Vijfde Bedrijf.
Eerste Tooneel.
In ’t park.
Holofernes, Nathanaël en Dom komen op.
Holofernes.
Satis quod sufficit.
Nathanaël.
Ik loof den Heer om u, heer magister; uw tafelgesprekken waren puntig en spreukrijk, vermakelijk zonder plompheid, geestig zonder gezochtheid, stoutmoedig zonder driestheid, geleerd zonder zelfverheffing, en eigenaardig zonder ketterij. Ik had een dezer quondam dagen een gesprek met een metgezel des konings, die getiteld, geheeten of genaamd wordt: Don Adriano de Armado.
Holofernes.
Novi hominem tamquam te; zijn wezen is hoog, zijn gesprek peremptorisch, zijn tong gepolijst, zijn oog vol ambitio, zijn gang majestueus, en zijn geheele wijze van doen ijdel, belachelijk en thrasoniek. Hij is al te gezocht, te opgesmukt, te gemaakt, te zonderling, als het ware al te peregrinatorisch, als ik het wel zoo noemen mag.
Nathanaël.
Een zeer eigenaardig en uitgelezen epitheton.
(Hij haalt zijn zakboekje te voorschijn.)
Holofernes.
Hij spint den draad zijner verbositeit fijner uit dan de vezel zijner argumenta. Ik verafschuw dusdanige fanatieke fantasten, zulke insociable en haarkloovende makkers, zulke radbrakers der orthographie, dewelke gezocht jongen uitspreken als zij jon-gen moesten zeggen, mens als zij mensch moesten uitspreken,—m, e, n, s, c, h, en niet m, e, n, s; hij noemt een nestjen nesje; eigentlijk eigenlik; weereld wèreld; hoofdpijn vocatur hoofpijn; hoofd wordt geabbrevieerd tot hoof. Dit is abhominabel, waarvoor hij abominabel zou zeggen; het doet mij gedenken aan insanie; ne intelligis, domine?—waanzinnig, delireerend. 29
Nathanaël.
Laus deo, bone intelligo.
Holofernes.
Bone?—bone voor bene; een kleine schram voor Priscianus; maar het kan dienen.
(Armado, Mot en Dikkop komen op.)
Nathanaël.
Videsne quis venit?
Holofernes.
Video et gaudeo.
Armado
(tot Mot). Gnaap!
Holofernes.
Quare gnaap, en niet knaap?
Armado.
Mannen des vredes, blijde u te recognosceeren.
Holofernes.
Salutem, strijdhaftige heer.
Mot.
Zij zijn op het een of ander groot taalfeest geweest en hebben de klieken gestolen.
Dikkop.
O, zij hebben al lang op de aalmoezenmand van zulke woorden geteerd. Het verwondert mij, dat uw meester u nog niet voor zulk een woord heeft opgegeten; want gij zijt op geen hoofd na zoo groot niet als honorificabilitudinitatibus; gij zijt gemakkelijker in te slikken dan een vlamwiekje.
Mot.
Stil, het gelui begint.
Armado
(tot Holofernes). Monsieur, zijt gij niet een geletterde?
Mot.
Ja zeker, hij leert jongens het A-B-boek.—Wat is a, b, andersom gespeld?
Holofernes.
Dat is b a, pueritia; maar wat volgt?
Mot.
En B met den volgenden klinker, en gehoornd?
Holofernes.
Dat is b e, jongeling;—maar gehoornd?
Mot.
Bè! onnoozel schaap, gehoornd.—Gij ziet, hoe geleerd hij is. 54
Holofernes.
Quis, quis, gij consonant?
Mot.
Dat zal ik u zeggen; als gij maar eens begint mij de voornaamwoorden op te noemen, dan zal ik vervolgen.
Holofernes.
De pronomina? Ik—
Mot.
—schaap, gij schaap, en zoo vervolgens.
Armado.
Nu, bij de zilte baren der Middellandsche Zee, een aardige stoot en een kostelijke uitval van den geest! Snip, snap; stoot en raak! Het verlustigt mijn intelligentie; echte geest!
Mot.
Van een jong lam tegen een ouden ram; ja, ja!
Holofernes.
Wat is dat voor een allusie, voor een figuur?
Mot.
Een gehoornde.
Holofernes.
Gij disputeert als een infans. Ga uw tol liever drijven.
Mot.
Leen mij uw hoorn, om er een uit te maken, en ik zal uw schande rondzweepen, circum circa. Een tol van zulk een hoorn!
Dikkop.
Als ik maar één stuiver in de wereld had, dan zoudt gij hem hebben om peperkoek te koopen. Hier, daar hebt gij de eigenste remuneratie, die ik van uw meester gekregen heb, gij halve-stuiversbeurs van geest, gij duivenei van slimmigheid. O, als het den hemel behaagd had, dat gij al was het maar mijn basterd waart, welk een gelukkig vader zoudt gij mij maken! Ga voort; gij hebt het ad ongelem, gij zuigt het uit uw duim, zooals men zegt.
Holofernes.
Ha! daar ruik ik vervalscht Latijn, ongelem voor unguem.
Armado.
Vrijekunsten-man, prœambula; wij willen afgezonderd van de barbaren zijn. Leidt gij de jeugd niet op in het opvoedingsgesticht op den top des bergs?
Holofernes.
Of montis, des heuvels.
Armado.
Naar uw liefelijk welgevallen, wat den berg betreft.
Holofernes.
Alzoo doe ik, zeker, senza dubbio.
Armado.
Mijn heer, het is des konings hoogstliefelijk welgevallen en affectie, de prinses in haar paviljoen te congratuleeren tegen de posteriora van dezen dag, wat de onbeschaafdheid der menigte den achtermiddag noemt.
Holofernes.
De posteriora van den dag, zeer grootmoedige heer,—dit is verantwoordelijk, congruent en toepasselijk voor achtermiddag; het woord is welgekozen, uitgelezen, liefelijk en geschikt; ik verzeker het u, heer, ik verzeker het u. 99
Armado.
Mijn heer, de koning is een echt edelman en mijn intimus; dit kan ik u verzekeren, goede vriend.—Wat onze vertrouwelijkheid aangaat, zwijgen wij daarover;—ik bid u, neem uw hoffelijkheid met den geest in acht; ik bid u, omhul uw hoofd!—en onder andere dringende en hoogst gewichtige plannen,—en van groote belangrijkheid, inderdaad, bovendien,—maar zwijgen wij daarvan;—want ik moet zeggen, dat het zijne genade,—bij het heelal, ja!—somwijlen behaagt op mijn nederigen schouder te leunen, en met zijn koninklijken vinger, aldus, te spelen met den uitwas mijner lippen, met mijn knevel; maar, lieve hart, zwijgen wij daarvan. Bij het heelal, ik vertel geen fabel; ettelijke bijzondere eerbewijzen behaagt het zijner grootheid toe te deelen aan Armado, den soldaat, den veelbereisden man, die de wereld gezien heeft; maar zwijgen wij daarvan.—De summa van de geheele som is,—maar, lieve hart, ik smeek u om uw stilzwijgendheid,—dat de koning verlangt, dat ik de prinses, dat gesuikerd lam, op eenige vermakelijke vertooning, of voorstelling, of oogenverlustiging, of klucht, of vuurwerk regaleer. En nu, nademaal ik vernomen heb, dat de geestelijke hier en uw eigen liefelijke persoon u verstaat op dusdanige erupties en plotselinge ontploffingen van vroolijkheid, om zoo te zeggen, zoo heb ik u hiervan in kennis willen stellen om uw bijstand in te roepen.
Holofernes.
Mijn heer, gij moet “de negen helden” voor haar laten optreden.—Heer Nathanaël, ten opzichte van een tijdverdrijf, een vertooning voor de posterioribus van dezen dag, te bewerkstelligen met uw bijstand,—op verlangen van den koning en van dezen zeer dapperen, doorluchtigen en geleerden edelman,—ten aanschouwe van de prinses, zeg ik, is niets zoo geschikt als de negen helden te laten optreden.
Nathanaël.
Waar wilt gij dan de mannen vinden, heldhaftig genoeg om ze te laten optreden?
Holofernes.
Jozua, gijzelf; ikzelf of deze dappere edelman, Judas Maccabæus; deze boer,—uit hoofde zijner groote leden oftewel schonken,—moet Pompeius den grooten voorstellen; de page, Hercules.
Armado.
Vergeef, heer: een dwaling; hij is niet quantiteit genoeg voor den duim dezes helds; hij is niet zoo dik als het uiteinde zijner knots.
Holofernes.
Mag ik om gehoor verzoeken? Hij moet Hercules als zuigeling voorstellen; zijn opkomen en zijn heengaan zal zijn het verwurgen eener slang, en ik zal te dien behoeve een apologie vervaardigen. 143
Mot.
Een heerlijke inval! Als dan een van de toeschouwers sist, kunt gij roepen: “Goed zoo, Hercules! nu verbrijzelt gij de slang! Dit is de manier om aan een gebrek de hand boven het hoofd te houden, schoon weinigen er handig genoeg toe zijn.
Armado.
En het overschot der helden?
Holofernes.
Drie wil ik er zelf spelen.
Mot.
O, driemaal heldhaftig heer!
Armado.
Zal ik u iets zeggen?
Holofernes.
Wij luisteren.
Armado.
Wij willen, als dit niet slaagt, een klucht vertoonen. Ik bid u, gaat mede.
Holofernes.
Via!—Vriend Dom, gij hebt al dezen tijd geen woord gesproken.
Dom.
En evenmin er geen verstaan, heer.
Holofernes.
Allons! Wij willen ook u aan het werk zetten.
Dom.
Neem mij voor een danser; of ik roere u de trom,
Dat de helden gaan dansen en draaien om en om.
Holofernes.
Komt, allen aan ’t werk! Gij domme, goede Dom!
(Allen af.)