WeRead Powered by ReaderPub
Verhalen van de Zuidzee cover

Verhalen van de Zuidzee

Chapter 8: De Heiden.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A series of short stories set in the South Pacific portrays encounters among islanders, visiting sailors, and traders. Episodes move between pearl-diving, shipboard life, and small atolls, showing how greed, alcohol, and cultural misunderstandings lead to violence, loss, and moral compromise. Characters include native divers, mixed-heritage intermediaries, and hard-drinking seamen whose choices are shaped by natural forces, economic pressures, and personal obsessions. The tales combine adventure and social observation to examine isolation, power imbalances, and the human costs of colonial commerce.


1 Kanaka’s: Polynesiërs, een ras van mooie, groote menschen met lichtbruine huid, in tegenstelling met de Melanesiërs die klein en leelijk zijn en een zwarte huidskleur hebben.

Vert.

“Jah! Jah! Jah!”

Hij was een whisky-drinkende Schot, en hij nam zijn whisky puur. Zijn eerste graantje gebruikte hij precies om zes uur ’s morgens, en hij herhaalde dat met regelmatige tusschenpoozen den geheelen dag door tot hij naar bed ging, hetgeen meestal te middernacht plaats vond. Hij sliep maar vijf uren van de vier en twintig, en de overige negentien uren was hij rustig en netjes dronken. Gedurende de acht weken die ik bij hem op Oolong Atol doorbracht, heb ik hem geen oogenblik nuchter gezien. Het kon ook niet anders, want zijn slaap was zóó kort, dat hij den tijd niet had om bij te trekken. Hij was de mooiste, gelijkmatigste dronkaard die ik ooit heb kunnen waarnemen.

Hij heette McAllister. Hij was een oud man, en erg wankel op zijn stelten. Zijn hand trilde alsof hij een beroerte had gehad. Vooral was dat merkbaar als hij zijn whisky inschonk, hoewel ik hem nooit een druppel heb zien morsen. Achtentwintig jaren was hij geweest in Melanesië, van Duitsch Nieuw-Guinea tot de Duitsche Salomon-eilanden, en hij was zoo heelemaal één geworden met dat gedeelte van de wereld, dat hij gewoon was zich uit te drukken in het bastaard-taaltje dat tripang-Engelsch genoemd wordt. Zoo beteekende, wanneer hij met mij praatte, zon hij kom op, zonsopgang; kai-kai hij blijf, dat het diner klaar was; en buik van mij loop rond wilde zeggen dat zijn maag niet in orde was. Hij was een klein mannetje, en bovendien nog ingeschrompeld; van binnen en van buiten verschroeid door brandenden drank en brandende zon. Hij was een uitgedoofd kooltje vuur, een klein, levend stukje asch, dat nog niet heelemaal koud was, en zich stijf bewoog, met plotselinge rukken en schokken, als een automaat. Een windstoot zou hem weggeblazen hebben. Hij woog negentig pond.

Maar het groote, het geweldige in hem was de kracht waarmee hij regeerde. Oolong Atol was honderdveertig mijlen in omtrek. Men stuurde op het kompas in zijn lagune. Het was bevolkt door zesduizend Polynesiërs, allen groote, sterke mannen en vrouwen. Er waren er genoeg onder hen die zes voet lang waren en een paar honderd pond wogen. Oolong lag op tweehonderd vijftig mijlen afstand van het naaste land. Twee keer in het jaar viel er een kleine schoener binnen om kopra te laden. De eenige blanke op Oolong was McAllister, kleine zaakjes doend en zonder ophouden drinkend; en hij regeerde Oolong en zijn zesduizend wilden met ijzeren hand. Hij zei kom, en zij kwamen, ga, en zij gingen. Zij vroegen nooit waarom hij iets wilde of dacht. Hij was humeurig zooals alleen een oude Schot kan zijn, en hij bemoeide zich voortdurend met hun particuliere aangelegenheden. Toen Noegoe, de dochter van den koning, wilde trouwen met Haoenaoe die aan het andere einde van de atol woonde, zei haar vader ja, maar McAllister zei neen, en het huwelijk is niet doorgegaan. Toen de koning een zeker eilandje in de lagune wilde koopen van den opperpriester, zei McAllister neen. De koning stond bij de maatschappij in de schuld tot een bedrag van honderdtachtig duizend kokosnoten, en zoolang die niet betaald waren, zou hij geen enkele kokosnoot aan iets anders besteden.

En toch hielden de koning en zijn volk niet van McAllister. Integendeel, ze haatten hem vreeselijk, en eens heeft, dat weet ik, de heele bevolking, met de priesters aan het hoofd, drie maanden lang tevergeefs getracht hem dood te bidden. De duvel-duvels die ze naar hem toe stuurden waren ontzagwekkend, maar aangezien McAllister niet geloofde in duvel-duvels, hadden ze over hem geen macht. Alle teekenen falen bij dronken Schotten. Ze verzamelden stukjes voedsel die zijn lippen hadden aangeraakt, een leege whisky-flesch, een kokosnoot waarvan hij gedronken had, en zelfs zijn speeksel, en ze verrichtten daar allerlei duivelskunsten en bezweringen mee. Maar McAllister bleef leven. Zijn gezondheid was voortreffelijk. Hij had nooit koorts, hij vatte nooit kou, hoestte nooit; dysenterie ging hem voorbij; en de kwaadaardige gezwellen en gemeene huidziekten, waarvan blanken en zwarten beide te lijden hebben in dat klimaat, hadden geen vat op hem. Hij moet zóó verzadigd zijn geweest met alcohol, dat de ziektekiemen op hem niet konden leven. Ik stelde mij altijd voor, dat ze in heele wolken van microscopische asch op den grond vielen zoodra ze in zijn met whisky gedrenkte sfeer kwamen. Niemand hield van hem, zelfs bacillen niet, en hij hield alleen van whisky en hij leefde nog steeds.

Ik begreep het niet. Ik kon me niet voorstellen dat zesduizend inlanders genoegen namen met de tyrannie van dien verschrompelden dwerg. Het was een wonder dat hij niet al lang plotseling gestorven was. Het volk was, anders dan de laffe Melanesiërs, trotsch en oorlogszuchtig. Op het groote kerkhof, aan de hoofd- en voeteneinden van de graven, lagen herinneringen aan een bloedige historie—spaden voor walvischspek, roestige oude bajonetten en hartsvangers, koperen bouten, roer-ijzers, harpoenen, koperen kanonnen, baksteenen die nergens anders vandaan konden komen dan uit het smeltfornuis van een walvischvaarder, en oude koperen munten uit de zestiende eeuw, die de overlevering van de eerste Spaansche zeevaarders bevestigden. Schip na schip was aan zijn eind gekomen op Oolong. Geen dertig jaren geleden was de walvischvaarder Blennerdale, die de lagune binnenliep om te repareeren, met alle hens buitgemaakt. Op dezelfde manier had de bemanning van de Gasket, een sandelhoutvaarder, den dood gevonden. Dan was er een groote Fransche bark, de Toulon, die overvallen werd door een windstilte voor de atol. De eilanders kwamen na een hevig gevecht aan boord, en lieten het schip wrak slaan in de Lipaoe Doorvaart; en alleen de kapitein en een handvol matrozen konden ontsnappen in de barkas. Verder waren er de Spaansche munten, die spraken van het einde van een van de oude ontdekkingsreizigers. Dit alles, over de genoemde schepen, is geschiedenis, en men kan het vinden in de Zeilaanwijzingen voor de Stille Zuidzee. Maar dat er nog meer geschiedenis was, ongeschreven, dat moest ik nog ondervinden. Ondertusschen pijnigde ik mijn hersens met de vraag, waarom zesduizend primitieve wilden één gedegenereerden Schotschen despoot in het leven lieten.

Op een heeten middag zaten McAllister en ik op de veranda uit te kijken over de lagune, met al haar wonderen van glinsterende kleuren. Achter onzen rug, aan de overzij van de honderd meter met palmen beplant zand, donderde de branding op het rif. Het was afschuwelijk warm. Wij waren op 4º Zuiderbreedte, en de zon, die een paar dagen geleden de Linie gepasseerd was op haar reis naar het zuiden, stond recht boven onze hoofden. Er was geen wind—zelfs geen vleugje. Het seizoen van den zuidoost-passaat liep vroeg ten einde, en de noordwest-moesson was nog niet begonnen te waaien.

“Hun danserij is geen klap waard”, zei McAllister.

Ik had toevallig gezegd dat de Polynesische dansen ver boven die van de Papoea’s stonden, en dit had McAllister ontkend, om geen andere reden dan zijn humeurigheid. Maar het was te heet om te discussieeren, en ik zei niets. Bovendien had ik de bewoners van Oolong nooit zien dansen.

“Ik zal het je bewijzen”, kondigde hij aan, en wenkte den zwarten jongen van Nieuw-Hannover, een inlandschen koelie die dienst deed als kok en huisbediende. “Hee, jij, jongen, jij zeg’m een koning kom bij mij.”

De jongen ging weg, en terug kwam de eerste minister, niet erg op zijn gemak, ontdaan, en voortdurend verontschuldigende verklaringen ratelend. In het kort, de koning sliep, en mocht niet gestoord worden.

“Koning hij veel sterk slaap”, was zijn slotperiode.

Mc Allister was zóó woedend dat de eerste minister zonder zich een oogenblik te bedenken wegvluchtte, om terug te keeren met den koning in eigen persoon. Het waren twee prachtige menschen, vooral de koning, die volle zes voet en drie duim lang moet zijn geweest. Zijn trekken hadden dat adelaars-achtige, dat men zooveel ziet bij de Indianen van Noord-Amerika. Hij was geboren, maar ook gemaakt om te heerschen. Zijn oogen vlamden terwijl hij naar Mc Allister luisterde, maar heel gedwee gehoorzaamde hij diens bevel om een paar honderd van de beste dansers uit het dorp te laten halen, mannen en vrouwen. En dansen deden ze, twee doodelijke uren lang, onder die roosterende zon. Dankbaar waren ze hem niet, maar dat kon hem weinig schelen, en toen hij hen eindelijk liet gaan, was het met spot en scheldwoorden.

De kruiperige slaafschheid van die prachtige wilden was iets afschuwelijks. Hoe kon zoo iets bestaan? Wat was het geheim van zijn heerschappij? Steeds meer dacht ik over het raadsel terwijl de dagen voorbij gingen, en ofschoon ik voortdurend staaltjes zag van zijn onbetwiste oppermacht, was er nooit iets dat de oplossing kon geven.

Op een goeden dag sprak ik toevallig over een kleine teleurstelling die ik had ondervonden. Ik had een mooi paar kaoeri-schelpen willen koopen, maar het was me niet gelukt. Als ze geen vijf pond waard waren in Sydney waren ze ook niets waard. Tweehonderd stokken tabak had ik den eigenaar aangeboden, maar hij was op driehonderd blijven staan. Toen ik toevallig over de zaak sprak, liet Mc Allister den man onmiddelijk halen, nam hem de schelpen af, en overhandigde ze aan mij. Vijftig stokken tabak was alles wat ik hem mocht betalen. De man nam de tabak aan en scheen dol blij dat hij er zoo gemakkelijk af kwam. Wat mij betreft, ik nam me voor mijn tong voortaan wat in bedwang te houden. En nog steeds piekerde ik over het geheim van McAllister’s macht. Ik ging zelfs zóó ver dat ik het hem op den man af vroeg, maar alles wat hij deed was één oog dicht knijpen, heel geheimzinnig kijken, en nog een borrel nemen.

Op een nacht was ik aan het visschen in de lagune met Oti, den man die zoo kaal van zijn kaoeri-schelpen af was gekomen. Ik had hem buiten weten van Mc Allister nog honderdvijftig stokken tabak er bij overgemaakt, en hij was mij gaan beschouwen met een eerbied die veel op vereering leek; eigenlijk vrij zonderling, want hij was al een oud man, minstens tweemaal zoo oud als ik.

“Wat naam jij Kanaka altijd ’t zelfde klein?” begon ik met hem. “Dat koopman één. Jij Kanaka veel te veel. Jij Kanaka precies als ’m hond veel bang bij dat koopman. Hij niet eet jij. Hij niet heeft ’m tand bij hem. Wat naam jij bang te veel!”

“Stel veel Kanaka maak dood ’m?” vroeg hij.

“Hij dood”, zei ik. “Jij Kanaka maak dood ’m veel wit man lang tijd geleden. Wat naam jij bang dit wit man?”

“Ja, wij maak dood ’m veel”, was zijn antwoord. “Mijn woord! Allemaal veel! Lang tijd geleden. Eén keer, mij jong te veel, een groot schip hij blijf buiten. Wind hij niet blaas. Veel Kanaka wij pak ’m kano, veel kano, wij gaan pak ’m dat schip. Mijn woord—wij pak ’m groot vechten. Twee, drie wit man schiet als duivel. Wij niet bang. Wij kom langszij, wij gaan aan boord, veel, misschien mij denk vijftig-tien (vijfhonderd). Een wit vrouw bij dat schip. Nooit eerder mij zie wit vrouw. Langzaam veel wit man afgeloopen. Een schipper hij niet dood. Vijf, zes wit man niet dood. Schipper hij schreeuw. Een paar wit man hij vechten. Een paar wit man hij laat neer boot. Dan allemaal samen overboord gaan zij. Schipper hij laat wit vrouw neer. Dan zij spoel-spoel (roeien) sterk veel te veel. Vader van mij die tijd hij sterk. Hij gooi ’m een speer. Dat speer hij gaat in eene kant dat wit vrouw. Hij niet blijf. Mijn woord! hij gaat uit andere kant dat wit vrouw. Zij afgeloopen. Wij niet bang. Veel Kanaka te veel niet bang.”

De goede oude Oti was in zijn eer gekwetst, want plotseling stroopte hij zijn lava-lava af en liet mij het onmiskenbare lidteeken van een kogel zien. Vóórdat ik iets kon zeggen, liep plotseling zijn lijn af. Hij greep er naar en trachtte ze binnen te halen, maar merkte dat de visch om een koraaltak heen was gezwommen. Hij gaf mij een verwijtenden blik omdat ik zijn aandacht had afgeleid, en sprong overboord, rechtstandig. Onder water dook hij voorover en volgde zijn lijn naar den bodem. Het water was tien vadem diep. Ik leunde overboord en keek naar het spel van zijn voeten, die den zachten phosphorglans opwoelden tot spookachtige vlammen, steeds vager wordend naarmate ze dieper zonken. Tien vadem—zestig voet—, het was niets voor hem, een oud man, vergeleken met de waarde van een haak en lijn. Na verloop van wat vijf minuten leek, ofschoon het niet meer kan zijn geweest dan een minuut, zag ik hem naar boven stijgen in witte vlammen. Hij kwam aan de oppervlakte en gooide een kabeljauw van tien pond in de kano; lijn en haak waren heel, en de haak zat nog vast in den visschenmond.

“Het kan zijn”, zei ik, onbarmhartig. “Jij niet bang lang geleden. Jij veel bang nu bij dat koopman.”

“Ja, veel bang”, bekende hij. Het was duidelijk dat hij liever van het onderwerp wilde afstappen. Een half uur lang trokken wij zwijgend onze lijnen omhoog en gooiden ze zwijgend weer uit. Toen begonnen er kleine visch-haaien te bijten, en nadat we beiden een haak kwijt waren geraakt, haalden wij alles binnen en wachtten tot de haaien hun weg zouden vervolgen.

“Ik praat jij waar”, zoo verbrak Oti het zwijgen, “dan jij snap wij bang nu.”

Ik stak een pijp op en wachtte, en het verhaal dat Oti mij vertelde in vreeselijk tripang geef ik hier weer in behoorlijk Engelsch. Verder, in den geest en in den gang der gebeurtenissen, is het zooals het van Oti’s lippen kwam.

“Na dien tijd waren wij erg trotsch. Wij hadden dikwijls gevochten met de vreemde blanke mannen die leven op de zee, en altijd hadden wij hen verslagen. Enkelen van ons werden dan wel gedood, maar wat was dat vergeleken bij de groote voorraden en rijkdommen van duizenden verschillende soorten die wij vonden op de schepen? En toen, op een goeden dag, misschien twintig jaren geleden, misschien vijfentwintig, kwam er een schoener pal door de doorvaart en in de lagune. Het was een groote schoener met drie masten. Er waren vijf blanken en misschien veertig zwarten van Nieuw-Guinea en Nieuw-Britannië aan boord; en ze waren gekomen om tripang te visschen. Het schip lag voor anker bij Paoeloo, van hier dwars over de lagune, en de booten verspreidden zich overal, en maakten kampen op het strand, waar ze de tripang rookten. Die verdeeling maakte hen zwak, want de mannen die hier vischten en die op den schoener bleven waren vijftig mijlen van elkaar, en er waren anderen nog verder weg.

“Onze koning en onze hoofden hielden raad, en ik was in de kano die den heelen middag en den heelen nacht over de lagune pagaaide, en het bericht bracht aan het volk van Paoeloo, dat wij in den morgen de vischkampen allen tegelijk aan zouden vallen en dat het hun taak was den schoener te nemen. Wij die het bericht hadden gebracht waren moe van het pagaaien, maar we namen toch deel aan den aanval. Op den schoener waren twee blanken, de schipper en de tweede stuurman, met een half dozijn zwarte jongens. Den schipper en drie zwarten overvielen we op den wal en maakten hen dood, maar eerst schoot de schipper er acht van ons dood met zijn twee revolvers. Wij vochten dicht op elkaar, begrijp je, man tegen man.

“Het lawaai van ons vechten vertelde den stuurman wat er gebeurde, en hij bracht voedsel en een zeil in de kleine jol, die zoo klein was, dat ze niet meer dan twaalf voet mat. Wij kwamen op den schoener af, duizend mannen, en wij bedekten de lagune met onze kano’s. Ook bliezen we op kinkhorens, en zongen oorlogszangen, en sloegen met onze pagaaien tegen de zijden van de kano’s. Wat voor kans had één blanke en drie zwarten tegen ons? Heelemaal geen kans, en de stuurman wist het.

“Blanken zijn duivels. Ik heb hen veel gadegeslagen, en ik ben een oud man, en ik begrijp eindelijk waarom de blanken al de eilanden in de zee voor zich zelf hebben genomen. Het is omdat het duivels zijn. Hier ben jij bij mij in de kano. Je bent nauwelijks meer dan een jongen. Je weet weinig, want iederen dag vertel ik je veel dingen die je niet wist. Toen ik een kleine jongen was, wist ik meer van visschen dan jij nu. Ik ben een oud man, maar ik zwem naar beneden tot op den bodem van de lagune, en jij kunt mij niet volgen. Waar ben je eigenlijk goed voor?

“Ik weet het niet, alleen om te vechten. Ik heb jou nooit zien vechten, en toch weet ik dat jij bent zooals je broeders, en dat je zult vechten als een duivel. Je bent ook een dwaas, zooals je broeders. Je weet niet wanneer je verslagen bent. Je zult vechten tot je dood neervalt, en dan zal het te laat zijn om te weten dat je verslagen bent.

“Nu let op wat de stuurman deed. Toen we op hem af kwamen, de zee bedekkend en blazend op onze horens, zette hij zich af van den schoener in de kleine boot, samen met de drie zwarten, en roeide naar de doorvaart. Ook daarin was hij weer een dwaas, want geen verstandig man zou zee kiezen in zoo’n kleine boot. De boorden waren geen tien duim boven het water. Twintig kano’s gingen hem achterna, gevuld met tweehonderd jonge mannen. Wij pagaaiden vijf vadem terwijl zijn zwartjes er één roeiden. Hij had geen kans, maar hij was een dwaas.

“Hij ging rechtop staan in de boot met een geweer in zijn hand, en hij schoot dikwijls. Hij was geen goed schutter, maar toen we dicht bij kwamen werden er veel van ons gewond en gedood. Maar toch had hij geen kans.

“Ik weet nog dat hij al dien tijd een sigaar rookte. Toen we op veertig voet afstand waren, snel naderend, gooide hij zijn geweer neer, stak een staaf dynamiet aan met zijn sigaar, en slingerde die naar ons. Hij stak er nog een aan, en nog een, en gooide ze naar ons, snel achter elkaar, en heel veel. Ik weet dat hij de einden van de lonten gespleten en er luciferskoppen in gestoken moet hebben, omdat ze zoo vlug aan gingen. Ook waren de lonten erg kort. Soms ging het dynamiet af in de lucht, maar meestal ontplofte het in de kano’s. En iederen keer dat er een staaf in een kano ontplofte, was het uit met die kano. Van de twintig kano’s werd de helft in stukken geslagen. De kano waar ik in zat sprong ook uit elkaar, en ook de twee mannen die naast mij zaten. Het dynamiet viel tusschen hen in. De andere kano’s keerden om en vluchtten. Toen gilde die stuurman ons ‘Jah! Jah! Jah!’ achterna. Ook trok hij weer op ons los met zijn geweer, zoodat er veel van ons gedood werden door schoten in den rug terwijl ze vluchtten. En al dien tijd gingen de zwartjes in de boot door met roeien. Je ziet, ik heb de waarheid gezegd, die stuurman was een duivel.

“En dat was nog niet alles. Vóór dat hij van den schoener weg was gegaan, had hij het schip in brand gestoken, en al het kruit en dynamiet had hij bij elkaar gelegd, dat het op één oogenblik ontploffen zou. Er waren honderden van onze mannen aan boord, bezig met water op te halen van over de verschansing en daarmee het vuur te blusschen, toen de schoener in de lucht vloog. Zoodat alles waar we voor gevochten hadden voor ons verloren was, en er nog meer van onze mannen gedood werden. Soms, zelfs nu nog op mijn ouden dag, heb ik leelijke droomen waarin ik dien stuurman hoor gillen: ‘Jah! Jah! Jah!’ Maar al de menschen in de vischkampen werden gedood.

“De stuurman voer de doorvaart uit in zijn kleine boot, en dat was zijn eind, daar waren we wel zeker van, want hoe zou zoo’n kleine boot, met vier mannen er in, ooit kunnen blijven leven op de zee? Een maand ging voorbij, en toen, op een morgen, tusschen twee regenvlagen in, kwam er een schoener door onze doorvaart binnenzeilen, en ankerde voor het dorp. De koning en de hoofden hielden een groote vergadering, en er werd afgesproken dat we na een paar dagen den schoener zouden nemen. Ondertusschen, daar het altijd onze gewoonte was om te doen alsof we vrienden waren, gingen we naar het schip in onze kano’s en brachten bossen kokosnoten, kippen en varkens mee, om handel te drijven. Maar toen we langszij waren, veel kano’s, begonnen de mannen aan boord op ons te schieten met geweren, en toen we weg pagaaiden zag ik den stuurman die naar zee was gegaan in de kleine boot op de verschansing springen en dansen en gillen: ‘Jah! Jah! Jah!’

“Dien middag landden ze in drie kleine booten vol met blanken. Ze liepen overal door het dorp, en schoten iedereen die ze zagen neer. Ook de kippen en de varkens schoten ze neer. Ik en nog anderen die niet dood geschoten waren ontsnapten in de kano’s en pagaaiden de lagune op. Als we omkeken konden we de huizen in brand zien staan. Laat in den middag zagen we een massa kano’s die van Nihi kwamen, het dorp dat in het noordoosten ligt, aan de Nihi Doorvaart. Het was alles wat er nog van dat dorp over was, en ook hun huizen waren in brand gestoken door een tweeden schoener die door de Nihi Doorvaart was binnengevallen.

“Wij voeren verder de lagune op, de duisternis in, naar het westen, naar Paoeloo, maar midden in den nacht hoorden we vrouwen klagen, en we liepen op een groote vloot kano’s. Dat was alles was er van Paoeloo over was, en ook Paoeloo lag in asch, want een derde schoener was binnen gekomen door de Paoeloo Doorvaart. Je begrijpt, die stuurman met zijn zwartjes was niet verdronken. Hij had de Salomon-eilanden bereikt, en daar aan zijn broeders verteld wat wij op Oolong gedaan hadden. En al zijn broeders hadden gezegd dat ze ons zouden komen straffen, en daar waren ze nu op de drie schoeners, en onze drie dorpen waren weggeveegd.

“En wat moesten wij doen? We lagen midden in de lagune, en in den morgen kwamen de twee schoeners van te loevert op ons af zeilen. De passaatwind blies krachtig, en ze liepen de kano’s bij twintigtallen in den grond. En de geweren hielden niet op met spreken. Wij vluchtten weg in wanorde, zooals de vliegende visschen voor de bonito, en zóó talrijk waren we dat we bij duizenden ontsnapten, ieder op zijn eigen manier, naar de eilanden aan den rand van de atol.

“En daarna joegen de schoeners ons voortdurend de lagune op en neer. In den nacht gleden we hun voorbij. Maar dan kwamen ze den volgenden dag, of twee of drie dagen later weer terug, en joegen ons naar het andere eind van de lagune. En zoo ging het door. Wij telden onze dooden niet meer. We dachten niet meer aan hen. Het is waar, wij waren talrijk en er waren maar weinig blanken. Maar wat konden we doen? Ik was in één van de twintig kano’s vol mannen die niet bang waren voor den dood. We vielen den kleinsten schoener aan. Met hoopen schoten ze ons neer. Ze lieten dynamiet in de kano’s vallen en toen het dynamiet op was, gooiden ze heet water op ons neer. En geen oogenblik hielden de geweren op te spreken. En de mannen uit de verbrijzelde kano’s werden dood geschoten terwijl ze weg zwommen. En de stuurman danste op en neer boven op de kajuit en gilde: ‘Jah! Jah! Jah!’

“Alle huizen op alle eilanden werden in brand gestoken. Geen varken of kip werd in leven gelaten. Onze waterputten werden verontreinigd met de lichamen van de gesneuvelden, of anders bouwden ze hooge stapels koraal er over heen. Vóórdat de schoeners kwamen woonden er vijf en twintig duizend menschen op Oolong. Nu zijn we met met zijn vijfduizenden. Nadat de schoeners vertrokken waren, telden we nog maar drieduizend man, zooals je zult zien.

“Eindelijk kregen de schoeners er genoeg van ons op en neer te jagen. Dus gingen ze, alle drie, naar Nihi, in het noordoosten. En vandaar dreven ze ons gestadig naar het westen. Hun negen booten waren ook in het water. Ze klopten elk eiland af terwijl ze voortgingen. Ze dreven ons, dreven ons, dreven ons dag na dag. En iederen nacht vormden de drie schoeners en de negen booten een ketting van waakzaamheid die dwars over de lagune strekte, van rand tot rand, zoodat we niet terug konden.”

“Ze konden ons niet eeuwig zoo blijven voortdrijven, want de lagune had maar een bepaalde grootte, en ten slotte werden allen die nog leefden op de laatste zandbank in het westen samengedreven. Daarachter lag de open zee. Wij waren tienduizend man sterk, en wij bedekten de zandbank van den lagune oever tot de donderende branding aan de andere zijde. Niemand kon gaan liggen. Er was geen plaats. We stonden heup aan heup en schouder aan schouder, en telkens klom de stuurman in het want en lachte ons uit en gilde: ‘Jah! Jah! Jah!’, totdat we spijt hadden als haren op ons hoofd dat we hem en zijn schoener ooit iets gedaan hadden een maand geleden. Wij hadden geen eten, en wij stonden twee dagen en twee nachten op onze voeten. De kleine kinderen stierven, en de ouden en zwakken stierven, en de gewonden stierven. En het ergste van alles, wij hadden geen water om onzen dorst te lesschen en twee dagen lang sloeg de zon op ons neer, en er was geen schaduw. Veel mannen en vrouwen waadden de zee in en verdronken, en de branding wierp hun lichamen terug op het strand. En er kwam een plaag van vliegen. Er waren mannen die naar de wanden van de schoeners zwommen, maar ze werden tot den laatsten toe doodgeschoten. En wij die nog leefden hadden grooten spijt dat we in onzen trots hadden getracht den schoener met de drie masten te nemen die was gekomen om tripang te visschen.

“In den morgen van den derden dag kwamen de schippers van de drie schoeners en die stuurman, in een kleine boot. Ze hadden geweren, allemaal, en revolvers, en ze wilden praten. Het was alleen maar omdat het moorden hen begon te vervelen dat ze er mee opgehouden waren, vertelden ze ons. En wij vertelden dat we er spijt van hadden, dat we nooit meer een blanke iets zouden doen, en ten teeken van onze onderwerping strooiden we zand op onze hoofden. En al de vrouwen en kinderen hieven een groot geklaag aan om water, zoodat een tijd lang niemand zich verstaanbaar kon maken. Toen werd onze straf ons medegedeeld. We moesten de drie schoeners vullen met kopra en tripang. En wij vonden het goed, want wij wilden water hebben, en onze trots was gebroken, en wij wisten dat we kinderen waren in het vechten als we vochten met blanken, die vechten als duivels. En toen al het praten afgeloopen was, ging de stuurman rechtop staan en lachte ons uit, en gilde: ‘Jah! Jah! Jah!’ Daarna pagaaiden we weg in onze kano’s en zochten water.

“En weken lang moesten we zwoegen: tripang visschen en rooken, en kokosnoten plukken en er kopra van maken. Dag en nacht rees de rook in wolken omhoog op al de stranden van al de eilanden van Oolong, terwijl wij de boete betaalden voor onze verkeerde daad. Want in die dagen van dood werd het duidelijk in onze hersenen gebrand dat het heel verkeerd is een blanke kwaad te doen.

“Na een poos, toen de schoeners vol waren met kopra en tripang en onze kokospalmen kaal, riepen de drie schippers en de stuurman ons allemaal bijeen voor een groote vergadering. En ze zeiden dat ze erg blij waren dat we onze les geleerd hadden en wij zeiden voor den tienduizendsten keer dat we er spijt van hadden en dat we het niet meer zouden doen. Ook strooiden we zand op onze hoofden. Toen zeiden de schippers dat dat allemaal heel mooi was, maar alleen maar om ons te laten zien dat ze ons niet vergaten, zouden ze ons een duvel-duvel sturen die wij niet zouden vergeten en waar we altijd aan zouden denken als we neiging mochten voelen om een blanke kwaad te doen. Daarna lachte de stuurman ons nog eens uit en gilde: ‘Jah! Jah! Jah!’ Toen werden zes van onze mannen, die we al lang dood hadden gewaand, aan land gezet van een van de schoeners, en de schoeners heschen hun zeilen en voeren weg door de doorvaart, naar de Salomon’s.

“De zes mannen die aan land waren gezet kregen het eerst de duvel-duvel die de schippers ons achterna hadden gestuurd.”

“Er kwam een groote ziekte”, onderbrak ik, want ik zag de truc. De schoener had mazelen aan boord gehad, en de zes mannen waren er opzettelijk aan blootgesteld.

“Ja, een groote ziekte”, ging Oti door. “Het was een machtige duvel-duvel. De oudste man van de atol had nooit van zoo iets gehoord. Onze priesters die nog leefden sloegen we dood omdat ze die duvel-duvel niet meester konden worden. De ziekte verspreidde zich. Ik heb gezegd dat we tienduizend man sterk waren toen we heup aan heup en schouder aan schouder op de zandbank stonden. Toen de ziekte wegging, waren er nog drieduizend in leven. Ook was er hongersnood, omdat we van al onze kokosnoten kopra gemaakt hadden.

“Dat koopman”, besloot Oti, “hij als ’m zooveel vuil. Hij als ’m mossel, hij dood kai-kai hij blijf, vasthouden ’m allemaal veel. Hij als ’m hond, een ziek hond veel vlooi blijf bij hem. Wij niet bang bij dat koopman. Wij bang omdat hij wit man. Dat een ziek hond koopman hij veel broeder blijf bij hem, wit man als ’m jij vecht als hel. Wij niet bang dat verdom koopman. Een keer hij maak Kanaka veel kwaad bij hem en Kanaka wil ’m maak dood ’m, Kanaka hij hoor dat stuurman schreeuw: ‘Jah! Jah! Jah!’, en Kanaka niet maak dood ’m.”

Hij sloeg een stuk inktvisch aan zijn haak, dat hij met zijn tanden van het levende, kronkelende monster af scheurde, en haak en aas zonken in witte vlammen naar den bodem.

“Haai rondloop hij afgeloopen”, zei hij. “Ik denk wij pak ’m veel visch.”

Er werd heftig aan zijn lijn gerukt. Hij haalde snel binnen, en liet een grooten, hijgenden kabeljauw in den bodem van de kano vallen. “Zon hij kom op, ik maak ’m dat verdom koopman een kadoo groot visch”, zei Oti.

De Heiden.

Onze eerste ontmoeting had plaats in een wervelstorm; en ofschoon wij in dien storm op denzelfden schoener waren, werd ik mij niet eerder bewust van zijn bestaan dan nadat de schoener onder ons uit elkaar was geslagen. Ik moet hem zonder eenigen twijfel gezien hebben, samen met de rest van de Kanaka bemanning, maar het was niet bewust tot mij doorgedrongen, want de Petite Jeanne was tamelijk overladen. Behalve de acht of tien Kanaka matrozen, den blanken kapitein, stuurman en ladingmeester, en de zes kajuit-passagiers, vertrok het schip van Rangiroa met zooiets als vijfentachtig dek-passagiers—menschen uit de Paoemotoe’s en van Tahiti, mannen, vrouwen, en kinderen, allen voorzien van een kist om hun boeltje in te bergen, om nog maar te zwijgen van slaapmatten, dekens, en bundeltjes kleeren.

Het seizoen om parels te visschen in de Paoemotoe’s was voorbij, en alle hens keerden terug naar Tahiti. De zes kajuit-passagiers, waaronder ook ik, waren parelkooplui. Twee er van waren Amerikanen, één was Ah Choon (de blankste Chinees dien ik ooit gekend heb), één was een Duitscher, één een Poolsche Jood, en ik completeerde het half dozijn. Het was een voorspoedig seizoen geweest. Niemand van ons had reden tot klagen, de vijfentachtig dek-passagiers ook niet. Iedereen had goede zaken gemaakt, en iedereen keek verlangend uit naar een poosje rust en plezier in Papeete.

Natuurlijk was de Petite Jeanne overladen. Zij mat maar zeventig ton, en zij mocht geen tiende varen van de hoeveelheid die ze aan boord had. Onder haar luiken was ze opgepropt en volgestampt met parelschelpen en kopra. Zelfs de ruimte waar de ruil-artikelen geborgen werden was volgestopt met schelpen. Het was een wonder dat de matrozen het schip konden zeilen. Over het dek loopen was onmogelijk. Zij klommen eenvoudig heen en weer langs de verschansing. ’s Nachts liepen ze over de slapenden, die, ik durf zweren in een dubbele laag, de planken bedekten. O! en dan waren er nog varkens en kippen aan dek, en zakken met broodwortels, terwijl elk plekje dat men maar verzinnen kon behangen was met guirlandes van kokosnoten en trossen bananen. Aan beide zijden van het schip, tusschen het fokkewant en het grootwant, waren lijnen gespannen, juist zoo laag dat de fokkegiek vrij kon zwaaien, en aan elk van die lijnen waren minstens vijftig trossen bananen opgehangen.

Het beloofde een onpleizierige reis te worden, zelfs als we den overtocht maakten in de twee of drie dagen die noodig zouden zijn geweest als de zuidoost-passaatwinden flink gewaaid hadden. Maar ze waaiden niet flink. Na de eerste vijf uren stierf de passaat weg in een stuk of wat kortademige koeltjes. De windstilte duurde den geheelen nacht en den geheelen volgenden dag—een van die glasachtige, gloeiend-stralende blaktes, wanneer alleen de gedachte dat men zijn oogen zou openen om er naar te kijken al genoeg is om hoofdpijn te krijgen.

Den tweeden dag stierf er een man, een inboorling van het Paasch-eiland, een van de beste duikers van de lagune dat seizoen. Pokken, dat was het; ofschoon ik nog niet begrijp hoe er bij ons aan boord pokken konden komen als er aan de wal geen gevallen bekend waren toen wij uit Rangiroa wegzeilden. Maar ze waren er—pokken, één man dood, en drie anderen plat op hun rug.

Wij konden niets doen. De zieken konden niet afgezonderd, en nog minder verpleegd worden. Wij zaten op elkaar gepakt als sardines in een blik. Er was niets anders te doen dan ziek worden en crepeeren—dat is te zeggen, na den nacht die volgde op het eerste sterfgeval. In dien nacht namen de stuurman, de ladingmeester, de Poolsche Jood, en vier inlandsche duikers stilletjes de vlucht in de groote jol. Niemand heeft ooit meer iets van hen gehoord, ’s Morgens liet de kapitein direct de andere booten lek slaan, en daar zaten we.

Dien dag waren er twee sterfgevallen, den volgenden dag drie; toen vloog het omhoog tot acht. Het was de moeite waard de verschillende wijzen te zien waarop wij het opnamen. De inlanders bij voorbeeld vervielen in een toestand van stomme, domme vrees. De kapitein—Oudouse heette hij, een Franschman—werd erg zenuwachtig en opgewonden. Hij kreeg in den letterlijken zin van het woord zenuwstuipjes. Het was een groote vleezige kerel, die minstens tweehonderd pond woog, en hij werd al spoedig een getrouwe weergave van een trillenden, geleiachtigen berg van vet.

De Duitscher, de twee Amerikanen, en ik kochten samen al de Schotsche whisky op, en besloten dronken te blijven. De theorie was mooi—namelijk, dat als wij ons voortdurend gedrenkt hielden in alcohol, iedere pok-bacil die met ons in aanraking kwam onmiddelijk tot asch zou verschroeien. En de theorie werkte, ofschoon ik moet bekennen dat kapitein Oudouse en Ah Choon ook niet door de ziekte werden aangetast. De Franschman dronk heelemaal niet, en Ah Choon beperkte zich tot één borrel per dag.

Het was een mooie toestand. De zot, die naar het noorden declineerde, stond recht boven ons. Wind was er niet, behalve talrijke buien, die van vijf minuten tot een half uur fel bliezen, en eindigden in een zondvloed van regen. Na iedere bui kwam de vreeselijke zon weer te voorschijn, en trok wolken van stoom omhoog uit het doorweekte dek.

Die stoom was niet bepaald aangenaam. Het was de adem van den dood, beladen met millioenen en millioenen ziektekiemen. Wij namen altijd nog maar een borrel als we hem zagen opstijgen uit de dooden en stervenden, en heel dikwijls namen wij er nog twee of drie bij, en we mengden ze bijzonder sterk. Ook maakten wij er een vaste gewoonte van om er nog een paar boven op te nemen telkens als de dooden overboord werden gezet, voor de haaien die overal om ons heen zwommen.

Dat duurde zoo een week lang, en toen raakte de whisky op. En dat was maar goed ook, want anders was ik er nu niet meer. Men moest nuchter zijn om te blijven leven in wat er volgde, en iedereen zal dat met mij eens zijn als ik de kleinigheid vermeld dat maar twee menschen er levend doorheen kwamen. De andere was de heiden—tenminste zoo hoorde ik hem door kapitein Oudouse noemen toen ik mij voor het eerst bewust werd van zijn bestaan. Maar laat ik terugkeeren tot mijn verhaal.

Het was aan het eind van die week, en de whisky was op en de parelkoopers nuchter, toen ik toevallig eens naar den barometer keek die in de kajuitsgang hing. De normale barometerstand in de Paoemotoe’s was 29·90, en het was heel gewoon hem te zien schommelen tusschen 29·85 en 30, of zelfs 30·05; maar hem te zien zooals ik hem toen zag, gedaald tot 29·62 was voldoende om den meest dronken parelkoopman te ontnuchteren die ooit pokken-microben cremeerde in Schotsche whisky.

Ik vestigde de aandacht van kapitein Oudouse er op, maar kreeg slechts de mededeeling dat hij hem al een paar uren lang had zien dalen. Er was weinig te doen, maar dat beetje deed hij uitstekend, de omstandigheden in aanmerking genomen. Hij nam de lichte zeilen in, bracht het schip onder stormtuig, spande reddingslijnen, en wachtte op den wind. Zijn fout lag in wat hij deed toen de wind er was. Hij ging bijliggen over den stuurboordboeg, wat ook heel goed was, ten zuiden van den Equator, als—en daar zat hem de knoop—als men niet pal in den weg van een wervelstorm ligt.

Wij lagen pal op den weg van den storm. Ik kon dat merken aan het gestadig toenemen van den wind en het even gestadig vallen van den barometer. Ik had gewild dat hij gedraaid en met ruimen wind over stuurboord weggeloopen was, tot de barometer weer steeg, en dan was gaan bijliggen. Wij praatten en betoogden tot hij aanvallen van hysterie kreeg, maar wijken wilde hij niet. Het ergste was dat ik de andere parelkoopers er niet toe kon krijgen mij te steunen. Wat verbeeldde ik mij eigenlijk wel? Wist ik soms meer van de zee en van de zeevaart dan een behoorlijk gebreveteerd gezagvoerder? Dat was wat zij dachten, en ik wist het.

Natuurlijk rees de zee geweldig naarmate de wind sterker werd, en ik zal nooit de eerste drie zeeën vergeten die de Petite Jeanne schepte. Ze was afgevallen, zooals schepen wel meer doen wanneer ze bijliggen, en de eerste zee spoelde er schoon over heen. De reddingslijnen waren alleen maar van nut voor wie nog sterk en gezond was, en zelfs hen hielpen ze niet veel toen de vrouwen en kinderen, de bananen en kokosnoten, de varkens en kisten, de zieken en stervenden langs het dek stroomden in één gillende, kreunende massa.

De tweede zee vulde het dek van de Petite Jeanne gelijk met de verschansing; en toen de achtersteven omlaag zonk en de boeg naar boven schoot, stroomde al die erbarmelijke ballast van leven en bagage achteruit. Het was een rivier van menschen. Zij kwamen in alle houdingen: met het hoofd naar voren, met de voeten naar voren, schuivend, over hun kant rollend, dubbel geslagen, zich draaiend en krommend en wringend. Nu en dan greep er een een touw of een steunpost, maar de zwaarte van de lichamen achter hen scheurden zulke grepen los. Eén man zag ik met zijn hoofd pal tegen de stuurboordbeting op vliegen. Zijn hoofd werd gekraakt als een ei. Ik zag wat er aankwam, sprong boven op de kajuit, en van daar in het grootzeil. Ah Choon en een van de Amerikanen trachtten mij te volgen, maar ik was hen één sprong voor. De Amerikaan werd weggeveegd over den spiegel, als een stukje stroo. Ah Choon greep een spaak van het stuurraad en bleef daaraan hangen, als een schip dat op zijn anker zwaait in een sterke strooming. Maar een groote, zware vahine (vrouw)—zij moet minstens tweehonderd en vijftig gewogen hebben—werd tegen hem aan gegooid en sloeg een arm om zijn hals. Hij greep den Kanaka roerganger vast met zijn andere hand; en juist op dat oogenblik smakte de schoener neer naar stuurboord. De rivier van lichamen en zeewater die aan kwam stroomen langs de bakboordgang tusschen de kajuit en de verschansing, wendde zich plotseling en dreef naar stuurboord. Weg schoten ze—vahine, Ah Choon, en roerganger; en ik durf zweren dat ik Ah Choon met philosophische berusting zag grijnzen toen hij over de reeling ging en zonk.

De derde zee, de grootste van de drie, richtte niet zooveel kwaad aan. Bijna iedereen was in het want toen ze aan kwam schuimen. Op het dek tolden misschien nog een stuk of zes half-bedwelmde, half-verdronken stumperds rond, happend naar adem en wegkruipend naar waar het veilig was. Zij gingen overboord te gelijk met het wrakhout van de twee booten die er nog waren. Ik zelf en de andere parelkoopers slaagden er in, om tusschen stortzeeën door, ongeveer vijftien vrouwen en kinderen in de kajuit te krijgen, en gooiden den boel dicht. Veel plezier hebben de arme schepsels er ten slotte niet aan beleefd.

Wind? Met al mijn ervaring had ik niet kunnen gelooven dat wind zóó sterk kon zijn. Ik behoef niet te probeer en het te beschrijven. Hoe kan men een nachtmerrie beschrijven? En die wind was een nachtmerrie. Hij scheurde de kleeren van onze lichamen. Ik zeg, hij scheurde ze er af, en ik meen het. Ik vraag niemand het te gelooven. Ik vertel alleen maar iets dat ik zelf gezien heb. Er zijn oogenblikken dat ik het zelf niet geloof. Ik ben er doorheen geworsteld, en dat is voldoende. Men kon dien wind niet levend het hoofd bieden. Het was iets monsterachtigs, en het meest monsterachtige er van was dat hij toenam en steeds doorging met toenemen.

Stel u voor ontelbare millioenen tonnen zand. Stel u voor dat dat zand voortvliegt met een vaart van negentig, honderd, honderdtwintig, zooveel mijlen als u maar wilt per uur. Stel u verder voor dat dat zand onzichtbaar is, ontastbaar, en dat het toch al de zwaarte en de dichtheid van zand behoudt. Wanneer men zich dat alles voorstelt kan men zich een vaag idee vormen van de kracht van dien wind.

Misschien is zand geen goede vergelijking. Beschouw het als modder, onzichtbaar, ontastbaar, maar zwaar als modder. Het is nog erger. Beschouw iedere molecule lucht als een modderbank op zichzelf. Tracht u dan voor te stellen den druk van al die modderbanken te zamen.

Neen; het gaat mijn krachten te boven. De taal mag in staat zijn om uitdrukking te geven aan de gewone vormen van het leven, maar het is niet mogelijk om er ook maar één van de vormen mee uit te drukken van een dergelijken ontzettenden stormwind. Ik had beter gedaan bij mijn oorspronkelijk plan te blijven en mij niet aan een beschrijving te wagen.

Ik wil alleen maar dit zeggen: de zee, die eerst hoog en hol was geworden, werd nu neergeslagen door dien wind. Meer: het leek alsof de heele oceaan opgezogen was in den mond van den wervelstorm en werd voortgespoten door dat gedeelte van de ruimte waar eerst lucht was geweest.

Natuurlijk waren onze zeilen al lang weg. Maar kapitein Oudouse had iets op de Petite Jeanne dat ik nooit eerder had gezien aan boord van een Zuidzee-schoener—een drijfanker. Het was een kegelvormige zeildoeksche zak, waarvan de mond werd opengehouden door een reusachtigen ijzeren hoepel. Het drijfanker was ongeveer op de manier van een vlieger vastgemaakt, en het beet in het water zooals een vlieger bijt in de lucht, maar met een verschil. Het drijfanker bleef juist onder de oppervlakte van de zee, rechtstandig, met de opening naar beneden. Een lange lijn verbond het weer met den schoener. Het resultaat was dat de Petite Jeanne met den kop op den wind lag en op het beetje zee dat er stond.

De toestand zou werkelijk gunstig zijn geweest, als wij niet op den weg van den cycloon hadden gelegen. Het is waar, de wind zelf scheurde onze zeilen uit de seizings, rukte onze stengen omlaag, en maakte een ravage van ons loopend want, maar wij zouden er toch nog mooi doorheen zijn gekomen, als wij niet precies in den koers van het naderend middelpunt van den cycloon hadden gelegen. Dat maakte er een eind aan. Ik verkeerde in een toestand van half-bewustelooze verdooving en verlamming, door het voortdurend weerstand bieden aan den ontzettenden luchtdruk, en ik geloof dat ik er juist over dacht het op te geven en dood te gaan, toen het middelpunt ons trof. De klap dien wij kregen was een volkomen windstilte. Er was geen zuchtje. Het was een afschuwelijke gewaarwoording.

Vergeet niet, dat onze spieren uren lang in geweldige spanning waren geweest, om den druk van dien storm te weerstaan. En toen, ineens, werd de druk weggenomen. Ik weet wel dat ik een gevoel kreeg alsof ik plotseling uitzette, alsof ik uit elkaar zou vliegen in alle richtingen. Het leek alsof iedere atoom van mijn lichaam iederen anderen atoom afstootte en op het punt stond om onweerhoudbaar de ruimte in te vliegen. Maar dat duurde niet langer dan een oogenblik. Wij waren gedoemd tot vernietiging.

Toen de winddruk er niet meer was, werd de zee hol. Het water rees, sprong, spoot omhoog, recht naar de wolken. Vergeet niet dat die onberekenbare wind uit alle streken van het kompas blies naar het windstille middelpunt. Het resultaat was dat de zeeën omhoog sprongen uit alle streken van het kompas. Er was geen wind om hen in bedwang te houden. Zij schoten omhoog als kurken die losgelaten worden op den boden van een emmer water. Er was geen regelmaat, geen systeem in. Het waren krankzinnige, monsterachtig holle golven. Zij waren tachtig voet hoog op zijn minst. Het waren heelemaal geen golven meer. Geen mensch had ooit een golf gezien die was zooals deze waterbergen. Het waren fonteinen, zware, geweldige fonteinen. Fonteinen die tachtig voet hoog sprongen. Tachtig! Zij waren hooger dan tachtig. Zij gingen boven onze masttoppen uit. Het waren reusachtige watervallen, uitbarstingen van water. Zij waren als dronken. Zij vielen overal, op alle mogelijke manieren.

Zij botsten en stootten op elkaar; ze spoten tegen elkaar in en vielen over elkaar heen, of stoven uiteen als duizend watervallen tegelijk. Het was een zee zooals geen mensch zich ooit gedroomd had, dat middelpunt van dien wervelstorm. Het was driemaal verwarde verwarring. Het was anarchie. Het was een hel-kuil van dol geworden zeewater.

De Petite Jeanne? Ik weet het niet. De heiden vertelde mij later dat hij het ook niet wist. Het schip werd letterlijk uit elkaar gerukt, wijd open gescheurd, tot moes geslagen, tot kachelhout gebeukt, totaal vernietigd. Toen ik bijkwam, lag ik in het water, automatisch zwemmend, hoewel ik ongeveer voor twee derden verdronken was. Hoe ik daar kwam, ik heb er geen idee van. Ik herinner mij nog dat ik de Petite Jeanne in stukken zag vliegen op het oogenblik dat mijn eigen bewustzijn uit mij gebeukt moet zijn. Maar daar zat ik, en er bleef mij niets over dan te doen wat ik kon, en dat was een hopeloos klein beetje. De wind blies weer, er stond veel minder zee en de golven waren regelmatiger, en ik wist dat ik het middelpunt van den orkaan voorbij was. Gelukkig waren er geen haaien in de buurt. De storm had de vraatzuchtige bende verspreid, die het doodenschip omgeven en zich met de lijken gevoed had.

Het was ongeveer twaalf uur ’s middags toen de Petite Jeanne uit elkaar vloog, en het zal zoowat twee uur later zijn geweest dat ik een van haar luiken oppikte. Er viel een dichte regen op dat oogenblik, en het was een puur toeval dat mij en het luik te zamen wierp. Aan het hennepen handvat hing een kort eindje touw dat in het water dreef, en ik wist dat ik voor een dag veilig was, tenminste als de haaien niet terugkwamen. Ik bleef dicht bij het luik, hield mijn oogen dicht, en concentreerde mijn heele wezen op de taak zoo veel lucht in te ademen dat ik in het leven bleef, en tevens te vermijden zoo veel water in te ademen dat ik verdronk. Drie uren later, misschien een beetje langer, meende ik stemmen te hooren. De regen was opgehouden en zee en wind minderden verwonderlijk snel. Geen twintig voet verder, op een ander luik, zag ik kapitein Oudouse en den heiden. Zij vochten om het bezit van het luik—de Franschman tenminste.

“Païen noir!” hoorde ik hem schreeuwen, en tegelijkertijd zag ik hem den Kanaka schoppen.

Nu was kapitein Oudouse al zijn kleeren kwijt behalve zijn schoenen, en het waren zware trappers. De schop kwam leelijk aan, want hij trof den heiden op zijn mond en op de punt van zijn kin, en sloeg hem half bewusteloos. Ik verwachtte dat hij terug zou slaan, maar hij stelde zich tevreden met mistroostig om het luik heen te zwemmen op een veilige tien voet afstand. Telkens als een zee hem dichter bij wierp, schopte de Franschman naar hem met zijn twee voeten, zich met zijn handen vasthoudend aan het luik. Ook maakte hij bij het toedienen van iederen schop den Kanaka voor een zwarten heiden uit.

“’t Is me de moeite waard om bij je te komen en je te verzuipen, jou blank beest!” gilde ik.

De eenige reden waarom ik niet ging was dat ik mij te moe voelde. Alleen de gedachte aan zwemmen maakte me al ziek. Dus riep ik den Kanaka toe bij mij te komen, en deelde verder mijn luik met hem.

Hij vertelde mij dat hij Otoo heette (uitgesproken O—to—o); ook vertelde hij me dat hij thuis hoorde op Bora-Bora, het meest westelijke van de Gezelschaps-eilanden. Zooals ik later hoorde, had hij het luik het eerst gevonden, en toen hij na een tijdje kapitein Oudouse zag, had hij aangeboden het samen met hem te deelen, en was er toen af geschopt voor zijn moeite.

En dat was hoe Otoo en ik het eerst samen kwamen. Hij was vredelievend van natuur. Hij was één en al zachtheid en teederheid, een mensch van liefde, ofschoon hij bijna zes voet lang was en gespierd als een gladiator. Geen vechtersbaas was hij, maar ook geen lafaard. Hij had het hart van een leeuw, en in de jaren die volgden heb ik hem kansen zien wagen waar ik zelf niet over gedacht zou hebben. Wat ik bedoel is, dat, hoewel hij zacht van aard was en altijd vermeed een vechtpartij te beginnen, hij nooit weg liep van de herrie wanneer die eenmaal begonnen was. En het was “pas op voor ondiepten” als Otoo eenmaal in actie kwam. Ik zal nooit vergeten wat hij met Bill King deed. Het gebeurde op Duitsch Samoa. Bill King stond bekend als de kampioen zwaar gewicht van de Amerikaansche vloot. Het was een groot beest van een kerel, een echte gorilla, een van die ruwe, hardhandige gasten die er altijd onbarmhartig op los slaan, en hij was handig met zijn vuisten ook. Hij begon de ruzie, en hij schopte Otoo twee keer en sloeg hem ééns voor dat Otoo het noodig oordeelde te vechten. Ik geloof niet dat het vier minuten duurde, aan het eind van welk tijdsverloop Bill King de ongelukkige bezitter was van vier gebroken ribben, een gebroken onderarm, en een ontwricht schouderblad. Otoo wist niets van wetenschappelijk boksen. Hij kon alleen maar iemand aftuigen; en Bill King had zooiets als drie maanden noodig om te herstellen van het pak slaag dat hij dien middag kreeg op het strand van Apia.

Maar ik loop vooruit op mijn verhaal. Wij deelden het luik met elkaar. Wij wisselden elkaar af: de een lag languit op het luik en rustte uit, terwijl de ander, tot aan zijn nek in het water, zich alleen maar vasthield met zijn handen. Twee dagen en twee nachten, beurt om beurt op het luik en in de zee, dreven wij over den oceaan. Op het laatst was ik meestal ijlende; en er waren oogenblikken dat ik ook Otoo hoorde ijlen en dazen in zijn inlandsch dialect. Doordat wij voortdurend in het water waren, konden we niet sterven van dorst, maar de combinatie van zeewater en zonneschijn maakte onze huid zoo verbrand en verpekeld als men het zich maar denken kan.

Ten slotte werd mijn leven gered door Otoo; want toen ik bijkwam lag ik op het strand op twintig voet afstand van het water, en beschut voor de zon door een paar kokospalmbladeren. Niemand anders dan Otoo kon mij daar heen gesleept en de schaduw-gevende bladeren in den grond gestoken hebben. Hij lag naast mij. Ik zakte weer weg, en toen ik voor den tweeden keer bij kwam, was het koele nacht, en de sterren stonden boven mij, en Otoo drukte een jonge kokosnoot tegen mijn lippen.

Wij waren de eenige overlevenden van de Petite Jeanne. Kapitein Oudouse moet door uitputting bezweken zijn, want verscheiden dagen later dreef zijn luik zonder hem aan land. Otoo en ik woonden een week lang bij de inlanders op de atol; toen werden wij opgepikt door den Franschen kruiser en naar Tahiti gebracht. Maar in dien tijd hadden wij plechtig onze namen verwisseld. In de Zuidzee bindt die ceremonie twee mannen nog sterker aan elkaar dan bloedbroederschap. Het plan ging van mij uit, en Otoo was in verrukking toen ik het voorstelde.

“Het is goed”, zei hij in het Tahiti’sch. “Want wij zijn twee dagen lang kameraden geweest op de lippen van den Dood.”

“Maar de Dood stotterde”, glimlachte ik.

“Het was een dappere daad, meester”, zei hij weer, “en de Dood was niet gemeen genoeg om te spreken.”

“Waarom zeg je toch meester tegen mij?” vroeg ik, een beetje geraakt. “Wij hebben onze namen geruild. Voor jou ben ik Otoo. Voor mij ben jij Charley. En voor ons tweeën zal jij, altijd en altijd, Charley zijn en ik Otoo. Het is zoo de gewoonte. En als wij sterven, en misschien een nieuw leven beginnen boven de sterren en de lucht, zal jij nog altijd Charley voor mij zijn en ik Otoo voor jou.”

“Ja, meester”, antwoordde hij, zijn oogen zacht en lichtend van vreugde.

“Daar doe je het weer!” riep ik boos.

“Wat doet het er toe wat mijn lippen zeggen?” betoogde hij. “Dat zijn mijn lippen maar. Maar ik zal altijd Otoo denken. Telkens als ik aan mij zelf denk, zal ik aan u denken. Telkens als de menschen mij bij mijn naam noemen zal ik aan u denken. En boven de lucht en boven de sterren, altijd en voor eeuwig, zult u Otoo voor mij zijn. Is het goed, meester?”

Ik verborg mijn glimlach, en antwoordde dat het goed was.

Wij scheidden in Papeete. Ik bleef aan wal om op krachten te komen; en hij ging verder op een kotter naar zijn eigen eiland, Bora-Bora. Zes weken later was hij terug. Ik wist niet wat ik zag, want hij had mij verteld van zijn vrouw, en gezegd dat hij naar haar terugging, en het varen op verre reizen er aan zou geven.

“Waar gaat u heen, meester?” vroeg hij, na de eerste begroeting.

Ik haalde mijn schouders op. Het was een moeilijke vraag.

“De heele wereld,” was mijn antwoord,—“de heele wereld, de heele zee, en al de eilanden die in de zee liggen.”

“Ik ga met u mee”, zei hij eenvoudig. “Mijn vrouw is dood.”

Ik heb nooit een broer gehad, maar te oordeelen naar wat ik gezien heb van broers van andere mannen, betwijfel ik of iemand wel ooit een broer had die voor hem was wat Otoo was voor mij. Hij was broer en vader en moeder tegelijk. En dit weet ik: ik was een beter en eerlijker man terwille van Otoo. Andere menschen konden mij weinig schelen, maar in Otoo’s oogen moest ik goed leven. Om zijnentwil durfde ik mij niet bezoedelen. Hij maakte van mij zijn ideaal, en ik vrees dat hij mij hoofdzakelijk samenstelde uit zijn eigen liefde en vereering; en er zijn oogenblikken geweest, dat ik vlak voor den steilen afgrond van de hel stond, en den sprong gedaan zou hebben, als de gedachte aan Otoo mij niet weerhouden had. Zijn trots op mij kwam ook in mij zelf, tot dat het een van de groote regels van mijn gedragslijn werd, niets te doen dat dien trots kon beschamen.

Natuurlijk merkte ik niet ineens wat zijn gevoelens voor mij waren. Hij oordeelde nooit, maakte nooit aanmerkingen, en heel langzaam begon ik de pijn te begrijpen die ik hem deed als ik ook maar iets minder was dan mijn allerbeste.

Zeventien jaren lang zijn wij samen geweest; zeventien jaren lang stond hij naast mijn schouder; hij hield de wacht als ik sliep, verpleegde mij als ik koorts had of gewond was—ja, hij ving wonden voor mij op in onze gevechten. Hij monsterde met mij op dezelfde schepen, en samen zwierven we over de Zuidzee, van Hawaii tot Sydney Head, en van de Torres-straat tot de Galapagos. Wij vingen nikkers van de Nieuwe-Hebriden en de Linie-eilanden dwars door de Louisiaden, Nieuw-Britannië, Nieuw-Ierland, en Nieuw-Hannover, tot ver in het Westen. Drie keeren hebben wij schipbreuk geleden—in de Gilbert-eilanden, in de Santa-Cruz groep, en in de Fidzji’s. En wij handelden en spaarden waar er maar een dollar te verdienen was met parels en parelschelpen, kopra, tripang, karetschildpad, en gestrande schepen.

Het begon in Papeete, onmiddellijk na zijn verklaring dat hij met mij zou gaan naar al de zeeën en al de eilanden te midden daarvan. Er was in dien tijd een societeit in Papeete, waar de parelkooplui, handels-agenten, kapiteins en al het avonturierstuig dat er op de Zuidzee rondzwierf bijeenkwamen. Er werd zwaar gespeeld en zwaar gedronken, en ik ben bang dat ik de nachten langer maakte dan behoorlijk of normaal was. Onverschillig hoe laat ik uit de societeit kwam, Otoo stond daar te wachten om te zorgen dat ik veilig mijn huis bereikte.

In het begin glimlachte ik er om, later mopperde ik; en eindelijk zei ik hem kortweg dat ik geen zuigeling was en geen verpleging noodig had. Daarna zag ik hem niet meer als ik uit de societeit kwam. Heel toevallig ontdekte ik, een paar weken later, dat hij mij nog steeds “thuisbracht”. Hij hield zich schuil aan den overkant van de straat in de schaduw van de mango-boomen. Wat kon ik er aan doen? Ik weet alleen wat ik deed.

Onwillekeurig begon ik beter op mijn tijd te passen. In natte en stormachtige nachten, als het plezier en de dwaasheid op zijn hoogst was, kwam steeds weer de gedachte bij mij op dat Otoo daar buiten onder de druipende mango’s zijn sombere wacht hield. Waarachtig, hij maakte een beter mensch van mij. Toch was hij geen star dogmaticus. En hij wist niets van de gewone Christelijke moraal. Al de menschen op Bora-Bora waren Christenen; maar hij was een heiden, een grove materialist, die geloofde dat hij dood was als hij gestorven was. Hij geloofde alleen in eerlijkheid en oprechtheid. Kleine gemeenheden waren in zijn opvatting van moraal, bijna even erg als moedwillige doodslag; en ik geloof zeker dat hij een moordenaar meer respecteerde dan een man die zich aan kleine praktijken schuldig maakte.

Wat mij zelf betreft, hij wilde niet dat ik iets deed wat mij kon schaden. Spelen was uitstekend. Hij was zelf een hartstochtelijk speler. Maar late uren, legde hij uit, waren slecht voor de gezondheid. Hij had mannen die niet voor zich zelf zorgden zien sterven aan de koorts. Hij was geen geheelonthouder, en een stevige borrel was hem hartelijk welkom als het nat werk was in de booten. Maar hij geloofde in drinken met mate. Hij had veel mannen gezien die verloopen waren of zelfs gedood door Schiedammer of Schotsche.

Mijn welzijn lag Otoo dicht aan het hart. Hij dacht ver vooruit voor mij, overwoog mijn plannen, en maakte er meer werk van dan ik zelf. In het begin, toen ik me nog niet bewust was van het belang dat hij in mijn zaken stelde, moest hij mijn plannen raden; zooals bijvoorbeeld in Papeete, toen ik er over dacht om met een niet al te betrouwbaar landsman van mij deelgenoot te worden in een guano-onderneming. Ik wist niet dat het een bedrieger was. En geen enkele blanke in Papeete wist dat. Otoo ook niet, maar hij zag hoe dik wij samen werden, en informeerde voor mij, en zonder dat ik het hem vroeg. Aan den zeekant van Tahiti zwerven inlandsche matrozen uit alle deelen van alle zeeën rond; en Otoo, die nog alleen maar achterdochtig was, mengde zich onder hen, en praatte met hen, tot dat hij voldoende gegevens had verzameld om zijn verdenking te rechtvaardigen. O, het was een mooie geschiedenis, die van Randolph Waters. Ik kon het niet gelooven toen Otoo het vertelde; maar toen ik het Waters onder zijn neus hield, gaf hij zich zonder een kik gewonnen en verdween met de eerste boot naar Auckland.

In het begin, ik durf het gerust te bekennen, nam ik het Otoo kwalijk dat hij zijn neus in mijn zaken stak. Maar ik wist dat hij volmaakt onzelfzuchtig was; en al spoedig moest ik zijn verstand en zijn bescheidenheid erkennen. Zijn oogen waren altijd open voor mijn beste kans, en hij zag ver en scherp. Langzamerhand werd hij mijn raadsman, totdat hij meer verstand van mijn zaken had dan ik. Werkelijk, mijn belangen gingen hem meer ten harte dan mij zelf. Mij was de prachtige onverschilligheid van de jeugd, want ik verkoos romantiek boven dollars, en avonturen boven een gemakkelijk baantje met alle nachten een warm bed. Het was dus goed dat ik iemand had die voor mij uitkeek. Ik weet zeker dat ik nu niet meer zou bestaan als Otoo er niet geweest was.

Laat mij één voorbeeld nemen uit de velen. Ik had al eenige ervaring in nikkervangen gehad vóórdat ik parels ging visschen in de Paoemotoe’s. Otoo en ik scharrelden rond langs de wal op Samoa—wij waren echt aan lager wal, en stevig aan den grond—toen mijn kans kwam om als werver dienst te nemen op een brik die nikkers voer. Otoo monsterde vóór den mast; en in de volgende zes jaren zwierven wij, op even veel schepen, rond door de wildste gedeelten van Melanesië. Otoo zorgde dat hij altijd slag roeide in mijn boot. Onze gewoonte bij het werven van inlandsche koelies was den werver aan land te zetten op het strand. De boot die tot dekking diende lag een paar honderd voet uit de wal, rustend op de riemen, terwijl de boot van den werver, ook rustend op de riemen, drijvende werd gehouden aan den rand van het water, den steven naar zee gericht. Als ik met mijn ruil-artikelen landde, mijn stuurriem rechtop staan latend, verliet Otoo de roeibank en ging in den stuurstoel zitten, waar een Winchester verborgen lag onder een lap zeildoek. De bemanning van de boot was ook gewapend: de Snider-geweren lagen verborgen onder zeildoeksche lappen die langs de boorden van de boot liepen. Terwijl ik dan druk stond te betoogen en de kroesharige kannibalen trachtte te overreden om mee te gaan en te komen werken op de plantages van Queensland, hield Otoo de wacht. En telkens en telkens weer was het zijn stem die mij zachtjes waarschuwde voor verdachte handelingen en dreigend verraad. Soms ook was het snelle schot van zijn geweer dat een nikker overhoop sloeg de eerste waarschuwing die ik kreeg. En in mijn ren naar de boot was zijn hand altijd klaar om mij in vliegende vaart aan boord te trekken. Eens, herinner ik me, op Santa Anna, liep onze boot aan den grond juist toen de herrie begon. De boot die ons dekte kwam aanstuiven om te helpen, maar de honderden wilden zouden ons al vermoord hebben vóór dat de anderen er waren. Otoo vloog met een geweldigen sprong aan wal, groef zijn twee handen in de ruil-artikelen, en strooide tabak, kralen, tomahawks, messen, en calico in alle richtingen.

Dat was te veel om te kroeskoppen. Terwijl ze grabbelden naar de schatten, werd de boot vrij geschoven, en wij waren aan boord en veertig voet in zee. En ik kreeg dertig koelies van datzelfde dorp in de vier uren die volgden.

Maar de geschiedenis waar ik eigenlijk aan dacht, speelde op Malaita, het meest barbaarsche eiland in de oostelijke Salomon’s. De inlanders waren merkwaardig vriendschappelijk geweest; en hoe konden wij weten dat het heele dorp twee jaren lang een collecte had gehouden om met de opbrengst het hoofd van een blanke te koopen. De schooiers zijn koppensnellers van den eerste tot den laatste, en ze stellen vooral veel prijs op het hoofd van een blanke. Wie het hoofd bemachtigde zou de heele collecte krijgen. Zooals ik zei, ze leken erg vriendelijk; en op dezen dag was ik zeker honderd meter van de boot weg gegaan, het strand op. Otoo had mij gezegd voorzichtig te zijn; en, zooals gewoonlijk wanneer ik me niet aan hem stoorde, ging het mis.

Het eerste wat ik merkte was een wolk van speren die van uit het mangrove-moeras op mij afzeilde. Minstens twaalf staken er in mijn lichaam. Ik zette het op een loopen, maar struikelde over een speer die in mijn kuit vast zat, en ging tegen den grond. De kroeskoppen vlogen op mij af, allen gewapend met een langen tweesnijdenden tomahawk om er mijn hoofd mee af te hakken. Zij waren zóó begeerig naar den prijs, dat ze elkaar in den weg liepen. In de verwarring vermeed ik verschillende slagen door mezelf naar links en rechts in het zand te gooien.

Toen kwam Otoo—Otoo de aftuiger. Op de een of andere manier had hij een zware oorlogsknots te pakken gekregen, en in een handgemeen had dat wapen veel meer uitwerking dan een geweer. Hij zat midden in de wilden, zoodat ze hem met hun speren niets konden doen, terwijl hun tomahawks minder dan waardeloos leken. Hij vocht voor mij, en hij was in een echte Berserker-woede. De handigheid waarmee hij de knots hanteerde was verwonderlijk. Hun schedels spatten uit elkaar als overrijpe sinaasappelen. Pas toen hij hen had teruggedreven en met mij in zijn armen wegliep, kreeg hij zijn eerste wonden. Hij kwam in de boot met vier speren in zijn rug, greep zijn Winchester, en schoot met ieder schot een nikker overhoop. Toen roeiden we naar den schoener en verzorgden onze wonden.

Zeventien jaren zijn wij samen geweest. Hij heeft mij gemaakt. Ik zou op het oogenblik ladingmeester zijn, of werver, of een herinnering, als hij er niet geweest was.

“U geeft uw geld uit, en dan gaat u weg en haalt nieuw geld,” zei hij op een dag. “Het is nu gemakkelijk om geld te krijgen. Maar wanneer u oud wordt, zal uw geld op zijn, en u zult niet meer in staat zijn om nieuw te gaan halen. Ik weet het, meester. Ik heb de blanken bestudeerd. Langs den zeekant van de eilanden heb ik veel oude mannen gezien die eens jong waren, en die geld konden krijgen net als u. Nu zijn ze oud, en ze hebben niets, en ze loopen rond en wachten tot de jonge mannen zooals u komen en borrels voor hen koopen.

“Het zwartje is slaaf op de plantages. Hij krijgt twintig dollar in het jaar. Hij werkt hard. De opzichter werkt niet hard. Hij rijdt op een paard en kijkt toe hoe het zwartje werkt. Hij krijgt twaalfhonderd dollar in het jaar. Ik ben matroos op den schoener. Ik krijg vijftien dollar in de maand. Dat is omdat ik een goed matroos ben. Ik werk hard. De kapitein heeft een dubbele dektent, en drinkt bier uit lange flesschen. Ik heb hem nooit aan een touw zien hijschen of aan een riem zien trekken. Hij krijgt honderdvijftig dollar in de maand. Ik ben matroos. Hij is zeevaarder. Meester, ik geloof dat het goed voor u zou zijn om navigatie te kennen.”

Otoo zette mij er toe aan. Hij voer met mij als tweede stuurman op mijn eersten schoener, en hij was veel trotscher op mijn commando dan ik zelf. Later was het weer:

“De kapitein wordt goed betaald, meester; maar hij moet altijd op het schip letten, en hij is nooit vrij van dien last. De reeder wordt beter betaald—de reeder, die aan den wal zit met veel bedienden en zijn rijksdaalders omdraait.”

“Allemaal waar, maar een schoener kost vijfduizend dollar, en dan heb je nog maar een ouden,” wierp ik tegen. “Ik zou een oud man zijn vóórdat ik vijfduizend dollar had overgespaard.”

“Er zijn korte wegen om aan geld te komen voor de blanken”, ging hij door, wijzend naar het met kokospalmen begroeide strand. Wij waren op dat oogenblik in de Salomon’s, bezig ivoornoten te laden langs de oostkust van Goeadalcanar.

“De afstand tusschen dezen riviermond en den volgenden is twee mijlen” zei hij. “Het vlakke land loopt ver naar binnen. Het is nu niets waard. Het volgend jaar—wie weet? of het jaar daarna, zullen er menschen zijn die veel voor dat land betalen. De ankerplaats is uitstekend. Groote stoomschepen kunnen dicht bij het land liggen. U kunt het land vier mijlen diep koopen van het oude opperhoofd voor tienduizend stokken tabak, tien vierkante bottels, en een Snider, wat u misschien honderd dollar zal kosten. Dan deponeert u de akte bij den resident, en het volgend jaar, of het jaar daarna, verkoopt u het land en wordt eigenaar van een schip.”