtten de Joden uit Toledo de beide synagogen op, die een zoo gunstig getuigenis afleggen voor hun smaak en voor hun rijkdom. De kerk, die den naam draagt van Santa Maria la Blanca is de oudste van de beide heiligdommen. Zij heeft tot 1405 haar oorspronkelijke bestemming behouden. Maar op dat tijdstip kwam Vincentius Ferrer, wiens heftige bekeersijver zooveel Israëlieten tot het Christendom had bekeerd, in Toledo het Evangelie prediken. Hij preekte verscheiden malen per dag in Santiago de Arabal, een kerk dichtbij de Visagrapoort, waar men u nog zijn preekstoel kan laten zien, die een wonder is van fijn smeedwerk. Maar de joden van Toledo gingen naar de preek, doch werden niet bekeerd. Gewend aan de zachtheid en meegaandheid der Andaluziërs, werd Vincentius Ferrer boos om de mislukking van zijn pogingen. Op een avond, toen het christelijk gehoor talrijk was en vol geestdrift, kwam de monnik, die door zijn eigen woorden buiten zichzelven was geraakt, van den preekstoel naar beneden, greep een kruis, sleepte zijn geheele schare mee, die aangroeide bij het trekken door de stad, trad met geweld in de synagoge binnen, dreef de rabbijnen eruit, en wijdde het gebouw voor den christelijken eeredienst onder het aanroepen van Santa Maria la Blanca, ter herinnering aan een wonder, dat in Rome was voorgevallen in 152 onder het pontificaat van den H. Liberius. Bladzijde 377
Handwerkersgezin in een oud paleis van Toledo.
Sedert die transformatie heeft de oude synagoge nog menige lotwisseling beleefd. In 1550 werd het gebouw door den kardinaal aartsbisschop Johan Siliceo vergroot, en er werden enkele gebouwen bijgevoegd. Hij maakte er vervolgens een soort van Bagijnenhofje van voor boetvaardige vrouwen en meisjes. Maar hetzij dat de toledo’sche vrouwen alle deugdzaam waren, of dat ze, zooals een sceptisch schrijver opmerkt, zelden zich berouwvol voelden, het Bagijnenhof kwam nooit tot bloei en moest eindelijk worden gesloten bij gebrek aan Bagijntjes. Santa Maria la Blanca, nu verlaten en ongebruikt, zou afgebroken zijn geworden, als men niet besloten had er troepen te herbergen en er later een militair magazijn van te maken.
Nog slechts even dertig jaren geleden is dat wonder van bouwkunst door de Commissie voor de historische Monumenten opgeëischt. Sinds dien tijd heeft men het gebouw een belangrijke restauratie kunnen doen ondergaan, dank zij een jaarlijksche subsidie der regeering en den inkomsten, gevormd door de entrées van de vreemdelingen.
Het uitwendige heeft niet veel bekoorlijks of sierlijks, maar pas is de deur geopend of men ziet in hun geheel vijf kerkbeuken, verdeeld door drie rijen achthoekige pilaren, waar bogen op rusten. De kapiteelen, met gebeeldhouwd stuc versierd, herinneren door hun prachtige fijnheid en door den aard van het ornament aan hun prototypen, nog bewaard in sommige oude perzische moskeeën. In de boogruimten zijn rijke rozetten aangebracht, terwijl langs het astragaal zich een slinger windt van ineengevlochten bladeren met pijnappels er tusschen, zooals men ook vindt in de versieringen van het Alhambra en die opklimmen tot den tijd van het Kalifaat. Een rijk houten plafond, ingelegd met parelmoer en ivoor, bedekt het hoofdschip en geeft aan dit gedeelte van het gebouw groote sierlijkheid.
De Joden konden niet protesteeren tegen den roof aan hen gepleegd; zij onderwierpen zich en kwamen later samen in een grootere en mooiere synagoge, gebouwd door Samuel Levy, den beroemden schatmeester van Peter den Wreede, volgens de plannen van den rabbijn Don Meir Abdeli, en voltooid in 1336. Zij hielden er hun godsdienstoefeningen tot 1492, het jaar, dat tegelijk zoo roemvol en zoo verschrikkelijk was, waarin Isabella Granada innam, waarin de Nieuwe Wereld werd ontdekt, en door een hand in onbedachtzaamheid het decreet werd geteekend, dat Spanje beroofde van 120,000 ijverige, intelligente en welvarende Joden.
De synagoge van Samuel Levy onderging op haar beurt het lot van haar voorgangster en werd een christenkerk onder den naam van Transito de Nuestra Senora. Het gebouw vertoont de weelde, die in harmonie was met den rijkdom van den stichter en is een der mooiste voorbeelden van de arabische kunst in Andaluzië. Het bestaat uit één enkel schip, overdekt ter hoogte van veertien meter door een merkwaardig schoone zoldering van lorkenhout, ingelegd met ivoor en parelmoer, als die van Santa Maria la Blanca. Op de muren ziet men zeer fijne stucornamenten, zoo sierlijk en elegant, dat men ze op het eerste gezicht voor teedere venetiaansche kant zou houden, die sinds eeuwen daar was blijven hangen. In het bovengedeelte, waar fraaie vensters zijn aangebracht, leest men tusschen bloemen en lofwerk een prachtig opschrift in hebreeuwsche letters. Daarin wordt de lof gezongen van den stichter der synagoge, Samuel Levy en van Don Pedro, den regeerenden vorst. Toen de waardige schatbewaarder ter dood veroordeeld werd door een meester, die Bladzijde 378inhalig en afgunstig was, moest hij uit den grond van zijn hart het geld betreuren, dat hij besteed had aan het koopen van zijn beul. Het opschrift heeft intusschen weerstand geboden aan den tijd, en aan zijn hooge plaatsing is het toe te schrijven, dat het de woede der Christenen heeft kunnen tarten en hen heeft kunnen uitdagen in den tijd, toen ze de synagoge tot Christenkerk wijdden.
Thans wordt het schip der kerk door een reusachtig steigerwerk met opeenvolgende zolderingen, waarheen trappen toegang verleenen, verdeeld in verscheiden verdiepingen, zoodat het moeilijk wordt, de schoonheid van het geheel te waardeeren. Toch is het mogelijk, enkele prachtige fragmenten te bewonderen, den tempel in zijn groote lijnen te reconstrueeren, en in te zien dat, als de ondernomen restauratie op de nu begonnen wijze wordt voortgezet zij mogelijk wel een halve eeuw kan duren, maar dat ze tenminste wordt uitgevoerd met echte kennis van zaken en een onvergelijkelijk helder inzicht in wat aan zulk een kunstwerk toekomt.
Rondom het Transito, waar het paleis van Samuel Levy dichtbij was, en in de buurt van Santa Maria la Blanca. is de oude jodenwijk geweest. Helaas, op die plek, waar het volk van Israël een toevlucht voor goed had hopen te vinden, ziet men nu slechts puin en stof. Welk een droeve uittocht is dat geweest van dat ongelukkige volk, dat den grond moest verlaten, waar het sedert eeuwen woonde, en binnen enkele maanden al zijn goederen te gelde maken, zonder dat het de kleine hoeveelheid goud mee mocht nemen, die er de belachelijk lage prijs voor was!
Aan den voet van de beide synagogen daalt de bodem af naar een vlakte aan de Taag, die soms door de rivier wordt overstroomd, als ze buiten haar bedding treedt. De woningen zijn er weinige; maar een huis, dat hooger was dan de andere en er wat welvarender uitzag, trok mijn aandacht. Op den voorgevel en op meer dan acht meter hoogte was er een groote steen in aangebracht, waarop een in zwart gegraveerd opschrift te lezen was, dat mij vertelde, dat de Taag tot hier gestegen was bij een hoogen vloed, die beroemd was gebleven.
Verbaasd, vroeg ik aan een vrouw om inlichting, die op de stoep van haar huisje haar kind het haar kamde.
“Wel, wel! Komt het water der rivier soms tot zulk een hoogte?”
“O, neen!... De hoogste vloeden zijn nooit hooger gekomen dan een paar meter, en dat is waarlijk al hoog genoeg!... Maar toen de kinderen altijd met ballen tegen het opschrift gooiden en het dreigden te bederven, heeft de alcade ons bevolen, het buiten hun bereik te plaatsen.”
Nadenkend over de wijsheid en voorzichtigheid van dien uitgezochten ambtenaar, wandelde ik voort tot aan de Visagrapoort, een massief bouwwerk, dat tot den tijd van Karel V opklimt, en door zijn nauwheid een groote last is voor de muilezeldrijvers.
Ergens anders zou men zulk een sta-in-den-weg opruimen, maar te Toledo heeft men eerbied voor het verleden, zooals de voorzorg bewijst, die er genomen wordt om de herinnering aan een overstrooming te bewaren.
II.
De Taller del Moro en de salon van het Casa de Mesa.—De pupillen van bisschop Siliceo.—Santo Tomé en het werk van Green. De moskee van Toledo en koningin Constantia.—Juan Guaz, de eerste bouwmeester van de kathedraal.—Wat er veranderd en aan toegevoegd is.—Herinnering aan den slag van las Navas.—Het graf van kardinaal Mendoza.—Isabella de Katholieke en haar testamentaire beschikking.—Ximenes.—Alvaro de Luna.—De vaandeldrager van Isabella in den slag van Toro.
“Ik heb veel huizen gezien, veel leêgloopers en, in de straten, de rijke zoowel als de arme, hoopen vuil. Ik heb den hemel aanschouwd door venstertjes, zoo klein als schietgaten, en er is mij verteld, dat een vriendelijk gezicht dikwijls het masker is van den snoodaard, dat de perziken in den zomer rijp worden en dat er in den herfst muskieten zijn.”
Deze beschrijving van Toledo, die in het midden van de zeventiende eeuw gegeven is door den hoofschen Garcia de la Chataigneraie in het beroemde drama Francisco de Rojas, past nog volkomen, en als men bij het vuil ook nog allerlei puin voegde, zou men er geen tittel of jota aan behoeven te veranderen.
De monumenten, die opgericht zijn in den loop der drie eerste eeuwen, volgend op de herovering, en die den mudejarstijl of den mozarabischen vertoonden, hebben het meest geleden, of doordat de booze mode het zoo heeft gewild, of doordat de versieringen onsterk en niet duurzaam waren. Ik heb dien stijl in Saragossa bestudeerd, met zijn moorsche en gothische motieven dooreengemengd.
Zoo staat het met het prachtige paleis aan de Calle del Moro. Men stapt een poort binnen en komt in een verwilderden tuin, waaromheen vele arbeidersgezinnen wonen. Zij hebben hun schamele woningen aangeleund tegen de nog sterke muren, en den rijkdom afgebroken om de armoede plaats te geven. Van dit groote gebouw is slechts een zaal van mooie afmetingen over, met een prachtige zoldering, gelijk aan die van het Transito. Het bovengedeelte der muren, dat niet bereikbaar was, noch voor den hamer van den werkman, noch voor het speeltuig van de kinderen, is versierd met zeer lijn pleisterwerk.
Die schoone zaal, waaraan ter weerszijden twee kleiner vertrekken grenzen, heeft langen tijd gediend tot bergplaats voor de steenen, die voor het onderhoud der kathedraal noodig waren, en heeft naar die bestemming den naam gekregen van Taller del Moro, dat is werkplaats van den Moor. In de laatste jaren is het een gewone remise geworden.
En toch is eenmaal dit paleis bewoond geweest door Karel V. Er wordt verteld, dat de erbij behoorende tuinen ineen liepen met die, welke de woning omgaven van graaf Fuensaline, waar de echtgenoot van den grooten keizer stierf, die sombere Isabella van Portugal, de moeder van Filips II, wier door Titiaan geschilderd portret ons haar zachte trekken heeft bewaard onder de fijne, zijdeachtige blonde haren.
Een ander voorbeeld van den eigenaardigen stijl, die ontstond uit de vereeniging van de kunst van het Oosten met die van het Westen, maar een dat veel kleiner is en in uitstekenden staat is gebleven, is het salon van de Casa de Mesa. Ook dat heeft den mudejarstijl.
Het pleisterwerk, bij de bekleeding aangebracht, heeft veel overeenkomst met de versieringen van het Bladzijde 379Transito, dat in 1366 werd opgericht, maar het gelijkt nog meer op de ornamenteering van het paleis van Ayala, dat van 1440 dagteekent. Het is dus niet gewaagd, te veronderstellen dat het gebouw tot stand kwam in de XVde eeuw.
In 1551 vestigde de aartsbisschop Don Juan Martinez Siliceo er een inrichting van onderwijs onder den naam van Collegio de las Doncellas virgineas. De jonge meisjes, honderd in getal, werden er slechts toegelaten, nadat ze bewijzen hadden bijgebracht, niet alleen van haar kwartieren van adel, zooals men bij vergissing wel heeft gezegd, maar van volkomen zuiverheid van bloed, wat nog heel iets anders is. Om zuiver bloed te hebben of oud christenbloed, moest men onder zijn verst verwijderde voorouders noch een jood, noch een Arabier, noch een door de Inquisitie veroordeelde hebben van vaders- zoo min als van moederszijde. Cervantes voegt er zelfs bij, en dat is logisch, dat er een onafgebroken en bewezen wettige afstamming moest bestaan. Natuurlijk was men niet zoo streng in zake het laatste punt als in zake het eerste.
De pupillen van den aartsbisschop Siliceo werden tusschen zeven en tien jaar in zijn school toegelaten. Zes plaatsen werden open gehouden voor kinderen van de familie van den stichter. Zeer belangrijke sommen werden haar levenslang uitgekeerd, als ze in de inrichting bleven. In geval van een huwelijk ontvingen ze een bruidschat van 5535 realen; maar geen enkel gunstbewijs viel haar ten deel, als ze de school verlieten om in een klooster te gaan, daar het hoofddoel van den stichter was, goede en flinke huismoeders op te voeden, die bekwaam waren in huishoudelijke zaken en in staat, een huishouding goed te besturen.
In 1810 ging de Casa de Mesa over in het bezit van de Karmelieters, die van den grooten salon hun kapel maakten. Aan hen is het uitstekend behoud van die zaal toe te schrijven. Zij behoort thans aan iemand, die ervoor zal zorgen, dat het interessante gebouw veilig en ongeschonden blijft.
Behalve de bekende gebouwen zijn er nog een groot aantal arme woningen, waar men interessante fragmenten van den ouden bouwstijl vindt. Om die te zien te krijgen, moet men zich niet wenden tot de gepatenteerde en zoogenaamd officiëele gidsen; liever moet men een bewonderaar van de ruïnen van Toledo volgen, en met hem doordringen tot de patio’s en stallen, welker eigenaars de opvolgers zijn van Peter den Wreede en der groote heeren van diens hof.
Terwijl de mozarabische metselaars en bouwmeesters in de verschillende wijken der stad Toledo paleizen van den adel deden verrijzen, droeg de geestelijkheid hun den bouw van kerken op. De meeste zijn verwoest geworden door den ijver der priesters, die ontijdig smaak kregen in een nieuwen stijl. San Justo, San Juan de la Penitencia, San Roman, San Pedro Martyr, San Miguel, Santa Leocadia, het klooster van de Ontvangenis en Santo Tomé hebben er nog een en ander van bewaard. Hier is nog een toren in den vorm van een minaret te zien als een protest tegen de verandering der kerken, die oudtijds onder hun hoede waren geplaatst, daar is een fries of een plafond te bewonderen, waar de technische bekwaamheid en de wetenschap der bouwmeesters uit blijken. Al die kerken zijn een bezoek overwaard; maar Santo Tomé bevat twee meesterwerken, die haar een eereplaats doen innemen, namelijk het veelkleurig standbeeld van den profeet Elia, waarvan de draperieën ongelukkigerwijze gerestaureerd zijn en de begrafenis van graaf Orgaz, het bewonderenswaardigste kunstwerk, dat de wereld aan het penseel van den realist Greco heeft te danken.
De olympische schoonheid van het hoofd van Elia, de krachtige modelleering van de handen en de voeten, die uit het wollen gewaad te voorschijn komen, doen dadelijk denken aan de spaansche leerlingen van Michel Angelo. En daar men niet aan Berruguete wordt herinnerd, moet het werk worden toegeschreven aan Tordesillas of misschien eerder aan Bercera.
Domenico Greco of Theotocopuli, om hem zijn waren naam te geven, is een van die langen tijd miskende kunstenaars, die een glorie zijn voor de steden, waar ze verblijf hebben gehouden. De strenge en forsche kleuren, de compositie vol harmonie, de magistrale teekening en de uitdrukking der gezichten zijn treffend. Deze waardige afstammeling van de groote kunstenaars uit Hellas was in Griekenland geboren, zooals zijn naam en zijn bijnaam aanduiden, en daarna was hij, na Italië te hebben doorreisd en daar een leerling van Titiaan te zijn geweest, naar Spanje gekomen en had zich te Toledo gevestigd. Buiten deze begrafenis van graaf Orgaz, dagteekenend van 1584, bezit de stad nog eenige prachtige portretten door dien grooten meester gemaakt en geschilderd in de grijze tinten, welke aan de manier van Frans Hals herinneren.
De kathedraal is nog tegenwoordig wel het middelpunt van Toledo. Van alle trekt zij het meest de aandacht. Nu eens ziet men haar boven de huizen verrijzen, dan weer vult ze open hoeken in het uitzicht tusschen de straatjes, die alle op dat kerkgebouw uitloopen. Aan beide zijden heeft zij zware contreforten, rondom zijn open galerijen, en boven steken dikke torens en spitse torentjes hun punten in de blauwe lucht op. Aan haar voeten dringen zich huizen samen en paleizen; maar men let daar niet op, zoo overheerschend is de kathedraal voor den geest en voor het oog.
Men vindt niets anders in de ruimte, en als men, gelijk opeenvolgende geologische lagen, de bijgebouwen, de sacristieën en de kapellen uit allerlei tijden naast en in het primitieve gebouw vindt, gaan die zaken, die al zoo langen tijd met elkaar in aanraking zijn geweest, zoo goed te zamen, dat de eeuwen er als ineensmelten, zonder dat men haar grenzen uit elkander houden kan. De kathedraal is de Sint-Pieterskerk van dit andere Rome, van die stad der zeven heuvelen; maar dan een zeer mystieke Pieterskerk, een zeer vrome, die ernstige gedachten wekt en niet de herinnering aan de fiere pracht van het Keizerrijk. Ik neem het Mariana kwalijk, dat hij haar de Rijke heeft genoemd, terwijl door de eeuwen heen Jupiter, Jezus, Allah en toen weer Jezus eerbiedig werden aangebeden op die plaats. De plek, waar zooveel menschelijke wezens hun geest tot de hoogte eener ideale wereld verhieven, zou een andere aanduiding verdienen.
De geschiedenis der kathedraal is niet alleen die van de stad Toledo, maar zij is die van geheel Spanje. De eerste christenkerk, die op de heidensche Bladzijde 380tijden volgde, moet opgericht zijn in de 4de eeuw. Zonder twijfel werd voor dat primitieve gebouw de kerk in de plaats gesteld, die gesticht was door Recarede, dien gothischen koning, die het Arianisme afzwoer en, het kerkgebouw onder de bescherming stellend van de H. Maagd, het den 12den April 587 inwijdde. Het moet een eenvoudig huis zijn geweest; maar binnen zijn muren werden de heilige bisschoppen van Toledo tot het pontificaat verheven. Dat geschiedde met Eugenius, Eladio, Ildefonso en Julianus; onder de gewelven der kerk kwamen de conciliën samen, waar de gothische monarchie haar wetten gaf en zich in theologische haarkloverijen verdiepte, terwijl de Arabier in den galop van zijn snel en vurig paard al meer naar het westen den teugel wendde.
De Halve Maan werd geplant op den grond, dien Viriathes zoo lang aan de Romeinen had betwist. De kerk werd omvergehaald en vervangen door een schitterende moskee, met kostbaar marmer bekleed. En toen na drie eeuwen de stad door de Christenen heroverd werd, was zij zoo schoon, dat de Mooren erdoor een afzonderlijk artikel van de capitulatie beslag op legden en van den overwinnaar de belofte kregen, dat zij er vrij hun godsdienstoefeningen zouden mogen houden. Koning Alfonsus beloofde onder eede, altijd aan deze plechtige overeenkomst trouw te zullen blijven.