WeRead Powered by ReaderPub
Verspreide Opstellen, II cover

Verspreide Opstellen, II

Chapter 31: INHOUD.
Open in WeRead

About This Book

A series of reflective essays examining childhood, education, and moral development through personal observation and practical guidance. The writer treats the child as a revealing window into human nature, arguing for upbringing rooted in empathy, truthfulness, and steady discipline while remaining open to new ideas. Pieces balance idealism with realistic limits, address social problems that affect upbringing, and offer concrete counsel for caregivers, often illustrated by autobiographical anecdotes. Recurring themes include the transformative power of affection, adults modeling integrity, and adapting instruction to nurture each child's capacities.

7) B.v. het bizonder mooie boekje over Ned. Indië door J. L. Hooftman en K. G. Houwen. In het 2e deeltje B., dat van Java en de Buitenbezittingen vertelt, vinden we bizonderheden over de Zending op Java en in de Minehassa. Al is het onderwerp moeilik, toch zou ik bij een herdruk het boekje nog verrijkt willen zien met een hoofdstuk: „Een zendeling aan de arbeid.” Wellicht vinden de schrijvers hiervoor geschikte stof in het meermalen genoemde opstel van Dr. Adriani over de arbeid onder de Toradja's in Midden-Celebes. Door dit opstel heb ik ook een enigszins andere opvatting van het koppensnellen gekregen, dan de schr. geven bij de bespreking van de Bataks.

XV. „EEN LIEFLIJKE NAAM”.

Hij kende de namen Jezus Christus alleen als vloek.

Zijn vader vloekte, zijn moeder, zijn oudere broers, de buren, zelfs zijn zusje. En dus vloekte hij ook, reeds als klein jongetje.

Alleen één buurvrouw, een jong vrouwtje, dat altijd bij haar werk zong, had bij die namen wel eens een fijnere gemoedssnaar doen trillen dan die van driftige boosheid. Zij kende een heel repertoire van liederen waarin ze haar Heiland verheerlijkte, en zond de hulde van haar hart, door open deur en venster, vaak jubelend de buitenlucht in. Zoo had het buurjongetje wel eens gehoord van een lieflijken naam, die ruischt langs de wolken, maar die lieflijke naam naderde hem overigens niet anders dan als rauw scheldwoord.

Dit veranderde niet, toen hij ouder werd. Zijn kameraden vloekten, op 't werk, in de herberg, op straat, in huis, overal. Ook onder dienst werd gevloekt, en niet enkel door de soldaten, doch vooral niet minder door de onder-officieren en de officieren, gelijk in het burgerlijk leven de heeren voor de arbeiders niet onderdeden en hen meermalen overtroffen.

Op deze wijze was Jezus Christus met dien man door 't leven gegaan. Aldus kon men merken, dat deze man niet in de heidenwereld, maar in een „Christelijke maatschappij” was opgegroeid.

Tot op zekeren dag.

Hij was nu over de zestig, had vrouw noch kind, stond—ach neen, slingerde alleen over de wereld, was meer dronken dan nuchter, kende de politiebureaux beter dan de kerken en had in onze Christelijke samenleving nog nooit den Christus ontmoet. Tot op zekeren dag, toen hij, in dronkenschap aangereden door een automobiel, gewond naar het ziekenhuis werd vervoerd. De chronische ziekte van het alcoholisme had men tot nog toe alleen in politiehokken behandeld; een gekneusd been opende de deuren van het ziekenhuis. En toen hij daar zoo rustig lag, toen hoorde hij het ruischen van den lieflijken naam.

Dat ging zoo. Een jong meisje van misschien achttien jaar kwam iedere week met bloemen in de zaal. Dan ging ze alle bedden langs, zette bij elken patiënt een tuiltje frissche bloemen, knikte de zieken vriendelijk toe en verdween weer. Soms bleef ze een poosje, om dezen of genen met zachte stem wat voor te lezen, een mooi verhaal of een hoofdstuk uit den Bijbel. En telkens, als ze er geweest was, liet zij de kranken achter, verkwikt door haar bloemen, haar welluidende stem, haar lieflijke verschijning.

Ruwe harten verteederden onder den invloed van deze zorgende zachtheid. Ze begrepen die vredige toewijding niet, maar dat was ook niet noodig. Ze vergaten hun ellende van nu, vergaten gehéél de ellende van 't verleden, vergaten ook de ellende die weer in de toekomst dreigde, waren volkomen onder de bekoring dier reine liefde. Ze ervoeren de balsemende en louterende macht van het Christendom; ze kwamen in aanraking met Christus, maar ze konden Zijn naam nog niet spellen en noemden Hem; lief meisje.

Toch hoorden ze het lieflijke ruischen.


Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden dit niet weten, dat dit Christendom was. Ze meenden—indien ze hieromtrent iets meenden—dat „Christendom” onafscheidelijk verbonden was aan preeken en catechiseermeesters en gezang, maar niets te maken had met bloemen en vriendelijke knikjes. Het Christendom—o ja, dat had je in de kerken, in die groote, eenzame steenen gebouwen, waar alleen een zeker soort menschen op Zondagmorgen naar binnen ging, daar moest je lid van wezen, als van Artis bij voorbeeld, maar dat stond heelemaal buiten een ziekenhuis. In een ziekenhuis kwamen zieken en dokters en verpleegsters, en dat meisje—dat was alleen maar „een lief meisje”, dat had eigenlijk in het ziekenhuis niets te maken.

Ze wisten niet, gelijk duizenden en nogmaals duizenden het niet weten, dat zoo ook Jezus, de Christus, in het ziekenhuis dezer wereld eigenlijk niets te maken had. Hij kwam er, Hij zag er de lichamelijke, maar vooral de zedelijke ziekten: de zelfzucht in haar leelijke vormen van hebzucht, eerzucht, heerschzucht, afgunst, nijd, haat. Hij ging er naar binnen en bracht er de bloemen Zijner liefde, de sterkende blikken van Zijn zegenend oog, de schoone verhalen van Gods Vaderliefde. Hij bracht die Liefde zelve in Zijn leven. Hij openbaarde haar in Zijn daden, Hij lichtte haar toe in Zijn woorden. Hij wierp de dronkaards, de bedwelmden van allerlei aard, ook die der eigengerechtigheid, niet in een donker hok, opdat ze daar hun roes zouden uitslapen en straks weer dieper wegzinken, maar Hij riep ze allen tot Zich, die vermoeid en belast waren, allen, opdat Hij ze rust zou geven. Zoo ging Hij het zondenhuis der wereld in en bracht er de verkwikkende, de genezende, de reddende Liefde. Wat eerst alleen lieflijk ruischte langs de wolken des hemels, zweefde nu, als engelenzang, door de menschheid heen, over de velden der aarde. En het was heerlijk om te hooren, behalve voor hen, die in het liefdelied een verwijt, een aanklacht, den dood van hun zelfstreelend en zelfverheerlijkend Ik vernamen, daarvan niet hooren wilden en dan ook inderdaad meenden, dat die stem „hier niets te maken had” en haar het zwijgen oplegden aan het kruis. Tevergeefs. Want door de eeuwen heen bleef haar toon trillen door de zedelijke wereld, bewoog en beweegt ook nu nog de menschelijke harten.

Wanneer de oude dronkaard dit alles geweten had, hij zou het Christendom anders geëerd hebben dan in godslastering en het wel aanstonds herkend hebben in „dat lieve meisje.” Nu begon het hem pas langzamerhand te schemeren, als zij hem voorlas uit wat hij „haar boekje” noemde. Hij formuleerde 't zich wel niet zoo scherp, maar 't werd hem toch flauw bewust: zij was een gezant, zij was een vertegenwoordigster, zij was een brengster—in daden—van de Blijde Boodschap. In haar kwam tot hem de Herder, die niet rustte eer hij 't verloren schaap had; de Meester, die zijn jongeren geleerd had, dat hij zachtmoedig was en nederig van hart; de Koning, die 't uitsprak: „Voorwaar zeg Ik u, voor zooveel gij dit één van deze Mijne minste broeders gedaan hebt”—hongerigen spijzigen, dorstigen laven, naakten kleeden, vreemdelingen herbergen—„zoo hebt gij dat Mij gedaan.”

In haar kwam Christus tot hem.

En toen zij, op Kerstmis, zong van: „Er ruischt langs de wolken een lieflijke naam,” hoorde hij niet alleen het lieflijke ruischen, maar kon hij dien naam ook spellen. En daarvoor gebruikte hij dezelfde letters, die eerst zijn vloeken hadden gevormd. Maar nu had hij ook het levende Christendom ontmoet.

„O, Kerstnacht, schooner dan de dagen!”

XVI. WORSTLENDE.

We hadden de locomotief onder handen—wij, dat zijn de kinderen der hoogste klasse en hun onderwijzer. We hadden gezien hoe in de vuurhaard door verbranding van steenkool, dat is dus door oxydatie van de koolstof, warmte was ontwikkeld. Ook hoe die warmte, dat is dus eigenlijk die oxydatie, het water in den ketel tot stoom had omgezet. Ook hoe de spanning van dien stoom, dat is dus eigenlijk die warmte, dat is dus die oxydatie, den zuiger in beweging bracht, en deze de wielen, en deze de locomotief, en deze den heelen trein.

Daar reed de trein, twintig en meer zwaar beladen wagens voortgetrokken door de locomotief, neen door den zuiger, neen door de stoomspanning, neen door de warmte, neen door de verbranding van steenkool, dat is dus: door een scheikundige verbinding. Een chemisch proces, het eenvoudige proces dat zich ook voor onze oogen vertoont, wanneer een simpel lucifertje brandt, dit bracht ons met duizelende snelheid de wereld rond, ons en honderden medereizigers, ons en honderden centenaars vracht.

Waren we bij die oxydatie al bij de bron der kracht? Of moesten we nog dieper doordringen? Reeds rees de vraag naar de vorming der koolstof, van dat krachtdragend en straks krachtbarend element, en we zagen hoe die koolstof bij uiterst kleine hoeveelheden in de chlorophylkorrels der groene plantendeelen werd gevormd, doch alleen—onder den invloed van het zonnelicht. Bleven de trillende stralen weg, dan konden de groen-minnende8) korrels noch groen vormen, noch uit het in de lucht zwevende koolzuurgas de koolstof losmaken en deze, met opgezogen water verbonden, als vaste stof in de plant binden. Geen kool dus in de plant zonder zonnekracht. En deze was het alzoo ten slotte, die de trein in beweging bracht, die ons voorttrok, ons en heel de menschheid.

Wanneer de kinderen tot zulk een inzicht komen, duizelt het hun soms een oogenblik. Aan hun oogen is iets te zien. Daar straalt ontroering uit. Een andere ontroering dan wanneer ze hun dertig plaatsjes in Gelderland zonder haperen hebben opgezegd. Ook deze voldoening zij hun gegund. Maar ze haalt niet bij het moment van verheffing, van hartsverheffing, wanneer ze de dagelijksche dingen uit hun omgeving, het voortsnellen van een spoortrein, van een hooger niveau zien, als met nieuwe oogen aanstaren.

De Zon trekt de trein voort. De Zon beheerscht de plantenvoeding, dus ook de dierenvoeding, dus ook ons leven. De Zon is de levensbron der Aarde. Zonder haar geen groen, geen kleur, geen leven. Zonder haar—hier niets dan een duistere, kille woestenij. Is het wonder, dat de oude volken de Zon aanbaden? Dat er een Zonnegod was? Een Zonnedienst? De Menschheid knielde voor haar Voedster, haar Onderhoudster, haar Oorsprong.

Haar oorsprong? De mensch zag niet verder. Wie bij de zon eindigt, is als de reiziger, die bij een tusschen-station uitstapt. Neen, hier is het eindpunt niet van onze reis, hier het beginpunt niet van ons bestaan. Verder moeten we, altijd verder, van zonnestelsel tot zonnestelsel.

Doch nu begint het ons eerst recht te duizelen. Bij de grenzen onzer kennis beseffen we het diepst onze onwetendheid. En daar buigt de mensch het hoofd. Niet voor den Zonnegod. Maar voor dien God, die ook de Zon heeft geschapen, die het gansche Heelal regeert. Al zien wij Hem niet, wij gelooven in Hem. In Hem voelen wij den Oorsprong van alle Zijn, de bron onzer levenskracht. En zooals de planten, onbewust of in vage bewustheid, de bladeren naar het zonlicht keeren, vanwaar hun groei en hun sterkte komen moet, zoo richt de menschenziel zich naar haar Oorsprong, zuchtend en zoekend naar Goddelijk licht.

Wellicht vindt deze of gene het een weinig oneerbiedig, om niet te zeggen profaan, dat we een religieuse beschouwing verbinden aan iets zoo materiëels als een locomotief. Maar is een locomotief, omdat het een werktuig is, dan iets minderwaardigs? Openbaren zich in dit werktuig niet evenzeer de wonderen als in de organische wereld? En spreken we niet van organische, d. i. bewerktuigde wereld, omdat we juist bij planten en dieren de werktuigen als een kenmerkend deel onderscheiden tegenover de anorganische natuur? Ach, wie God alleen ziet in kerken en heilige boeken, alleen in bloeiend en zingend leven, hij verruime zijn blik. Overal, overal is God. In het nietigste stofje werkt Zijn kracht. Geen mechanisme, of het is een nabootsing van hetgeen de mensch in de gecompliceerde mechanismen der levende schepping heeft ontdekt. Waar we ook beginnen, stijgend langs stralen van zonnelicht worden we naar den Oorsprong heen geleid.


Dezelfde locomotief, die ons naar de Zon heenvoerde als de trekkende kracht van treinen, als de beheerscheresse dezer aarde, bracht ons nog een andere waarheid aan 't licht. Waarom, als de trein nu toch al zoo zwaar was, waarom nu nog de locomotief zoo vreeselijk zwaar gemaakt? Dan werd de vracht toch immers nog grooter? Dan viel er toch immers nog meer voort te trekken? Dan was er dus immers nog meer krachtsontwikkeling noodig? Gaf dat niet verlies aan brandstof en wat dies meer zij?

De kinderen kwamen al spoedig zelf met de opmerking dat de locomotief wel erg zwaar moest wezen, om de wielen tegen de rails te drukken. Want anders zouden de wielen wel ronddraaien, maar ze zouden langs de rails glijden en de locomotief zou niet vooruitgaan. Die zwaarte was noodig. Daardoor kwam er tegenstand, wrijving. En die tegenstand was voorwaarde van vooruitgang. Zelfs, hoe zwaarder trein de locomotief had voort te trekken, hoe zwaarder ze zelf moest wezen. De tegenstand groeit met de belangrijkheid der taak.

Onderstel, dat er geen wrijving was, onze voeten zouden niet kunnen staande blijven, we zouden niet kunnen voortkomen. Een spiegelend ijsveld ware de aarde, waarop geen beweging mogelijk was. Waar geen wrijving is, zou ze gemáákt moeten worden.

In het materiëele willen we dit graag gelooven, daar spreekt het ook zoo duidelijk. Maar in het moreele? En in het geestelijke? Daar zijn we maar al te zeer geneigd, om over de moeilijkheden te klagen en de bezwaren te verwenschen. Toch geldt het ook hier, dat de wrijving voorwaarde van vooruitgang is. Zullen we geestelijk en zedelijk groeien, dan toch alleen door geestelijke en moreele krachtsinspanning, en die kunnen we ons niet bij recept voorschrijven, maar die moeten van ons door de levensomstandigheden geëischt worden. Wanneer van alle kanten de moeilijkheden op ons af komen, kunnen we daaronder wel eens gebukt gaan. Maar het zijn de grootste geesten, het zijn de helden der menschheid, die in toestanden van hopeloosheid en radeloosheid ten onder dreigden te gaan, om straks gesterkt het hoofd weer op te heffen.

Wanneer het leven ons iets leeren kan, dan is het wel dat we alleen worstelende krachten winnen. Wie de worsteling vervloekt, vervloekt zijn eigen verbetering. Wie de worsteling ontvlucht, zinkt weg in verslapping. We behoeven daarom de moeilijkheden niet te zoeken, we behoeven het gevaar niet te beminnen. Wie 't gevaar bemint, valt er in, zegt Augustinus. Maar iets anders is het, het gevaar te zoeken en te beminnen, iets anders de moeilijkheden, die 't leven op onzen weg legt, aan te pakken. Dit is onze plicht, sterker, hierin ligt ons heil. En al lijkt het op 't eerste gezicht ongerijmd, al kost het vaak schier bovenmenschelijke zelfbeheersching in verloochening van ons rustig geluk, we moeten zelfs dankbaar kunnen zijn voor de smartvolle zorgen als prikkels tot zelfverbetering, lijden ter loutering.

Het spreekt van zelf, dat niet in deze woorden met de kinderen werd gesproken, maar wel in dezen geest, en dat daarbij ervaringen werden bewust gemaakt uit het kinderleven, dat al zoo rijk is aan verleidingen, ontvluchtingen, inzinkingen, misschien ook overwinningen. Bijna alles wat in het leven der volwassenen werkt, gist ook al in het leven der kinderen, zij het natuurlijk in andere sterkte. Wie dit niet ziet, phantaseert de kinderen „kinderlijker” dan ze zijn. Hun onschuld is onrijpe schuld. De groote waarheden zijn daarom ook voor de kleinen. En al vroeg mogen ook zij beseffen, dat de worsteling noodig is ter overwinning. Alleen daardoor wordt de Jacob een Israël.

8) Chloros = groen; phyl = minnend.

XVII. VOLHARD!

Er is een mooi puntdicht van Staring, dat zich veroordeelend richt tegen hen, die meenen zonder inspanning hun doel te kunnen bereiken. Met een vlugge pen—ach, pennen zijn vaak vlugger dan voor 't heil van den schrijver en 't genot van den lezer wel goed is—heeft iemand eenige vellen papier volgeroffeld, en nu verbeeldt hij zich, meesterwerk te hebben geleverd. Doch Staring ontneemt hem die illusie.

Zulk roffelwerk zou onverganklijk leven?
Neen vriend, geschoeid won Bilderdijk
Het steil der kunst, maar achter hem in 't slijk
Blijft gij met uw pantoffels steken.

Staring mocht meepraten. Onvermoeid arbeidende aan zijn gedachten en zijn gedichten, rustte hij niet, aleer beide rijp waren. Laten we alleen eens een oogenblik nauwlettend acht geven op de beelden en woorden in dit simpele, vierregelige versje, dan zien we daar aanstonds, hoe Staring de daad bij 't woord gaf.

Hebt ge wel eens roffelwerk gezien? Waarschijnlijk niet want dan zoudt ge bekend moeten wezen met den arbeid van den timmerman. Een van zijn werktuigen heet nl. een roffel. Het is een schaaf waarmee allereerst het ruwste van de planken worden afgeschaafd voor ze een nauwkeuriger behandeling ondergaan. Zoo'n afgeroffelde plank ziet er dus nog slordig uit. Natuurlijk, er is nog slechts weinig zorg aan besteed. Vandaar dat de figuurlijke beteekenis van afroffelen op slordig, onnauwkeurig werken wijst. En wie nu het roffelwerk wil overbrengen op literair gebied, heeft daarmee reeds zichzelf veroordeeld.

Neen, zoo gauw en gemakkelijk komen we er niet. Wie het stijgende pad der kunst wil betreden, rekene er op, dat het beklimmen van den berg inspanning eischt en ruste zich uit tot den tocht. Niet „op onze slofjes” bereiken we den top. Geschoeid won Bilderdijk het hoogtepunt, waarop Staring hem ziet. Maar wie meenen mocht, op pantoffels B. te kunnen navolgen, blijft beneden in de modder steken.

Ik wil niet beweren, dat Staring hier uitmunt door oorspronkelijke beeldspraak. Doch ieder zal wel erkennen, dat de oude beelden, die we dagelijks gebruiken en die overal in de volkstaal leven, door Staring in volle klaarheid gezien en toegepast zijn, zoodat hij aan 't oude weer nieuw leven heeft geschonken. Al schreef Staring maar twee regels, die regels mochten woord voor woord opgenomen en gewogen worden. Ieder woord had zijn volle gewicht.

Dit bereikte hij natuurlijk niet door er maar op los te schrijven. Door nadenken en overwegen verdiepte en verhelderde hij zijn gedachten, door oefening en aanhoudende zelfcritiek kuischte hij zijn taal. Daarom mogen we zeggen, dat Starings werken zijn uitspraken bevestigen. En daar vloeit tevens uit voort, dat Staring-lectuur, zeg mijnentwege Staring-studie, een heilzamen invloed kan hebben op de vorming van het jonge geslacht. Men heeft het zoo vaak over de „vormende waarde” der literatuurbeoefening. Welnu, wie nog zoekt naar de wijze, waarop die vormende waarde tot haar recht kan komen, beproeve maar eens door middel van Staring zijn leerlingen oog en eerbied te doen krijgen voor volharding.


Aan die deugd is in onzen tijd meer dan ooit behoefte. Zenuwzwakke naturen, gelijk we er vele tellen, zijn vaak alleen sterk in opwindingen. Alles moet bij vlagen en ingevingen gaan. En als de inspiratie niet werken wil, komt er niets. Inspiratie heet de eenig betrouwbare drijfkracht. Zij stempelt den arbeid met het merk der genialiteit.

Natuurlijk zal niemand de beteekenis van een krachtige aandrift loochenen. Maar wie meenen mocht, dat zij den volhardenden arbeid missen kan, komt bedrogen uit. Reeds meermalen heeft men getracht, de natuur van het genie te bepalen, doch, hoe verscheiden de karakteristieken ook zijn mogen, in één opzicht stemmen alle overeen: Geen genie zonder volharding. Alle groote mannen waren sterk... in het overwinnen van moeilijkheden. En dit laatste is iets anders, dan het drijven om zijn telkens wisselenden zin te krijgen.

Hoe wreed zij 't ook vervolgen tot den dood,
't Genie blijft toch d'omstandighêen te groot,

zegt Potgieter.

Volharding en veranderingszucht staan tegenover elkaar. De eerste is het kenmerk van kracht, de laatste van zwakheid. Met groote ambitie begint iemand soms aan een nieuwe taak, liefst aan de uitvoering van een zijner eigen vele nieuwe plannen. Hij leeft bij zijn phantasie, en in die phantasie ziet hij alleen maar het mooie en aantrekkelijke. Doch nu komt de werkelijkheid en daarmee rijzen van alle kanten moeilijkheden, waarvan hij te voren geen flauw vermoeden had. Aanvankelijk tracht hij de moeilijkheden te overwinnen, doch spoedig geeft hij 't op. Hij ontwijkt de steenen, die hij moest opruimen om zijn weg te kunnen vervolgen, en de lust ontzinkt hem. 't Mooie plan wordt opgegeven, een nieuw gevormd, en de jonge arbeider komt verzwakt uit den strijd terug.

Het spreekt vanzelf, dat niet alle strijders evenveel kracht hebben. Doch hieruit mag niet volgen, dat de sterke voortzetten en de zwakke opgeven moet. Opgeven voert tot bezwijken. Ook de zwakke moet vóórtgaan. Hij kan 't niet zoo snel, als zijn bevoorrechte medestrijder. Dat hindert niet. Dan gaat hij maar langzaam, desnoods veel langzamer. Maar... vooruit! Niet een nieuw pad ingeslagen, omdat de gang langs het oude te zwaar valt. Ook op dat nieuwe pad liggen de moeilijkheden. En ze wachten u reeds, al ziet ge ze niet. Overál zijn ze. En ge ontvlucht ze niet, door ze te ontwijken, maar door ze te overwinnen. Van Haren zegt het zoo mooi van de smart: „We zullen den oceaan oversteken, om haar te ontkomen. Maar aan gindsche kust staat ze reeds, en wacht ons op.” En zoo is het ook met de bezwaren, aan onze taak verbonden. Juist wie ze ontvlucht, raakt er onder. Doch wie ze aandurft en aanpakt, wordt hun meester. Dat niemand zich toch door een gevoel van zwakheid late terneerslaan en ontmoedigen. Haast is niet noodig. Haast u langzaam. Aan de taaiheid is evenzeer de zege verzekerd als aan de kracht. Taaiheid is kracht. Zij is de kracht in pasmunt, teergeld op den langen arbeidsweg. En de vraag is niet: Wat bereikt ge op het moment, maar wel: Wat zult ge aan het einde van uw leven bereikt hebben.


Beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ja, hier is wel iets waars in. Maar wanneer men tien en twintig keer ten halve keert, dan komt men altijd op dezelfde plek terug. Dan zal men niet dwalen, doch ook niet vooruitkomen. En de dwalende ontdekt nog wel eens gansch nieuwe gezichtspunten en kan—verder op den rechten weg gerakend—tot de blijde ervaring komen, dat hij een eind gevorderd is. Doch de terugkeerder wordt een stilstaander. En stilstand is de dood. Ik zou zeggen: Beter half gewonnen, dan heel verloren. Wie de eerste helft gewonnen heeft, bemeestert wellicht ook de tweede.

Er is niets zoo ontzenuwend voor den zenuwzwakke als het weifelmoedige en aarzelende. Maar dat wordt niet bestreden—doch integendeel bevorderd—door koppigheid en doordrijven. Het is verwonderlijk, hoe zulke naturen vaak sterk zijn in de bevrediging van hun lusten. Maar hierbij drijven ze dan op den krachtigen stroom hunner neigingen en slepen daarbij nog anderen mee. Dan wordt voor wilskracht en volharding aangezien, wat integendeel groote wilszwakte is. Zoowel bij zelfbeheersching als bij zelfbevrediging wordt vaak groote kracht ontwikkeld. Maar in 't eerste geval is het de sterkende kracht van een stalende tucht en in 't laatste de verterende woede van een laaiende drift. Daardoor werkt zelfbevrediging menigmaal verslappend. En juist op dit gebied geldt het, dat men liever ten halve keeren moet dan geheel te dwalen. Men kan er bijna zeker van zijn, dat we ons op den goeden weg bevinden, als er van ons iets geëischt wordt en we in de vervulling dier eischen, zij het met opoffering van menigen lust, onze zelfbevrediging vinden in gewetensrust.

Doch het was mijn bedoeling niet, dieper op dit onderwerp in te gaan. Ik wilde alleen, mijzelf en anderen er nog eens van doordringen, dat er in onzen tijd van stemmingen en sentimenten dringend behoefte is aan die geesteskracht, welke zich in volharding openbaart. In de school en in de geheele opvoeding kan zij aangekweekt worden, door de kleine en groote kinderen met blijde opwekking te nopen of met zachten dwang te noodzaken tot een telkens herhaalde krachtsinspanning, die kleine en groote moeilijkheden weet te boven te komen. Overhaasting is ook hier niet noodig. De overhaasting in onderwijs en opvoeding is al te vaak de dood voor rustige kracht. De haast van onzen tijd loopt uit op revolutiebouw, op flodderwerk. Ze werkt met rijgdraden, en meent daarmee te kunnen volstaan. Doch waar de opvoeding niet voor één seizoen, maar voor 't leven, voor de eeuwigheid arbeidt, daar behoeft zij zich niet door haast te doen bederven. Ouders, die hun kinderen waarachtig liefhebben, en onderwijzers, die hun leerlingen niet behoeven klaar te stoomen, kunnen de jeugd maar weinig meegeven, dat van blijvender waarde is voor verstandelijke en zedelijke ontwikkeling dan de kracht der Volharding.

Zij houdt aan den arbeid en is daardoor tevens een heilzame meesteresse der tucht. Alle begin is moeilijk, zegt een onzer twijfelachtige volksmeeningen. Soms is 't waar. Doch heel dikwijls is ook 't begin gemakkelijk en valt juist het volharden zwaar. Daarom lezen we zoo terecht: Alleen wie volhardt tot den einde toe, die zal zalig worden. En mocht Schiller schrijven: Nur Beharrung führt zum Ziel.

XVIII. „VREDE OP AARDE”.

O natuurlijk, nu smaalt de menigte: „Dat Kerstevangelie is onzin. Vrede op Aarde? Zie maar in 't rond. Oorlog en niets dan oorlog. De Englenzang in Bethlehems velden is een lieflijke waan. Twintig eeuwen lang hebben de kinderen der menschen het lied nagezongen, maar het bleef bij zingen. Juist de beide volken, die het Kerstfeest met zulk een zoete vroomheid vieren, hebben zich in onzen tijd het krachtigst gewapend. Waar is de „Weihnachtsbaum” meer algemeen geëerd dan in Duitschland? Iedere huiskamer ziet zijn vreedzame vlammetjes branden. Maar ieder huisgezin heeft thans zijn mannen naar 't oorlogsveld gezonden. Daar donderen de kanonnen dit jaar het antwoord op het lied uit de wolken. En welke natie stuurt haar „Christmaswishes” veelvuldiger de wereld in dan de Engelsche? Kerstwenschen? Ze worden door de „dreadnoughts” overgebracht en de heidenen uit Azië zullen ze, op Engelands kosten, wel in het christelijk Europa bezorgen. Vrede op Aarde? Schijn en huichelarij dat heele christendom, die heele leer der liefde. Geen englenzang daalt uit de wolken, maar bommen regenen uit den hemel neer, om wat er nog vreedzaam op de velden der aarde leeft te vernietigen. Vrede? Haat, wraak, oorlog, verwoesting op aarde! Dát is de waarheid. En niets anders.”

Zoo smaalt—en zoo dwaalt de menigte.

Ze dwaalt. Het Kerstevangelie is volkomen waarheid gebleken, ondanks al de woedende oorlogen, die sedert gevoerd zijn. En ook nu kan men zijn ongereptheid zelfs te midden van het kanongebulder zien. Er is vrede op aarde. Maar... „onder de menschen waarin God welbehagen heeft!” Zoo luidde ook het engelenlied. Daar is in dien stillen, in dien heiligen nacht niet gezongen, dat van nu aan de aarde vol vrede zou wezen, zoo min als later Jezus—tóch de Vredevorst!—van zichzelf getuigen zou, dat Hij allen strijd zou beëindigen.

„Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard,” sprak Hij, met goddelijke beslistheid, waaraan de latere tijden volle recht hebben gedaan. Maar hoewel Hij het zwaard bracht, mocht Hij toch vredevorst heeten en konden de engelen zijn geboorte aankondigen als het uur, waarin de Vrede op Aarde was neergedaald. Dat zou zijn leven bewaarheiden en dat hééft zijn leven bewaarheid.

Of was het in Zijn ziel niet vrede? Hij werd bespot, beschimpt, veracht, maar het verstoorde den vrede niet in zijn gemoed. Hij werd gescholden, belasterd, verdacht gemaakt, maar het kon de klare rust zijns harten niet vertroebelen. Hij werd geslagen, met doornen gekroond, gekruisigd, maar het deed geen oogenblik zijn vertrouwen in Gods vaderliefde wankelen. Hij bad voor zijn vijanden: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Was dit alles niet een onweerspreekbaar getuigenis, dat in zijn ziel de vrede woonde? Zijn leven scheen vernietigd, zijn streven vruchteloos, zijn arbeid ijdel—toch vrede. Onbegrepen door zijn leerlingen, in de uiterste ure zelfs door een zijner beste discipelen verloochend, door al zijn jongeren verlaten, eenzaam en veroordeeld achtergebleven—toch vrede. In dezen „Gezalfde des Heeren” was het in volle werkelijkheid: Vrede op Aarde. De englen hadden geen juister naam kunnen aankondigen.


Een onjuiste vertaling van het Lukasevangelie heeft ons langen tijd doen lezen en zingen: „Vrede op aarde! In de menschen een welbehagen!” Maar dat staat er niet in het oorspronkelijke Grieksch. De bekende Duitsche vertaling van Weissacher zegt: „Preis sei in der Höhe Gott, und auf Erden Friede unter Menschen des Wohlgefallens.” Dat is duidelijk genoeg, zoowel als de woorden van prof. Oort in onze Leidsche vertaling. Neen, zoo gemakkelijk gaat het niet. Wij zouden wel willen zondigen op duizenderlei wijze: vloeken, drinken, boeleeren, eergierig, geldgierig, heerschzuchtig zijn, het recht vertrappen, de armen vertreden, de ellendigen doen bezwijken en bij alles—vrede op aarde, opdat we vooral ongestoord onzen gang konden gaan. Maar hoe kan in vredesnaam—ja, in naam des Vredes!—God in zulke menschen een welbehagen hebben? Dat is immers onmogelijk? Hoe kan ooit een heilige Macht vrede hebben met zooveel onheiligs! Zeker: Vrede op Aarde. Maar... „onder die menschen waarin Hij welbehagen heeft!” Dat is dus onder de menschen, waarin de geest van Zijn heiligheid werkt. Doch overal elders krijg. Terecht. Zonde kan geen vrede baren.

Jezus was een mensch, waarin God welbehagen had. Vandaar in Hem vrede. En dien vrede kunnen we nog zien, zelfs in de loopgraven van 't slagveld en tusschen de fluitende kogels. Hoeveel martelaren hebben in vroeger eeuw, te midden der vlammen, van dien vrede getuigd! Het is zoo volmaakt onjuist van vrede te spreken, als er alleen maar geen kanonnen-oorlog is. Waar vijandschap is, wantrouwen, onafgebroken bewapening, daar is geen vrede, daar is het aanhoudend oorlog, met alleen kortere of langere wapenstilstanden. Vrede is een gemoedstoestand. Omringd door een paradijsrust kan het menschenhart onrustig zijn. Terwijl alles om hem heen vredig is, woelt er onvrede in zijn binnenste. En rondom kan dood en verderf woeden, de stad in puin geschoten worden, het huis boven zijn hoofd instorten, en toch de mensch vrede hebben. De vraag is alleen: Heeft God in u een welbehagen.

Heeft Hij? Onderzoek het door de vraag om te keeren: Hebt gij een welbehagen in God? Neen, laten we ons niet verschuilen achter kerkelijke termen. Wie in God gelooft, weet, dat Hij heilig is en rechtvaardig. Welnu, hebt gij de heiligheid lief, zoodat alle onheilige begeerten in u—ge kent ze wel—u een voortdurende smart zijn? Hebt gij de rechtvaardigheid lief, waaràchtig lief—niet met woorden—zoodat ge voor haar offers wilt brengen: uw maatschappelijke rust, uw fortuin, uw goeden naam bij de menschen, althans wat men zoo noemt. Hebt ge aldus God lief? Of wilt ge liever „Gods welbehagen” genieten in een leventje van liefdeloosheid, zelfstreeling; de heele wereld genieten en Gods zegen op den koop toe? Ons zelfbehagen en Gods welbehagen, die gaan nooit samen, tenzij ons „zelf” eerst de reinigingskuur der zelfverloochening heeft doorgemaakt.

Er is vrede op aarde. Maar of de aarde eenmaal vol vrede zal zijn? Niet, wanneer de ongerechtigheid toeneemt. Want „doordat de ongerechtigheid toeneemt, zal de liefde van velen verkoelen” en dus de haat aanwakkeren. Maar „wie volhardt tot het eind, die zal zalig worden.” Slechts hij die in eigen ziel vrede op aarde gevonden heeft, kan de vrede op aarde brengen.

Hoe?... Dat is de boodschap van den stillen, den heiligen nacht.

Kerstmis, 1914.