WeRead Powered by ReaderPub
Verspreide Opstellen, II cover

Verspreide Opstellen, II

Chapter 10: I.
Open in WeRead

About This Book

A series of reflective essays examining childhood, education, and moral development through personal observation and practical guidance. The writer treats the child as a revealing window into human nature, arguing for upbringing rooted in empathy, truthfulness, and steady discipline while remaining open to new ideas. Pieces balance idealism with realistic limits, address social problems that affect upbringing, and offer concrete counsel for caregivers, often illustrated by autobiographical anecdotes. Recurring themes include the transformative power of affection, adults modeling integrity, and adapting instruction to nurture each child's capacities.

1) Overgenomen uit: „De Vrouw, de vrouwenbeweging en het vrouwenvraagstuk”. Ingenaaid ƒ 9,60, gebonden ƒ 12,50. Uitgave van de Uitgevers-Maatschappij „Elsevier”, Amsterdam.

V. HEBT GE IETS VOOR UW KIND OVER?

Maar dát is een krenkende vraag.

Zou een moeder, een Moeder, niets over hebben voor haar kind?

De vraag moge krenkend zijn, misplaatst is ze niet.

Er zijn toch moeders, die voor haar kind niet eens het zoogen over hebben. Dat bindt haar te veel. Dat maakt haar ook niet mooier. En dus nemen ze een min. Kan 't minder? Moeders, die niet eens de melk willen geven aan 't kind, dat door zijn komst die melk heeft doen vloeien, dat die melk voor zichzelf heeft bereid. Moeders alzoo, die het kind zijn rechtmatig eigendom onthouden.

Stel u eens voor, dat een Vader het kapitaal, dat zijn kind van een familielid geërfd heeft, niet ten bate van zijn kind beheert, maar verdonkeremaant.

Maar die Vader besteelt zijn kind immers en is strafbaar voor de Wet?

Juist. En de Moeder, die de voedselbron, door de nieuwgeborene geopend als zijn voedselbron, moedwillig verstopt? Besteelt zij haar kind wellicht niet? Alleen is zij niet strafbaar voor de Wet. Doch men kan kwalijk zeggen, dat zij voor haar kind iets over heeft, zij, die begint met den hulpelooze van zijn recht te berooven.

Het klinkt hard, maar er zijn honderden en duizenden moeders, die niets voor haar kind over hebben. Eigen gezondheid ontzien terwille van het kind? Bezoeken en bezoeksters laten varen ten bate van 't kind? Concerten en tooneelstukken prijs geven ten behoeve van 't kind? Maatschappelijke plichten laten rusten ten gerieve van het kind? Niets van dit alles. Het kind moet dan maar missen, als een van beiden iets missen zal: missen de gezondheid, de nabijheid, de zorg zijner moeder. En overgelaten worden aan eenzaamheid en vreemden. Menig kind is in zijn eigen huis te vondeling gelegd.

VI. WAARHEID IN DE OPVOEDING.

I.

Wat ik nu ga schrijven, zou ik even goed te boek kunnen brengen, wanneer ik lid was ener roverbende en daar, wegens ongeschiktheid voor alle andere en degeliker arbeid, was aangesteld tot rover-pedagoog.

Doch wat goed is voor rovers en moordenaars, kan toch kwalik worden aangeprezen voor brave mensen als wij zijn, die op generlei wijze roven en moorden, die zelfs niet, kwaadsprekend en lasterend, iemands eer en goede naam stelen, noch simpellik de waarheid smoren om aldus een mededinger te treffen?

Hoor eens, we mogen van geldrovers niet slechter denken dan van eerrovers, en de lijfmoordenaars niet lager stellen dan de zieledoders, en zulks alleen, omdat de eerste hun plunder- en vernielingswerk meer in het stoffelike bedrijven en de laatste bij hun gewetenloos bedrijf slechts nog een beetje huichelachtiger zijn. Dat gaat niet aan. Ook georganiseerde dieven hebben kinderen, die opgevoed behoren te worden, d. w. z. naar de gangbare praktijk in de zeer brave kringen der maatschappij: grootgebracht voor 't geldverzamelen. Ook roversjeugd heeft leiding nodig. En waarom zou er zulk een reuzenverschil moeten bestaan tussen de pedagogiek in het door flakkerende flambouwen verlichte rovershol en die in de koud-wit electries verlichte huiskamer? Dressuur tot het een of dressuur tot het ander, dressuur is toch dressuur?

Evenwel, ik wil erkennen, dat er in de geordende samenleving ook nog wel mensen voorkomen, die meer op het zedelik heil dan op het maatschappelik succes van hun kinderen achtgeven, die in de allereerste plaats vragen hoe ze hun kinderen braaf kunnen maken, en dat zulk een zorg in de kringen der struikrovers de gemoederen niet bezwaren zal. Maar, ook bij de aanvaarding van dit verschil in opvoedkundig doel, kunnen we handhaven de mening, dat een pleidooi voor waarheid in de opvoeding evenzeer gerechtvaardigd is, zonder bekeringstendenzen, in een rovershol als in een bedehuis. En hieruit blijkt dan onmiddellik, hoe het behandelde onderwerp geen pedagogies probleem van de eerste rang is. Zulk een toch zou geen opgroei tot misdadigheid kunnen gedogen, laat staan bevorderen. Het zou als onmisbare eis stellen: aankweking tot deugd. En uit de toepasbaarheid en wenselikheid van de gestelde opvoedingsregel, onafhankelik van elk opvoedingsdoel, volgt zijn minderheid in rang, hetgeen niet zeggen wil: zijn minderwaardigheid. Waarheid in de opvoeding is een opvoedingsmiddel, waaromtrent de meest tegenstrijdige partijen het eens kunnen zijn, die dadelik uiteen zouden gaan, waar het bijvoorbeeld de vraag gold: Wat is waarheid. Gelovigen en ongelovigen, materialisten en idealisten, vrijdenkers en dogmatici, christenen en heidenen, mensenredders en moordenaars—allen kunnen, voorzover ze aan opvoeding doen, daarin de waarheid als onmisbaar middel eren en aanwenden. En zo ben ik wel verplicht, bij voorbaat de verwachting der lezers niet al te hoog te spannen. Dat mooie woord Waarheid—en de mooie zaak zelve—is misschien, allermisschienst, nog meer tuis in het hol der beroepsmisdadigers, dan in het hof der fatsoenlike wereld, en waarborgt dus geenszins Goedheid.

Nu behoeven we de waarde van dit opvoedingsmiddel echter al weer niet te miskennen. Ook als we goede mensen willen vormen, is het ons onmisbaar, en gaarne houden we ons daarom aan de raad van onze wijze Beets:

Zoo ge u goede menschen op wilt voeden,
Veins niet. Wie ge ook zijt, wees die ge zijt.
Waar de kinderen een rol vermoeden,
Zijt ge 't spel en al uw invloed kwijt.
Aan wiens blik de waarheid zich onttrekken,
Hoe de leugen zich verbergen moog',
't Godlijk en het kinderoog
Zullen beide ontdekken.
De eerste deugd is waarheid. Heb dan moed,
Waar te wezen, gij zijt groot en goed.

Of de waarheid de eerste deugd is, willen we voorlopig in 't midden laten, maar dat niet velen „den moed” bezitten, om de roem van „groot en goed” te zijn te veroveren, dát wordt ons bij een rondblikken in de wereld, ook in de kleine wereld der huiskamer, al gauw duidelik. Reeds in haar gedragingen tegenover kleine kinderen missen de meeste moeders de moed om waar te zijn. 't Klinkt vreemd, maar de volwassen vrouwen zijn dan bang voor de drie- en vierjarigen.

Daar is kleine Mientje. Driejarig kindje, is ze haar moeder al te machtig. 't Is bedtijd, en Moeder wil haar uitkleden. Maar 't kleintje speelt daar zo prettig en is geheel in haar spel verloren. Nu ziet Moeder er tegen op, het kind uit haar spel te halen, niet—omdat ze daarmee een heerlik genot stoort en haar lieveling een ogenblik ontstemmen moet, maar omdat de kleine dan gaat schreeuwen en zich verzet. Moeder ziet op tegen het konflikt en zegt met een stem, die, zo natuurlik mogelik, geen argwaan kan wekken: „Kom eens hier, Mientje, je jurkje is los, dan zal Moeder het vastmaken.”

Mientje laat even haar schatten liggen en gaat naar Moeder. Maar in plaats het jurkje vast te maken, maakt Moeder het juist los, en onderdehand praat Moeder wat vriendelike woordjes, die de aandacht van het speelgoed afleiden. 't Gelukt haar aldus, zonder strijd, het meisje uit te kleden en straks naar bed te brengen, en als 't kindje er goed en wel in ligt, heeft Moeder een dankbaar, blijmoedig gevoel, dat ze met zoveel takt—ze noemt dit takt—een huilbui heeft voorkomen.

Maar verdient die handelwijze nu afkeuring? vraagt iemand verbaasd. Is het niet juist lief en handig van Moeder, om én het kind én zichzelf wat narigheid te besparen? Kom, kom, wie dit onwaarheid noemt in Moeders gedrag, heeft toch alle kijk op het leven en zijn eigenaardige eisen verloren, en is véél te principiëel. Onwaarheid! Wat een groot woord bij zulk een luttel geval!

En toch—het is onwaarheid. Dat voelt Moeder in haar binnenste heel goed. En al bespeurt het kind van dit bedrog nog niets, het zal in zijn gevolgen verderfelik blijken. Het typeert de houding, die Moeder tegenover het kind aanneemt, een houding van om-de-tuin-leiderij, en daar die houding voortvloeit uit vrees, zal ze ook bij ernstige gevallen en in volgende jaren worden aangenomen, en dan het vertrouwen van 't kind in Moeder verzwakken. Dit is het fatale, dat Moeder reeds vroeg het gans natuurlike en volkomen vertrouwen van 't kind verzwakt in stede van het in toenemende mate te versterken, zodat het ontbreekt, wanneer het kind, jong meisje geworden, zich geheel aan Moeder behoorde te geven.

En Moeder gáát voort op die weg.

We weten, hoe naar het voor kleine kinderen is, als Moeder 's avonds uitgaat. Vader, dat hindert niet, als Moeder maar tuis is. Maar Moeder moet toch wel eens uit, en om nu de gemoedskalmte van 't kleintje niet te verstoren—of zichzelf enige moeilike ogenblikken te besparen?—verzwijgt ze haar uitgang en laat het kind in onwetendheid. Zulke kleine kinderen hebben echter fijne voelhorens. Aan iets ongewoons in het gedrag van Moeder merken ze, dat er iets dreigt. Een andere japon, een andere broche, wat vroeger eten, misschien iets onrustigs, iets haastigs in de bewegingen, een gejaagd bevel aan de dienstbode—'t is de kleine niet ontgaan en plotseling klinkt de vraag: „U gaat toch niet uit?”

„Wel neen, hoe kom je er aan!”

„O, ik dacht het.” Het kind kan geen rekenschap geven, is zich niet de gang van haar redenering bewust, maar het heeft de nadering van de uitgang even stellig gevoeld, als het popelblad de nadering van een schier onmerkbare luchtstroming. En het beweegt, het trilt. Maar Moeder herleidt de fijne waarneming—hoe dankbaar moest ze haar opmerken!—tot inbeelding. Ze lochent het feit en stelt, gelijk ze dat noemt, het kind gerust.

We willen hier niet de nadruk leggen op de verwaarlozing van het ontluikend verstand, waar dit, zuiver waarnemend, moedwillig op een dwaalspoor wordt geleid. 't Is uitsluitend te doen om de verkrachting van het zo broodnodige vertrouwen in het jonge zieltje. Straks, als 't meisje slaapt, zegt Moeder: „Ziezo, ze slaapt rustig” en dan gáát ze uit, het slapende kind bedriegend. „Ze slaapt.” Dat is Moeder genoeg. Een slapend kind weet niet en behoeft dus niet geëerd te worden. Maar dat slapende kind kan wakker worden en om Moeder roepen. En dan? Dan moet het dienstmeisje komen of een zuster, en die moet zeggen, dat Moeder tóch uit is.

„En Moeder had gezegd van neen.”

„Kom, ga nu maar rustig slapen, dadelik komt Moeder tuis, ze is maar eventjes een boodschap,” troost de vreemde.

Het kind schreit. Misschien schreit het ook niet. Wat doet het er toe. Die tranen zijn gauw gedroogd. Maar héél zeker voelt het, dat Moeder het bedrogen heeft. Dit gevoel is een gemoedservaring. Het geeft er zich geen rekenschap van, maar het veroordeelt Moeder. Het laat Moeder los. En wat nooit langs de weg der redenering in het kleine hoofdje kon worden gebracht, heeft Moeder door haar daden in 't kleine hart gevoerd: de overtuiging, dat Moeder niet te vertrouwen en 't kind met zijn noden dus bij haar niet veilig is.

Jonge moeders, in domme argeloosheid aldus handelend, weten niet, hoeveel opvoedingsinvloed zij verspelen in die eerste levensjaren. En dan durven ze later nog te klagen, dat de kinderen met hun belangen naar vreemden gaan!

Er zijn erger en ernstiger gevallen dan de geschetste, ofschoon hier de onderscheiding van erg en erger eigenlik niet bestaat, daar ze alle, principiëel, even ernstig zijn: bedriegen van 't vertrouwende kind. Maar de omstandigheden kunnen het ene geval aangrijpender maken dan het andere.

Een klein meisje moest voor een operatie naar 't ziekenhuis. De moeder bracht haar weg, maar verzweeg het doel van 't bezoek. Ze gingen maar eens een visite maken bij een kennis daar, en dus stapte het kind vrolik mee naar en in 't grote gebouw. Was dat nu niet wijs van die moeder? Nu had het kind toch helemaal geen angst gekend!

Een verpleegster begreep al spoedig, dat Moeder het kind iets had wijs gemaakt, en nam het patiëntje over. Maar hoe moest Moeder nu met goed fatsoen wegkomen? Het kind zo maar alleen achter laten? O, dit zou veel te vreeselik zijn voor——'t arme kind. Tenminste, dit dacht Moeder. Wellicht zag Moeder tegen zulk een afscheid echter nog meer op voor zichzelf. Zulke moeders „kunnen nooit een kind zien lijden” en bewijzen daarmee een overgrote teerheid voor—zichzelf.

Het beste was dus, dat Moeder even koekjes ging kopen. Dan zou ze gauw terugkomen. En inmiddels zou 't kindje even bij die lieve juffrouw blijven.

En Moeder ging weg, het huis uit, de straat op, koekjes kopen.

Het kind bleef alleen achter, wachtende, wachtende, of Moeder terugkwam met de koekjes.

De verpleegster moest het ontkleden, naar de dokter brengen, op de operatie-tafel leggen.

Waar bleef Moeder met de koekjes?

Angstig dwaalden de oogjes rond. Ze zochten Moeder.

O, we weten het, Moeders kunnen niet bij een operatie zijn. Dát spreekt vanzelf. Maar moeten ze zo, met leugens het kind paaiend, zichzelf ontzien?

Het heet alles in 't belang der kinderen, wanneer moeders ze in allerlei min of meer ernstige en zelfs in heel onschuldige gevallen met een leugentje geruststellen. Maar ik geloof dit niet. Ze liegen, om zich-zelf uit de moeilikheid te redden, uit gemakzucht en eigenliefde.


Hoe had dan in al deze gevallen gehandeld moeten worden?

Toen het voor kleine Mientje tijd was, om naar bed te gaan, had Moeder moeten zeggen: „Kom, lieve Mien, nu zullen we de poppen eens naar bed brengen, want Mientje moet ook gaan slapen.” Of als ze winkeltje speelde: „Nu moeten we de winkel sluiten, want de mensen gaan naar bed.”

Men behoeft de waarheid juist niet onaangenaam te zeggen. In de eerste plaats al niet, omdat ze niet altijd onaangenaam is, ook al schijnt ze dit. Het naar bed moeten schijnt onaangenaam voor kinderen, die volop genieten van hun spel, maar 't behoeft dit niet te wezen. Buitengewoon veel hangt er van af, hoe de moeder, van jongs af, dit verwisselen van spel met slaap heeft „gestemd”. Er zijn moeders, die het in 't spel der kinderen hebben opgenomen, zodat de kinderen het zelfs een pretje vinden, zichzelf uit te kleden—zichzelf!—„zelf” hun kleertjes op te vouwen en neer te leggen of uit te hangen, en dan „zelf” in bed te klauteren. Het is verwonderlik, hoe alleen reeds dit „zelf” mogen doen de plicht tot een genot kan maken.

Een jonge moeder schreef me: „Wanneer ik iets van mijn kinderen (7 en 4 jaar) gedaan wil hebben, wat ik weet dat ze naar vinden, geef ik geen bepaald gebod, maar kleed 't als een spelletje in, fantaseer er een klein verhaaltje omheen. Zo b.v. wanneer de kroes melk leeggedronken moet worden, is die kroes de electriese tram van Amsterdam naar Zandvoort. Soms is 't een „sneltrein”, soms stopt hij te Sloterdijk, Halfweg en Haarlem.”

Ziedaar—dit is pedagogiek van de hoogste rang. Die vloeit uit het moederhart, evenals de melk uit de moederborst.

Maar nu schrijft deze moeder er nog bij: „Nu wordt mij vaak de opmerking gemaakt: dat moet je niet doen, je moet je kortweg laten gehoorzamen, niet door omwegen.”

Ik denk, dat deze opmerksters haar eigen zuigelingen zuurkool met spek te eten geven. En als ze „Onze lieve Heer” waren geweest, hadden ze het bevruchtingsproces zeker nooit ingeleid met kleurige bloemen, maar kortweg uit het hout een vrucht doen uitpuilen, zo'n bruin uitwas. Waartoe al die omwegen?

Men verwarre toch niet waarheid met kilheid, en verbeelding met leugen. De leugen zit nooit in de vorm, maar altijd in het wezen. Toen Moeder Mientje tot zich riep, om het jurkje vast te maken, bracht Moeder het kind in de waan, dat ze aangekleed werd, en ze werd uitgekleed. Moeder stuurde het gedachteleven van het kind in een richting, precies tegengesteld aan de richting der werkelikheid. Dat moet tenslotte op ontnuchtering en wantrouwen uitlopen. Maar als Moeder gezegd had: „Ik hoor boven een ledikantje piepen en dat vraagt: waar blijft mijn lieve Mientje? En ik hoor een kussentje fluisteren: Ik ben zo alleen, waar blijft mijn lieve Mientje?” dan had zij de gedachten van het kind in de lijn der werkelikheid gebracht en 't kindje niet bedrogen; dan had ze de roepstemmen van de plicht tot zonnestraaltjes gemaakt, zoals onze Vader in de hemelen dat ook doet, als hij de wereld tot werkzaamheid aanzet.

Ik geloof héél zeker, dat Moeders—die zich waarachtig aan het wezenlik heil hunner kinderen wijden—zuivere pedagogiek „voortbrengen”. Zodra een kind geboren is, beginnen bij Moeder de melkklieren het voedingsvocht af te scheiden. Niet vroeger, niet later, maar juist op tijd. Zo geloof ik ook, dat Moeders een geheim soort „opvoedingsklieren” hebben—de Wetenschap zal ze nog wel eens ontdekken, net zo goed als het lang onbekende evenwichts-orgaan—en dat deze hun geestelike melk afscheiden, zodra de geest van het kind erom vraagt. De weg wordt Moeder gewezen door haar zuiver Moederinstinkt—als ze maar echt van het kind houdt. Men hore dit evenwel goed: van het kind. Niet van zichzelf. Moeders, die een uitgang verkiezen boven de gemoedsrust van haar kind—dat zijn de echte niet. Zij hebben ons omtrent de opvoeding niets te leren. Zij scheiden geen pedagogiek af. En als ze toch met beginselen—mijn hemel, met beginselen! alsof de beginselen, de beginnen, niet even geheimzinnig verborgen waren, als het begin der wereld!—als ze dan toch met beginselen aan het redeneren trekken, denk ik: altemaal denkweefsels, om uw naaktheid te dekken.


Verre intussen van mij, te menen, dat alles met zachtheid móét geschieden. Wanneer Mientje—reeds bedorven door toegevendheid—Moeder laat aanpraten, acht ik het veel beter, dat Moeder er haar rust en de huiselike vrede en zelfs een burengerucht aan waagt, dan dat ze zich niet gehoorzamen laat. Want ongehoorzaamheid is misschien wel de grootste fout. Laat Mientje maar schreeuwen, desnoods het huis bij elkaar, maar als Moeder zegt: naar bed, dan moet ze naar bed. Daar helpt geen lievemoederen aan. Niet Mientje, maar Moeder moet de baas blijven.

Het blijkt telkens nodig, dit nadrukkelik te verklaren, omdat de mensen zachtheid en wijsheid steeds weer verwarren met toegevendheid en slapheid. Doch men kan de baas blijven zonder al die strijd, volgens de oude leer: Fortiter in re, suaviter in modo: wees sterk in de zaak, wees zacht in de manier. En een der eisen voor die zachtheid is, dat men zich richt naar de geestes- en gemoedsgesteldheid van hen, die geleid moeten worden. Dat sluit geen bedrog in en geen waarheid uit.

De moeder, die uitging en haar kind bedroog, deed absoluut verkeerd. Dan nog beter de andere, die kort en goed zegt, dat ze uitgaat en dat het kind daar niets tegen te reclameren heeft. Dan weet het kind tenminste, waaraan zich te houden. Maar er is ook een derde houding mogelik: de waarheid zeggen zonder het kind pijn te doen, zelfs met de willige medewerking van 't kind te winnen. En van deze derde houding bezitten sommige moeders het heerlike geheim, dat haar zo maar zonder pedagogiese voorlichting geopenbaard is.

Moeder brengt zelf het meisje naar bed, en zegt: „Moesje moet vanavond uit. Zul je rustig blijven slapen?”

„Hè Moeder, moet u uit?” klinkt het teleurstellend. „Waar naartoe?”

En nu vertelt Moeder de hele geschiedenis, ook of ze 't prettig vindt of niet, ook of Vader meegaat, ook hoe laat ze vertrekt en of ze gaat wandelen dan wel per tram of rijtuig—ze vertelt alles tot op een haartje, zodat het kleintje de hele uitgang volgen kan.

„En hoe laat komt u terug?”

„Dat weet ik nog niet precies. Misschien om tien uur, misschien wordt het wel elf.”

„Komt u me dan nog even toedekken?”

„Ja hoor, dan kom ik je nog even toestoppen. Nu, nacht schatje!”

„Nacht Moeder!”

„Zul je lekker slapen?”

„Ja Moeder!”

En 't kind legt haar hoofdje rustig neer, zeker omtrent de naaste toekomst, zeker—ook in haar slaap. En Moeder gaat rustig uit, ook zeker dat haar lieveling rustig zal inslapen en niet verdrietig worden kan door een vergeefs roepen om Moeder, als ze eens door een nare droom onrustig mocht ontwaken.

Bedenken de moeders van het leugentje wel, wat het is voor een kind, wakker te worden, om Moeder te roepen, een ander gezicht te zien, en te ervaren, dat Moeder het bedrogen heeft? En zij die voorzichtigheidshalve zwijgen, weten zij wel de rust die van het spreken uitgaat? Zij vrezen door inlichting de rust van 't kind te verstoren. Juist omgekeerd. Mits zij heel vroeg begonnen zijn, het kind in te lichten omtrent alles wat het rechtstreeks betrof, en hiermee trouw zijn voortgegaan, zullen ze ondervinden, hoe dit vertrouwen in het kind wordt beantwoord door vertrouwen van het kind, en hoe hieruit voortvloeit een trouwhartig, eerlik samenwerken, waarbij de kleine volstrekt niet in offervaardigheid behoeft achter te staan bij de grote. Ach, men kent de kinderen niet. Vaak valt op hen veel vaster te rekenen dan op volwassenen. Mits men niet begonnen is met hun naief vertrouwen al vroegtijdig te vergiftigen.


Moelik, uiterst moeilik kan het vallen, een kind, dat ter operatie naar een ziekenhuis moet, eerlik de waarheid te zeggen. En toch, ons gemoed komt er tegen in opstand, wanneer een moeder, een Moeder, zich met koekjes-koperij aan haar liefdetaak onttrekt. Wie kan het kind in nood en dood meer—ik zeg niet practiese hulp, maar meer zedelike bijstand verlenen, dan de vrouw, die dag aan dag, van de geboorte af, met het kind heeft meegeleefd en met wie het innig vertrouwd is? Moeders nabijheid is dan, juist dán, kracht voor de kleine. En die kracht onthoudt de Moeder haar kind uit teergevoeligheid voor zichzelf.

Hoe geheel anders kan de Moederliefde handelen, als ze echt is en niet, naar Paulus' woord, zichzelf zoekt.

Het was een jongetje van negen jaar. Plotseling kreeg het kind hevige koortsen, meer dan veertig graden hoog. De dokter kwam, achtte darmontsteking mogelik, oordeelde onderzoek in een ziekenhuis noodzakelik.

„Wat zegt de dokter, Moeder?”

„De dokter denkt, dat het blindedarm-ontsteking is.”

„En wat wil hij nu?”

„Hij wil je doen opereren in het ziekenhuis.”

„Laten we dan maar dadelik gaan, Moeder.”

Het werd gezegd met dat hoge, strakke stemmetje, dat Moeders wel kennen, die bij 't ziekbed van een kind hebben gezeten, met dat schijn-opgewekte koorts-stemmetje. En Moeder deed een rijtuig voorkomen, wikkelde haar jongen in een wollen deken.

„Mag ik mijn fluit meenemen, Moeder?”

„Zeker.”

En hij nam zijn fluit mee, die hem ook in bed steeds verzelde.

De pleegzuster legde hem in zijn bedje.

Toen móést Moeder weg.

„Zuster,” zei het kind, „u hoeft niet in de kamer te blijven. Als ik u nodig heb, zal ik wel fluiten. Want ik heb mijn fluit bij me. Kijk u maar.”

Moeder móést weg. Maar ze ging naar de wachtkamer, en bleef daar wachten één, twee uur, al maar wachten—totdat ze eindelik geroepen werd, en horen moest, dat het hopeloos was.

Toen barstte ze niet in wanhoopsklachten uit. Ze dacht alleen aan haar kind.

Ze zette zich aan 't bedje, hield het hete handje vast, koelde het gloeiende hoofdje, en kalmeerde haar ijlende lieveling met vriendelike woordjes, leidde het dwalende geestje.

Zo bleef ze de hele nacht waken, zichzelf geheel vergetende, geheel gevende, niet als een offer, maar als een zaligheid, dat ze bij haar kind mocht blijven, zijn gezichtje zien, zijn stemmetje horen.


Toen het kind in de morgen stierf, legde ze het handje neer.

En toen pas ging ze heen.


Deze moeder had haar kinderen met Waarheid opgevoed. Ze had hen niet alleen met het leven, maar ook met het sterven vertrouwd gemaakt. Behoort de dood niet bij het leven? En ze heeft er rijkelik haar loon voor gekregen: van hen die nog leven dag aan dag een volkómen vertrouwen, en van de teer-sterke knaap die heengegaan is: een wondervolle zelfstandigheid in uren, dat de krachtige man bezwijkt.

II.

In hun gedragingen tegenover de kinderen dienen de ouders waarheid te betrachten, en dit beginne al bij de wieg. Wie een zuigeling bedriegt, ent hem in met wantrouwen.

Aleer we nu willen nagaan, hoe het opgroeiend kind, dat met andere kinderen en volwassenen in aanraking, in wrijving, in strijd komt, over die anderen en zichzelf met waarheid moet leren oordelen, is het nodig, tegen een algemeen voorkomende fout te waarschuwen, juist omdat die fout in het oog der waarheidsliefde een deugd lijkt.

Het verkeer van kinderen onderling brengt botsingen mee—dit kan niet anders. Vele opvoeders menen nu goed te doen, wanneer ze deze botsingen altijd heel ernstig behandelen om daarbij—alsof ieder nesterijtje een Dreyfuszaak was—de waarheid te doen zegevieren. Onze grootouders maakten van die kinderkibbelarijen niet zo'n drukte. Ze zeiden, heel kalmpjes: „Laat maar stil doodbloeden.” En ze hadden gelijk.

Hoe zorgvuldiger men een geschil behandelt—gelijk een wond, die men reinigt en verbindt—hoe „gevoeliger” het wordt. Laat het maar onverzorgd, zodat het bloed er gans en al uit wegvloeit. Dan bloedt het vanzelf dood.

Wat konden onze voorouders dat toch wijs en tekenachtig zeggen. Ze verzorgden die konflikten, door ze onverzorgd te laten. Wij doen ze uitgroeien, door overmaat aan gewichtigheid. En dit geldt zelfs bij geschillen tussen volwassenen, die—schrijver dezes ingesloten—toch niet meer dan grote kinderen zijn.

Er zijn mensen te over, ernstige, brave, waarheidlievende, diepzinnige mensen, die ieder geschil door redenering willen oplossen, anders—zo zeggen ze—blijft er toch wat zitten. Daarom pluizen ze hun geschilpunten uit, geven er hun beschouwingen bij, ontdekken telkens nieuwe elementen, wroeten in de aard van hun tegenpartij, en hebben ten slotte gelijk. Met deze metode bereiken ze echter precies het tegengestelde gevolg, van wat ze heetten te beogen. In plaats van het geschil op te lossen, wordt het door de ontleding in zijn bestanddelen, door de blootlegging van zijn finesses, steeds scherper, helderder, bewuster. Het bloedt niet dood, maar leeft op. En dank zij de zorgvuldige behandeling, groeit het uit tot een diepgaande vete.

Er zijn ook mensen—oppervlakkige naturen!—die hun geschillen niet uitredeneren, maar afzoenen. „Kom, geef me maar een hand, en laten we 't vergeten en vergeven.” Deze oppervlakkigen konden echter wel eens véél dieper zien, dan de anderen. Zij konden wel eens begrijpen, dat er bij die geschillen ook psychiese faktoren in 't spel zijn, die zich niet in een redenering laten omzetten, gevoelens, die misschien redeloos, maar in elk geval onberedeneerbaar zijn. Ze konden wel eens instinktief weten, dat juist bij de redenering de fijnste, de verborgenste grootheden buiten bereik blijven en haar afwezigheid de hele konklusie vals maakt; dat juist in die onmeet- en zelfs voor velen onmerkbare grootheden de werkzaamste faktoren aan het analyserend verstand ontgaan.

Geschillen tussen echtgenoten over wederzijdse familie—geen zeldzaamheden—worden nooit door redenering opgelost. Het bloed kruipt, waar het niet kan gaan, en de scherpe kritiek der ene partij, al is ze juist, roept in de andere partij gevoelens wakker, die zich verzetten tegen een toch altijd eenzijdige beoordeling: het scherpziend is meestal ook een voorbijziend verstand.

Twisten tussen onderwijzers en ouders over de kinderen lopen nooit bevredigend af. Die moeder voelt heel iets anders dan de onderwijzer, en beiden redeneren voortdurend langs malkaar heen, ieder zijn eigen rails volgend.

In al zulke gevallen doet men beter, een geschilpunt los te laten en over te geven—hetgeen niet zeggen wil: de tegenpartij naar de mond te praten. Dan zal, wanneer de gemoedsrust teruggekeerd is, ervaring bewerken, wat ons opdringend betogen juist tegenhield. Polemiseren concentreert eenzijdig alle licht op één punt, en maakt daardoor de juiste kijk op het geheel onmogelik.

Wanneer dit waar blijkt bij volwassenen, is het ons toch een waarschuwing, om de geschilletjes tussen kinderen niet te vertroebelen door onze helderheid. Ga niet als een Hof van Arbitrage hun kleine kibbelarijen behandelen. We zijn toch ook niet zo dom, de zwevende wolkjes te fixeren, die een ogenblik de zon verduisteren. Een beetje wind, wat regen, en de wolkjes zijn weg, de zon schijnt weer. Laat er desnoods een moment tumult zijn in de kinderkring, laat er wat tranen vloeien, dat geeft opluchting. Wat zegt ons volk dat weer prachtig: het lucht op! Maar het redeneerzieke principe wil niet van zo'n opluchting weten. Nu, laat het zich, in zijn grondigheid, dan aan de grond vast redeneren!

Een kind holt, op de speelplaats, midden uit zijn spel naar de onderwijzeres, en roept, de vinger omhoog: „Juffrouw, Willem trekt aldoor aan ons touw!”

„O!” zegt de juffrouw. „Zeg maar, dat hij het niet doen mag, hoor!” En in dat niet legt ze al het gewicht van haar persoontje.

Bevredigd holt de aanklager weg, en twee minuten later speelt hij met Willem, is de touwtrekkerij glad vergeten.

Dat had een Hof van Arbitrage nooit bewerkt.

Dit houdt geen rekening met de vluchtigheid der stemming. En stemming is, in haar snelle vergankelikheid, machtiger dan zichtbaar feit.

Het Hof rekent met feiten. Het leven met stemmingen.

En daarom—echtgenoten—zoent uw geschillen af.


Dus moeten we onrecht onrecht laten en de bedeesde kinderen onbeschermd doen overheersen door de brutale?

Dit is ook weer de bedoeling niet.

Wanneer in een gezin of een klas enkele kinderen met harde, brutale zelfzucht de baas spelen over anderen, gaat het niet aan de gerechtvaardigde klachten terug te wijzen. Een volwassen vrouw vertelde me eens, hoe haar gehele jeugd bedorven was door de meedogenloze, onbeschaamde baasspelerij van een nog wel jonger zusje. Wanneer er dan dientengevolge twist ontstond tussen de kinderen, twist die alleen ontstaan was door de aanmatigende dwingelandij van die ene, werd deze niet door de ouderlike macht binnen de perken gehouden, maar heette het altijd: Waar twee kijven, hebben beiden schuld, en werden, zonder onderzoek, de kinderen, soms nog wel met klappen, in hun verward wereldje terug geworpen. Dat was dan een triomf voor de brutaliteit, die natuurlik voortging met de vrijheid en de vreugde der anderen te verstoren.

In zulke gevallen hebben de volwassenen tot dure en onafgebroken plicht, de brutaliteit der baasspelerij aan banden te leggen, de broertjes en zusjes te beschermen. Dit moet nadrukkelik gezegd worden, omdat gemakzucht en ook vrees menigmaal de ouders weerhouden tegen die baasspelerij op te treden. Vader en Moeder—het klinkt vreemd, maar ze durven dat kind niet aan. En wanneer ze, in een driftvlaag, al eens hun macht ontwikkelen, er wordt hier een aanhoudende waakzaamheid, een onverzwakte spanning vereist, en daartoe zijn ze in staat noch bereid. Zo worden de alledaagse kinderen de dupe der taaie tirannieke natuur. Zo wordt het heerlikste levenstijdperk onherstelbaar bedorven. Ieder kind heeft maar één jeugd. Laten we die gebruiken, maar toch ook ontzien.

Evenwel, jeugd verdedigen en beschermen tegen harde aanmatiging is nog iets anders dan van ieder kibbelarijtje een gewichtigheid maken. Het een en het ander te onderscheiden zij ieders wijsheid overgelaten. We willen nu met ons onderwerp voortgaan en overwegen, in hoever de waarheid ontzien moet worden bij het oordelen onzer kinderen over andere kinderen en volwassenen.

Er zijn mensen, die van zulk oordelen in 't geheel niet willen weten. Het past kinderen niet te oordelen over hun ouders en onderwijzers zo heet het dan. Zij hebben te zwijgen en te luisteren.

Dit heeft mij altijd heel zonderling in de oren geklonken. Ik meende altijd, dat ontwakend verstand zich juist door waarnemen en oordelen kenmerkte en dat we dit ongepaste dus als gunstige verschijnselen moesten begroeten.

Zo kan men wel zeggen: Het past kinderen niet, op te merken. Maar ze hebben nu eenmaal ogen, en die gebruiken ze. Die ogen schijnen daarbij met hersenen in verband te staan en die gebruiken ze ook. Wie dat opmerken niet wenst, moet dan maar bidden, dat Onze lieve Heer zijn kind blind maakt, en wie het denken en oordelen niet begeert, moet eigenlik verdrietig zijn, dat zijn kind niet idioot is.

Opmerken en oordelen behoort bij het uitbottend geestesleven, en dat kinderen, die met andere kinderen en ook met volwassenen omgaan, d. w. z. met hen vaak in wrijving komen, daarbij de wezenlike of vermeende fouten dier volwassenen zien en zich hieraan stoten, spreekt zo vanzelf, dat we—wel verre van dit te willen smoren, het met blijdschap moeten constateren, en er rekening mee houden.

Met smoren komt men er niet. Men verstikt het oordeel niet en ook niet de uiting. Het normale verstand blijft werken, al menen wij met ons gebod de geestelike machine te hebben stop gezet. En waar we in onze tegenwoordigheid de uiting niet dulden, daar zal deze haar weg zoeken buiten onze tegenwoordigheid. Wat, in heerlike openhartigheid, ons werd meegedeeld, wordt nu aan vriendjes verteld: „Het hart wil een klager hebben.”

Onbegrijpelik is de struisvogeldomheid van zulke het-zwijgen-opleggende ouders en onderwijzers. Ze moesten toch uit hun jeugd weten, dat kinderen spreken moeten, en dat de woorden, die het oor der opvoeders gesloten vinden, daarom niet ongesproken blijven. Die woorden worden nu alleen tot anderen gericht en dragen daarbij meteen het vertrouwen aan die anderen over. Weten de ouders aan wie? Zijn ze ervan overtuigd, dat die vertrouwden het beter met hun kind bedoelen, dan zijzelf?

Laat uw kinderen hun hele hart uitzeggen, tegenover u. Ook hun onbarmhartige kritiek op kameraadjes, onderwijzers, dominees, op—uzelf.


Het eerste voordeel dier openhartigheid is, dat de kinderen bij u blijven. Het tweede, dat ge ze leert kennen, gelijk ze zijn, en niet zoals ze zich uit eerbied voor uw gezag behoren te huichelen. Het derde, dat ge nu, door uw rijper en milder oordeel, invloed op het hunne kunt oefenen.

Wanneer een kind in een geschil met een ander kind of met een volwassene—dienstbode, onderwijzer, familielid—ongelijk heeft, moet dit zonder beperking door de ouders worden gezegd. Dit is niet steeds gemakkelik. Vooreerst al niet, omdat het kind een partijdige voorstelling van de zaak geeft: zijn eigenbelang, zijn bewogen gemoed benevelden de zuivere kijk op het geval, en niet uit leugenachtigheid, niet in welbewuste bedriegerij, maar door onvoldoende kennis en verkeerd voelen zag het de feiten onjuist en gaf ze onjuist terug. Wie in zulke gevallen, beter wetende, het kind toevoegt: Je liegt, doet het onrecht. Het kind liegt niet, het zegt zijn waarheid, en 't kan niet helpen, dat deze een valse weerspiegeling van de werkelikheid geeft. Ouders, het kind kennende, altans behorende te kennen, dienen dan beter te weten en de ogen van 't kind te openen voor zijn ongelijk.

Maar, en dit is het tweede en veel grootere bezwaar, vele ouders zijn al even verblind als het kind zelf. Waar het hun eigen kroost betreft, zijn ze onmiddellik geneigd, dit gelijk te geven. 't Gaat ook al weer onopzettelik, doch dit maakt het bijna te erger—niet in zedelike, maar in verstandelike zin. Ze kunnen van hun kind geen kwaad horen, omdat ze er geen kwaad van kunnen geloven. Vooral moeders zijn in dit opzicht merkwaardig—ik zeg niet onwillig, maar onmachtig. Ons aller zelfverblinding, waar het eigen gebreken betreft, wordt schitterend overtroffen door de verblinding der moeders, waar het haar kinderen geldt.

Men moet de waarde dezer verblinding niet onderschatten. Inderdaad—hoe vreemd het menigeen toeschijne—deze in de natuur der mensen liggende onmacht, om zichzelf en de geliefde personen te zien gelijk ze zijn, heeft grote waarde. Ze houdt het geloof, het vertrouwen staande in het goede der menselike natuur. Zolang iemand nog in ons gelooft, zijn we niet verloren. Dit geloof, ook waar het ongegrond schijnt, roept verantwoordelikheden wakker, en deze weer alle nog beschikbare krachten ter opheffing uit een gezonken staat. Alléén door in misdadigers te geloven, redde Jezus hen. Bij Hem ging dit niet gepaard met blindheid voor hun zonden. Hij zag het kwade—én het goede. Doch ook waar moeders het kwade niet zien—ongetwijfeld een fout!—is toch het geloof in het goede een deugd, een onmisbare faktor in hun opvoedingstaak. Hoe zouden ze kunnen verbeteren, waar ze het goede niet onderstelden?

Die verblinding der ouders mag ons dus niet ergeren, al moeten we beproeven, deze sluier weg te nemen, zonder het geloof in de aanleg tot verbetering te verzwakken. Slagen we hierin, en zien de ouders hun kinderen zoals ze zijn, dan reikt de ouderlike invloed nog veel verder. Dan kunnen ze hun kinderen tot zelfontdekking brengen, een der moeilikste, maar nodigste vermogens. En dan beschikt de opvoeding, ook de zelfopvoeding, over een der werkzaamste krachten. Naast geloof in eigen louteringsvatbaarheid, is er nodig: zelfkennis, echte, onvertroebelde, exacte zelfkennis. Het klassieke voorbeeld van de profeet Nathan hebben we daarom na te volgen: eerst het oog openen voor de realiteit en de lelikheid van het gepleegde kwaad, en daarna het onweerspreekbaar, verpletterende, maar in zijn verplettering reddende: Gij zijt die man!


Moeiliker wordt het, wanneer de kinderen in hun geschillen gelijk hebben en wanneer dit dan is tegenover volwassenen, die in hun positie gezag en moraliteit vertegenwoordigen: onderwijzers, predikanten. Dienen we dan de ouderen zogenoemd te handhaven en de jongeren de mond te snoeren? Nooit! Er is maar één ding te handhaven en hoog te houden: de Waarheid. Wie haar verkracht, verkracht ook de zedelike natuur der kinderen. Wie haar eert, voedt zijn kinderen op.

De schromelike dwaling is echter weer, dat men meent door het eren der waarheid de eerbied voor personen te kort te doen en hun zogenoemd gezag te ondermijnen. Kinderen moeten in hun opvoeders een soort heiligen zien, zo meent men. Vader kan geen fouten hebben. Wat Vader doet, is goed, omdat Vader het doet. In Vader is de deugd belichaamd, zijn leven is de zichtbare norm voor der kinderen zedelik streven.

Ik acht dit gewoonweg onzin. Indien Vader wezenlik zo'n heilige is—we willen het echter voor de kinderen niet hopen—welnu, laat de kinderen hem dan aanbidden. Gelukkig evenwel is er in de meeste gezinnen niet veel kans op. En zo kunnen de kinderen daar niet alleen zijn gewoon menselike fouten zien, maar ook gadeslaan—wat een prachtige gelegenheid voor zijn opvoedkundige theorieën!—hoe hij deze bestrijdt. Dan leren de kleinen zeker nog meer van zijn worstelend overwinnen, wat ook hún roeping is, dan van zijn ongerepte heiligheid, die ze toch niet kunnen bereiken en die eenmaal, ook voor hun oog, ontmaskerd zal worden.

Laat de kinderen veilig weten, dat de volwassenen gebreken hebben, waar ze die gebreken met eigen ogen zien en aan eigen stemming ervaren. En haasten we ons, die gebreken te erkennen, wanneer de kinderen er de dupe van zijn geworden, en zelfs, waar ze die alleen maar hebben opgemerkt. Doch—laten we het bij die erkenning niet doen blijven! Er is dan, juist dan, nog iets meer te doen.

Kinderen zijn in de hoogste mate onbillik in hun oordeel. Dit is echter niet te wijten aan een zekere hardheid of aan een tekort aan rechtvaardigheidsgevoel, maar aan onwetendheid. Zij hebben, door hun gebrek aan levenservaring, niet genoeg kennis van het innerlik leven der volwassenen, leggen daardoor veel te weinig gegevens in de schaal, en hierdoor worden we bij hun wegerijen te licht bevonden. Een dergelijke onzuivere gewichtsbepaling merken we op, wanneer volwassenen malkander wegen. Mevrouwen en dienstboden beoordelen malkander gewoonlik onjuist, officieren en soldaten, gehuwden en ongehuwden, ouders en kinderlozen, zelfs mannen en vrouwen. De een kent het werk, het leven, de moeiten van de ander niet, en nu ligt het in de menselike natuur die altijd te onderschatten. Eigen taak voelen we zwaar en gewichtig—geen wonder, die hebben we ook te vervullen. De taak van de ander tellen we licht. Waarlik, in dit opzicht zijn we vaak niets beter dan de kinderen. Ook wij voelen andermans druk niet op onze eigen schouders en zijn in ons oordeel onrechtvaardig uit domheid.

We moeten leren, ons in anderen te verplaatsen. En dit moeten we ook onze kinderen leren. Bedrieg ze niet met schijn, ontzeg ze ook niet het recht tot oordelen. Maar leer ze, wanneer ze een deel der werkelikheid zien, de volle werkelikheid zien. Dan zal hun ergernis vaak veranderen in medelijden, hun kritiek in waardering, en veroordeling plaats maken voor zelfbeschaming.


Een onderwijzer heeft een kind in drift een ruw woord toegevoegd of zelfs een klap gegeven. Het kind klaagt er tuis over, 't voelt zich onbillik behandeld.

Leg het nu niet het zwijgen op; zeg niet, dat het met die „kletspraatjes” niet moet aankomen; beslis ook niet zonder onderzoek: „dan zul je 't wel verdiend hebben.” Laat het kind uitpraten en, als het in 't algemeen geloofwaardig is, geef het dan gelijk in zijn klacht en keur met hem die handelwijze af. Zeg gerust: „dat had meneer niet moeten doen, dat is verkeerd van hem.” Ge zult eens zien, wat dat het kind een kalmte geeft, en hoe het daarna gaarne bereid is, met u te zoeken naar een verklaring, een verontschuldiging van die uitval. Meneer heeft de avond te voren nog laat zitten studeren, hij moet gauw een examen doen, hij is wat moe; hij had hoofdpijn; zijn vrouw, zijn kind was ziek, hij heeft een deel van de nacht gewaakt; hij is teleurgesteld in een verwachting—oorzaken te over, die een kind begrijpen kan, omdat ze hun aequivalenten hebben in het kinderleven, en die het kind, als men ze hem maar eerst bewust maakt, gaarne ter vrijpleiting van zijn onderwijzer wil aanwenden.

Acht iemand zich te hoog, om op die manier voor zijn gedrag te worden vrijgepleit—door een kind?

Of vreest men, dat het kind daardoor in eigenwijsheid en eigengerechtigheid het kinderlike zal verliezen, als rechter vonnissend over volwassenen en de zonden zijner meerderen grootmoedig vergevend?

Wat heeft men dan toch weinig vertrouwen in de kracht der waarheid, in de natuurlike goedhartigheid van 't kind, en in de doorwerking van zijn eigen invloed.

Ik heb het eens bijgewoond, hoe een predikant het ontgelden moest, omdat hij zich boos had gemaakt op een catechisant: „En dominé zegt zelf, dat we altijd geduld en liefde moeten betonen. Hij geeft ons een mooi voorbeeld, hoor!”

De vader zei: „Ja, dat is zeker al een heel slecht voorbeeld. Die man deugt eigenlik niet voor zijn taak. En is hij altijd zo?”

„Neen, gelukkig niet. Maar een dominé behoorde toch eigenlik nooit zo te wezen.”

„Daar heb je gelijk aan. Toevallig weet ik, dat Dominé Zondag tweemaal gepreekt heeft en in 't middaguur nog bezoeken heeft gehad; dat hij Maandag zeven uur gecatechiseerd heeft, Dinsdag de hele voormiddag in zijn wijk armen en zieken heeft bezocht, Dinsdagnamiddag drie uur catechisatie heeft gehad, Dinsdagavond Bijbellezing heeft gehouden, Dinsdagnacht bij een stervende is geroepen, Woensdagmorgen weer zieken heeft bezocht, en nu vind ik met jou, dat hij, al was hij dan ook wat moe, Woensdagmiddag niet boos had mogen worden, ook al gaf een catechisant daar aanleiding toe. Een dominé moet nu eenmaal volmaakt zijn, en catechisanten hebben geen plichten.”

„O neen, zo bedoel ik het niet.”

„Hoe dan? Ik geef je immers toe, dat Dominé niet het recht had, boos te worden?”

„Ja maar, als hij dan zo moe was, is dat toch wel een beetje te begrijpen, en die jongen leert ook nooit zijn les.”

Ziedaar de macht der waarheid. Het eerlik uitgesproken oordeel werd aangehoord, aanvaard, toegelicht, teruggenomen. De aanklager werd pleitbezorger, doch zou dat nooit geworden zijn, als men hem het recht der aanklacht ontzegd had.

Gunt ge uw kinderen het recht, ook over úw daden te oordelen?

Overbodige vraag: ze oordelen, of ge ze het recht toekent of niet.

Maar gunt ge ze de vrijheid, dit oordeel uit te spreken?

Dringend zou ik u raden: doe het toch, want—nog eens—anders doen ze het bij vreemden.

Vader wil niet, dat de kinderen aan de ontbijttafel lezen. Terecht. Ook niet, dat ze dan nog even hun les nakijken. Alweer terecht. Het boek zit de boterham in de weg.

Maar nu leest hij zelf onder 't ontbijt de krant....

Of hij hieraan goed of verkeerd doet, laten we in 't midden. Maar hij doet het, en de kinderen zien het.

„Nu leest u zelf de krant,” zegt er een, „en wij mogen niet lezen, omdat het ongezond is.”

Wat zal Vader zeggen? „Wil jij je brutale mond wel eens houden”?

Neen, dat zegt hij niet.

Hij zegt alleen: „Je hebt gelijk. Dat moest Vader ook niet doen. 't Is voor mij ook niet goed.” En hij legt de krant neer.

Of hij geeft de verklaring: „Vader móét de krant even doorkijken, en anders heeft hij geen tijd. 't Is jammer genoeg.” Als hij met die verklaring tenminste niet liegt.

't Is wonderlik, hoe bevredigd de vrije kritiek wordt door zulk een eerlik antwoord.

En hoe het gezag—het echte!—erdoor wordt bevestigd.

III.

Natuurlik ontveins ik mij niet het gevaar, aan het bespreken van de fouten der volwassenen verbonden. Zelfs is het niet zonder bedenking, het gedrag van kameraadjes aan ontleding en beoordeling te onderwerpen. Het oog wordt zo veel te veel gescherpt op het zien van anderer tekortkomingen en zou er ongemerkt op uit gaan, die op te sporen en te ontdekken. Daarom begon ik het vorige artikel met de waarschuwing, toch vooral niet van ieder kibbelpartijtje een gewichtig geval te maken, dat „ernstig” behandeld moet worden, en wil ik ook nu nog eens nadrukkelik verzekeren, dat naar mijn mening het dringen in eens anders daden en omstandigheden alleen dan gerechtvaardigd is, wanneer het kind toch reeds geoordeeld heeft en wij het tot zuiverder, billiker, rechtvaardiger, liefdevoller oordeel willen brengen. De waarheid zeggen en zoeken betekent niet: zich telkens weer met de zaken van een ander bemoeien. Wanneer er lelike motieven moeten worden blootgelegd, laat het dan de verkeerde motieven zijn, die bij 't kind zelf gewerkt hebben. Daardoor kan het zelfkennis verwerven, zelfkritiek oefenen en heeft het ten slotte geen tijd zich te spitsen op de fouten van anderen, gelijk onze christelike maatschappij dat pleegt te doen—uit naastenliefde.

Tans gaan we over tot de bespreking van een derde punt van ons onderwerp. Eerst beschouwden we onze gedragingen tegenover de kinderen; daarna het oordelen van de kinderen over personen; nu komen we tot de kindervragen en, in verband daarmee, onze antwoorden.

Die vragen betreffen de problemen, welke natuur en mensenleven het kind voorleggen.

Er is, in 't algemeen, tweeërlei reden, waarom we ze eerlik beantwoorden. Een kind verlangt te weten, anders vroeg het niet. Vragen is een uiting van weetbegeerte. Kennis, voor zover ze uit zuivere weetbegeerte voortvloeit, is in de regel heilzaam. We moeten evenwel een beperking maken, omdat er ook kennis gezocht wordt ter wille van slechte neigingen. Iemand kan b.v. willen weten, waar clandestiene drankverkoop is, om zich te kunnen bedrinken. We denken nu echter alleen, aan weten uit neutrale weetbegeerte, en dan is het in de regel nuttig, als dit weten bij kinderen bevorderd wordt.

Nog belangrijker echter is de tweede reden, waarom eerlike antwoorden worden aanbevolen. Zij gronden en versterken het vertrouwen van 't kind in zijn opvoeders. We kunnen niet genoeg doen—en laten!—om ons dit te verzekeren. Van het vertrouwen moeten we het hoofdzakelik hebben. De opvoeder is lange tijd de voedingsbodem van 't kind. Met al de fijne vezeltjes van zijn geestelik leven voelt het zich in de ouderen geworteld. Al zijn vastheid, zijn zekerheid, zijn veiligheid, zijn gerustheid hangt hiervan af. Daarom is het zo schandelik roekeloos, dit vertrouwen te verzwakken.

Zuivere kennis is zeker niet te versmaden, maar meer en oneindig meer dan deze is het vertrouwen, dat zelfs voor een goed deel de waarde der kennis bepaalt. Veel van onze kennis toch is napraatkennis. We weten, wat ons gezegd is. De betrouwbaarheid van de zegger is dus de macht van onze kennis. Heet kennis macht, die macht wordt dan voor een overgroot deel ontleend aan het vertrouwen in de persoon, wiens zedelike autoriteit voor ons de kennis tot ontwijfelbaarheid heeft gemaakt.


Het komt natuurlik vaak voor, dat we op kindervragen het antwoord niet kunnen geven, omdat we 't zelf niet weten. Dan erkennen we dit gulweg. Alle groothouderij is klein. Het geeft onze houding iets innerlik onzekers en ontneemt haar met de vastheid de kracht, wanneer we een schijn pogen te bewaren. Ook al zou het kind uitroepen: „Weet u dát niet eens? O, wat bent ú dom!”—dan aanvaarden we dit oordeel met blijmoedige berusting: „Ja kind, het is treurig.” Ten hoogste kunnen we beloven, het antwoord te zoeken, als we daar kans toe zien, maar niemand is gehouden alles te weten en bij ernstige problemen is het óók een weten, als men weet, dat men iets niet weet. Zo ver brengt de pedante domheid het maar zelden.

In vroeger jaren heb ik meermalen horen beweren, dat de volwassenen voor de kinderen de volmaaktheid dienden te vertegenwoordigen, en zij hierom, waar het wezen natuurlik ontbrak, toch de schijn moesten ophouden. Vader moest alles kunnen, alles weten. Dat boezemde de kinderen eerbied in. Dat hield zijn gezag hoog. Dat zou hen aansporen tot navolging van dit hoge voorbeeld. Wellicht is deze mening nog hier en daar de moeder of de dochter ener onware verhouding, ook tussen volwassenen en volwassenen. Ik acht haar uit een opvoedkundig oogpunt verkeerd. Schijn bedriegt, óók hem die de schijn aanneemt en die er een vals gevoel van meerderheid aan ontleent. Schijn geeft iemand een gevoel van zekerheid, dat hem aanstonds onrustig maakt, als de waarheid dreigt door te breken. In de waarheid staat men onwankelbaar. Ons kennisgebied, ons machts-terrein, ze behoeven niet uitgestrekt te wezen. Erkennen wij, weinig te weten, weinig te kunnen, als we van dit weinige maar zeker zijn. Dan worden we in dit weinige ook geëerd. Alle wáárlik nuttig weten en kunnen is bruikbaar, is brood en achting waard, en verwerft die ook. Als ze maar echt zijn!

In dit vertrouwen moeten de kinderen opgroeien, en daarom moeten de ouderen het door hun leven de jongeren inboezemen. Wat een geflodder zien we nog vaak met kleurige lappen van vertoon. Wat een voornaamdoenerij, wat een voorwenderij. Het is of een schoolmeester zich vooral schamen moet een schoolmeester te zijn. Hij moet een „meneer” zijn, hij moet „over alles” mee kunnen praten. En wie een gewoon burger is, moet de allures aannemen, alsof hij tot de aristokratie behoorde. My house is my castle, zegt de Engelsman. Ik zeg: mijn ambt is mijn eer en mijn stand is mijn trots. Wees wat ge zijt, maar wees dat goed. En als ons gehele leven, en dus ook onze opvoeding, in die toon staat, dan kunnen we tegenover kinderen ook zonder enig bezwaar onze onwetendheid belijden. Ze zúllen ons geen domheid verwijten, zelfs niet in de diepte van hun hart.

Wie nu uit deze regelen afleidt, dat we geen verplichting hebben ons zo knap mogelik te maken, ook ter wille van de kinderen; of dat we met onze onwetendheid te koop moeten lopen; of dat we altijd maar de schoolmeester moeten uithangen; of een andere gans niet bedoelde dwaasheid, dat we b.v. trots moeten zijn op onze fouten en achterlikheden, die heeft, om de waarheid te zeggen, het gezegde niet precies begrepen. Ik heb gezegd, altans gemeend: poets uw ijzer, uw tin, uw koper blinkend, en hebt ge goud, laat dan ook dit glanzen, alleen—werk niet met klatergoud. En waar uw kinderen iets vragen, dat gij niet weet, wapper dan niet met een flikkerend schijnsel, indien ge geen rustig helder licht kunt doen stralen. Handhaaf uw gezag en vermeerder hun eerbied door te erkennen: ik weet het niet.


Doch als we het wél weten, dan zijn we er daarmee nog lang niet. Dan rijzen voor óns de vragen: kúnnen we en mógen we het kind wel de waarheid zeggen. Het gaat niet aan, zo maar boudweg te verklaren, zogenaamd „principiëel”: de waarheid is altijd heilzaam. Met zulke algemeenheden—ze heten dan echter heel gewichtig principes—schermt de domheid, en daar kan ze dan een reuzensucces mee hebben in een vergadering van mensen, die dolgraag de waarheid horen, als deze anderen ontmaskert, maar zich woest verweren en het als groffe onbeschaamdheid uitkrijten, wanneer hunzelf de waarheid wordt gezegd. Neen, de waarheid is niet altijd heilzaam en we dienen wel degelik eens rustig te overwegen, wanneer we haar de vragende kinderen kunnen geven of moeten onthouden.

Er zijn gevallen, waarin de kinderen door ontoereikend verstand ons antwoord niet zouden begrijpen. Dan behoeven we echter niet te liegen, maar antwoorden eenvoudig: „Dit is te moeilik voor je, dit begrijp je nog niet,” en dan zeggen we hierin toch de waarheid. Het is evenwel opmerkelik, hoe sommige kinderen met dit antwoord niet tevreden zijn en aandringen: „Zeg u het toch maar eens, misschien begrijp ik het wel.” Zulk een aandrang wijze men toch vooral niet met zekere korzeligheid of gekrenktheid terug. Hij getuigt heel gunstig voor de leergierigheid der kinderen. En wellicht hebben ze gelijk. Kinderen kunnen vaak meer begrijpen, dan wij vermoeden. Beproef maar de verklaring te geven. Gaat deze boven hun bevatting, dan zijn ze eerlik genoeg, om aanstonds te zeggen: „Neen, scheid u maar uit, ik begrijp het toch niet.” Doch lukt het u, door de zaak heel eenvoudig voor te stellen, hun opmerkzaamheid te boeien, hun weetgierigheid te bevredigen, dan zult ge eens ervaren, welk een dankbare leerlingen ge hebt, en uit hun verdere vragen zien, dat ze inderdaad begrepen hebben. Wanneer wij zo zeggen: „Dit is te moeilik voor je”, moesten we meermalen eigenlik zeggen: „Dit kan ik je niet eenvoudig genoeg maken.” Oefenen we onszelf in deze kunst, dan blijkt al gauw menige schijnbaar ingewikkelde zaak geheel binnen het bereik van een normaal kinderverstand te liggen.

Met een paar voorbeelden willen we dit toelichten.

Een kind loopt met Vader of Moeder op straat en ziet, hoe een zwaar ijzeren blok tussen twee palen telkens omhoog wordt getrokken, om dan op een paal neer te vallen. Ze zijn aan 't heien. Al wat beweegt, trekt de aandacht der kinderen, dus ook dat rijzende en vallende blok. „Wie trekt dat toch omhoog?” vraagt het kind. „Dat doet die machine,” is 't antwoord. Menig vragend kind, en zelfs menig vragend volwassene, is hiermee voldaan. Hun geest is te traag, om dieper door te dringen. „Die machine” is de volle bevrediging van hun verlangen naar oplossing van 't raadsel. Geef hun ter verklaring van honderderlei omringende geheimzinnigheid maar altijd een „machine”, en ze zijn content. Maar er zijn ook kinderen, die dan verder gaan en vragen: „Hoe kán dat?”

Nu ligt voor de meeste ouders het antwoord voor de hand: „Dát kan ik je niet uitleggen,” en dit zeggen ze te beslister, omdat ze zelf die machine niet begrijpen. Machines schijnen voor vele mensen, vooral voor vrouwen, iets ontoegankeliks te hebben. Dames, die bij haar theosofiese gesprekken niet terug deinzen voor verklaringen van absoluut ontoegankelike mysteries, schrikken voor een machine als voor een onoplosbaar probleem terug. Dat werktuig in zijn arbeid stap voor stap te volgen, te zien, te begrijpen, is hun raadselachtiger, dan de opvolgende incarnaties door de loop der volmaakt in het duister liggende eeuwen.

Maar onze jonge moeders kunnen ook die geheimzinnige „machine” benaderen, als ze maar eens naar hun eigen waterketel kijken. Dat deksel gaat, als het heiblok, ook telkens op en neer. Wie duwt het op? De stoom in de ketel. Wie doet het vallen? Zijn eigen zwaarte, als de stoom ontsnapt is. En wie maakt die stoom? Dat doet het vuur onder de ketel. Dus wie duwt eigenlik het deksel op? Het vuur.

Onderstel nu eens, dat ik aan een gezelschap van jonge moeders vroeg: Jullie hebt nu alle tot je 18e jaar onderwijs genoten, op de lagere school, op de middelbare school, op het gymnasium, wie kan met vuur een zwaar stuk ijzer optillen, dan zou ik misschien meer verbaasde gezichten zien, dan heldere antwoorden vernemen. En toch had ik ze maar even mee te nemen naar de keuken, misschien naar de teeketel op het gaskomfoor in de kamer, om ze het ei van Columbus te doen zien. Zó dichtbij ligt vaak de oplossing van duister schijnende problemen. James Watt zag als jongen de toekomstige stoommachine in de waterketel van zijn tante.

Bind nu eens aan de knop van het deksel een dun draadje. Leid dat b.v. over de leuning van een stoel. Hang aan de andere zijde der draad een lucifer. Dan gaat deze met het deksel op en neer. Iets als ons heiblok.

Welke jonge moeder maakt zich niet sterk, dit haar vragend vijfjarig ventje duidelik te maken? Moeders zijn knapper, dan ze zelf weten. Als ze maar niet op school hadden gegaan! Daar is die knapheid vaak in geleerdheid verduisterd!

Bij elke machine hebben we maar twee vragen: Welke kracht brengt haar in beweging? En: Hoe wordt die beweging overgebracht?

De eerste vraag brengt ons naar de kracht van stromend water, stromende lucht, spieren van mens en dier, spanning van stoom, electriciteit. Natuurlik kunnen we dan weer verder vragen: Wat dóét het water stromen, de lucht waaien, en zo verder. Dan reizen we van het stromende water naar de zon, die eerst dit water als damp omhoog heeft gevoerd en zo veroorzaakte, dat het daarna als regen of sneeuw de bergtoppen bezocht; dan waaien we met de winden naar de zon, die luchtlagen verwarmde en daarmee het evenwicht in de atmosfeer verstoorde, zodat nu de dampkring, waaiende, herstel van dat evenwicht zoekend, en passant onze molens doet draaien; dan doet de stoom ons in het vuur de wondere eigenschap ontdekken, dat door verbinding van koolstof met zuurstof warmte ontstaat, en leidt die koolstof ons weer naar de zon, door wier energie zij uit de lucht in het plantenlichaam is gekomen; dan stijgen we met de spieren van mens en dier ook al naar de zon, de krachtcentrale onzer aarde; dan vinden we telkens weer in dit middelpunt van ons planetensysteem het eindpunt onzer vragen, en—het beginpunt van nieuwe vragen. Vragen naar de oorsprong der kracht brengt ons telkens aan een ander adres, maar lost natuurlik het mysterie der kracht niet op.