WeRead Powered by ReaderPub
Van Toledo naar Granada / De Aarde en haar Volken, 1906 cover

Van Toledo naar Granada / De Aarde en haar Volken, 1906

Chapter 4: III.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A travel account tracing a route between central and southern Spanish cities, blending landscape description, art and architectural notes, local customs, historical anecdotes, and social commentary. The author observes the Castilian plain's austerity, migrating shepherd flocks and the Mesta's influence on agriculture and rural depopulation, then examines urban monuments, synagogues and mosques, hydraulic devices, plazas and palaces, and discusses religious and cultural legacies while noting economic hardship and changing practices. Passages alternate descriptive sketches, historical digressions, and reflections on art, folklore and the built environment, offering both practical travel detail and contemplative interpretation.

Ingang tot het paleis van Peter den Wreede

De Mooren hadden met den koning onderhandeld, maar niet met koningin Constantia. In overleg met bisschop Bernard maakte zij van de afwezigheid van den vorst, die in verre landen oorlog voerde, gebruik, om te komen tot wat zij de kostbaarste der overwinningen noemde. Op een nacht vereenigden zich drieduizend goed gewapende Christenen onder haar bevelen en, door den bisschop aangevoerd, stormden zij op de moskee los. De deur bezweek onder hun slagen, en de verraste bewakers konden geen weerstand bieden. San Vincentius Ferrer moest het voorbeeld van overgave twee eeuwen later volgen.

Den dag na de inneming werd de moskee voor den christelijken eeredienst gewijd, en gesteld in het bezit van de kanonnieke rechten der kerk, die zij had vervangen, in spijt van de protesten van Aboe Valid, die met verontwaardiging eischte, dat het verdrag der capitulatie zou worden nageleefd.

Dadelijk zonden de Mooren een bode naar den koning met de opdracht, hun beklag te doen en naast de vervulling der belofte van den vorst ook de bestraffing te eischen van de koningin en den bisschop.

Alfonsus, in woede ontstoken, beloofde de schuldigen te straffen en sloeg in groote haast den weg naar Toledo in.

Toen ze den haastigen terugkeer van den koning vernamen, waren de koningin en de bisschop zeer verschrikt en vol vrees. Nu was er onder de Mooren een wijs en voorzichtig man, die niet te vergeefs zielkunde had bestudeerd.

“Wat zult gij lieden nu beginnen?” vroeg hij zijn geloofsgenooten. “Koning Alfonsus is eerlijk; hij zal zijn woord houden en hij zal, naar ze verdienen, straffen de koningin, die hij liefheeft en den bisschop, die zijn geheele vertrouwen bezit. Gij zult voor een oogenblik getriomfeerd hebben, maar weest er zeker van, dat, als er recht is gedaan, de rechter een wrok tegen u zal behouden. Om in het bezit te blijven van een moskee, die voortaan te groot voor ons zal zijn, zoudt gij de goede gezindheid van uwen souverein jegens u verspelen. Neemt u in acht voor de gevolgen, waardoor hij ons de strengheid zal doen berouwen, die wij van hem hebben gevorderd.”

Deze alfaqui of wetgeleerde wist zijn gehoor te overtuigen, en nog dienzelfden avond reisde hij, door zijn geloofsgenooten afgevaardigd, den koning te gemoet, om zijn goedertierenheid ten gunste der schuldigen in te roepen.

Alfonsus gaf zijn groote ontevredenheid aan de koningin te kennen en aan den bisschop; maar in den grond van zijn hart gelukkig, dat hij niet de strengheid behoefde uit te oefenen, die de eer van hem eischte, toonde hij voortaan aan de in Toledo gebleven Arabieren zijn goeden wil en een welgezindheid, die slechts een rechtvaardige vergoeding waren voor het geweld, in zijn afwezigheid gepleegd. Bladzijde 401

Waar Cervantes woonde, toen hij te Toledo vertoefde.

Toledo behield gedurende meer dan anderhalve eeuw, de arabische moskee als kathedraal en eerst onder de regeering van Ferdinand III, den heiligen veroveraar van Sevilla, werd ze afgebroken. De eerste steen van de tegenwoordige kerk werd door dien monarch gelegd, bijgestaan door bisschop Dom Jimenez de Rada, op 4 Augustus 1227. Met den bouw is men bezig geweest tot op het einde van de 16de eeuw. De mozarabische kapel, die der laatste koningen, die van Sagrario, van Ochavo, de Sacristie, het huis van den Schatmeester, de Zaal der Onderhandelingen, de Leeuwenpoort en die der Voorstelling, het snijwerk van het koor en een menigte andere toevoegsels dateeren van nog lateren tijd.

Castilië en Sevilla.

De naam van den eersten bouwmeester is ons bewaard gebleven. Hij heette Pedro Perez, zooals men kan lezen op zijn grafschrift, dat in de kapel van Santa Maria gevonden is, toen die kapel werd afgebroken bij den aanleg van het Sagrario. Hij stierf op hoogen leeftijd in 1285. Onder zijn talrijke opvolgers moeten wij niet vergeten den beroemden Juan Guaz, wien de Katholieke koningen den bouw opdroegen van het klooster San Juan de los Reyes.

Het zou vervelend zijn de optelling te hooren van het aantal pilaren, die het schip van de kathedraal van Toledo dragen; van de vensters, die er licht geven; van de vierkante meters gewelven, die het overdekken; van haar kapellen, vensterruiten, deuren en binnenpleinen. De kanunniken zelf zouden u geen completen inventaris kunnen geven van de schatten van allerlei aard, die men er vindt. Ik wil mij er dus toe bepalen, de hoofddeelen te bespreken en allereerst mijn aandacht wijden aan drie groote figuren, die scherp uitkomen tegen de groepen van koningen, ministers, krijgslieden en bisschoppen, die allen te rusten gelegd zijn in de kathedraal of haar iets van hun eigen roem hebben meegedeeld. Ik zal Bladzijde 402namelijk spreken over Alvaro de Luna, den beroemden en ongelukkigen minister van Juan II, van den grooten kardinaal Mendoza, minister van Isabella de Katholieke, en van den niet minder grooten Ximenes de Cisneros, die, bekleed met koninklijke macht op het eind van het leven der groote koningin, ze behield in de eerste jaren der regeering van haar dochter, Johanna de Krankzinnige.

Zooals in bijna alle gothische kerken van Spanje, wordt de schoonheid van het centrale schip bedorven door de zware massa van het koor, dat onvermijdelijk voor de kanunniken moest gereserveerd. Maar toch, omdat het koor zoo mooi is, kan men het veel vergeven. Nadat men het prachtige hek van verguld koper en verzilverd ijzer heeft bekeken, waarin men de karakteristieke ornamenten aantreft van den platereskenstijl of dien der spaansche vroeg-renaissance; nadat men daarboven de wapens heeft herkend van kardinaal Siliceo, primaat van Spanje in den tijd toen de beroemde meester van het smeewerk, Domingo Cespedes, dit kunststuk voltooide in 1548; nadat men het opschrift heeft ontcijferd, dat vertelt, hoe dit wonder werd gewrocht onder de regeering van Karel V en onder het pontificaat van Paulus III, begint men de grieven te vergeten, die voor een opmerkzaam beschouwer van het schip der kerk geheel verdwijnen.

Langs de muren, die zich tot halver hoogte de zuilen verheffen, staan twee verdiepingen van koorstoelen van rijkgebeeldhouwd notenhout, maar van verschillende stijlen. De benedenste rij is niet de schoonste; maar wel is ze de oudste en de interessantste. Elk basrelief stelt een gebeurtenis voor uit den strijd, ter verovering van het koninkrijk Granada, door de Katholieke koningen gevoerd, en de daarna volgende inneming van de talrijke versterkte plaatsen, waardoor de tien jaren van den oorlog gekenmerkt waren. Die koorstoelen, die in 1495 werden voltooid, dateeren uit den tijd van kardinaal Mendoza en zijn het werk van den meester-beeldhouwer Rodriguez. Ze zijn in den bloemrijken gothischen stijl gemaakt en vloeien over van curieuse en aardige bijzonderheden over de vestingen, de kleederdrachten, de wapens, de gewoonten der Christenen en der Mooren op het tijdstip der verovering.

De stoelen van de bovenste rij zijn afkomstig uit de 16de eeuw en dragen alle den duidelijken stempel der Renaissance. Marmermozaïeken en inlegsels van jaspis en albast zijn ingevoegd in het notenhout van een mooie, warme tint, om de versieringen mee aan te brengen.

Filips Vigarni, genaamd van Bourgondië, heeft de linker koorstoelen gemaakt, terwijl Berruguete die aan den rechter kant vervaardigde. De figuren, die bijna levensgroot boven de leuningen zijn aangebracht, zijn ontleend aan het Oude en het Nieuwe Testament. De stoel van den aartsbisschop, die zoo bijzonder mooi is, was voor Berruguete bewaard gebleven. De dood overviel hem, en zijn medewerker had de eer het kunstwerk te snijden. Er staat het schild op van kardinaal Siliceo, onder wiens bestuur het werk werd voltooid in plaats van dat van den aartsbisschop Talavera, dat men op de andere stoelen vindt.

De bronzen zuilen, die het koepeltje steunen, dat zich er boven uitbreidt, zijn wonderlijk mooi gesneden. Op de leuning stelt een basrelief van albast, dat wij aan de beitel van Gregorio Vagarni verschuldigd zijn, broeder van Filips, genaamd van Bourgondië, de H. Maagd voor, zooals zij een kasuifel om de schouders van den H. Ildefonsus hangt. De bevalligheid en de schoonheid der heilige kunnen slechts vergeleken worden bij de verheven en verrukte uitdrukking van dengene, die haar aanschouwt. Een belangrijke groep is aangebracht boven het koepeltje en stelt de transfiguratie van Jezus voor, die tusschen Elia en Mozes staat. Berruguete had den tijd het werk te voltooien en zelfs om oneenigheid te krijgen met het kapittel over de betaling van zijn arbeid. De bouwmeester van het Alhambra, Pedro Machuca, werd als deskundige gekozen en stelde den prijs vast op 82628 realen, een zeer belangrijke som voor dien tijd, want ze staat gelijk met 13000 hollandsche guldens.

Boven de koorstoelen vindt men rechts en links orgels, die om de schoonheid der registers en de voortreffelijkheid van het mechanisme terecht beroemd zijn. Het eene is van 1756, het andere van 1796, en beide zijn vervaardigd door bekende orgelbouwers. De overige meubels van het koor kunnen wedijveren met de stoelen. In het midden draagt een arend met ontplooide vleugels, de klauwen rustend op een gothisch voetstuk van ouderen stijl, de enorme en zware boeken van de liturgieën. Die schoone vogel is zeker uit Duitschland gekomen in den tijd der Renaissance. Twee andere lessenaars van verguld brons van verschillenden vorm, staan een weinig lager, gelijk met de stoelen. Zeer mooie basreliefs, die den doortocht door de Roode Zee en David, dansend vóór de ark, voorstellen, versieren de vlakke deelen van die lessenaars. Ze zijn zoo stevig verguld, dat men ze het gebruik niet kan aanzien, ofschoon ze van 1750 moeten dagteekenen. Indien dan al het kapittel veel van kunst hield, het hield ook veel van zuinigheid, want er rezen nog moeilijkheden met den vervaardiger Nicolaas de Vergara, den Oude. Er volgde een twist, maar ten slotte werd men het toch eens.

Tusschen het koor en de Capilla Mayor van tegenwoordig, die afgesloten wordt door een hek, waar een prachtige Christus aan het kruis boven hangt, ligt een vrij groote ruimte. Zij werd tot de 15de eeuw ingenomen door de oude Capilla Mayor, terwijl aan de achterzijde zich de kapel der Oude Koningen verhief, gesticht door koning Dom Sancho den Dappere, om als begraafplaats voor zijn familie te dienen. Toen Ximenes de Cisneros kardinaal en primaat van Spanje was geworden, verkreeg hij van de Katholieke koningen vergunning, om de stoffelijke overblijfselen hunner voorgangers naar elders over te brengen, en tevens om van de beide kapellen een enkele te maken van grooter afmetingen en dus meer in overeenstemming met de belangrijkheid van het gebouw. Zulk een optreden heeft natuurlijk meer sporen nagelaten. De Capilla Mayor ziet er, nadat ze de beelden en sieraden uit de beide heiligdommen heeft geërfd, overladen en vol en niet in harmonie met het andere uit. Onder de beelden van koningen en Bladzijde 403koninginnen is ook een binnengedrongen van een boer.

Toen de beroemde slag van las Navas aan den gang was, en het leger der Christenen door de ongeloovigen in het nauw was gebracht, en dreigde vernietigd te worden, verscheen er een herder voor koning Alfonsus VIII en bood hem aan, hem langs een onbekenden, maar volkomen veiligen weg buiten den pas te brengen, waar de troepen ingesloten waren. Toen hij zijn woord had gehouden, verdween de herder, zonder op den dank des konings te wachten of om een belooning te vragen. Dadelijk liep het gerucht, dat de redder van het leger der Christenen een afgezant van den hemel was. Ten bewijze van zijn dankbaarheid gaf Alfonsus bevel, een standbeeld op te richten voor den hemelschen gids en beschreef hem aan den kunstenaar, zooals hij hem had gezien.

Tegenover dien Pastor de las Navas staat de waardige gestalte van den alfaqui Aboe Valid, die door zijn beleid koningin Constantia redde van de straf, die zij wel een weinig verdiend had. Voorbij de koninklijke standbeelden dichterbij het altaar vindt men boven elkaar een rij van graven, waar de leden der koninklijke familiën rusten, die niet zijn overgebracht naar de kapel der Nieuwe Koningen. Daar heeft zich op een echt koninklijke plaats een persoon ingedrongen, die door zijn geboorte niet voor zulk een eer bestemd was. Het is niemand minder dan de beroemde Dom Pedro Gonzales de Mendoza, kardinaal, primaat van Spanje en eerste minister der Katholieke koningen.

Het heeft moeite gekost, om het stoffelijk overschot te plaatsen in een graf, dat meer op een kapel gelijkt, en waar een altaar staat. Op dat altaar moesten volgens de laatste wilsbeschikking van den prelaat drie missen per dag worden gelezen. Toen de kardinaal gestorven was, haastten zich de kanunniken, die hem misschien tijdens zijn leven wel eens lastig hadden gevonden, tegen de bepalingen van zijn testament te protesteeren.

De plaats, die de overledene had aangewezen, om er zijn graf te graven, kon, zoo zeiden zij in den aanvang, slechts aan een vorst of een prins van koninklijken bloede worden afgestaan. Toen Isabella, die door den slimmen Mendoza tot zijn executrice testamentaire was aangewezen, hoorde van den tegenstand, zond zij aan het kapittel het bevel, zich naar den laatsten wensch van den kardinaal te voegen. Toen men zich niet haastte om te gehoorzamen, dacht zij aan koningin Constantia. Door metselaars vergezeld, begaf zij zich des nachts naar de kathedraal en beval den werklieden, in haar tegenwoordigheid den dikken muur door te breken. Toen de kanunniken den volgenden morgen in de kerk kwamen, vonden ze de doorboring zoo goed als voltooid. Het gaf toen niets, nog langer te protesteeren.

De kapel, het graf en het mooie beeld, dat op de sarcofaag is geplaatst, zijn het werk van den meester Alonso de Covarrubias. Zeven-en-twintig beeldhouwers hielpen hem bij zijn arbeid. In vier jaren was die voltooid, en in 1504 werd het monument ingewijd, na den dood van Isabella.

Door aan het stoffelijk overschot van Mendoza een plaats af te staan tusschen die van koningen en prinsen van Castilië, had de koningin den trouwen dienaar willen beloonen, en den dapperen krijgsman, den grooten staatsman, die na den slag van Toro er toe had meegewerkt, haar den troon te verzekeren, en die vóór Granada haar zoo krachtig hielp in het winnen van een koninkrijk. Hij was het, die, zich stellende boven de vooroordeelen van zijn tijd, en van zijn Orde, het oor leende aan de smeekbeden van Columbus, voor diens inzichten gewonnen werd en hem den nog wel wat weifelenden steun van de koningin bezorgde. Zonder Mendoza zou Isabella misschien nooit vorstin over een Nieuwe Wereld zijn geworden.

Daar zij edelmoedig van aard en dankbaar was, nam zij het hem niet kwalijk, dat hij bij zijn leven zich den bijnaam had verworven van “den derden beheerscher van Spanje”, en na zijn dood voerde zij gewetensvol zijn laatste wilsbeschikking uit. De kloosterschool van Santa Cruz te Valladolid en het hospitaal van denzelfden naam, waarvan zij den eersten steen te Toledo legde, zijn ook een uitvloeisel van die gevoelens.

De groote kardinaal was juist een man, zooals men zich de groote vorsten van dien tijd kan denken. Eens maakte een geestelijke, die op een dag in de tegenwoordigheid van den kardinaal preekte, van de gelegenheid gebruik, om uit te varen tegen de verslapping van den godsdienst in de tijden, die hij beleefde, en deed dat in zulke bewoordingen, dat het onmogelijk was, zich in zijn bedoeling te vergissen.

Het gevolg van den prelaat kookte van ongeduld en wilde zich op den overmoedige wreken. Maar wel verre van zich beleedigd te toonen, beval Mendoza den prediker een schotel wild te brengen, dien men hem nog denzelfden dag moest voorzetten, en hij liet het geschenk vergezeld gaan van een beurs, gevuld met dubloenen bij wijze van specerij.

Ter verontschuldiging van den wereldschen zin van Mendoza moet men bedenken, dat aan het celibaat der geestelijken niet de hand werd gehouden en dat het in Arragon zelfs aan afstammelingen van priesters geoorloofd was te erven van hun overleden ouders, ook al hadden dezen geen testament gemaakt. Dit zijn gebruiken, die men mudejarisch of mozarabisch zou kunnen noemen en die tot de westersche zeden in dezelfde betrekking staan en er op dezelfde wijze van verschillen als de architectuur der paleizen van Toledo, voor de Christenen gebouwd, van die der in denzelfden tijd in Frankrijk opgerichte gebouwen.

Bij een der laatste bezoeken, die Isabella bracht aan haar stervenden minister, vroeg de koningin hem, zijn opvolger aan te wijzen, een keuze, die van bijzonder groot belang was, daar de aartsbisschop uit den aard der zaak president was van den Raad van Castilië. Gedrongen, om den naam te noemen van dengene, die het meest waardig was deze dubbele functie te vervullen, beval Mendoza haar den broeder Francisco Ximenes de Cisneros, van de orde der Franciscanen aan, die reeds haar biechtvader was, ofschoon dan zeer tegen zijn zin. Nooit heeft Mendoza zijn vaderland een grooteren dienst bewezen, want hij vertrouwde den staat toe aan reiner handen dan de zijne, en stelde de leiding onder de hoede van een veelomvattenden geest, die in staat was Spanje Bladzijde 404verder te voeren op den weg der eenheid en de unificatie tot een goed einde te brengen.

Ximenes rust niet als zijn voorganger in de kathedraal van Toledo. Hij had als plaats om zijn laatsten slaap te slapen een bescheidener hoekje gekozen, namelijk in de universiteit van Alcala, die hij had laten bouwen; maar toch leeft de herinnering aan hem in zijn kerk en vooral in de mozarabische kapel, waar allerlei oude en de eeuwen trotseerende herinneringen opleven.

Wat is dat eigenlijk, die mozarabische eeredienst?

Toen de Mohammedanen Toledo hadden ingenomen, oefenden zij er zulk een gematigde heerschappij uit, dat de Christenen vergunning kregen, er hun eeredienst uit te oefenen. Drie eeuwen later vond Alfonsus VI, bij het heroveren der stad er een christelijke bevolking, die alle vormen van den ouden gothischen eeredienst had behouden, terwijl ze zich sterk hadden gewijzigd in landen, die christelijk waren gebleven. De toledaansche ritus werd dus bewaard in de zes kerken, waar hij in stand was gebleven tijdens de vreemde overheersching; maar langzamerhand nam het aantal Mozarabieren af, en die dienst zou onherroepelijk verloren zijn geweest, als Ximenes er niet een kapel aan had gewijd, die in directe gemeenschap werd gesteld met de kathedraal. De mis, die er dagelijks met groote praal wordt voorgediend, verschilt van de zoogenaamd romeinsche mis. Ofschoon er hier slechts sprake is van bloote vormquaesties, zooals van het breken der hostie in negen stukken, de volgorde der gebeden, de weglating van het laatste Evangelie enz. toch was er vroeger een hevige strijd tusschen de aanhangers der twee richtingen. Er werden formeele gevechten voor geleverd; ieder had zijn ridders, die voor haar in het strijdperk traden, en als de kamp onbeslist bleef, ging men tot de vuurproef over, om des hemels wil te vernemen. Er werd een brandstapel ontstoken, en in tegenwoordigheid van een angstig wachtende menigte werden de boeken van den eeredienst van Toledo en de latijnsche richting er tegelijk op geworpen. De eerste bleven ongedeerd, terwijl de andere verteerd werden. De stem des hemels had gesproken; de toledaansche ritus of die van den H. Isidorus werd behouden.

Ene Torera of stierenbestrijdster.

Tegenwoordig wordt de mozarabische mis min of meer als een curiositeit beschouwd; zij behoort tot het gebied der christelijke archaeologie. Hoewel de vreemdelingen er in grooten getale heen stroomen, kan men dat zelfde niet zeggen van de stadgenooten, die enkel door de ceremoniën der groote kerkfeesten er nog eens worden heengelokt. Het steeds afnemend aantal van de Mozarabieren behoeft geen verwondering te baren, als men bedenkt, dat bij de gemengde huwelijken de echtgenoot, die den latijnschen ritus aanhangt, meer voorrechten heeft dan hij, die den toledaanschen ritus volgt. Zoo ook moet in het eerste geval de vrouw terugkeeren in den schoot der latijnsche kerk, terwijl in het tweede zij niet mozarabisch wordt.

Het is zeer moeilijk te begrijpen, aan welk gevoel een hervormer als Ximenes gehoorzaamt, als hij door den bouw van een eigen kapel het voortbestaan waarborgt van een eeredienst, die bezig is te verdwijnen. Hoe het zij, het gebouw, dat in 1504 werd begonnen naar de plannen van Enriques de Egas en gebouwd door mohammedaansche meesters, Faraux en Mahomet genaamd, heeft niets opmerkelijks. Maar op den muur tegenover den ingang is een mooie fresco te zien van Jan van Bourgondië, gedagteekend 1514. De schildering stelt voor de episoden der ontscheping van het spaansche leger onder aanvoering van den grooten kardinaal vóór de stad Oran, en beslaat drie prachtig bewaarde groote schilderijen. De gebeurtenis had plaats in 1509 en de inneming van Oran, nog in denzelfden avond van den dag der ontscheping, was de groote triomf in het leven van Ximenes. Na zijn gebed had de hemel, volgens het zeggen der soldaten, het wonder van Jozua vernieuwd en de zon doen stilstaan tot de Christenen de muren van de muzelmansche vesting hadden vermeesterd.

Het is niet te verwonderen, dat de kardinaal, in spijt van zijn vurig geloof en zijn nederigheid, die algemeen bekend zijn, bezweken is voor de verzoeking, om voor het nageslacht de herinnering te bewaren aan den grooten dienst, welken hij aan zijn vaderland had bewezen, een dienst, die hem op de afgunst van Ferdinand kwam te staan, en hem voor verscheiden jaren veroordeelde tot een soort van ballingschap in zijn universiteit van Alcala.

De mozarabische kapel heeft niet alleen het voorrecht, het getrouw weergegeven portret van den Bladzijde 405grooten kardinaal te mogen bewaren. Men vindt ook zijn ascetengezicht onder de portretten der primaten van Spanje aan de wanden der Capitulatiezaal, en eveneens op een fresco boven de deur van die zaal. Dat schilderij stelt het Jongste Oordeel voor en de eindbestemming van den mensch. Toen de kunstenaar den kardinaal onder de uitverkorenen wilde plaatsen in de glorie des hemels, zei de prelaat: “Dat is te veel eer!”

“Moet ik dan Uwe Eminentie in de hel doen plaats nemen?”

“Dat zou een te groote vernedering zijn!”

Er werd een gemiddelde gevonden, en de kardinaal werd in het vagevuur gezet, maar geheel gereed om het te verlaten en van zijn kleederen ontheven, ten einde zoo snel mogelijk naar de oorden der gelukzaligen te kunnen verhuizen.

In het klooster San Juan de los Reyes.

Een andere groote figuur, maar deze onderworpen aan een bloedig en tragisch lot, had vóór Mendoza gepreekt onder de gewelven van het oude gebouw. Ik bedoel Alvaro de Luna, den gunsteling en minister van Juan II, vader van Isabella de Katholieke, wiens troon en hoofd in de kapel van Santiago rusten, welke hij bij zijn leven had laten bouwen en die een der schoonste is gebleven van de kathedraal. Nooit is een leven zonderlinger geweest dan dat van dezen laaggeboren man, tot macht verheven door de gunst van zijn heer, over Spanje regeerend gedurende twee-en-dertig jaren, stervend op een schavot, ten slotte in de kathedraal een bijna vorstelijk graf vindend en eerst langen tijd gerust hebbend in een graf op het kerkhof der terechtgestelden. Alleen het lot van kardinaal Wolseley kan met het zijne worden vergeleken.

Omstreeks 1437, toen hij op het toppunt van zijn macht was, had Alvaro de Luna de kapel van Santo Tomé gekocht, die in 1177 gesticht was door graaf Dom Muno de Lara. Hij had er naburige terreinen bijgevoegd en had de prachtige kapel laten bouwen, die aan den H. Jacobus was gewijd ter herinnering aan de Orde, waarvan hij tot Grootmeester was benoemd. Op de plaats, die hij voor zijn graf had bestemd, had hij een automaat van brons laten zetten, bezet met émail en verguldsel en op hemzelven gelijkend, die op kon staan en bij de zegenspreking kon knielen.

Volgens sommige kronieken werd de automaat vernield nog bij het leven van den Grootmeester door Dom Erique van Arragon in den oorlog, dien deze vorst tegen Castilië voerde in 1440. Een van die kronieken laat Dom Alvaro tot Dom Enrique zeggen:

“Waarom hebt gij mijn beeltenis niet geëerbiedigd en waarom hebt gij ze vernield, gij, die op het slagveld voor mij zijt gevlucht?”

Volgens andere schrijvers werd het beeld weggenomen op bevel van Isabella, de Katholieke, die gehinderd werd door de afleiding voor de geloovigen, Bladzijde 406als het zijn bewegingen uitvoerde. Het is waarschijnlijk, dat de eerste lezing de goede is, want het standbeeld van den Connétable zal zijn schande niet hebben overleefd, om tot de regeering van Isabella te wachten, eer het van zijn voetstuk neerdaalde. Hoe het zij, het brons van den automaat was niet verloren, en men meent er de overblijfselen van terug te vinden in de twee gebeeldhouwde preekstoelen, die links en rechts in de Capilla Mayor staan.

Op de beide sarcofagen, midden in de kapel geplaatst, liggen de marmeren beelden van Alvaro de Luna, gekleed in de wapenrusting en den mantel van de Grootmeesters der Orde van Santiago, en van zijn vrouw, Donna Juana de Pimentel. Een opschrift geeft niet anders dan den datum van den dood van den Connétable, die plaats had in 1453. De trekken van den beroemden gunsteling van Juan II doen denken aan die van het kleine portret, dat op het altaarblad is geschilderd, een portret, dat zeker naar een origineel is gecopiëerd, want het altaarblad werd ten geschenke gegeven en op zijn plaats gebracht in 1498, op bevel van Donna Maria de Luna, dochter van den Connétable. De sarcofagen, beide zeer mooi, zijn het werk van Pedro Ortiz.

Niet ver van de kapel van Santiago, en gekenmerkt door de veelkleurige standbeelden van de wapenherauten van Leon en van Castilië, vindt men de poort van de kapel der Nieuwe koningen, gebouwd door Alonzo Covarrubias, op bevel van Karel V. Zij is in den platereskenstijl opgetrokken, dat is de spaansche vroegrenaissance, en geeft daarvan een zeer schoon voorbeeld. Trots de betrekkelijke nieuwheid van het gebouw en vooral van de altaren, die van het einde der 18de eeuw zijn, leeft men er nog te midden van oude herinneringen. Onder de sierlijke ornamenteering van de Renaissance liggen in hun strenge heiligheid op hun graftomben de beelden der stichters van de eerste kapel, die op deze plaats werd opgericht, Dom Enrique van Castilië en zijn vrouw Donna Juana, gestorven, de eerste in 1378 en de tweede in 1381. Verderop die van Enrique III en zijn vrouw, Donna Catalina, gestorven in 1418.

In den hoek van de kapel hangt een zeer belangwekkend en zeer goed portret van Dom Juan II, den eerst te zwakken en later te strengen meester van den ongelukkigen Alvaro de Luna; het is het werk van Juan van Bourgondië.

De kunstenaar moet zich hebben laten inspireeren door het een of ander getrouw portret, want in die blauwe oogen, die frissche tint, de gevulde wangen en het ronde hoofd vindt men al de trekken terug, die op de meest authentieke portretten van Isabella, de Katholieke, werden aangetroffen. De blik van de dochter is alleen dieper en vaster dan die van den vader.

Aan het zeer hooge gewelf van de vestibule hangen aan den ingang van de kapel twee beroemde trofeeën, die Isabella zelve had laten plaatsen boven het graf van haar voorouders en die werden overgebracht naar de nieuwe kapel, gebouwd door haar kleinzoon, Karel V. De eene is een portugeesche vlag, buitgemaakt in den slag van Toro, die in 1476 is geleverd door de Katholieke koningen, en ten gevolge waarvan Isabella onbetwist meesteres bleef van Castilië; de andere is de volledige wapenrusting van den aferez Dom Duarte de Almaïda, die, toen hij in dienzelfden slag ernstig aan den arm gewond was, den koninklijken standaard bleef dragen tusschen zijn tanden tot aan het einde van het gevecht.

De historie zal het voorbeeld van de Katholieke koningen volgen en zal den vaandeldrager van Toro zich blijven herinneren.

Als men een bezoek heeft gebracht aan het groote schip der kathedraal van Toledo, en aan de tallooze kapellen, die erbij behooren, kent men nog slechts een deel van het monument. Er blijven nog over de sacristieën en magazijnen, de archieven en de bibliotheek, waar men sinds eeuwen bezig is de giften der koningen, prinsen en primaten van Spanje te rangschikken en behoorlijk te verzamelen. De omhulling is den inhoud waardig. De lambrizeeringen, de deuren, de kasten zijn voor het meerendeel meesterwerken van houtsnijwerk. Het plafond der groote sacristie met de ster- en kruisvormige vakken, rood of blauw, met goud ingelegd, is een wonder van de mudejarsche of mozarabische kunst. De bronzen, die er talrijk zijn, kunnen wedijveren met de bekleeding van de Leeuwenpoort.

Verscheiden boekdeelen zouden nauwelijks voldoende zijn, om een beschrijving te geven van de kostbaarheden, de tapisserieën, de banieren, de sieraden, de meubels en de historische herinneringen, waaronder men allereerst de tent van goudlaken aanwijst, die Isabella de Katholieke, vóór Granada liet opslaan. Dan zijn er beeldhouwwerken en schilderijen, het portret van kardinaal Borgia, geschilderd door Velasquez, alleen bekend bij enkele ingewijden, en de H. Antonio d’Alonso Cano, een beroemd beeldje, dat in werkelijkheid van Pedro de Mena is, een der leerlingen van den meester uit Granada.

En wat te zeggen van den schat der bibliotheek en der archieven, die nog zoo goed als ondoorzocht is? Wat zou het een genot zijn voor den onderzoeker, daar in de afdeeling voor muziek de werken terug te vinden, waarvan de meeste onuitgegeven, van de beroemde kapelmeesters uit de 15de en 16de eeuw, Francisco Penalosa, Bernardio Ribera, Andres Torrentes, Morales, Escovedo, Pedro Fernandes, Antonio Bernal, Navarro. Als men de bladzijden van enkele dier beroemde meesters inziet, moet men dan niet verbaasd zijn te constateeren, dat die in cijfers zijn geschreven, en in hun aanteekeningen de grondbeginselen aan te treffen van de methode Galin-Paris-Chevé, die dertig jaar geleden zooveel opgang maakte?

Maar diep binnen te dringen in de geheimzinnige schuilhoeken van de antieke kathedraal en haar inwendig leven grondig te leeren kennen is den stervelingen niet gegeven. Drie duizend sleutels zijn, naar het schijnt, noodig, om al haar deuren te sluiten; ik geloof, dat er nog veel meer vereischt worden, om ze te openen. Den H. Petrus zou dat niet gelukken, en wijs is hij, die zijn wenschen binnen de grenzen van het mogelijke weet te houden. Al peinzend over dat oude voorschrift, nam ik afscheid van mijn gidsen en verliet de kathedraal. Bladzijde 407

III.

Intocht van Isabella en Ferdinand volgens de kronieken.—San Juan de los Reyes.—Het hospitaal van Santa Cruz.—De zusters van Sint Vincentius a Paulo.—De beroemde portretten van de universiteit.—De engel en de pest.—De heilige Leocadia.

De groote naam van Isabella, de Katholieke, heeft vele malen in de kathedraal weerklonken, en in den loop van mijn herhaalde bezoeken heb ik hem door alle echo’s hooren herhalen. In dit schoone heiligdom, vroom juweel aan de kroon van Castilië, kwam de bewonderenswaardige koningin God danken, toen de overwinning in den slag van Toro haar in het bezit had gesteld van den schepter, dien zij met zoo grooten roem zou voeren. De verhalen uit dien tijd hebben een trouwe herinnering bewaard van dien beroemden intocht. Hij had plaats op 31 Januari 1476.

De straten en het Zocodover waren reeds van zonsopgang af gevuld met een luidruchtige, zeer opgewonden menigte. De rechters en de wethouders waren op straat gekomen, dezen in costumes van schitterende kleuren; genen in lange, prachtige zijden gewaden. Aan de deuren en aan de weinige buitenopeningen van de huizen had men fijne geweven stoffen opgehangen, oostersche tapijten, heerlijke stoffen uit Venetië of geweven door bekwame weefkunstenaren uit Toledo. Langzamerhand was het in de stad leeg geworden, en de menigte, die de aanwijzingen van de hoofden der aanzienlijke families volgde, had zich verspreid naar den kant van de hermitage van Sint Eugenius, waar men reeds jongleurs, zangers, dichters, muzikanten, en danseressen had bijeengebracht, die alle rijk gekleed waren.

Weldra verscheen, aangekondigd door fanfares en begroet met gezang, dat de vereeniging van Castilië met Arragon blij begroette, de koninklijke stoet; de hoofden gingen omhoog en de halzen rekten zich uit, om de souvereinen beter te kunnen zien, wier overwinning den vrede verzekerde aan de twee koninkrijken, en wier glorie op aller lippen was. Ferdinand, nog zeer jong, met goed figuur, donkere oogen en haren, intelligent gezicht, bereed al uitstekend een prachtigen klepper. De koningin was gezeten op een muildier, dat rijk was opgetuigd, en geleid werd door twee pages uit de edelste geslachten van het land. Zij was niet groot, maar er sprak uit haar houding en haar trekken een fiere majesteit. Haar hoogblonde haren waren bijna geheel verborgen onder de sluiers, die om haar hoofd waren geslagen; haar zeer blanke huid, de grijsblauwe oogen herinnerden er aan, dat van vaderszijde zij vermaagschapt was aan het huis van Lancaster. Een uitnemende gratie en een engelachtige glimlach maakten de strengheid van het voorhoofd en de vastheid van den blik zachter. Isabella was zes-en-twintig jaar, twee jaar ouder dan haar echtgenoot, en reeds had ze een rijk onderworpen, dat haar betwist werd door vreemdelingen en oproerlingen.

Na den eed te hebben afgelegd, dat zij de privileges zouden handhaven, die aan de stad geschonken waren, en na de wallen overgetrokken te zijn, begaf het koningspaar zich naar de kathedraal. Zij traden er binnen door de poort der Vergeving, terwijl jeugdige kinderen, die engelen voorstelden, hun met muziek welkom heetten. En geknield aan den voet van het altaar, dankten zij den Eeuwige, die hun had vergund, den vreemdeling uit Castilië te verdrijven en hem had gedwongen, zich over de grens terug te trekken naar Portugal. Misschien plantte de onvergelijkelijke vorstin op dien dag in den tuin van het klooster den nu veel honderden jaren ouden taxisboom, waarvan elk eenigszins begunstigd reiziger eenige bladeren ontvangt bij wijze van souvenir.

Onder de regeering van Juan II, den vader der koningin, had de beroemde gunsteling, Alvaro de Luna, eenige vertrekken van het Alcazar ter beschikking van zijn heer laten stellen. Daarheen begaven zich de vorstelijke personen. Er was een eenvoudig ontbijt gereed gezet, want zij vastten dien dag; maar in spijt van de berooidheid der schatkist werden de armen niet vergeten.

Den tweeden Februari kwamen de koning en de koningin weer in de kathedraal met nog grooter luister.

Isabella straalde in verheven schoonheid; men had alleen oogen voor haar, want alles verbleekte naast de lelie van het koningschap. Op haar kleed van wit brocaat waren in goudborduursel de kasteelen en de leeuwen, als symbolen van haar erfelijke rijken aangebracht; een lange mantel van hermelijn viel neer van haar schouders en vormde een lange sleep, door twee jonge pages opgehouden. Op haar hoofd, door lichte sluiers omgeven, schitterde een gouden kroon, bezet met edelgesteenten; om haar hals hing een prachtige collier van bleeke robijnen. Het edelgesteente, dat op haar borst fonkelde, trok aller blikken tot zich, niet enkel om zijn buitengewone grootte, en den onvergelijkelijken glans, maar omdat het, naar men zeide, toebehoord had aan Salomo. Het bewijs daarvoor vond men in het hebreeuwsche opschrift, dat er op was gegraveerd.

Vóór het koningspaar uit wapperden hoog en fier de vlaggen van Leon, Castilië en Arragon, terwijl de vlaggen van Lusitanië, die door den vijand achtergelaten waren in de wanorde, die op den slag van Toro was gevolgd, omgekeerd en in vernedering in den stoet werden meegedragen. De triumphators, die na een gelukkig ten einde gebrachten oorlog in de stad van Romulus binnentrokken, boden met geen grooteren trots de op den vijand buitgemaakte eereteekenen aan het romeinsche volk aan.

Na de mis te hehben gehoord, en na boven het graf van haar voorvaderen, wien zoo vaak door de Portugeezen ontzag was ingeboezemd, de getuigenissen van de zegepraal te hebben laten ophangen, wilde Isabella in Toledo een duurzamer herinnering van de overwinning achterlaten. Dat denkbeeld leidde tot de oprichting van het beroemde klooster van Juan de los Reyes.

Het gebouw, dat aan den rand van het plateau is gelegen boven het groene, bloeiende dal van de Taag, als de rivier zich van de stad verwijdert, is aangelegd in den vorm van een latijnsch kruis, en opgetrokken van witte kalksteen, die zeer fijn en hard is en daardoor zich uitstekend leent voor de meest grillige fantazieën der beeldhouwers. Midden tusschen de verschillende onderdeelen verrijst tot op groote hoogte een zware en mooie koepel. De steunsels Bladzijde 408der bogen rusten op twee sierlijke tribunes, die voor het koningshuis waren gereserveerd, terwijl een gebeeldhouwd fries, rondom de beuken der kerk loopend, een prachtig opschrift droeg in gothische letters, verheerlijkend de roemrijke namen der stichters.

Aardige kleine onderdeelen trekken telkens de aandacht, zonder den indruk van grootschheid en strengheid weg te nemen, die door het geheel wordt gemaakt. Hier ziet men bloemen, kransen, vogels; ginds een aap, als monnik gekleed, met een kap over het hoofd, in diepe aandacht zijn brevier bestudeerend. Welk een zonderlinge oneerbiedigheid, die men toeliet in die tijden van innige vroomheid!

Toen Isabella aan de Franciscaners het klooster en de kerk San Juan de los Reyes gaf, waar zij haar laatsten slaap wilde slapen, begiftigde ze hen tevens met een inkomen van 7000 maravedi’s, (een koperen spaansche munt van nog geen nederlandsche cent waarde) die genomen moesten worden uit de koninklijke schatkist, zonder dat de inkomsten in geld en in natuurproducten, die van het land geheven werden, ervoor behoefden te verminderen. Buitendien verrijkte zij hen met kunstwerken, met miniaturen, juweelen en kostbare manuscripten, in Duitschland gekocht en in Italië. Inderdaad meende de groote koningin van Castilië, dat zulk een mildheid haar volk ten goede kwam. Met het doel, haar volk te beschaven, wist zij de oprichting van twee leerstoelen voor de theologie door te zetten voor de studenten, en voor kinderen uit de provincie werden scholen gebouwd; zij stond erop, dat men er de christelijke leer duidelijk uiteenzette op een wijze, die deze leer begrijpelijk en bemind maakte. Nu was geen enkele orde van geestelijken aard meer het vertrouwen van Isabella waardig dan die der Franciscaners; geen godsdienstig genootschap verdiende zoozeer om zijn talenten en deugden te worden uitverkoren door de vorstin.

San-Martinobrug te Toledo.

Na de verovering van het koninkrijk Granada wijzigden zich Isabella’s denkbeelden, en in haar testament, een voorbeeld van wijsheid en voorzichtigheid, beval zij, dat men haar stoffelijk overschot zou bijzetten in de stad, die met zooveel opofferingen was vermeesterd.

De gunst, waarin zich het klooster van Toledo mocht verheugen, verminderde niet onder de volgende regeeringen; Karel V voltooide het werk van zijn bloedverwante; Filips II schonk er groote giften aan, en deed het de verheven eer aan, het kapittel-generaal van alle groote militaire orden van Spanje te mogen bewaren, en eindelijk bedekte Filips III er de wanden met schilderijen en logeerde bij voorkeur in het Alcazar bij de verkiezing van den Generaal der Franciscanen, bij welke gelegenheid de vorst er feesten gaf en luisterrijke maaltijden.

Toen Mevrouw d’Aulnoy Spanje bezocht, was zij zeer getroffen door de pracht van de kerk. “Zij is groot en schoon,” schreef zij, “en staat vol met oranjeboomen, granaatboomen, jasmijn en zeer hooge myrten, die in hun bakken heele lanen vormen tot aan het hoofdaltaar, dat met een zeer rijke versiering is getooid. Zoodat met al die groene bladeren en al die bloemen van verschillende kleuren, en als men er het goud en het zilver ziet fonkelen tusschen de borduurwerken en de aangestoken waskaarsen, waarmee het altaar is overdekt, het is, of men de zonnestralen zelve ziet. Er zijn ook kooien, mooi geschilderd en verguld, waarin nachtegalen, sijsjes en andere vogels een bekoorlijk concert geven.” Bladzijde 409

Moskee van Cordova.

De kerk en vooral het klooster hebben verschrikkelijk geleden van den oorlog en van den brand, die in 1809 veel onheil stichtte en een deel van het altaar, de geschilderde glazen, de bibliotheek en de helft van het klooster verwoestte. In 1835, ten tijde van de Revolutie en van de afschaffing der godsdienstige orden, werd het gebouw in een kruitmagazijn veranderd.

Fransiscus van Assisi in de
kathedraal van Toledo.

Het zou geheel ten onder zijn gegaan, indien niet in 1844 de Commissie voor de historische Monumenten er de beschermende hand over had uitgebreid, door de gemeente van San Martino erheen over te brengen. Aan den dienst teruggegeven, en voor de bedelaars gesloten zoowel als voor de plunderaars, is de kerk bewaard gebleven voor de verwoesting, waarmee ze werd bedreigd.

Wat het klooster betreft, dat heeft sinds 1858 een restauratie ondergaan, die even talentvol wordt uitgevoerd als ze langzaam tot stand komt, en het is tegenwoordig het kostbaarste en schitterendste voorbeeld van den gothischen bouwtrant in Spanje. De bogen, die een lengte van 26 meter innemen aan elk der vier zijden, zijn versierd met een menigte beelden, sieraden, vogels, vruchten en bloemen, uitgelezen kunstig bewerkt. Op den binnenmuur, die ook met beelden is versierd, gedragen door elegante caryatiden, onder de fijne kroonlijst, ziet men een lang opschrift in de castiliaansche taal. De mooie gothische letters, die het vormen, zijn gelijk aan die, welke binnen in de kerk zijn gebruikt, al zijn ze minder groot. Ferdinand en vooral Isabella worden er uitbundig maar niet overdreven geprezen.

Dit klooster en de kerk werden opgericht op bevel van de katholieke en zeer uitnemende vorsten Ferdinand en Donna Isabella, koningen van Castilië, Arragon en Jeruzalem, vanaf de eerste fondamenten, voor de eer en de glorie van den Koning der Hemelen en zijn gelukzalige Moeder en tevens van den H. Johannes den Dooper en den H. Franciscus, hun ijverige bemiddelaars. En na den bouw van dit huis veroverden zij het koninkrijk Granada, roeiden de ketterij uit en verdreven alle ongeloovigen, verkregen alle rijken in Spanje en Indië, en voerden hervormingen in bij alle kerken en gemeenten van monniken en nonnen, die in hun gebied hervorming van noode hadden; en na zoo groote en voortreffelijke Bladzijde 410werken stierf de koningin te Medina del Campo, gekleed in het gewaad van den H. Franciscus, den 5den November van het jaar 1503.

Evenals de kerk is het klooster gebouwd naar de plannen van een der beroemdste bouwmeesters van de kathedraal, Juan Guaz, een Vlaming, naar men meent, en wiens trekken voor ons bewaard zijn gebleven op een fresco, dat behoort in San Justo y Pastor. Om tusschen de beide verdiepingen van het klooster een verbinding tot stand te brengen, die het gebouw waardig was, beval Karel V later aan Covarrubias, een prachtige trap te maken, die overdekt is met een koepel in den vorm van een schelp, waarop het wapen van den grooten keizer voorkomt naast dat van zijn voorvaderen. Op de bovenste galerij komt ook uit de cel van Ximenes, die er met eerbied wordt vertoond. De latere groote staatsman was de eerste nieuweling, die te San Juan het kleed der Franciscanen aannam.

Nog in de allerlaatste jaren is San Juan de los Reyes bedreigd geworden met een groot verlies. Na de inneming van Malaga had Isabella als krijgstrofeeën de ketenen van de door haar in vrijheid gestelde christelijke gevangenen erheen gezonden en had bevolen, ze te hangen aan de buitenmuren der kerk. Sinds vier eeuwen beschreven die donkere ringen hun kringen op het witte gesteente, toen een alcade met veel practischen zin ze liet loshaken en bevel gaf ze om te smeden tot deelen van banken en tot een slot voor den openbaren tuin. Gelukkig had men den tijd, de volvoering van zulk een heiligschennend plan te voorkomen, en de ketenen hernamen de zoo lang ingenomen plaats.

In een der lage zalen van het klooster, misschien een ruime sacristie, heeft men een massa ongelijksoortige voorwerpen bijeengebracht, die meer of minder droevige of merkwaardige gebeurtenissen in de herinnering terugroepen, zooals schilderijen, stukken gebeeldhouwden steen of houtsnijwerk, émails en eerwaardig ijzerwerk. Te zamen heet het min of meer pompeus het Provinciaal Museum. Men kan er een bezoek brengen, als de portier zoo vriendelijk is op het schellen aan de deur te letten. Indien zijn bezigheden hem in zijn vertrekken vasthouden, mag men wachten; maar als men niet wordt binnen gelaten, behoeft men daar niet al te rouwig om te zijn; alle voorwerpen, die werkelijk eenige waarde hadden, zijn naar Madrid gebracht.

Isabella liet het niet bij die vrijgevigheid jegens de oude hoofdkerk van Castilië. In de laatste jaren van haar leven begiftigde zij haar nog met het toevluchtsoord van Santa Cruz voor vondelingen. Toen zij den bouw van dit schoone gebouw ondernam, trad zij op als uitvoerster van den uitersten wil van haar getrouwen minister, kardinaal Mendoza, denzelfden staatsman, wien zij met geweld een laatste rustplaats schonk in de Capilla Mayor van de kathedraal.

De kardinaal was gestorven in 1495, vóór de eerste steen was gelegd. De koningin kwam dadelijk tusschen beide, hief de moeilijkheden op, die rezen naar aanleiding van de verwerving van terreinen, in handen van kloosterorden, en toen zij op haar beurt stierf, in 1503, waren alle schikkingen zoo goed getroffen, dat de bouwmeester Enrique de Egas op geen enkelen hinderpaal stuitte. Tien jaren later was het gesticht gereed. Het is gebouwd in den vorm van een grieksch kruis of het kruis van Jeruzalem. De kerk bevond zich vroeger bij het snijpunt van de armen van het kruis; de gebruiksverandering tot Kadettenschool heeft ertoe geleid, dat het altaar verplaatst werd naar het uiteinde van een der armen.

Ofschoon het vondelingenhuis van Santa Cruz zeer weinige jaren na San Juan de los Reyes gebouwd is, lijken de stijlen niets op elkaar. De velerlei aanraking met Italië had Spanje de oogen geopend voor nieuwe richtingen. Dadelijk had het die met geestdrift aanvaard, vergetend zijn eigen verleden en de overleveringen, die uit Bourgondië en Vlaanderen in vroeger eeuwen waren overgekomen. Alleen de prachtige houtbetimmeringen met de houtmozaïeken in de vier zijbeuken zijn van die mozarabische kunst, waarvan Toledo zooveel kostelijke voorbeelden bezit.

Rechts van de ruimte, die tegenwoordig tot ingang dient, is een kloostergang met zuilen in klassieken stijl. Men komt op de bovenverdieping langs een zeer fraaie trap, die begint onder een portiek, gevormd door drie zuilen met verrukkelijk fijn snijwerk. Groote treden uit één stuk fijn, wit marmer voeren naar galerijen, waar bedelaars en plunderaars de houtbekleeding van hebben weggeroofd, zoodat men nu van balk op balk moet springen op gevaar af in de spleten te vallen en door het dunne plafond terecht te komen op de steenen van de lager gelegen gang.

Deze gang staat in verbinding met een andere kleinere, die zware zuilen en kapiteelen heeft, afkomstig uit de antieke kapel van de H. Leocadia. Uit de weinige vensters, die een paar cellen van die kloostergangen verlichten, ziet men neer in de kloof, waar de Taag door stroomt, op de brug van Alcantara en het kasteel van San Cervantes, dien mooien, strengen toegang tot Toledo. Men kan zich zeer goed voorstellen, dat de overlevering op de terreinen, nu door het hospitium ingenomen, het oude Alcazar heeft geplaatst, dat zich in 1085 aan koning Alfonsus VI overgaf, gedwongen door een hongersnood, dien een streng en langdurig beleg had veroorzaakt. Op geen enkele plaats kon men een betere positie innemen ter verdediging van de rivier. Wat is er van die vesting overgebleven? Niets dan een vervallen en half ingestorte toevlucht, die er uitziet of ze een beleg heeft doorstaan, en dan de diepe melancholie van de dingen die niet worden gebruikt.

Het werk van Karel V is niet enkel vertegenwoordigd door de Visagrapoort, Toledo is ook aan hem verschuldigd het mooie binnenplein van het Alcazar, en bovendien dateert uit zijn regeering het hospitaal van San Juan a Fuera, gebouwd door den kardinaal-aartsbisschop Dom Juan Tavera. In 1541 begonnen, werd het eerst in 1624 voltooid. De indrukwekkende gevel van uitstekenden smaak strekt zich uit over een lengte van ongeveer honderd meter. Uit de kerkpoort zagen wij de zusters van Sint Vincentius a Paulo komen met haar witte mutsjes, die alleen al door haar tegenwoordigheid den indruk van orde en netheid geven, die ieder moet treffen zoodra hij den drempel overschrijdt.

Welk een verrassing is het, de steenen van de gangen zonder vlekken te zien, de hoeken zonder Bladzijde 411vuil en de oude mannen gewasschen en gekamd, terwijl er geen bewakers rondloopen, die bedelen met een dreigement in den blik! Men gevoelt, dat Frankrijks goede engelen over de bergen zijn gevlogen, en dat voor haar goede werken de wereld nooit groot genoeg zal zijn.

Bij de kruising van het schip der kerk met de armen van het kruispand welft zich een zeer hooge en wijde koepel over het graf van den stichter van het liefdehuis. Dat is het laatste werk van Alonso Berruguete. Mogelijk is de koepel zelfs wel afgemaakt door zijn zoon, in 1561. De jaren hadden de hooge vlucht van den kunstenaar wat getemperd, want hij heeft nooit beter de zachte kalmte van den dood van den rechtvaardige weergegeven. De versieringen van de sarcofaag zijn van een lateren tijd dan het beeld van den doode, en hoewel in goeden italiaanschen stijl, zijn ze veel minder waard. Zij zijn het werk van een inlandschen kunstenaar; maar in dien tijd, en als ze zich aan het marmer waagden, waren de spaansche beeldhouwers zoo gewend aan de italiaansche manier, dat het moeielijk wordt, hun werk te onderscheiden van wat uit de werkplaatsen in Genua en Florence kwam.

De burgers van Toledo mogen graag hun stad vergelijken bij de hoofdstad der Christenheid. De parallel valt dan geheel in hun voordeel uit. Men oordeele:

Toledo en Rome hebben zeven heuvels, Toledo en Rome hebben een tarpeïsche rots; Toledo en Rome zijn beide vol kloosters; Toledo en Rome hebben beroemde prelaten zien geboren worden; maar het Rome van Italië heeft ernstige fouten begaan en dwaasheden, waarvoor het Rome van Spanje zich heeft weten te behoeden. En eindelijk steekt Toledo haar mededingster de loef af door de algemeene vermaardheid, die haar marsepein heeft verkregen, het marsepein met amandels; op dat gebied behoeft niet te worden gestreden, daar komt de eerepalm toe aan het Roma del Marzapan.

Ik geloof, dat geen vreemdeling Toledo beter heeft gezien dan ik onder het geleide van mijn uitstekenden vriend, professor Ventura y Reyes. Er is geen stukje van de oude stad, of hij heeft het onderzocht met een talent, dat alleen te vergelijken is met zijn bescheidenheid. Daar vandaag, Zondag, het provinciaal museum gesloten was, had de doctor mij ten zijnent geïnviteerd, om dan samen een wandeling buiten de stad te doen.

“Wij hebben daar,” had hij tot mij gezegd met een zekere geheimzinnigheid, “twee vrouweportretten, die u zeer zullen interesseeren”.

“Uit welken tijd?”

“Uit den tijd van Filips IV.”

“Een Velasquez, een Greco?”

“Wie weet?”

Ik ging heen in groote spanning. Wat een rijkdommen heeft toch dat Spanje, dat zoo geheimzinnig is en zoo bescheiden! De ontroering deed mijn hart sneller kloppen, toen wij in de bibliotheek binnen gingen. Achter in de zaal, in een soort van afgesloten hoekje bij den katheder van den professor, hingen twee doeken van vrij groote afmeting tegenover elkander. Ik liep er snel op toe; mijn oogen doorboorden de duisternis, en ik zie een prachtige vrouw met een baard, omringd door haar man en kinderen. Een roode sluier bedekte het gelaat, terwijl het laag uitgesneden corsage de borst van de kleur van leliën en rozen liet zien.

Natuurlijk heeft Velasquez niets met dit portret uit te staan.

“Wat zegt u ervan?” vraagt mij lachend mijn gids.

“Dat moet een reclame wezen van een fabrikant van schoonheidsmiddelen of van een middel voor den haargroei.”

“U vergist zich; het is het authentieke portret van een dochter van het blonde Germanië. Geboren in Duitschland, in 1620, kwam zij in 1664 in Spanje, en zoowel om haar baard als om haar talent als organist wist zij belangstelling te wekken. Dit portret en het uitvoerige opschrift dat het draagt, zijn er de onmiskenbare blijken van. En nu, keer u eens om.”

’t Is, of het om een weddenschap te doen is! Daar sta ik weer tegenover een vrouw met een baard!

“Meent u dan, dat Spanje bij Duitschland achter heeft willen blijven?”

De eerste vrouw was hoogblond en zag er vroolijk uit; deze tweede met witten baard heeft een zeer streng uiterlijk. Hier geen laag uitgesneden kleed; een hooge guipure en een stijve kraag omsluiten hals en borst en het gezicht kon dat zijn van een uit China teruggekeerden zendeling. Onder dit beeld zocht ik te vergeefs naar een opschrift, en ik vond er slechts een cijfer. Deze tijdgenoote van Filips IV was vijf-en-vijftig jaar, toen men haar weinig aantrekkelijk uiterlijk vereeuwigde.

Neen, de jeugdige leerlingen van het provinciale lyceum worden niet op de proef gesteld door wat men hun te zien geeft!

Maar wat is de aanleiding geweest tot de dwaasheid, dat deze dochteren Eva’s er zoo op gesteld waren, aan de wereld den rijkdom van haar baard te vertoonen? De methodische exploitatie en het winstgevend bedrijf om phenomenen te laten zien, was nog niet in de zeden doorgedrongen.... Een paar eeuwen later zou Barnum haar fortuin en het zijne hebben gemaakt.

De dag, die onder zoo gelukkige voorteekenen was begonnen, was als een vergoeding voor de ernstige studiën van de vorige week. Sedert mijn aankomst had ik vertoefd in de geheimzinnige schaduw der kerken, onder kloostergewelven, bij graven en tot ruïnen vervallen paleizen; had ik dan niet verdiend, ook eens naar buiten te gaan?

Zoodra we de stad hadden verlaten, was het alles een schittering van licht en vreugde; de herfstzon glimlachte met haar vriendelijkste gezicht. Toch keerde ik mij even om, en keek naar de versterkte poort, die ik was doorgegaan. Een engel stond daar met een zwaard in de hand, streng en toornig tusschen twee zware torens. En de bewoners van Toledo, de jongen en de ouden hebben zich afgevraagd, waarom die godsgezant hun een zoo donker gezicht liet zien. Er moest een verklaring wezen, en er is een legende ontstaan.

De engel des Heeren waakt over Toledo en verbiedt de rampen en ellenden de stad te naderen; zij, die Bladzijde 412zooveel leed over de arme menschheid brengen.

Eens verscheen de afschuwelijke pest en vroeg om te worden toegelaten.

“Wat komt gij hier doen?” vroeg de engel in woede ontstoken.

“Ik ben een gezant van God, gij hebt niet het recht mij te weren.”

“Mijn volk is vroom; als God in zijn ontevredenheid enkele armzalige visschers wil tuchtigen, dat hij er ten minste rekening mee houde, dat Toledo trouw de Heilige Maagd heeft gediend. Beloof mij, dat gij u met twintig slachtoffers zult tevreden stellen.”

De engel bad en smeekte; maar de pest vond dat niet genoeg en wilde niet met minder dan tweehonderd tevreden zijn.

Toen moest de vreeselijke schatting, die gevraagd werd, worden toegestaan. De pest ging binnen, en gedurende drie maanden richtte zij vreeselijke verwoestingen aan en deed de bewoners van Toledo bij duizenden sterven.

Vrouw uit Cordova met mantilla van chenille.

“Ellendeling, leugenaarster, meineedige!” schreeuwde de engel, toen de ziekte eindelijk vertrok. “Ik zal u bij den hemel aanklagen.”

“Waarom die woede? Gij hadt mij de levens van tweehonderd slachtoffers afgestaan. Die heb ik genomen. De anderen zijn allen van vrees gestorven. Daar heb ik geen schuld aan!”

Van de vlakte, waarop men uitkomt, als men de wallen achter zich heeft gelaten, rust het oog eerst op de meer dan middelmatige beelden van eenige koningen van Spanje, om daarna in het dal af te dalen naar de ruïnen van een romeinsch circus, dat systematisch verwoest werd, toen Abd el Rahman, gouverneur van Tolestane, zich onafhankelijk trachtte te maken.

Langzaam dalend, komt men bij het heiligdom van Cristo de la Vega. Het kerkgebouw is opgericht op de plek, waar de heilige Leocadia den marteldood onderging.

Leocadia was schoon en werd bemind. Toen men van haar eischte, dat zij het Christendom zou afzweren, was zij bang, niet sterk te zullen zijn en door de pijn te zullen worden overwonnen en haar God te verraden. Daarom riep zij hem te hulp en smeekte hem, haar tot zich te roepen en haar de smadelijke ontrouw aan het geloof te besparen. En terwijl zij met haar hand een kruis op den grond teekende en dat eerbiedig kuste, stierf zij met den naam van Jezus op de lippen.

Er verloopen eeuwen. Pas tot het Christendom bekeerd, heeft koning Sisebuth een prachtigen tempel laten oprichten op de plek, waar de martelares gestorven is. In de nabijheid van haar hoogvereerd graf werden conciliën gehouden. Monarchen en bisschoppen hebben naast haar willen rusten, en daar op eens doet een nieuw wonder de vroomheid van het volk en de koningen nog stijgen.

Het was op 9 December 666. Bisschop Ildefonsus vierde in het heiligdom den jaardag van den dood der heilige. Plotseling verdween de grafsteen in den glans eener lichtende verschijning. Een engelengedaante gehuld in witte sluiers, vertoonde zich voor de blikken der aanwezigen. Leocadia leeft, zij glimlacht, zij spreekt, zij prijst Ildefonsus, dat hij op het Concilie de maagdelijkheid van de Moeder Gods heeft verdedigd.

De bisschop is op de knieën gevallen, hij luistert, beeft en twijfelt. Neen hij is niet het slachtoffer van een gezichtsbedrog, de verrukking, die op aller gezichten te lezen staat, stelt hem gerust. Hij beeft van vreugde, strekt zijn handen naar de verschijning uit, en, aangemoedigd door den koning, wil hij de stralende grijpen. Maar Leocadia behoort niet meer tot deze wereld van smarten; zij zal zich niet door een aardsch wezen laten aanraken. Zij wordt minder duidelijk zichtbaar en verdwijnt als een vluchtige schaduw onder den steen, die zich weer sluit. Maar de verdwijning heeft niet snel genoeg plaats gehad. Een slip van haar lichten sluier is tusschen den steen en den vloer blijven zitten. De vorst springt naar voren om die te grijpen, maar plotseling tegengehouden door het gevoel zijner onwaardigheid, reikt hij den bisschop zijn degen toe, die het kostbaar stuk, getuigenis van het wonder, afsnijdt.

“Maagd en martelares,” roept de bisschop uit, “gij, die waardig zijt, den Verlosser in zijn hemelsche glorie te aanschouwen, die uw leven hebt gegeven, om zijn liefde te verdienen, zie met genadig oog neder op de stad, waar het Gode behaagd heeft, u te doen geboren worden, bescherm haar, en laat uw tusschenkomst strekken tot heil van den monarch, die plechtig uwen feestdag viert.”

Nog heden wordt in de kathedraal de eenige reliek der schutsvrouw van Toledo bewaard. Een standbeeld van de H. Leocadia, dat echter niet veel kunstwaarde heeft, is in de kapel te zien.