WeRead Powered by ReaderPub
Veel Gemin, geen Gewin cover

Veel Gemin, geen Gewin

Chapter 15: LIED.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A scholarly-minded king and his three companions swear to renounce women and worldly pleasures to pursue study, but a visiting princess and her attendants prompt all of them to quickly fall in love, producing witty banter, comic misunderstandings, disguises, and a foolishly pompous suitor and schoolmaster subplot. The action blends playful wordplay and courtly games with reflections on vows, desire, and the limits of intellectual austerity. The tone shifts at the end when troubling news forces the postponement of expected weddings, leaving promises unsettled and characters to reassess their loyalties and commitments.

Tweede Tooneel.

In het park, voor de tent der Prinses.

De Prinses, Catharina, Rosaline en Maria komen op.

Prinses.

Nu, meisjes, eer we op reis gaan, zijn wij rijk,

Als zooveel kermisgaven op ons reeg’nen;

Een jonkvrouw, gansch omschanst met diamanten!—

Kijkt, wat mij de verliefde koning zendt!

Rosaline.

En heeft uw hoogheid niets er bij gekregen?

Prinses.

Niets anders? zeker: zooveel liefde op rijm,

Als op een vel papier is saâm te dringen,

Ter wederzij beschreven, rand en alles,

Zoodat hij op Cupido’s naam moest zeeg’len.

Rosaline.

Zoo kwam in ’t eind zijn godd’lijkheid tot wasdom,

Die steeds, vijf duizend jaar, een knaapje bleef.

Catharina.

Ja juist, en een recht booze galgeschelm.

Rosaline.

Gij haat hem, ja; wijl hij uw zuster doodde. 13

Catharina.

Hij maakte ’t hart haar droevig, zwaar, bekommerd:

Daar stierf zij aan; waar’ zij als gij geweest,

Zoo licht en lucht van hart, zoo dol en dartel,

Zij had het wis tot grootmama gebracht,

Als gij; want lichte harten leven lang.

Rosaline.

Wat, lieve, is ’t duist’re doel van ’t lichte woord?

Catharina.

Een licht gemoed, in donk’re schoonheid stralend.

Rosaline.

’k Behoef meer licht voor ’t vatten van uw meening.

Catharina.

Dan snooft gij in uw drift het licht wis uit;

’k Wil daarom het bewijs in ’t donker laten.

Rosaline.

Ja, wat gij doet, gij laat het staâg in ’t donker.

Catharina.

Gij niet, ’t is waar; wie licht is, kan dit niet.

Rosaline.

Wees gij zoo zwaar gij wilt, mij zal ’t niet deren.

Catharina.

U niet? Nu, dan weeg ik niet zwaar bij u.

Rosaline.

Iets wat niet deugt, zal nimmer bij mij wegen.

Prinses.

Nu, beiderzijds den bal wèl toegekaatst!—

Maar Rosaline, ook gij hebt een geschenk;

Van wien is ’t? wat?

Rosaline.

Ik wenschte, dat gij ’t wist;

Al ware mijn gelaat zoo schoon als ’t uwe,

Dan waar’ de gaaf nog groot; zie slechts en oordeel.

Ja, en ook verzen heb ik, dank Biron!

De versmaat juist; en, is de telling ’t ook,

Dan is er geen godin, zoo schoon, op aard;

Aan twintig duizend schoonen won ik ’t af.

O, in zijn brief is mijn portret geteekend!

Prinses.

En is ’t zoo wat gelijkend?

Rosaline.

Het schrift zeer goed, de lof niet in het minst.

Prinses.

Zoo schoon als inkt dus; nu, een juist besluit.

Catharina.

Schoon, stralend als een groote B in ’t schrijfboek.

Rosaline.

Een letterstrijd? gerust maar, ik betaal,

Mijn gouden letter, roode initiaal!

Hoe jammer, al die O’s op uw gelaat!

Prinses.

Krijg zelf de pokken, zoo uw jok haar smaadt!—

Wat, Catharina, zond Dumaine aan u?

Catharina.

Zie dezen handschoen. 48

Prinses.

Zie dezen handschoen. Wat, geen paar? hoe nu?

Catharina.

Gewis, een paar, mejonkvrouw en dan nog.

Veel duizend verzen, vol verliefd bedrog,

Van eeuw’ge trouw,—maar alles huich’larij;

Bijeengeflanst, schijndiepe zotternij!

Maria.

Die paar’len zendt mij Longaville, en dit:

Een brief, een mijl te lang en zonder pit.

Prinses.

Dit zal wel zijn. Gij wenschtet,—biecht het maar,—

Dat die recht kort, het snoer veel langer waar’?

Maria.

Zoo is ’t; ik deelde ’t, wierd het dan te zwaar.

Prinses.

Hoe wijs, met onze aanbidders zoo te spotten!

Rosaline.

Die spot zoo koopen, zijn nog grooter zotten.

’k Hoop dien Biron hier nog de wiek te knotten!

O hadde ik hem ook maar een week tot slaaf!

Hoe zou hij kwisp’len, hijgen van ’t gedraaf,

Naar ’t oog mij zien, mij smeeken, stott’ren, lijmen,

Zijn geest verkwisten in onnutte rijmen,

Mij dienen op mijn wenk, op mijn gedachte,

Er trotsch op zijn, als ik hem trotsch belachte!

Ik zou hem met mijn oogen zoo belezen,

Dat ik zijn noodlot, hij mijn nar zou wezen.

Prinses.

Niets loopt zoo in den val, als wijsheid doet,

Die dwaas werd; dwaasheid, die een wijze voedt,

Vindt kracht in wijsheid, wetenschap en geest;

Wàt nar genot schenk’, de geleerde ’t meest.

Rosaline.

Geen jeugdig bloed, dat zoo ontvlamt, zoo raast

Als deftigheid, door dartelheid verdwaasd.

Maria.

Van minder merk is dwaasheid in de dwazen,

Dan in den wijze, wiens vernuft gaat razen;

Want al zijn kracht wendt het vernuft dan aan,

Om, hoe verdwaasd, voor wijs nog door te gaan.

Prinses.

Daar komt Boyet: zie hoe hij zich verkneukelt.

(Boyet komt op).

Boyet.

Prinses, o, ’k ben van ’t lachen schier gestikt.

Prinses.

Wat is er? 81

Boyet.

Vlug! maakt u gereed! staat klaar!

Ten strijd! ten strijd! uw vrede is in gevaar.

Met argumenten zwaar gewapend naakt.

Vermomde liefde en overvalt u; waakt!

Roept, elk, uw geest op, schaart u, weest geducht,

Of bergt uw hoofd als lafaards, en ontvlucht.

Prinses.

Sta, Sint Denis, dan Sint Cupido! Spreek,

Wie richt op ons zijn adem en gesmeek?

Boyet.

In koele schaduw, onder vijgeboomen,

Wilde ik een middaguurtje sluim’ren, droomen;

Daar kwam, als om mij in mijn rust te kwellen,

De koning aan met al zijn eedgezellen,

Juist naar dat plekje; zachtkens borg ik mij,

En sloop in ’t kreupelboschje vlak er bij,

En heb, wat gij van mij verneemt, vernomen:

Dat zij op ’t oogenblik vermomd hier komen.

Een kleine schelmsche page is hun heraut,

Die goed zijn boodschap weet en vlug ontvouwt.

Zij leerden daar hem voordracht en gebaren:

“Hier moet ge op drukken, goed dien stand bewaren,”

Maar vreesden telkens, dat hij, bij ’t genaken

Der hooge dames in de war zou raken.

De koning zeide: “Een engel zult ge aanschouwen,

Maar ducht toch niets; spreek moedig, met vertrouwen.”

Toen sprak de knaap: “Een engel is niet kwaad;

Maar was ze een duivel, dan wist ik geen raad.”

Elk klopt hem op den schouder, lacht, en geeft

Door lof hem nog meer moed, dan hij reeds heeft.

Éen wreef zich de’ elboog en riep lachend uit:

“Nooit hoorde ik beter antwoord; ’t is een guit;”

Een knipt er met zijn vinger en zijn duim,

En roept: “Het gaat! elk dralen is verzuim!”

Een derde springt, en roept: “Goed, bij mijn ziel!”

De vierde maakte een pirouette en viel.

En daarop tuim’len allen op den grond,

En barst er zulk een lachen uit in ’t rond,

Dat, als om hunne dolheid te beweenen,

Er weemoedsdroppels in hun oog verschenen.

Prinses.

Ons wacht dus een bezoek van ’t eedgespan?

Boyet.

Zij komen daar reeds aan, en,—’t fraaiste er van,—

Als Russen, Muscovieten; ’t schijnt hun plan,

Te praten, ’t hof te maken en te dansen;

Dan waagt in ’t minnestrijdperk elk zijn kansen

Bij de uitverkoren schoone, kenbaar wis

Aan ’t minnepand, dat pas gezonden is.

Prinses.

Is dit hun plan, dan willen wij hen plagen 126

En meisjes, elk van ons een masker dragen;

En geen der mannen zal van een der vrouwen,

Hoe roerend hij ook smeek’, ’t gelaat aanschouwen.

Hier, Rosaline, neem gij mijn juweelen;

Des konings eed moge uw gehoor nu streelen;

Hier, neem; en dat uw sieraad mij nu diene;

Dan houdt Biron wis mij voor Rosaline.—

En gij ruilt ook; bedrogen door den schijn,

Zal ’t minnen van uw ridders kruiswijs zijn.

Rosaline.

Ja, ja; en ’t minnepand vall’ goed in ’t oog.

Catharina.

Maar wat is bij die ruiling wel uw doel?

Prinses.

Mijn doel is enkel, ’t hunne te weêrstreven.

Zij scheppen, zoo gij ziet, in spot vermaak;

Mijn doel is spot voor spot; ziedaar de zaak.

Zoo stoot een ieder aan ’t verkeerde hart

Zijn boezem uit; en spot wordt hun een gard,

Wanneer wij onvermomd elkaâr ontmoeten

En zij op nieuw met minnetaal ons groeten.

Rosaline.

En dansen wij met hen, wanneer zij ’t vragen?

Prinses.

Bij halsstraf, neen; dit hebt gij niet te wagen!

Ook hun proloog wordt niet door ons geëerd;

Wij maken, als die aanvangt, rechtsomkeert.

Boyet.

Zulk een verguizing brengt den spreker om,

Doet hem zijn rol vergeten, maakt hem stom.

Prinses.

Dit wensch ik juist; ik weet, als hij blijft steken,

Is ook bij de and’ren wis de moed geweken.

Dit noem ik scherts, als scherts een scherts verdrijft,

De hunne vlucht en ’t veld aan de onze blijft.

Wij blijven en bespotten hun complot,

En zij, zij trekken af met schimp en spot.

(Trompetgeschal achter het tooneel.)

Boyet.

Hoort! snel de maskers voor; de maskers komen!

(De Dames doen de maskers voor.)

(De Koning, Biron, Longavllle en Dumaine komen op, gemaskerd en in Russische kleederdracht, verder Mot, Muzikanten en Gevolg.)

Mot.

“Heil u, glansrijkste schoonheden der aard!”

Boyet.

Schoonheid, zoo glansrijk als een glansrijk taf!

Mot.

“Gij, heilig viertal van de schoonste dames,”

(De Dames keeren hem den rug toe.)

“Die ooit den—rug—naar mannenoogen keerden.”

Biron

(ter zijde tot Mot).“Den blik”, gij lomperd, “den blik!”

Mot.

“Die ooit den blik naar mannenoogen keerden! 161

“Uit—uit—”

Boyet.

Zoo, zoo; ’t is uit, naar ’t schijnt.

Mot.

“Uit hemelgoedheid moge ’t u behagen,

Niet aan te zien,”—

Biron

(ter zijde tot Mot).“Ons aan te zien”, schavuit!

Mot.

“Ons aan te zien met heerlijk zachten blik,—met heerlijk zachten blik,—

Boyet.

Zij vinden dit epitheton niet goed;

Eer moest gij zeggen: vrouw’lijk zachten blik.

Mot.

Zij luist’ren niet, dit brengt mij in de war.

Biron.

Is dat uw wakker leeren? voort, schavuit!

Rosaline.

Wat wenschen deze vreemden? vraag ’t Boyet.

Verstaan zij onze taal, dan melde een hunner

Eenvoudig weg, wat zij hier komen doen;

Vraag dit.

Boyet.

Wat wenscht gij, spreekt, van de prinses?

Biron.

Een heuschen groet en vriendelijke ontvangst.

Rosaline.

Wat is, naar wat zij zeggen, hun verlangst?

Boyet.

Een heuschen groet en vriendelijke ontvangst.

Rosaline.

’k Verleen die beide; dat ze in vrede gaan!

Boyet.

Zij zegt, die hebt gij, en kunt gaan in vrede.

Koning.

Meld haar, wij maten vele, vele mijlen herwaarts,

Om ’t veld hier maatvast met haar rond te gaan.

Boyet.

Zij zeggen: vele mijlen maten ze af

Om ’t veld hier maatvast met u rond te gaan.

Rosaline.

Dit is zoo niet. Maar vraag hun, hoeveel duim

Één mijl bevat; zoo zij er vele maten,

Is dit van ééne mijl terstond gezegd.

Boyet.

Hebt ge op uw reize mijlen uitgemeten,—

En vele mijlen,—dan vraagt de prinses,

Te zeggen, hoeveel duim één mijl bevat.

Biron.

Zeg haar, wij maten die met moede schreden.

Boyet.

Zij hoort u zelve.

Rosaline.

Zij hoort u zelve. Hoevele moede schreden,

Bij vele moede mijlen, die gij gingt,

Hebt gij bij ’t reizen in één mijl geteld? 197

Biron.

Wij tellen niets, wat wij om u verrichten;

Ons plichtsbesef is zoo onmeet’lijk rijk,

Dat wij dit zonder reek’nen kunnen kwijten.—

Gun ons den zonneschijn van uw gelaat,

Opdat wij, als de wilden, dien aanbidden.

Rosaline.

Een maan is ’t, en bewolkt: geen zweem van schijn.

Koning.

O zaligheid, een wolk als die te zijn!

Maar schijn, o maan, met deze uw sterren, hel,

Van wolken vrij, op onzer tranen wel.

Rosaline.

Wensch beter! dit is ijdel klankgeklater;

Wat vraagt gij dan wat maneschijn op ’t water?

Koning.

Zoo wissel dansend passen met uw gast;

Gij zegt mij, vraag! die bede is wel gepast.

Rosaline.

Het zij; muziek! Maar vang gij daadlijk aan.

(De muziek begint.)

Nog niet?—Geen dans dan!—’k Wissel als de maan.

Koning.

Nu weer geen dans? waarom zoo streng en straf?

Rosaline.

’t Was juist daar volle maan; nu neemt zij af.

Koning.

Toch blijft zij steeds de maan, en ik de man.

Hoor die muziek; laat haar beweging groeten.

Rosaline.

’k Begroet haar met mijn oor.

Koning.

’k Begroet haar met mijn oor. Doe ’t met de voeten.

Rosaline.

Gij zijt hier vreemd; en daarom zijn wij thans

Niet preutsch; reik ons de hand;—neen, neen, geen dans!

Koning.

Gij reikt de hand?

Rosaline.

Gij reikt de hand? Tot afscheids-gunstbetuiging;—

De dans is uit; nu, meisjes, volge uw buiging.

Koning.

Geef nog wat toe; wat karig gunstbewijs!

Rosaline.

Neen, gij bekomt niets meer voor dezen prijs.

Koning.

Gij prijst uzelf? Wat koopt uw vriendschap dan?

Rosaline.

Uw heengaan slechts.

Koning.

Uw heengaan slechts. Het een’ge, wat niet kan.

Rosaline.

Geen zaken dus. En ons vaarwel volgt nu,

Een dubbel voor uw mom, een half voor u.

Koning.

Wilt gij niet dansen, praten wij dan meer. 228

Rosaline.

Bij paren dan.

Koning.

Bij paren dan. O dit behaagt mij zeer.

(De Koning wandelt met Rosaline voort.)

Biron.

O leliehand, één zoet woord van uw mond!

Prinses.

Melk, honig, suiker, drie voor één terstond.

Biron.

Twee drieën dan; ik doe ’t u aanstonds na:

Mee, most en sek.—’t Is goed geworpen, ja;

Een zoete zes!

Prinses.

Een zoete zes! Vaarwel dan, zoete zeven;

Niets meer! gij zijt me in ’t dobb’len te bedreven.

Biron.

Één heim’lijk woord nog.

Prinses.

Één heim’lijk woord nog. Dit zij dan niet zoet.

Biron.

Gij maakt mij gallig.

Prinses.

Gij maakt mij gallig. Bitter dus?

Biron.

Gij maakt mij gallig. Bitter dus? ’t Waar’ goed.

(Biron en de Prinses wandelen voort.)

Dumaine.

Vergun mij ’t wiss’len van een woord of twee.

Maria.

Spreek!

Dumaine.

Spreek! Schoone jonkvrouw!

Maria.

Spreek! Schoone jonkvrouw! Schoone cavalier!

Daar hebt ge er twee voor twee.

Dumaine.

Daar hebt ge er twee voor twee. O gun mij snel

Nog één vertrouw’lijk woord; en dan, vaarwel!

(Dumaine en Maria wandelen voort.)

Catharina.

Uw masker heeft geen tong dus in den mond?

Longaville.

’k Weet, jonkvrouw, wel den grond, waarop gij ’t vraagt.

Catharina.

O vlug dan, spreek, heer! noem mij eens den grond.

Longaville.

Wijl gij een dubbele in uw masker draagt;

Die wenschte ik in mijn stomme masker half.

Catharina.

Recht fraaie vaerzen:—is niet vaars een kalf?

Longaville.

Een kalf, mejonkvrouw?

Catharina.

Een kalf, mejonkvrouw? Neen, een jonkheer-kalf.

Longaville.

O deel het woord. 249

Catharina.

Neen, ’k wil met u niets half.

Neem ’t gansch en breng het tot een os dan groot.

Longaville.

Uw spot gaf daar uzelf den ergsten stoot!

Gij horens geven, jonkvrouw? ’t Zou niet passen.

Catharina.

Sterf dan als kalf, aleer uw horens wassen.

Longaville.

Ik sterv’, maar zegge u eerst een woord in ’t oor.

Catharina.

Bulk zacht dan, dat de slager u niet hoor’!

(Longaville en Catharina wandelen voort.)

Boyet.

Spotzieke deernen hebben tongen, fijn

Als scheermessneden, die onzichtbaar haar

Afmaaien en ook zelf onzichtbaar zijn;

Scherpzinnig, fijn, en onberekenbaar

Is haar gesprek, en haar vernuft heeft vleug’len,

Pijl-, kogel-, bliksem-snel, door niets te teug’len.

Rosaline.

Mijn meisjes, breekt nu af; geen woord nu meer!

Biron.

Gestriemd door spot! Verloren is onze eer.

Koning.

Moge u, dol volk, uw dolheid nooit verdrieten!

(De Koning, Biron, Dumaine, Longaville, Mot, Muziek en Gevolg af.)

Prinses.

Twintig adieu’s, bevroren Muscovieten!—

Stak geest voor deze bent zijn loftrompet?

Boyet.

’t Zijn kaarsen, door uw adem uitgeblazen.

Rosaline.

Wat weldoorvoede geest! plomp, plomp, vet, vet!

Prinses.

O poov’re geest! armzaal’ge koningsphrasen!

Zegt, zouden zij niet fluks zich op gaan hangen,

Of gaan zij zonder masker ooit nog uit?

Biron, die schelm, wist niet wat aan te vangen!

Rosaline.

Aan wanhoop was de gansche troep ten buit!

De koning weende schier, om geest verlegen.

Prinses.

Bij ’t zweren wrong Biron zich scheef en krom.

Maria.

Dumaine bood zijn dienst mij aan en degen;

Ik zeide: “trek!” toen bleef mijn dienaar stom.

Catharina.

Het is aan ’t hart, dat Longaville lijdt;

Hij noemde mij—raad, hoe?

Prinses.

Hij noemde mij—raad, hoe? Zijn hartekwaal?

Catharina.

Waarachtig, juist. 280

Prinses.

Waarachtig, juist. Weg, ziekte, die gij zijt!

Rosaline.

Van dorpers hoort men vaak een gladder taal.

Doch weet: mij heeft de koning trouw gezworen.

Prinses.

Biron verpandde mij zijn mannewoord.

Catharina.

En Longaville is voor mijn dienst geboren.

Maria.

Dumaine is mijn, zoo schors den boom behoort.

Boyet.

Prinses en schoone dames, hoort mij aan:

Zij zullen zoo terstond weer voor u staan,

En onvermomd, want nimmer,—weet dit wel,—

Getroosten zij zich kalm een hoon, zoo fel.

Prinses.

Zij komen weer?

Boyet.

Zij komen weer? Ja, ja, hoe kunt gij ’t vragen?

En lustig springend, schoon pas lam geslagen.

Ruilt dus uw panden; en,—zoodra ze er zijn,—

Ontluikt als rozen in den zonneschijn.

Prinses.

Ontluikt, ontluikt? Geef ons geen raadsel op!

Boyet.

Vermomd, zijn schoonen rozen, maar in knop;

Doch zoo zij zonder masker lieflijk blozen,

Zijn ze eng’len zonder wolk, ontloken rozen.

Prinses.

Loop heen, gij sphinx!—Maar wat nu te beginnen,

Als zij ontmomd hier keeren om te minnen?

Rosaline.

Mij dunkt, prinses, nog eens den spot gedreven,

Of zij vermomd zijn of bekend, om ’t even!

Wij klagen van ’t bezoek, aan ons gebracht,

Door Muscovieten, in een dwaze dracht;

En gissen niet wie toch die narren waren,

Met zulk een niets-proloog, met die gebaren,

Zoo plomp en ruw, en waartoe onze tent

Met zulk vertoon bezocht werd door die bent.

Boyet.

De helden komen; haast u, heengesneld!

Prinses.

Wip, wip, en weg! als reeën over ’t veld.

(De Prinses, Rosaline, Catharina en Maria af.)

(De Koning, Biron, Longaville en Dumaine komen weder op, in hun gewone kleeding.)

Koning.

Behoede u God, heer!—waar is de prinses?

Boyet.

Ze is in haar tent. Behaagt het uwe hoogheid

Mij een’ge boodschap voor haar op te dragen?

Koning.

Vraag dan gehoor voor mij; ga, wees zoo goed! 313

Boyet.

Dit wil ik doen, en ’k weet, dat zij het doet.

(Boyet af.)

Biron.

Die schelm pikt geest op als de duif een boon,

En geeft dien weer, ziet hij de kans maar schoon.

Marskramer in vernuft, vent hij zijn waar

Bij burger, boer, op kermis, markt, hier, daar;

En ons, die hand’laars zijn in ’t groot, bij God,

Bij ons gaat de verkoop niet half zoo vlot;

De meisjes zijn als schaapjes, die hij weidt;

Als Adam had hij Eva wis verleid.

Voorsnijden kan hij, lisp’len ook; hij is ’t,

Die door hoofsch kussen al zijn vingers mist;

Hij is een smaakvolle aap, een monsieur Sierlijk,

Ja, als hij dobbelt, scheldt hij recht manierlijk

De steenen uit; hij zingt sopraan-tenoor,

En niemand stelt aan ’t hof zoo hoff’lijk voor;

Geen dame, die hem niet “de lieve” heet;

Zijn voeten kust de trap, die hij betreedt.

Hij is een bloem, die ieder tegenlacht,

En toont daarmee zijn elpen tandenpracht.

Wie zonder schuld wil sterven in zijn bed,

Geeft hem zijn recht met “honigtong Boyet”.

Koning.

Nu, ’k wenschte, waar’ zijn honigtong behekst!

Die bracht Armado’s page van zijn tekst.

(De Prinses komt met Rosaline, Maria, Catharina en Gevolg terug, voorgegaan door Boyet.)

Biron.

Ziet hèm weer! Hoofschheid, wat waart gij voor dezen,

Wat nu, sinds hij aan de aard u heeft gewezen!

Koning.

Veel heil en zegen zij uw deel, vorstin!

Prinses.

Met zegens vischt men niet te land, zoo meen ik.

Koning.

O, vat mijn zeggen op in beet’ren zin!

Prinses.

Uit beet’re wenschen, en gehoor verleen ik.

Koning.

Wij bidden u, ons slot nu te betreden;

En u daarheen te leiden, is ons plan!

Prinses.

Ik houd me aan ’t park; houd gij u aan uw eeden!

Noch God noch mij behaagt een trouwloos man.

Koning.

O gisp ons niet, door u zijn wij bezweken;

De deugd, uw oog ontstraald, verbrak onze’ eed.

Prinses.

Gij smaalt de deugd, en moest van ondeugd spreken;

Geen deugd, die ooit tot trouwbreuk overreedt.

Ja, bij mijn maagdlijke eer, zoo onbesmet

Als ’t blank der reinste lelie, hoor mij aan:

Eer ik een voet in uwe huizing zet,

Zou ik de wreedste mart’lingen doorstaan;

Zoo schrikk’lijk ware ’t mij, de grond te heeten,

Dat and’ren ooit hun heil’gen eed vergeten.

Koning.

Gij leeft hier, ach! als in een woestenij,

Onzichtbaar, onbezocht, tot onze schande. 358

Prinses.

Dit niet, mijn vorst! dit niet, geloof dit vrij;

Wij vonden scherts en kortswijl hier te lande.

Zoo even waren nog vier Russen hier.

Koning.

Vier Russen, jonkvrouw?

Prinses.

Vier Russen, jonkvrouw? Ja, voorwaar, mijn vorst,

Recht hoff’lijk, prachtig uitgedost, en fier.

Rosaline.

Prinses, spreek toch de waarheid.—Neen, mijn vorst,

Beleefd, en naar den smaak van tijd en hof,

Schonk mijn meest’res daar onverdienden lof.

Waar is ’t, er kwamen bij ons vieren vier,

Als Russen uitgedost; en praatten hier

Een uurtje lang, en veel; maar geen vroed woord

Werd in dat uur uit hunnen mond gehoord.

’k Noem hen geen narren, neen; maar ik vermoed,

Zoo ’t hùn dorst, dan doet drinken narren goed.

Biron.

Een droge scherts.—O lieve schoone, uw geest

Maakt wijsheid dwaas;—elk oog, dat onbevreesd,

Hoe scherp ook, ’s hemels vurig oog durft groeten,

Zal door verlies van licht dit licht-zien boeten;

Zoo schijnt, naast uwe kostb’re geestesgave,

Het wijste dwaas, en arm de rijkste have.

Rosaline.

Dan moet gij wijs en rijk zijn, want voor mij—

Biron.

Schijn ik een nar en beed’laar; zeg het vrij.

Rosaline.

Gij naamt daar ’t uwe slechts, of ’t waar’ gefaald,

Dat gij het woord zoo van de tong mij staalt.

Biron.

O ik ben de uwe, al ’t mijne, ja, mijn leven—

Rosaline.

De gansche nar?

Biron.

De gansche nar? Niets minder kan ik geven.

Rosaline.

Zeg mij, welk masker was het, dat gij droegt?

Biron.

Wat masker? waar? wanneer? waartoe die vraag?

Rosaline.

Dat masker, toen en daar; een hulsel, dat

Zelf beter trekken, dan ’t omhulde, had.

Koning.

Wij zijn herkend, nu spotten zij ons dood.

Dumaine.

Komt, opgebiecht en ’t in een grap verkeerd!

Prinses.

Gij ziet onthutst; zijt gij niet wel, mijn vorst? 391

Rosaline.

Help! steun hem, hij bezwijmt. Waarom zoo bleek?—

Zeeziek misschien, wijl hij van Moskou komt.

Biron.

Zoo straft den meineed streng een wrekend God!

Welk voorhoofd van metaal, dat dit weerstaat?

Hier sta ik, jonkvrouw; richt op mij uw spot,

Kwets mij met hoon, verpletter mij door smaad!

Doorboor met fijn vernuft mijn onverstand;

Snijd mij in stukken met uw scherpen geest;

En nimmer vraag ik voor een dans uw hand,

En Russisch minnaar ben ik ééns geweest.

Op geen geschreven toespraak bouw ik meer;

Schooljongenstongen wil ik diep verachten;

’k Vermom mij nimmer voor mijn liefste weer;

Noch rijm, als blinde harp’naar, minneklachten;

Tafbloempjes, zijden phrasen, glans-tiraden,

Fluweelen grootspraak, schoolsche hemelval,

Al deze zomervliegen wekten maden

Mij in het brein, en vulden ’t gansch en al.

’k Zweer alles af en thans zeg ik voor eens,

Bij dezen handschoen van nog blanker hand:

Alleen met linnen ja’s en baaien neens

Zijn nu voortaan mijn liefde en trouw verpand;

En ik begin nu: “heksje,—help mij God!—

Ik min u teer en trouw, spijt scherts en spot.”

Rosaline.

’k Wensch minder letterspel.

Biron.

’k Wensch minder letterspel. ’t Is slechts een vlaag

Van de oude kwaal; ik bid u dus, verdraag

Een feil, die slijten zal. Maar zie eens, zie,

Roep Gods erbarmen in voor deze drie.—

Zij zijn besmet, in ’t hart, gij staakt hen aan;

Uw oogen hebben hun dit aangedaan;

Zij hebben ’t weg; doch, naar ik zie, bleeft gij,—

(Hij wijst op de geschenken.)

Uws heeren teekens zeggen ’t,—ook niet vrij.

Rosaline.

Nu, vrij en gul is elk, die zoo kan geven.

Biron.

Gevang’nen zijn wij, ja! voor heel ons leven.

Rosaline.

Meer vrij dan wij; en zoo gij vrijer zijt,

Hoe zegt gij dan, wij zijn de vrijheid kwijt?

Biron.

Ik ben geboeid door u en staak den strijd.

Rosaline.

Ik houd u niet, dus loop waarheen gij wilt.

Biron

(tot den Koning).Spreek gij voor u; ik heb mijn geest verspild.

Koning.

Ons zwaar vergrijp, mejonkvrouw, zij geboet;

Leer gij ons hoe.

Prinses.

Leer gij ons hoe. Bekennen staat u goed.

Zijt gij zoo juist niet hier geweest, verkleed?

Koning.

Ja, ik beken ’t. 434

Prinses.

Ja, ik beken ’t. En wist gij, wat gij deedt?

Koning.

Zeer goed, prinses.

Prinses.

Zeer goed, prinses. Beken dan meer, ga door.

Wat ruischtet gij uw dame toen in ’t oor?

Koning.

Dat ik haar hooger eer dan iets ter aard.

Prinses.

Gij gaat terug, als zij uw hulde aanvaardt.

Koning.

Neen, op mijn eer, neen, neen!

Prinses.

Neen, op mijn eer, neen, neen! O stil toch, stil!

Na éénen meineed zweert men wat men wil.

Koning.

Veracht mij, zoo ik dezen eed ooit breek.

Prinses.

Ik zal ’t; dus, houd hem.—Rosaline, spreek,

Wat fluisterde u de Rus wel in het oor?

Rosaline.

Hij zwoer mij, jonkvrouw, dat hij mij verkoor

Ver boven ’s werelds schatten, ’t licht der oogen;

Hij voegde er bij: ik zou zijn gade zijn,

Of hij verkwijnde en stierf van minnepijn.

Prinses.

God schenke u heil met hem! De vorst houdt wis

Zijn mannewoord, dat zoo bezworen is.

Koning.

Hoe meent gij dit? ’k Verpand mijn eer: ik deed,

Neen nooit, aan deze jonkvrouw zulk een eed.

Rosaline.

Bij God, gij deedt het; met uw eigen hand

Gaaft gij mij dit; maar neem het weer, uw pand.

Koning.

Dit, en mijn woord, ik gaf ze aan de prinses;

Aan de’ armband daar kende ik mijn hartvoogdes.

Prinses.

Vergeef mij, dit kleinood droeg zij zoo even;

Mijn ridder is Biron, voor heel zijn leven.—

Aanvaardt gij mij, of wilt ge uw paar’len weer?

Biron.

Noch ’t een noch ’t ander; al te groot is de eer.—

’k Doorzie het spel; er was hier een complot,

Dat lucht kreeg van ons plan, en dit door spot

In ’t riet stuurde als een vastenavondspel.

Een nieuwtjesventer, vleier, schuddebel,

Voorsnijder, grappensmid, die zijn gelaat

In rimpels heeft gegrinnikt, met zijn praat

Zijn meesteres begoochelt, tot zij lacht,

Die heeft vooraf ons plan aan ’t licht gebracht;

De panden werden fluks verruild; en wij

Aanbaden, blind, voor ’t lief, haar snuisterij.

O schrik! tweemaal meineedig! neergebogen

Door dubb’le schuld, eens willens, nu bedrogen!

Zoo is ’t;—(Tot Boyet.) En gij, kondt gij dit valsch’lijk zweren 472

En die mislukte mommerij niet keeren?

Kent gij de voetmaat van uw jonkvrouw niet?

En ziet gij haar bij ’t lachen niet steeds aan?

En als gij schertsend haar een schotel biedt,

Gaat gij dan niet steeds voor den vuurgloed staan?

De page kwam; gij bracht hem in de war!

Nu, ’t is uw vak, ga voort en sterf als nar!

Gij grijnst mij aan? die blik van u,—’t is mooi!—

Snijdt als een looden zwaard.

Boyet.

Snijdt als een looden zwaard. Een fraai tournooi!

De rit was goed, goed tot het eind der baan.

Biron.

Zie, zie, hij velt de lans!—Nu, ’k heb gedaan.

(Dikkop komt op.)

Welkom, gij echt vernuft! gij scheidt een schoon gevecht.

Dikkop.

O Heer, ik had gaarne van u vernomen,

Of de drie dappere Helden nu op moeten komen.

Biron.

Wat! zijn er dan maar drie?

Dikkop.

Wat! zijn er dan maar drie? Neen, heer, sta niet verlegen;

Want ieder hakteert er voor drie.

Biron.

Want ieder hakteert er voor drie. En driemaal drie is negen.

Dikkop.

Dat niet, heer; ’k hoop van niet; vergun mij, ’k ben het reek’nen niet vergeten;

Wij zijn niet onnoozel, heer, dit zeg ik u; wij weten, wat wij weten;

Ik hoop, heer, dat driemaal drie, heer—

Biron.

Ik hoop, heer, dat driemaal drie, heer— Wat! niet negen is?

Dikkop.

Onder verbetering, heer, wij weten, hoeveel het bedraagt.

Biron.

Nu, ik dacht altijd, driemaal drie is negen.

Dikkop.

Lieve God, heer, als gij met rekenen uw brood moest verdienen, dan was het er droevig mee gesteld.

Biron.

Hoeveel is het dan?

Dikkop.

O heer, de personen zelf, de hakteurs, heer, zullen u wel laten zien, hoeveel het is; ik voor mijn part, ik moet, hebben zij gezegd, maar één persoon met mijn geringe persoon presiteeren:—Bombejus de Groote, heer.

Biron.

Zijt gij dus één van de helden?

Dikkop.

Zij hebben goedgevonden, dat ik wel een held als Bombejus de groote kon wezen; ik voor mijn part weet den rang van den held niet, maar ik moet voor hem instaan.

Biron.

Ga; maak u gereed en waarschuw de rest.

Dikkop.

Wij brengen het er mooi af, heer; wij doen wel een beetjen ons best.

(Dikkop af.)

Koning.

Biron, laat hen niet komen, zij maken ons te schande. 512

Biron.

Wij zijn door de schande heen en wij krijgen een beter roep,

Indien er nog slechter acteurs zijn dan de koning en zijn troep.

Koning.

Neen, zeg ik, weg daarmee!

Prinses.

Neen, waarde heer, word overreed; een spel,

Dat geen der spelers spelen kan, slaagt wèl,

Als ijver zwoegt om bijval te verwerven

En ijver juist het heele stuk doet sterven;

’t Vermaak is groot, als zotheid de’ ernst bewaart,

De berg een muis, na zwaren arbeid, baart.

Biron.

Een juiste schild’ring van ons spel, mijn vorst!

(Armado komt op.)

Armado.

Gezalfde, ik smeek u zoo veel mededeeling van uw koninklijken adem af, als noodig is om een koppel woorden van u uiting te geven.

(Armado spreekt zacht met den Koning, en overhandigt hem een papier.)

Prinses.

Is dit een man, die God dient?

Biron.

Van waar die vraag?

Prinses.

Hij spreekt niet als een mensch van Gods maaksel.

Armado.

Het komt alles overeen uit, mijn schoone, liefelijke honig-monarch; want ik bezweer het u, de schoolmeester is buitengemeen phantastisch, al te, al te ijdel; al te, al te ijdel; doch laat ons dit overlaten aan de fortuna della guerra, zooals men pleegt te zeggen.—Ik wensch u den vrede des gemoeds, allerkoninklijkst dubbelgesternte!

(Armado af.)

Koning.

Dit belooft een prachtige heldenvertooning te worden. Hij stelt Hector van Troje voor, de boer Pompejus den Grooten, de dorpsgeestelijke Alexander, Armado’s page Hercules, de schoolpedant Judas Maccabæus;

En oogsten die vier helden veel lof in ’t eerste bedrijf,

Dan wiss’len die vier van kleed’ren en spelen de and’re vijf.

Biron.

In ’t eerste bedrijf zijn er vijf, zoo ’k gis.

Koning.

Neen, neen, maar vier; dit hebt gij mis.

Biron.

De schoolpedant en de blaaskaak, de preekheer, de nar en de jongen;

Niets boven de vijf in ’t novem, maar anders vindt gij schier

Ter wereld zulke vijf niet, een elk op zijn manier.

Koning.

Het schip is onder zeil, en stevent fier naar hier. 549

(Dikkop komt op, gewapend, als Pompejus.)

Dikkop.

“Pompejus ben ik,”—

Boyet.

“Pompejus ben ik,”— Enkel naar den schijn.

Dikkop.

“Pompejus ben ik,”—

Boyet.

“Pompejus ben ik,”— Luipaard-kniestuk! fijn!

Biron

(tot Boyet).Braaf, oude spotter! laat ons vrienden zijn.

Dikkop.

“Pompejus ben ik, die de Lange heet,”—

Dumaine.

De Groote! de Groote!

Dikkop.

“De Groote”, o ja! “Pompejus, die de Groote heet,

En vaak in ’t veld met schild en zwaard mijn vijand zweeten deed;

Nu kom ik hier aan deze kust, en land toevall’ger wijs.

En leg mijn spiets hier aan den voet der maagden van Parijs.”

Als uwe edelheid nu wilde zeggen: “Dank,

Pompejus,” dan was ik klaar.

Prinses.

Grooten dank, groote Pompejus.

Dikkop.

Zooveel is het niet waard; maar ik hoop, ik heb het goed gekend. Ik maakte een kleinen flater bij “Groote”.

Biron.

Mijn hoed tegen een halven stuiver, dat Pompejus de beste der Helden blijkt.

(Nathanaël komt op, als Alexander.)

Nathanaël.

“Oost, west en zuid en noord verwon ik na elkander;

De aard was, toen ik op aarde was, mijn knecht;

Mijn wapenschild getuigt, dat ik ben Alisander”;—

Boyet.

Uw neus getuigt van neen, want die staat veel te recht.

Biron.

O neuswijs ridder, die hem met den neus weerlegt!

Prinses.

De wereldvorst ontstelt; ga voort, goede Alexander.

Nathanaël.

“Oost, west, en zuid en noord verwon ik na elkander”,—

Boyet.

’t Is waar, ’t is juist, dit deedt gij, Alisander.

Biron.

Pompejus de Groote!

Dikkop.

Pompejus de Groote! Uw dienaar, heer, en Dikkop.

Biron.

Weg met den wereldvorst, verwijder Alisander! 576

Dikkop

(tot Nathanaël). O geestelijke heer, gij hebt Alisander, den wereldvorst, omvergeworpen. Daarvoor zult gij van de wandtapijten worden uitgekrabd, en uw leeuw, die met een houwbijl op een nachtstoel zit, zal aan Caxtor gegeven worden; die zal de negende Held zijn. Een wereldvorst, en bang om te praten! Maak u van schaamte uit de voeten, Alisander! (Nathanaël gaat heen.) Ja, met verlof van uw edelheid, een mal goedhartig man, een beste man, ziet gij, maar gauw uit het veld geslagen! Hij is een opperbeste buur, ja, zeker, en een goed kegelaar; maar als Alisander,—nu gij ziet, hoe het is;—die rol is hem wat te zwaar.—Maar er komen nog Helden, die wel anders van zich af zullen spreken!

Prinses.

Ga wat op zijde, goede Pompejus.

(Holofernes komt op, gewapend, als Judas Maccabæus; en Mot, gewapend, als Hercules.)

Veel gemin geen gewin, Vijfde Bedrijf, Tweede Tooneel.

Holofernes.

“Den grooten Hercules ziet gij in dezen kleuter,

Die Cerb’rus met de knots versloeg, den driekop-canis;

Die, toen hij nog een zuig’ling was, een wicht en peuter,

Aldus twee slangen doodde met zijn kleine manus.

Quoniam de onmondigheid het spreken hem verbiê,

Ergo kom ik en spreek hier deze apologie.”

(Tot Mot.) Wees statig bij uw exit en verdwijn.

(Mot treedt ter zijde.)

“Judas ben ik”,—

Dumaine.

Een Judas!

Holofernes.

Niet Iscarioth, heer.—

“Judas ben ik, gebijnaamd Maccabæus.”

Dumaine.

Dus, valt de bijhang weg, eenvoudig Judas.

Biron.

Een kussende verrader!—Toon uw Judasschap!

Holofernes.

“Judas ben ik,”—

Dumaine.

’t Is zonde en schande, Judas.

Holofernes.

Wat meent gij, heer?

Boyet.

Dat gij beginnen moest met u op te hangen.

Holofernes.

Ga gij dan voor, heer; uw leeftijd heeft den voorrang.

Biron.

Goed geantwoord, Judas, den voor-hang.

Holofernes.

Ik wil hier niet voor ’t hoofd gestooten zijn.

Biron.

Wees gerust, gij hebt geen hoofd.

Holofernes.

Wat is dit dan? 613

Boyet.

Het hoofd van een cither.

Dumaine.

De kop van een speld.

Biron.

Een doodshoofd op een ring.

Longaville.

Een afgesleten kop van een Romeinsche munt.

Boyet.

De knop van Cæsars sabel.

Dumaine.

De gesneden beenen knop van een kruithoornstop.

Biron.

Sint George’s halve kop van een borstspeld.

Dumaine.

Ja, in een looden rand gezet.

Biron.

Ja, en door een kiezentrekker op zijn muts gedragen.

En nu vooruit! wij hebben ’t hoofd u opgebeurd.

Holofernes.

Gij hebt het hoofd mij doen verliezen.

Biron.

Onwaar; wij hebben elk u ’t hoofd geboden.

Holofernes.

Maar ik raakte er telkens ’t hoofd door kwijt.

Biron.

Al waart gij een leeuw, wij hadden ’t gedaan.

Boyet.

Maar omdat hij een ezel is, moge hij gaan;

Of neen, hij is asch, die verstuift voor den wind.

Vaarwel, beste Juud!—Nu, waar wacht gij nog op?

Dumaine.

Hij wenscht voor zijn naam nog den staart bij den kop.

Biron.

Nu Juud, ga maar ras, want die asch maakt u blind.

Holofernes.

Dit is niet beleefd, niet grootmoedig, niet edel.

Boyet.

Licht Judas eens bij, of hij stoot zich den schedel.

(Holofernes af.)

Prinses.

Ach, arme Maccabæus, wat had hij het daar te kwaad.

(Armado komt op, gewapend, als Hector.)

Biron.

Verberg uw hoofd, Achilles; Hector komt, gewapend.

Dumaine.

Al krijg ik ook mijn spotten thuis, nu wil ik hart’lijk lachen.

Koning.

Bij dien vriend daar was Hector maar een Stroojaan.

Boyet.

Maar is dit werk’lijk Hector? 641

Koning.

Ik geloof, dat Hector niet zoo sierlijk gebouwd was.

Longaville.

Zijn been is te rond voor Hectors been.

Dumaine.

Te malsch, zeker.

Boyet.

Neen, hij is op den enkel nog het meest gevleesd.

Biron.

Dit kan Hector niet zijn.

Dumaine.

Hij is of een god of een schilder, want hij trekt gezichten.

Armado.

“De wonderstrijdb’re Mars, almachtig met de speer,

Schonk Hector, de’ erfgenaam van Ilion, een gave”:—

Dumaine.

Een vergulde muskaatnoot.

Biron.

Een Sinaasappel.

Longaville.

Met nagels bestoken.

Dumaine.

Neen, doornageld met nagels.

Armado.

Stil!—

“De strijdb’re Mars, almachtig met de speer,

Schonk Hector, de’ erfgenaam van Ilion, een gave:

In ’t veld, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds in de weer

Met strijden, werd hij toch nooit ademloos, die brave.

Ik ben die bloem,—”

Dumaine.

Ik ben die bloem,—” Die kruizemunt.

Longaville.

Ik ben die bloem,—” Die kruizemunt. Die distel.

Armado.

Beste heer Longaville, beteugel uw tong.

Longaville.

’k Moet haar eer den teugel vieren, want zij rent op Hector aan.

Dumaine.

Ja, en Hector is een hazewind.

Armado.

De dierbare krijgsman is dood en verrot; o mijn lieve duifjes, dorscht niet het gebeente des begravenen; toen hij ademde, was hij een man.—Maar ik wil voortgaan met mijn taak. (Tot de Prinses.) Koninklijke liefelijkheid, neig tot mij den zin uws gehoors.

(Biron fluistert Dikkop iets in.)

Prinses.

Spreek, dappere Hector, gij verlustigt ons zeer.

Armado.

Ik aanbid uwer liefelijke hoogheid pantoffel.

Boyet.

Hij bemint haar bij den voet. 674

Dumaine.

Bij de roede is het hem niet vergund.

Armado.

“Ik Hector overtrof zeer verre Hannibal,—”

Dikkop.

Zij is ver heen, kameraad Hector, zij is ver heen; zij is al twee maanden op weg.

Armado.

Wat bedoelt gij?

Dikkop.

Wel als gij niet een eerlijk Trojaan met haar speelt, dan is de arme deerne verloren; zij heeft leven, het kind speelt al op; het is van u.

Armado.

Infamoneert gij mij voor de potentaten? gij zult sterven.

Dikkop.

Dan zal Hector gegeeseld worden om Jacquenetta, die door hem leven heeft, en gehangen worden om Dikkop, die door hem dood is.

Dumaine.

Allervoortreffelijkste Pompejus!

Boyet.

Roemruchte Pompejus!

Biron.

Grooter dan groot, groote, groote, groote Pompejus! Pompejus de Reus!

Dumaine.

Hector siddert.

Biron.

Pompejus is ontvlamd.—Meer Ate’s, meer Ate’s! hitst hen aan! hitst hen aan!

Dumaine.

Hector moet hem uitdagen.

Biron.

Ja, al had hij maar zooveel bloed in ’t lijf, als een vloo voor haar avondmaal gebruikt.

Armado.

Bij de morgenster, ik daag u uit.

Dikkop.

Ik wil niet vechten met een morgenster, als een schubbejak; hakken wil ik; ik wil vechten met het zwaard.—Ik bid u, geef mij mijn wapens van straks weer.

Dumaine.

Plaats voor de ontvlamde helden!

Dikkop.

Ik wil in mijn hemdsmouwen vechten.

Dumaine.

Resolute Pompejus!

Mot.

Meester, laat mij uw bovensten knoop eens losmaken. Ziet gij niet, dat Pompejus zich reeds ontkleedt om te vechten? Wat wilt gij? Gij zult uw geheele reputatie te grabbelen gooien.

Armado.

Edele heeren en soldaten, vergeeft mij; ik wil niet in mijn hemdsmouwen vechten.

Dumaine.

Dit moogt gij niet weigeren. Pompejus heeft u uitgedaagd.

Armado.

Dierbare vrienden, ik mag en wil weigeren.

Biron.

Welke reden hebt gij er voor? 715

Armado.

De naakte waarheid er van is, ik heb geen hemd; ik draag de wol op het lijf voor boete.

Boyet.

Dat is waar, en het is hem in Rome opgelegd wegens gemis van linnen; en sinds dien tijd heeft hij,—ik wil er op zweren,—geen ander gedragen, dan een van Jacquenetta’s vaatdoeken, en dit draagt hij vlak op zijn hart bij wijze van minnepand.

(Mercade komt op.)

Mercade.

God hoede uw hoogheid!

Prinses.

God hoede uw hoogheid! Welkom, vriend Mercade,

Hoewel gij ons in onze kortswijl stoort.

Mercade.

Het doet mij leed, vorstin; want wat ik breng,

Ligt zwaar mij op de tong.—Uw hooge vader—

Prinses.

Zoo waar ik adem, dood!

Mercade.

Zoo waar ik adem, dood! Zoo is mijn boodschap.

Biron.

Gij helden, weg! Omwolkt wordt dit tooneel.

Armado.

Ik voor mijn deel, ik adem den adem der vrijheid. Ik heb het daglicht des smaads door de kleine spleet des verstands ontwaard, en ik zal mij voldoening verschaffen gelijk een krijgsman.

(De Helden af.)

Koning.

Hoe gaat het uwe hoogheid?

Prinses.

Zorg voor de reis, Boyet; ik ga deze’ avond.

Koning.

Zoo haastig niet, vorstin; ik bid u toef!

Prinses

(tot Boyet).Zorg voor de reis.—Ik dank u, waarde heeren,

Voor al uw vriendlijke’ ijver; en ik bid u,

Met versch gewond gemoed, dat uwe wijsheid,

In oordeel rijk, ontschuldig’ en bedekk’,

Dat onze dart’le luim u tegentrad;

Zoo onze moedwil in gesprek en omgang

Te ver ging, was uw gulle hoff’lijkheid

De schuld er van.—Vaarwel, doorluchte vorst!

Een hart, dat zwaar is, heeft geen gladde tong;

Ontschuldig dus, dat ik in dank te kort schiet

Voor ’t willig toestaan van mijn groot verzoek.

Koning.

Vaak voert de tijd, aan ’t uiterst eind voleindend,

Der dingen loop nog naar ’t beoogde doel;

Vaak, als hij afscheid neemt, beslist hij plots’ling

Wat, lang gewogen, niet werd uitgemaakt;

Het treurend voorhoofd van een dochter moge

Aan liefdes lachend vleien ’t vroom verzoek

Verbieden, dat zoo gaarne wierd erlangd,

Toch stoote, daar de liefde ’t eerst het woord nam,

De wolk des kommers haar niet weg van ’t doel,

Door haar gewenscht. Want om verloren vrienden

Te weenen, is veel minder heilzaam, dan

De vreugd om vrienden, die men nieuw verwierf.

Prinses.

Ik kan u niet verstaan; mijn leed is dof. 762

Biron.

’t Eenvoudig woord dringt best in ’t oor van ’t leed;

Erkent des konings hart uit deze teekens:

Om uwentwil verspilden we onzen tijd

En speelden met onze eeden. Uwe schoonheid

Heeft ons vervormd, ons denken en ons doen

In ’t tegendeel verkeerd van onze ontwerpen;

En wat in ons belachlijk schijnen mocht,—

Zooals de liefde vol verkeerdheid is,

Moedwillig, rustloos, ijdel als een kind,

Door ’t oog verwekt, en daarom, als het oog,

Vol vreemde vormen, hulsels en gestalten,

Veranderlijk van richting, zooals ’t oog

Van beeld tot beeld in stâge wiss’ling rolt,—

Indien het bont gewaad van dart’le liefde,

Dat wij aantogen, in uw hemelsche oogen

Niet goed stond aan onze’ eed en onzen erns

Welnu, die hemelsche oogen, die ons gispen,

Verleidden ons er toe. Zoo onze liefde

U toebehoort, behoort u ook de dwaling,

Die liefde pleegt. Wij zijn ons zelve ontrouw,

Zijn eens ontrouw, om eeuwig trouw te zijn

Aan haar, die beide ons maken,—schoonen, u!

En deze trouwbreuk, zondig op zichzelf,

Wordt zóó gelouterd, wordt de reinste deugd.

Prinses.

We ontvingen uwe brieven, vol van liefde,

Uw gaven, de afgezanten uwer liefde,

En achtten die, in onzen juff’ren-raad,

Als luchte scherts, galanterie en spel,

Als opsmuk, die den tijd een aanzien geeft;

Maar verder moest bij ons, naar onze schatting,

’t Geloof niet gaan; en daarom hebben wij

Uw min met de eigen munt, met scherts, betaald.

Dumaine.

In onze brieven was veel meer dan scherts.

Longaville.

In onze blikken ook.

Rosaline.

In onze blikken ook. Wij dachten ’t anders.

Koning.

Zoo schenkt ons nu, in de uiterste minuut,

Uw liefde nog.

Prinses.

Uw liefde nog. De tijd is veel te kort

Om zoo voor ’t leven een verdrag te sluiten.

Neen, neen, mijn vorst, gij steekt te diep in schuld,

In zwaren meineed; daarom, hoor mij aan.

Zoo ge om mijn min,—schoon zonder een’gen grond,— 802

Iets wilt volbrengen, doe dan dit om mij:

Uw eeden, neen, vertrouw ik niet,—maar ijl

Fluks naar een woeste, kale kluiz’narij,

Recht ver van al de vreugden dezer wereld;

Toef daar, tot met het twaalfde hemelteeken

Éénmaal de zon haar kringloop heeft voleind.

Indien dit streng en afgezonderd leven

Het aanbod van uw vurig bloed niet dooft,

Zoo koude en vasten, dun gewaad, hard bed,

De bonte bloesems van uw min niet knakken,

Als die de proef doorstaat en liefde blijkt,

Kom dan na de’ afloop van het jaar mij vord’ren,

Mij vord’ren als het loon, door u verdiend;

En bij deez’ maagdenhand, die de uwe kust,

Dan wil ik de uwe zijn; maar tot dien tijd

Begraaf ik in een rouwhuis nu mijn kommer,

En regen daar de tranen van mijn leed,

Bij ’t droef herdenken van mijns vaders dood.

Wilt gij dit niet, dan scheide hand van hand,

En geen van ons heeft woord en hart verpand.

Koning.

Indien ik dit, en meer dan dit, niet doe,

En traag aan rust mijn krachten prijs wil geven,

Dan drukk’ terstond de dood mijn oogen toe!

Mijn hart zal enkel in uw borst nog leven.

Biron.

[En wat voor mij, mijn liefde? wat voor mij?

Rosaline.

Gij moet gelouterd worden van uw zonden;

Besmet zijt gij met feilen en met eedbreuk;

Daarom, zoo gij mijn gunst verwerven wilt,

Moet gij tot boete een jaar lang, zonder rust,

Het smart’lijk bed van kranken gaan bezoeken.]

Dumaine.

En wat gunt gij, mijn lief, wat gunt gij mij?

Een vrouw?

Catharina.

En, driewerf lief, deez’ drie er bij:

Welzijn, een baard, en echte mannentrouw.

Dumaine.

O, mag ik zeggen: “Dank u, lieve vrouw?”

Catharina.

Geenszins, mijn heer. Een jaar lang hoor ik niet,

Wat liefde een minnaar, glad van wang, mij biedt;

Kom, als de koning komt tot zijn juweel,

Dan krijgt gij, heb ik rijk’lijk liefde, uw deel.

Dumaine.

Ik dien zoolang u trouw en onbezweken.

Catharina.

Zweer niet, om niet nog eens een eed te breken.

Longaville.

Wat zegt Maria?

Maria.

Wat zegt Maria? Na een jaar van rouw

Ruil ik voor ’t zwart een vriend, mits waar en trouw.

Longaville.

Dan wil ik wachten; maar de tijd is lank.

Maria.

Als gij; slechts weinig knapen zijn zoo slank. 846

Biron.

Mijn jonkvrouw peinst? Voogdesse, zie mij aan.

Lees in het venster van mijn hart, mijn oog,

Wat need’rig aanzoek daar uw antwoord wacht:

Leg een’gen dienst mij op voor uwe liefde.

Rosaline.

’k Had vaak, mijn heer Biron, van u gehoord,

Eer ik u zag; de groote tong der wereld

Verklaart u voor een man, vervuld van spot,

Van steek’lig vergelijken, scherpe zetten,

Die gij voor alles in gereedheid hebt,

Wat in ’t bereik komt van uw geestigheid.

Om de’ alsem uit uw weeld’rig brein te wieden

En daardoor mij te winnen, zoo gij ’t wenscht,—

Want zonder dit, neen, ben ik niet te winnen,—

Moet gij dit gansche jaar, en dag aan dag,

Spraaklooze kranken troosten, steeds verkeeren

Met arme kermers; en ik leg u op,

Met al het drieste vuur van uw vernuft

Aan krachtloos leed een glimlach af te dwingen.

Biron.

Den strot des doods een wilden lach te ontpersen?

Dit kan niet zijn; ’t is een onmoog’lijk doen;

Geen ziel in doodstrijd geeft aan scherts gehoor.

Rosaline.

Nu, zoo wordt best een spotgeest uitgebannen,

Wiens krachten uit den voozen bijval stammen,

Dien dwaze lachers schenken aan een nar;

Heel de opgang van een scherts ligt in het oor

Van wie haar hoort, niet in de tong van hem,

Die haar bedacht; dus, zoo eens kranken oor,

Doof voor de kreten zijner eig’ne smart,

Uw ijd’len spot verwelkomt,—ga dan voort,

Ik neem u dan met dit gebrek en al;

Maar is ’t zoo niet, werp dan den spotgeest uit,

En ik zal, om uw beet’ring recht verblijd,

U van dit boos gebrek gereinigd vinden.

Biron.

Een jaar? Nu, ’t loopt ten eind; geen hinderpaal!

Twaalf maanden scherts ik in een hospitaal.

Prinses

(tot den Koning).Ja, waarde vorst, en hiermeê neem ik afscheid.

Koning.

Neen, gun dat wij een eindweegs u geleiden.

Biron.

Niet als een blijspel-einde is dit ons scheiden,

Hans heeft Griet niet; doch met der dames gunst

Wierd onze klucht een blijspel, hoog’re kunst.

Koning.

Nu, slechts een jaar, dan eindt dit in geluk.

Biron.

Een jaar! te lang voor een comediestuk!

(Armado komt weder op.)

Armado.

Beminnenswaardige majesteit, vergun mij,— 888

Prinses.

Was hij niet Hector?

Dumaine.

De edele Trojaansche ridder.

Armado.

Ik wil uw doorluchten vinger kussen en afscheid nemen. Ook ik heb een gelofte gedaan; ik heb aan Jacquenetta gezworen voor haar zoete min drie jaren den ploeg te voeren. Maar, hooggeschatte grootheid, wilt gij de samenspraak hooren, dewelke de twee geleerde mannen hebben opgesteld tot lof van den uil en den koekoek? Zij had op het eind onzer vertooning moeten volgen.

Koning.

Roep vlug hen hier; wij willen dit nog hooren.

Armado.

Hé daar! treedt nader.

(Holofernes, Nathanaël, Mot, Dikkop en Anderen komen op.)

Deze zijde is Hiems, de Winter; deze Ver, de Lente; de een door den uil, de ander door den koekoek bijgestaan.—Ver, begin.

LIED.

De Lente.

Als ’t madeliefje wit en geel

Met sleutelbloem de velden kleurt,

De winde gluurt door ’t jong struweel

En ’t blauw viooltje lieflijk geurt,—

Dan schuilt de koekoek in het woud,

En plaagt de mannen met zijn kout:

“Koekoek!

Koekoek, koekoek!”—o boos geluid,

Waar meen’gen man het oor van tuit!

Als herders spelen op hun riet,

En leeuw’rikzang den ploeger wekt,

En Griet haar zomerkleed begiet,

Duif, roek en meerkol trekkebekt,—

Dan schuilt de koekoek in het woud,

En plaagt de mannen met zijn kout:

“Koekoek!

Koekoek, koekoek!—o boos geluid,

Waar meen’gen man het oor van tuit!

De Winter.

Als ijzel hangt aan goot en muur,

En scheper Piet blaast in de hand,

En Klaas de blokken brengt voor ’t vuur,

De melk bevroren komt van ’t land,

De weg vol sneeuw is, kil het bloed,—

Dan roept de nachtuil welgemoed:

“Toehoe!

Toewit, toehoe!”—een blij geluid,

Als Trui de bierpap roert en kruidt!

Als luid de windvlaag wordt gehoord,

De musch verkleumd zit en verstijfd,

En hoesten heerooms preêk versmoort,

Katrijn haar paarsen neus vaak wrijft,

De ketel appels sissen doet,—

Dan roept de nachtuil welgemoed:

“Toehoe!

Toewit, toehoe!”—een blij geluid,

Als Trui de bierpap roert en kruidt!

Armado.

De woorden van Mercurius zijn hard en ruw na de gezangen van Apollo.—Gij dien weg, wij dezen!

(Allen af.)