WeRead Powered by ReaderPub
Vier Voordrachten over Theosofie cover

Vier Voordrachten over Theosofie

Chapter 8: I
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of lectures outlines theosophical doctrine, beginning with a historical reading that traces common motifs across world religions and argues for a shared spiritual heritage. A subsequent lecture frames these teachings in a comparative, quasi-scientific light, emphasizing soul development and progressive unfoldment across lifetimes. The material then offers an esoteric interpretation of Christianity and a re‑examination of the life and significance of the Christ figure from theosophical premises. Concise notes and an appendix supply practical information about the movement and record responses to audience questions raised during the public addresses.

The Project Gutenberg eBook of Vier Voordrachten over Theosofie

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Vier Voordrachten over Theosofie

Author: Annie Besant

Release date: June 28, 2004 [eBook #12756]
Most recently updated: October 28, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by Miranda van de Heijning and Distributed Proofreaders
Europe, http://dp.rastko.net.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE ***

VIER VOORDRACHTEN OVER THEOSOFIE

DOOR ANNIE BESANT


GEHOUDEN IN VERSCHILLENDE PLAATSEN VAN NEDERLAND IN JANUARI 1898



Gebaseerd op de uitgave gepubliceerd in Amsterdam, 1898.


INHOUD.


1. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een geschiedkundig oogpunt

2. De Leeringen der Theosofie beschouwd uit een wetenschappelijk oogpunt

3. Esoterisch Christendom

4. Het verhaal van den Christus

5. Aanhangsel. Inlichtingen over de Theosofische Vereeniging


VOORWOORD.


De vier voordrachten over Theosofie welke hierbij het Nederlandsch publiek worden aangeboden zijn door Mevrouw Annie Besant, L.T.V., in verschillende steden van ons land gehouden in den loop van de maand Januari, 1898.

Een vijfde voordracht is, daar zij niet aansluit bij het aaneengeschakeld geheel van de vier in dit boekje vervatte, afzonderlijk uitgegeven onder den titel: Levenstoestanden na den dood.

In snelschrift opgeteekend is het gesprokene woordelijk weergegeven; slechts in de voordracht over Esoterisch Christendom zijn enkele toespelingen op Bijbelplaatsen uitgelaten waar die alleen van toepassing waren op de Engelsche vertaling van den Bijbel (Mevrouw Besant sprak in het Engelsch) en niet op de van deze afwijkende Nederlandsche; die uitlatingen zijn alle van ondergeschikt belang.

Aangehaalde werken of Bijbelplaatsen zijn in een noot aan den voet van de bladzijde aangeduid.

Waar "goddelijk weten" staat werd door de spreekster "divine wisdom" gezegd.

De voordracht "Het verhaal van den Christus" werd gericht tot een uitsluitend uit leden der Theosofische Vereeniging bestaand gehoor. De vragen naar aanleiding van deze voordracht gedaan worden met de daarop door Mevrouw Besant gegeven antwoorden opgenomen in het Maandblad "Theosophia".

Enkele beknopte inlichtingen aangaande de Theosofische Vereeniging zijn ter wille van belangstellenden in een Aanhangsel aan dit werkje toegevoegd.

J.J. HALLO JR.

HAARLEM, l Maart 1898.



De Theosofie en haar leeringen.

I


Er is een moeilijkheid, die gij en ik hedenavond te overwinnen hebben: een vreemde taal is tusschen ons en zelfs voor hen die de taal kennen, waarin ik spreek, is het moeilijk het ongewone geluid te volgen. Moeilijk ook is het voor mij als spreekster, want de taal is voor een spreker het instrument, dat hij bespeelt. Door de taal bereikt hij de harten en hoofden zijner hoorders, en indien het instrument ongewoon voor hen is, wordt de kracht van den spreker verzwakt en vermindert de mogelijkheid dat hij de gedachten en gevoelens zijner hoorders bereikt. Toch moeten wij hedenavond met die ongewone taal doen wat wij kunnen, en terwijl ik spreek zoo helder en eenvoudig als mogelijk is, en gij uwe aandacht leent zullen wij samen trachten onze moeilijkheid te overwinnen en het onderwerp begrijpelijk te maken.

Ik ga tot u spreken over de Theosofie en hare leeringen, en daar ik morgen te Haarlem over het zelfde onderwerp zal spreken, splits ik het in twee deelen, hoewel ik ieder deel als een afzonderlijke voordracht volledig zal maken. Ik zal hedenavond en morgen een verschillenden gedachtegang volgen, voor het geval dat sommigen uwer beide voordrachten mochten willen hooren.

Diegenen onder u, die gedurende de laatste twintig jaren den ontwikkelingsgang van het denken in Europa hebben gevolgd, weten dat er één bijzondere richting van studie is, welke veel wordt gebruikt als een wapen tegen den godsdienst: de studie van Oostersche talen en Oostersche godsdiensten. De heilige boeken der Chineezen, der Hindoe's, der oude Egyptenaren zijn bestudeerd door geleerden uit de verschillende landen van Europa en bij het onderzoeken dezer godsdiensten hebben zij gezien hoeveel die allen op elkander gelijken. Zij hebben bemerkt, toen zij de verschillende Schriften der Chineezen, der Perzen, der Egyptenaren ter hand namen, dat deze alle dezelfde leering gaven: zij spreken omtrent God op volkomen dezelfde wijze, zij spreken van God als Één, het Éne Bestaan, zij spreken van God als immer geopenbaard in drieëenheid, in drievoudig aanzicht, terwijl iedere persoon in die drieëenheid zijn eigen hoedanigheden heeft; en men zag dat al deze Schriften op dezelfde wijze spreken omtrent den mensch en zijnen aard; zij leeren dat de ziel des menschen onsterfelijk is, dat zijn aard samengesteld is, en bestudeerd moet worden om te kunnen worden begrepen; men zag dat in al deze Schriften der menschen ontwikkeling wordt geleerd, de ontwikkeling der ziel, welke de openbaring van den geest is in den mensch. Men zag dat al deze Schriften leeren dat enkele menschen hunne ontwikkeling hebbon voleindigd, hunnen groei als geestelijke wezens hebben voltooid, en volmaakt zijn geworden als mensch, goddelijk in hunne hoedanigheden, in hunne vermogens van hoofd en van hart; en in al deze Schriften vond men geleeraard dat de menschen van heden kunnen groeien, gelijk die menschen uit het verleden zijn gegroeid, dat zij ook volmaakt kunnen worden en goddelijk, dat zij zich ook kunnen ontvouwen, stap na stap, leven na leven, zoodat ieder, hoe onontwikkeld ook, kan ontwikkelen tot den volmaakten, goddelijken mensch. Al deze dingen worden geleerd in alle Schriften der verschillende volkeren, en toen deze vertaald waren in verschillende Europeesche talen, begreep men dat de wereld-godsdiensten veel gemeen hebben en dat de meeste leerstellingen van een godsdienst zooals het Christendom, ook gevonden worden in het Hindoeïsme, het Boeddhisme, de leeringen van Confucius en Lao-tse. Zij hebben alle zooveel gemeen, dat wij niet één godsdienst van de andere kunnen afscheiden. Toen deze ontdekking door de geleerden werd gedaan, toen deze boeken waren vertaald in verschillende talen en de menschen ze begonnen te lezen en er over te spreken, was het eerste besluit, waartoe velen kwamen, dat alle godsdiensten als zij in den grond hetzelfde waren, één oorsprong moesten hebben, en dat zij geen goddelijke openbaring konden zijn, maar dat een andere bron moest worden gevonden, waaruit de verschillende godsdiensten waren gevloeid. Vele geleerden nu, die den godsdienst niet goed gezind waren, trachtten hunne ontdekkingen te gebruiken om allen godsdienst te vernietigen en zeiden: Zij zijn alle voortgekomen uit de menschelijke onwetendheid, uit de wijze waarop de mensen de natuur beschouwt: hij heeft de natuur verpersoonlijkt en er wezens in gezien; en daar die wezens machtiger waren dan hij, aanbad hij ze: Daar de wind zijne bouwwerken dikwijls vernietigde, daar hij den zon niet beheerschen kon, hoewel zijn leven en gemak van hem afhing, daar de regen niet kwam op zijn bevel, hoewel hij zonder regen niet leven kon, noch zijn oogst groeien, moest de mensch in zijn onwetendheid denken dat al deze dingen goddelijke krachten, goden waren; en hij aanbad ze om zoo de voordeelen te verkrijgen, die zij konden geven. En die geleerden zeiden dat zóó alle godsdienst was opgegroeid, dat hij steeds zijnen oorsprong vond in Fetisch-dienst of animisme, en dat de godsdienst geen hoogeren grondslag had dan de menschelijke onwetendheid. Deze bewijsgrond tegen de waarde van den godsdienst heeft veel kwaad gesticht, want hij scheen te berusten op feiten. Het was waar dat alle godsdiensten hetzelfde leeren, dat zij alle dezelfde denkbeelden verkondigen, het was waar dat de groote leeraars allen hetzelfde zeiden, de een na den ander. De feiten, welke die geleerden aanhaalden, waren waar maar hun gevolgtrekkingen waren verkeerd. In het eerst begrepen de menschen het onderscheid niet tusschen deze beide dingen en dachten dat alle godsdiensten zouden worden vernietigd door hun onderlinge overeenkomst.

Toen kwam de Theosofie. Zij beschouwde de gelijkheid der verschillende godsdiensten van een ander standpunt en zeide: ja, het is waar dat de leerstellingen van alle godsdiensten dezelfde zijn, dit is een feit dat door niemand, die de geschiedenis heeft bestudeerd, kan worden ontkend. Wij zullen als voorbeeld een van de heilige boeken der Chineezen nemen, het "Klassieke Boek van de Reinheid," [Footnote: Ook in het Nederlandsch vertaald, in het Maandblad "Theosophia". Deel 5 (1897) blz. 206.] een wonderbaar boekje van enkele bladzijden, vol wijsheid, vol diepe geestelijke leering, dat ons verklaart hoe God zich in den mensch geopenbaard heeft, hoe de aard des menschen drievoudig is als die van God, hoe des menschen geest dezelfde is als de goddelijke geest, hoe echter het menschelijk verstand troebel is door begeerten, die tusschen zijn verstand en de zuiverheid van den goddelijken geest in hem staan, hoe de hartstochten van zijn lichaam zijn vooruitgang tegenhouden, en hoe slechts wanneer zijn lichaam en zijn verstand tot stilte zijn gekomen, de wijsheid van den goddelijken geest kan nederdalen in den mensch. De leeringen van dit kleine Chineesche boekje, een der oudste geschriften die wij kennen, is even zuiver, geestelijk en waar als het beste wat wij bezitten.

Van de Chineezen overgaande tot de Indiërs vinden wij bij hen dezelfde leeringen en wanneer wij in Egypte de mummies opgraven en de banden loswikkelen waarin zij 10 à 20.000 jaar geleden werden gehuld, vinden wij geschriften die ons de bewijzen leveren dat ook in het oude Egypte dezelfde leeringen werden gegeven omtrent de onsterfelijkheid van de menschelijke ziel, omtrent de wijze waarop zij gaat door leven na leven, omtrent de lagere wereld waarin zij komt na den dood van het lichaam en de hemel-wereld waarin zij vertoeft na gezuiverd te zijn op lagere gebieden, omtrent haren daarop volgenden terugkeer naar de aarde waar zij wederom wijsheid opdoet door ondervinding.

Ja, zegt de Theosofie, bij alle volkeren vinden wij dezelfde leeringen, steeds weer door de groote leeraars herhaald. Alle godsdienst heeft slechts één oorsprong, slechts ééne bron, en die bron is het goddelijk weten; niet de menschelijke onwetendheid, zooals vele geleerden dachten maar het goddelijk weten, dat telkens werd uitgestort over de volkeren, en dat steeds door volmaakte menschen van God tot de menschheid gebracht is. Dit goddelijk weten bevat in zich de kennis van al wat is, en een gedeelte ervan wordt van tijd tot tijd aan de menschheid geschonken. De hoeveelheid die gegeven wordt hangt af van de beschaving van het volk, hangt af van de kennis die reeds verspreid is onder de menschen, hangt af van den aard dergenen die deze kennis bezitten en van de kracht van hun pogen. In overeenstemming met al deze dingen verschilt steeds de wijze, waarop dat weten gegeven wordt, maar in den grond is het toch altijd hetzelfde: altijd leert het één goddelijk Bestaan, dat zich openbaart als drieëenheid, altijd leert het dat de mensch drievoudig is in zijn wezen gelijk God, en dat hij nog verder kan worden onderverdeeld, drievoudig in zijnen oorsprong, zevenvoudig in zijne ontwikkeling; altijd leert het dat de mensch onsterfelijk is, dat hij niet zal vergaan, altijd leert het dat hij ontwikkelt en groeit, leven na leven, en dat enkele menschen de volmaking bereikten en dan leeraars zijn geworden van het ras. Deze volmaakte menschen waren eens gelijk aan ons zelven, zwak en zondig en onvolmaakt gelijk de mannen en vrouwen van thans, maar zij ontwikkelden gelijk wij kunnen ontwikkelen en groeiden en werden sterk en bereikten eindelijk de volmaking, gelijk wij de volmaking kunnen bereiken. En toen zij volmaakt waren, begonnen zij hunnen medemenschen te leeren, en vormden een groote Broederschap van leeraars; en van tijd tot tijd kwam een van hen tot de menschen, opdat aan ieder volk een godsdienst kon worden gegeven, opdat ieder ras, ieder volk een godsdienst zou ontvangen, geschikt om het te helpen en te leeren. En de reden waarom deze leeringen altijd dezelfde zijn, is dat zij altijd komen van denzelfden oorsprong. Deze Broederschap heeft bestaan, langen, langen tijd reeds voordat de beschaving van Europa ontstond, voordat zelfs Indië zijn beschaving ontving. Daar, waar thans de wateren van den Atlantischen Oceaan zich vergaren, was eens een groot vastland, dat begon waar thans Afrika zich bevindt, en eindigde op de plaats van het tegenwoordig Amerika. Op dit vastland had zich een hooge beschaving ontwikkeld. Sporen van die beschaving worden nog gevonden in Mexico en Midden-Amerika. Bij daar gedane opgravingen zijn overblijfsels van zeer oude steden ontdekt en daar zijn hieroglyphen en beelden aangetroffen, gelijkende op die welke men in Egypte gevonden heeft, zoodat in Afrika aan de eene zijde en in Amerika aan den anderen kant hetzelfde schrift en beeldhouwwerk is ontdekt. Dit toont ons dat er tusschen deze beide werelddeelen, thans gescheiden door een grooten oceaan, eens gemeenschap is geweest. In Plato scholen, waar hetzelfde goddelijk weten werd geleerd, dezelfde leeringen werden verspreid, zoodat de Grieksche beschaving werd opgebouwd op denzelfden goddelijken grondslag. In Griekenland droegen deze leeringen het eerst den naam Theosofie, wat niets anders is dan het Grieksche woord voor goddelijk weten. De Grieken nu gaven dit weten niet slechts in den vorm van godsdienst, maar ook van wijsbegeerte en wetenschap, juist zooals in vroeger dagen gedaan werd in Babylon, Indië en China, en de wijsbegeerte van Plato, zooals die op de scholen wordt onderwezen, berust op het goddelijk weten. Wanneer Plato ons spreekt van denkbeelden en van den Logos, wanneer hij ons zegt dat de wereld in de gedachte van den Logos bestond, voordat zij zich voordeed als een stoffelijke verschijning, wanneer hij ons spreekt van denkbeelden die, bestaande in den goddelijken geest, één voor één worden uitgestort om de stoffelijke wereld op te bouwen, dan leert Plato ons het goddelijk weten; en wanneer gij de leeringen van Pythagoras bestudeert en van hem leert dat de geheele wereld op getallen berust, wanneer gij van hem leert dat de geheele wereld volgens meetkundige vormen en figuren is samengesteld, dat alle steenen en kristallen en planten en dieren zijn gebouwd naar den grondslag van getal, vorm en kleur, dan leert gij dat oude goddelijk weten, dat hij geleerd heeft in Indie, en dat hij naar Europa heeft overgebracht. Evenzoo is het met de wiskunde. Als gij de wiskunde leert van Pythagoras en Euclides, leert gij steeds het goddelijk weten, maar in den lateren tijd is de wiskunde eng en bekrompen gemaakt en volstrekt niet begrepen in al haar wonderbare diepte en wijsheid; het goddelijk aanzicht ervan is verdwenen en slechts de vorm, de gedaante wordt gegeven als de wiskunde, terwijl de werkelijke wiskunde die de Grieken onderwezen, een aanzicht van het goddelijk weten was; hun leerde hoe de wereld gemaakt is en hoe de gang is der ontwikkeling, hoe de mensch langzamerhand wordt opgebouwd, hoe steenen en planten en dieren zijn gemaakt naar getal en naar vorm; hun een begrip gaf van de ontwikkelingsgeschiedenis der wereld. In den laatsten tijd begint de wetenschap bij hare natuurstudie de wetten weer te ontdekken, die het goddelijk weten onder de Grieken en Indiërs leerde in wijsbegeerte en wetenschap. En diegenen van u, die natuurkunde, scheikunde en plantkunde bestudeeren, weten wel dat deze wetenschappen de wet leeren van getal, van vorm en van trilling; dat alle dingen door trilling worden opgebouwd, dat alle krachten door trilling hun werking voortplanten, en dat het aantal dezer trillingen in de sekonde den aard der kracht en haar werking bepaalt. De wetenschap heeft ontdekt, dat ieder geluid trilling is, en het aanzijn geeft aan een bijzonderen vorm, dat iedere noot overeenstemt met een vorm en een kleur, en naarmate wij deze trillingen en vormen en kleuren doorgronden, beginnen wij een begrip te krijgen, hoe de natuur haar opbouwend werk verricht. Uitgaande van de stoffelijke wereld, begint de nieuwere wetenschap de wetten te ontdekken, die het goddelijk weten duizende jaren geleden leerde, terwijl het uitging van de hoogere wereld in plaats van uit de lagere, want het goddelijk weten daalt steeds van gedachte neder tot vorm, klimt niet op van vorm tot gedachte, terwijl de nieuwere wetenschap steeds begint met den uiterlijken vorm, en vandaar zich opwerkt tot de gedachte.

Het goddelijk weten dan gaf in die oude dagen evengoed wijsbegeerte en wetenschap, als godsdienst. Het leerde den menschen niet slechts hoe de ziel kon worden ontwikkeld, maar ook de verborgenheden der wereld om hen heen, en de verborgenheden van het verstand, van de rede, van het begripsvermogen in den mensch.

Gedurende alle eeuwen bleef dat weten bewaard, totdat vier of vijf eeuwen na Christus een groote verandering kwam in het Westen. Er ontstonden in de Christelijke kerk twee partijen. De eene partij was die der ontwikkelde en wijze Christenen, die de oude leeringen hoog hielden en het goddelijk weten doorgrondden, de tweede was die der onwetenden, de groote menigte der onontwikkelden, die tot het Christendom waren aangetrokken door de zedelijke leeringen, maar van zijn hoogere wijsheid niets begrepen. Zij gevoelden wrok tegen datgene, wat zij niet konden deelen, en haatten alle wijsheid, die zij niet konden begrijpen; en zij vormden eene groote partij in de kerk en waren gekant tegen kennis en wijsheid en wijsbegeerte. Zij beweerden dat deze niets met godsdienst te maken hadden, dat zij niet tot het Christendom behoorden, en dat slechts de zedelijke leering en datgene wat gemakkelijk te begrijpen was, van belang was voor de menschelijke ziel. En daar er toen evenals nu veel meer onwetenden waren dan wijzen, en de onwetenden bovendien gesteund werden door den val van het Romeinsche rijk, door oorlogen en invallen, door de staatkundige moeilijkheden van den tijd en de ontevredenheid van de groote menigte der armen, wier lot schromelijk was verwaarloosd, spanden al deze dingen samen tegen de kennis en voor de onwetendheid, zoodat de kennis uit het Christendom verloren ging en slechts de zedelijke en geestelijke leering bleef. Hiertoe werkte nog een andere oorzaak mede: in alle oude godsdiensten, en in het Christendom even goed als in alle andere, bestonden twee soorten van leeringen. De eene voor de groote menigte, eenvoudig en helder, omvatte slechts de zedelijke voorschriften, welke den menschen leerden een goed leven te leiden, een zeer eenvoudig verstandelijk onderricht, juist genoeg om de zeer onontwikkelden voort te helpen; dit onderricht omvatte de leer der broederschap en die der wedergeboorte, en de wet welke zegt dat des menschen daden hem zijn geluk of ongeluk brengen. Deze wet welke wij de wet van Karma noemen, werd geleerd opdat de menschen zouden inzien, dat een goed leven, hier op aarde geleid, hun geluk zou brengen na den dood en een beter leven, wanneer zij tot de aarde zouden zijn weergekeerd. Deze dingen werden aan allen geleerd; maar meerdere kennis werd toevertrouwd aan hen, wier leven zuiver was, aan hen, die het meest van de openbare leeringen hadden begrepen, die werkelijk aan de wet van Christus gehoorzaamden, en die in hun uiterlijk leven een hoogen graad van reinheid hadden bereikt. Zij werden toegelaten tot wat wij de mysteriën van Jezus noemen en kregen daar de innerlijke leering, welke slechts zij die een rein leven leidden, konden deelachtig worden. Deze innerlijke kring maakte de kracht der kerk uit: uit dezen kring kwamen de leeraars en bisschoppen en de kerkvaders, uit dezen kring kwamen de menschen, die het Christendom prediken mochten, zoodat de kerk een groep van wijze menschen bezat, onderricht in diepere kennis, en door die kennis in staat om zelf als leeraars op te treden, beter dan zij die hunne kennis slechts uit boeken hadden verkregen. Want dit geheime onderricht was steeds praktisch. Het leerde den menschen hoe zij hun bewustzijn konden ontwikkelen, hoe zij door overpeinzing langzamerhand bewust konden worden op hoogere gebieden van bestaan, hoe het leven der ziel kan worden versterkt en ontwikkeld, hoe de ziel het lichaam kan verlaten en in aanraking komen met de onzichtbare wereld. Het leerde hoe de ziel, na het lichaam verlaten te hebben, wijsheid kon opdoen en kennis verkrijgen van de onzichtbare wereld, hoe de ziel leering kan ontvangen van de engelen en geestelijke verstandswezens en zoo kennis verkrijgen die zij op geenerlei andere wijze kan verkrijgen, hoe de ziel, van het lichaam bevrijd, de toestanden kan onderzoeken van het leven na den dood. Ieder die tot dezen innerlijken kring behoorde, verkreeg aldus kennis uit eigen ondervinding, in plaats van uit den mond van andere menschen: in deze scholen verkregen de onderzoekers eerste-hands kennis omtrent de onzichtbare wereld; zij leerden den aard van den mensen begrijpen door eigen onderzoek, in plaats van af te hangen van de mededeelingen van anderen. Daardoor waren zij veel beter in staat onderricht te geven, dan zij die hun kennis slechts uit boeken hadden verkregen.

Het gevolg van het bestaan van deze scholen in de kerk was dus dat er vele menschen waren die deze geheime wetenschap bezaten, en zij werden, zooals ik reeds zeide, de leeraars van het Christendom. In de vijfde eeuw echter verdwenen deze scholen van Occultisme uit de kerk, niet uit gebrek aan leeraars maar uit gebrek aan leerlingen. Een fout die door vele menschen wordt begaan, is dat zij denken dat de leeraars de kennis terughouden. In werkelijkheid zijn het niet de leeraars, die de kennis niet willen mededeelen, maar de leerlingen, die ze niet willen leeren, leeren op de eenige wijze waarop hierbij leeren mogelijk is, en deze scholen van Occultisme stierven uit bij gebrek aan leerlingen, want er waren niet genoeg menschen die het leven wilden leiden dat vereischt wordt voor leerlingen van het Occultisme; zij wilden dit leven niet leiden, maar slechts kennis verwerven voor zelfzuchtige doeleinden, en toonden dat zij voor dit onderricht nog niet gereed waren. Zoo verdween langzamerhand de innerlijke school en slechts een zwakke overlevering van haar bestaan bleef bewaard in sommige kloosters der Roomsch-Katholieke kerk. Slechts nu en dan verscheen in de middeleeuwen nog een heilige die door de krachten welke hij bezat, bewees dat hij iets van deze wijsheid verkregen had. Sommigen van deze heiligen vinden wij in de geschiedenis der kerk vermeld; waarlijk groote, hoog-ontwikkelde zielen, die wisten omtrent de onzichtbare wereld, en op de oude wijze onderricht geven konden, omdat zij wisten en kenden. Nu en dan zien wij een van hen verschijnen, doch hun aantal is gering: St. Elisabeth van Hongarije, St. Theresia van Spanje, Thomas à Kempis, de geleerde Thomas Aqumo, deze allen zijn de groote leeraars der kerk gedurende de middeleeuwen; zij bezaten en begrepen het goddelijk weten, dat zij zelf door ondervinding hadden geleerd. Dan waren er nog andere menschen die een deel van deze wijsheid bezaten, maar ze niet in de Christelijke kerk hadden verkregen. Sommigen van hen kwamen uit het Oosten en anderen reisden als jonge menschen daarheen, en kwamen met de verkregen kennis naar het Westen terug. Tot deze laatsten behoorde Paracelsus. In zijne jeugd werd hij gevangen genomen en naar het Oosten gevoerd. Daar leerde hij vele der geheimen van de oude wijsheid en bracht ze met zich mede naar Europa, waar hij de grondlegger werd van de nieuwere geneeskunde en scheikunde, waar hij leering bracht over de elementen der scheikunde en over het magnetisme, die vóór hem aan niemand bekend was geweest, en waar hij zieken genas, die geen ander genezen kon. Hij bezat een deel der oude wijsheid. Een ander van deze menschen was Christian Rosenkreuz, die in de vijftiende eeuw leefde. In zijn jeugd reisde hij naar het Oosten en ontmoette daar een der groote leeraars, die hem iets mededeelde van het oude geheime weten, om dit terug te brengen aan de Christelijke kerk en om deze te ontwikkelen tot een meer geestelijk lichaam. Hij koos enkelen tot zijne leerlingen en leerde hun dit innerlijk Christendom, en stichtte de orde der Rozenkruisers. Zijn werk was een der pogingen om het oude weten in de westersche wereld terug te brengen. Een andere poging was die der alchimisten. Zij putten hunne wetenschap uit dat oude weten. Zij wisten dat er slechts één grondstof in de natuur bestaat en dat alle dingen uit die ééne grondstof zijn opgebouwd. Zij wisten dat de scheikunde een wetenschap is, die de eigenschappen van die ééne grondstof in al hare wijzigingen onderzoeken kan, en zij bestudeerden die wetenschap in het licht der goddelijke wijsheid. Maar de menschen vervolgden hen en lachten hen uit en noemden hen oplichters en kwakzalvers en bedriegers, doch in den tegenwoordigen tijd begint de nieuwere scheikunde tot de ontdekking te komen van wat hun in de middeleeuwen bekend was. Tegenwoordig begint de scheikunde enkele der waarheden in te zien, die door de alchimisten werden verkondigd toen iedereen hen nog uitlachte, toan niemand hen geloofde. Heden begint men te begrijpen dat er slechts ééne grondstof is, en dat alle dingen van die ééne grondstof gemaakt zijn en men begint zelfs weer te spreken van de mogelijkheid goud te maken uit zilver en zoo in den tegenwoordigen tijd dezelfde dingen te doen, waarvoor vroeger de alchimisten werden uitgelachen en vervolgd,—nu drie of vierhonderd jaar geleden.

Wanneer gij nu de geschiedenis bestudeert zult gij begrijpen dat de Theosofie in den eenen of anderen vorm steeds in de wereld is blijven bestaan als godsdienst, als wijsbegeerte of als wetenschap.

Zij is altijd verkondigd, geleerd in een vorm welke de behoeften van den tijd en de omstandigheden van het volk, waaraan de leeraar gezonden werd, medebrachten, zoodat Mevrouw H.P. Blavatsky toen zij weer het oude weten aan de wereld leeraarde niets nieuws gaf. Het was slechts een nieuwe vorm, een nieuw uiterlijk, maar innerlijk was het hetzelfde wat er altijd geweest was, hetzelfde weten in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Toen zij begon hare leering te geven, gaf zij eerst den wijsgeerigen kant, leerde zij iets van den aard van het verstand, van de rede, en van den aard van den mensch en van het goddelijk Bestaan, de werkelijke wijsbegeerte die aan alle kennis ten grondslag ligt. Daarna ging zij wat verder en leerde iets van de betrekking tusschen God en den mensch, hoe de mensch een uitstorting is van God, een deel van het goddelijk leven, hoe hij de goddelijke krachten in zich ontwikkelen kan, hoe de menschelijke ziel zich kan ontplooien; en zij leerde weer wat vroeger in de Christelijke kerk werd geleerd, hoe de ziel het lichaam verlaten kan en in aanraking komen met groote geestelijke verstandswezens en met de Meesters, hoe de ziel wijsheid verkrijgen kan en kennis opdoen uit de eerste hand; en hoe aldus de mensch kan komen tot weten in plaats van gelooven. Toen zij dit alles leerde, gaf zij ons slechts weer wat reeds zoo dikwijls geleerd was in de groote godsdiensten van het verleden. Daarna nam zij den wetenschappelijken kant en leerde ons meer dan de mannen van de wetenschap van dien tijd wisten, en zeide zij ons welke ontdekkingen waarschijnlijk binnen weinige jaren zouden worden gedaan; en vele van deze ontdekkingen zijn inderdaad gedaan sedert haren dood. En zij gaf ons onderricht omtrent de ééne grondstof, die alle verschillende stoffen tot haar uiterlijke verschijningsvormen heeft. In haar werk "De geheime Leer" sprak zij van een eigenschap der stof, welke weldra ontdekt zou worden, welke zij doordringbaarheid noemde, en welke in verband staat met helderziendheid. Vijf jaar na haren dood ontdekte de wetenschap dat er stralen zijn, trillingen in de stof, welke in verband staan met helderziendheid en welke de mcnschen in staat stellen te zien wat de helderziende kan zien zonder werktuigen en hulpmiddelen: namelijk de zoogenaamde Röntgen-stralen, waarmede de geneesheeren bijvoorbeeld een been, als zij willen onderzoeken of het beschadigd is, kunnen fotografeeren ofschoon het voor het gewone oog onzichtbaar is. Dit alles, leerde H.P.B., is ook mogelijk zonder behulp van elektrische werktuigen. De mensch kan in zichzelf het vermogen ontwikkelen, gevoelig te zijn voor de trillingen van Röntgen-stralen en zelf binnen in het menschelijk lichaam te zien zonder hulp van eenig werktuig. Dit alles en veel meer nog aangaande de kennis van straling, van geluid en kleur leerde zij ons. Zij heeft ons bewezen dat de oude wijsheid beter licht kan werpen op de waarheden der nieuwere wetenschap, dan die wetenschap zelf kan doen, en dat deze laatste eerst langzamerhand datgene ontdekt wat door ben die het oude weten bezaten, reeds lang geleden geleerd werd aan degenen die zich het ontvangen van dit onderricht waardig betoonden. Zoo bracht H.P. Blavatsky ons dit weten terug als iets ouds, dat de wereld vergeten had, en zij zeide haren leerlingen dat zij dit weten verder moesten verspreiden, niet als iets nieuws maar als iets ouds, niet als een nieuwe ontdekking maar als overoud weten, door de menschen vergeten, en thans tot hunne herinnering teruggebracht. En naarmate wij zelven leerden, onderrichtten wij op onze beurt anderen, en wij bevonden dat dit goddelijk weten de wortel is waaruit alle kennis spruit, welke de mensch verkrijgen kan in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Wij bevonden dat wij zonder de werktuigen en hulpmiddelen der wetenschap hare feiten kunnen ontdekken door het ontwikkelen van de vermogens der ziel. Wij bevonden bijvoorbeeld dat vele scheikundige waarheden door de goddelijke krachten der ziel veel gemakkelijker kunnen worden verkregen dan door reagentiën en proefnemingen van allerlei aard. Wij bevonden dat de mensch in zich het vermogen heeft de natuur te onderzoeken en dat hij veel meer kan verkrijgen door het ontwikkelen zijner innerlijke krachten dan door het gebruiken van de hulpmiddelen der wetenschap. Maar tevens weten wij dit: de vermogens der menschelijke ziel zijn niet bestemd tot het doen van ontdekkingen, welke zouden dienen om den ontdekke beroemd te maken en rijk. Zal de kracht der menschelijke ziel worden gebruikt tot het doen van ontdekkingen, dan moeten deze slechts worden gebruikt voor het welzijn der menschheid, en niet ten voordeele van den éénen persoon, die de ontdekking doet. Iedere ontdekking, gedaan met behulp van deze krachten der ziel, behoort, indien ze de menschheid kan helpen, indien het ras er rijp voor is, aan allen gelijkelijk. Is het ras er nog niet rijp voor, dan behoort zij toe aan allen, die haar kunnen bevatten, niet aan den éénen mensch, die haar gemaakt heeft. Deze is slechts een pandhouder van de eigendommen der menschheid. Naarmate de Occultist zich ontwikkelt en meer leert en begrijpt wordt hij meer en meer een dienaar der menschheid in plaats van haar meester. Alle kracht welke hij verkrijgt wordt gebruikt voor dienen en helpen, alle kennis welke hij bezit, wordt gebruikt om de onwetendheid zijner medemenschen te verminderen en den gang der menschelijke ontwikkeling te versnellen. Wanneer de menschen tot ons komen om met ons te studeeren, eerst de uiterlijke leering en dan de innerlijke, dan zeggen wij hun steeds: Gij moet de broederschap der menschen aannemen; gij moet begrijpen dat gij een lid zijt van een groot huisgezin, dat gij geen belangen hebt buiten die van dat huisgezin, dat gij geen bezittingen hebt buiten die van dat huisgezin, dat gij geenerlei hoop moet voeden voor u zelf, die niet tevens hoop is voor al uwe medemenschen, en wanneer gij wat ouder zult zijn en iets meer zult hebben geleerd, en meer zult kunnen doen, dan is dat opdat gij hen beter zult kunnen helpen en medevoeren tot sneller ontwikkeling, opdat zij sneller mogen worden bevrijd van de ellenden der aarde en spoediger dan anders den vrede en het geluk mogen bereiken. Naarmate iemand werkelijk Theosoof wordt, moet hij meer en meer onzelfzuchtig worden; hoe meer hij leert, des te meer moet hij anderen dienen, hoe grooter kracht hij bezit, des te grooter verantwoordelijkheid rust op hem om de lasten zijner medemenschen te verlichten. Het Occultisme brengt juist het tegengestelde van wat de wereld welslagen noemt. De wereld kent hèm welslagen toe, die rijkdom en welvaart verwerft voor zichzelf, die uitsteekt boven zijne medemenschen en zijne macht gebruikt dat de menschheid hem diene. Hij die slaagt in het verkrijgen van goddelijke wijsheid en kennis en kracht, bezit deze slechts in de mate, waarin hij een dienaar en helper is zijner medemenschen. Hij gebruikt ze nooit om over anderen te heerschen, nooit om iets te verwerven voor zichzelf, nooit om zichzelf te verrijken ten koste van een ander, en gebruik te maken van hunne onwetendheid. Hoe meer hij weet des te meer moet hij anderen leeren, hoe meer hij begrijpt des te meer moet hij deelen met anderen, hoe sterker hij wordt des te grooter aantal zwakkeren moet hij trachten te helpen, want de kracht van het Occultisme, van het goddelijk weten kan nooit dienen om den bezitter te doen uitsteken boven zijne medemenschen: alleen om hen op te heffen tot eigene hoogte, slechts om hen te doen deelen in eigene kracht. Dat is het kernverschil tusschen de kennis der wereld en die van het goddelijk weten. De eerste maakt den mensch tot heerscher, de andere tot dienaar. Daarom zeide Jezus: "Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar." [Footnote: Marcus 9, 35.] Waarlijk groot zijn zij, die zichzelf geheel aan de menschheid gegeven hebben.

Het voorgaande is een schets van de geschiedenis der Theosofie in het verleden, van de geschiedenis van het goddelijk weten in godsdienst, wijsbegeerte en wetenschap. Ik heb medegedeeld hoe die wijsheid steeds trachtte der wereld leering te schenken, en hoe zij twee vormen van onderwijs deed ontstaan: het openbare voor allen, het bijzondere voor hen die zichzelf wilden opofferen, ten bate en nutte van den vooruitgang van het ras.

Wat vroeger gedaan werd, is nog altijd mogelijk. In de uiterlijke Theosofische Vereeniging komen de menschen om de wetten, volgens welke de menschheid zich ontwikkelt, te bestudeeren. Wanneer zij deze wetten hebben geleerd en trachten hun leven voor anderen nuttig te maken, komt het innerlijk onderricht, dat hun geeft wat aan de menigte niet gegeven kan worden. Deze twee vormen bestaan nog heden als in het verleden, en de Theosofische Vereeniging is een vereeniging van onderzoekers, waartoe een ieder kan toetreden, die godsdienst en wijsbegeerte en wetenschap wil bestudeeren in de richting van het goddelijk weten en daarbinnen een groep van leerlingen, die alle dingen opgeven welke de wereld hoog stelt en streven naar hooger ontwikkeling, teneinde helpers te worden voor de menschen rondom hen, teneinde met dat doel de vermogens hunner ziel te ontplooien. Dat is ons werk, onze plicht. Zij, die zich tot dit werk voelen aangetrokken, kunnen in de Loges onzer vereeniging komen om onderricht; wie zich de innerlijke leering waardig toont, kan een leerling worden in den dieperen zin van het woord, om een medewerker te worden voor den vooruitgang van het ras. Herinner u echter steeds dat het goddelijk weten niets anders heeft aan te bieden dan Zich en met zichzelf de kracht anderen te helpen, de menschheid te dienen. Het biedt geen belooning in rijkdom, in gewone macht of kennis, maar dien innerlijken schat, die den mensch in staat stelt een zegen te worden voor zijn broeders, een mededrager van de lasten der wereld; en tot diegenen onder u wien het ernst is met dit streven, tot hen wendt zich de Theosofische Vereeniging en biedt hun het oud, goddelijk weten, waardoor zij helpers kunnen worden der wereld. Tot dit doel zenden de Meesters hun boden onder de menschen. Ieder, die ernstig wil, wordt de gelegenheid tot leeren gegeven.


Theosofie en haar leeringen.


II.


Toen ik gisterenavond te Rotterdam sprak over de Theosofie en haar leeringen, heb ik voor zoover dat in een korte voordracht mogelijk was, de geschiedenis der Theosofie geschetst. Ik heb haar verband met de groote godsdiensten der wereld aangeduid, hare verspreiding door de verschillende landen beschreven, en vermeld dat zij nog heden ten dage de oude leering vertegenwoordigt, zoowel in haar openlijken als in haar innerlijken vorm. Ik stel mij voor hedenavond het onderwerp van een anderen kant te beschouwen en u te spreken over de leeringen zelve welke de Theosofie brengt, welke zij geeft om de menschheid te helpen, en ik zal u trachten aan te toonen dat deze leeringen nuttige toepassing vinden op stoffelijk, verstandelijk, zedelijk en geestelijk gebied, dat zij betrekking hebben op ieder deel van 's menschen samengestelden aard en hem een helder denkbeeld geven van de wereld waarin hij leeft, van den menschelijken samenstel en van de mogelijkheden, welke daarin verborgen liggen.

Vóór alles dan begint het onderricht der Theosofie, het goddelijk weten, te spreken over het goddelijk Bestaan zelf en de onmiddellijke betrekking van den mensch tot God. Het leert dat er één goddelijk Bestaan is, het Leven van al wat is; dat er slechts één goddelijk Leven is, één goddelijke werking, ééne kracht, welke overal bestaat in het heelal; dat overal waar wij gaan kunnen het leven van God zich bevindt, dat overal waar dieren voelen kunnen of menschen kunnen denken, het leven van God uitdrukking vindt. Ook in het delfstoffen-en plantenrijk steunt, onderhoudt, vermeerdert zijn Leven alle dingen; in het geheele heelal is geen leven buiten het goddelijk Leven. Dit ééne Bestaan ligt ten grondslag aan al wat wij waarnemen, zoodat de Theosofie begint met het leeren van een grondeenheid, een wet van eenheid, van één-zijn alom; en deze eenheid spruit voort uit God, die de ééne bron is van alle bewustzijn, waar ook dat bewustzijn worde gevonden. De ontwikkeling van het bewustzijn in den mensch, de groei van zijn verstand, vinden hunnen oorsprong in God. Alle bewustzijn, ontwikkelend tot zelf-bewustzijn, komt voort uit één bron, één oorsprong. Alle bewustzijn is één, wij kunnen het ééne niet scheiden van het andere, en de menschen van elkaar vervreemden alsof zij tegenover elkander stonden—zij komen allen van denzelfden stam, zij zijn allen bewust door hetzelfde Leven, zij zijn allen een uitdrukking van hetzelfde goddelijk Bestaan. Deze eenheid van bewustzijn is ééne uitdrukking van de wet van eenheid die heerscht in het heelal.

Maar niet alleen alle bewustzijn is één, ook alle kracht is één, en hier stemt de wetenschap in met de Theosofie: er is slechts één groote werking in het heelal; alle vormen van werking en kracht welke wij waarnemen, zijn in den grond één. Zij kunnen in elkander omgezet worden; alle vormen van werking welke de wetenschap bestudeert, alle krachten welke wij om ons waarnemen, hetzij in het delfstoffen-of plantenrijk, hetzij bij dier of mensch, al deze krachten zijn één in hunnen aard. Slechts hun uitdrukking, hun wijze van openbaring is verschillend, bij nader onderzoek blijken zij allen één te zijn: ééne kracht, juist zooals er één bewustzijn is.

Een derde uitdrukking van de wet van eenheid is de eenheid van stof. Alle stof is één, hoe verschillend ook de vorm wezen mag welke zij aanneemt. Er is slechts één grondstof en alle scheikundige elementen zijn daaruit opgebouwd. Al wat wij om ons waarnemen: vaste lichamen, vloeistoffen, gassen, ether, dat alles is in den grond hetzelfde, slechts verschillend in de rangschikking van zijn deelen. Wij vinden door de geheele wereld heen een eenheid, eenheid van bewustzijn en leven, eenheid van kracht, eenheid van stof, en deze drie eenheden zijn de uitdrukkingen van het goddelijk Bestaan, zij komen alle uit het ééne Leven, het Leven van God.

Uit deze eenheid van bewustzijn, van kracht en van stof kunnen wij een gevolgtrekking maken. Daar er slechts één stof is, slechts één kracht, slechts één bewustzijn, vormen alle wezens die bestaan een broederschap; zij zijn allen gemaakt uit dezelfde bouwstoffen, zij zijn allen bezield door dezelfde kracht, zij ontwikkelen allen hetzelfde bewustzijn. Wij zien dat het geheele heelal één groote broederschap vormt, waarin de verschillende schepselen in verschillende staten van ontwikkeling zijn, maar allen worden saamgebonden door de éénheid van stof, van kracht, van bewustzijn. In deze alomtegenwoordige grond-eenheid wortelt het begrip "broederschap", en de Theosofie leert dat wij, deelen zijnde van hetzelfde Leven, niet naijverig tegenover elkander kunnen blijven staan. Er moet één gemeenschappelijk goed zijn voor ons allen, één gemeenschappelijke ontwikkeling waarin wij allen deelen, één gemeenschappelijk doel waarnaar wij allen streven, en alle gedachten van naijver of vijandschap, alle gedachten welke de menschen denken, alsof zij elkanders bestrijders zijn in plaats van elkanders helpers en broeders, zijn gegrond op hun onwetendheid aangaande het wezen van God en van den mensen. De eenheid die aan alles ten grondslag ligt, maakt de broederschap tot een noodzakelijk feit in de natuur.

Wanneer wij dit denkbeeld een weinig verder uitwerken, bevinden wij dat deze broederschap zich toont in alle betrekkingen, waarin wij tot elkander komen. Laten wij eerst nagaan, welke betrekking de eenheid van stof heeft tot de broederschap der menschen. Onze lichamen zijn opgebouwd uit wat wij "stof" noemen, en wij weten, dat ons lichaam voortdurend zijn bouwstoffen hernieuwt, dat ons lichaam heden niet hetzelfde is, als het gisteren was of verleden week of de vorige maand, of als het morgen zijn zal of de volgende week of maand.

Ons lichaam verandert voortdurend van bestanddeelen. Kleine deeltjes ervan, zóó klein dat zij onzichtbaar zijn voor het oog, komen en gaan ieder oogenblik. Wanneer wij ons lichaam zeer sterk vergroot zagen, zouden wij een stroom van deeltjes ervan zien uitgaan, en een stroom van deeltjes er heen zien komen, een stroom van komen en gaan, welke ons lichaam op ieder oogenblik van het leven verandert. Wanneer nu menschen elkaar ontmoeten, zooals wij hedenavond bijeen zijn gekomen, wisselen de deeltjes onzer lichamen onderling, deeltjes van uwe lichamen hechten zich vast aan het mijne, deeltjes van mijn lichaam gaan en worden opgenomen in dat van u, zoodat wij, wanneer wij de zaal verlaten, geen van allen hetzelfde zijn gebleven als toen wij binnenkwamen. Onze stoffelijke lichamen hebben een deel van de bouwstoffen waarvan zij gemaakt zijn, gewisseld. Ieder van u heeft iets aan zijn buren gegeven, ieder van u heeft iets van zijn buren ontvangen. Dit nu maakt dat er tusschen ons een zeer daadwerkelijke stoffelijke broederschap bestaat. Indien wij op deze wijze van deeltjes onzer lichamen wisselen, zijn wij broeders naar het lichaam, hetzij wij het willen of niet. Wij kunnen niet nalaten op elkander invloed te oefenen, hetzij ten goede of ten kwade. De gezonde persoon verspreidt zijn gezondheid, waar hij ook gaat, de zieke verspreidt zijne ziekte overal waar hij komt; deze wisseling, deze overgang legt tusschen ons allen een band, die maakt dat het lichamelijk welzijn onzer medemenschen van belang is voor ons allen.

Nu bouwen wij ons lichaam op door voedsel, drank, lucht en door het leven dat wij leiden. Indien gij in uw lichaam onrein voedsel brengt, onreinen drank, indien gij uw huis en uw kleeding niet rein houdt, trekt gij tot uw lichaam deeltjes, welke gij vergiftigt en vervolgens zendt gij die giftige deeltjes weer uit naar uwe medemenschen, zoodat een mensch die slechte, onreine dingen eet of drinkt, die ongezond is of onrein, op al zijne medemenschen een overeenkomstigen invloed uitoefent. Ieder mensch die alkohol, wijn of dergelijke giftige dranken gebruikt, beleedigt het lichaam van zijnen medemensen even goed als zijn eigen. Wij kunnen ons leven niet van dat van anderen scheiden, maar zijn genoodzaakt te leven als één groot huisgezin; al wat een van ons schaadt, schaadt daardoor het geheel. Wanneer wij dit inzien, kunnen wij niet langer onverschillig blijven voor de armoede en ellende om ons heen, want wij weten dat zoolang nog één mensch in de maatschappij arm is en ellendig en uitgehongerd, niemand volmaakt gezond en zuiver kan zijn en zijn lichaam bewaren kan in den best mogelijken staat. In ieder volk waarin men menschen vindt die lijden door armoede en ellende en stoffelijke ontaarding, moet elk lichaam zijn deel ontvangen van de ellende dier armen. De menschen zullen het misschien niet bemerken of begrijpen, maar hun lichaam is minder gezond wegens de ziekte, die rondwaart in de armere wijken der stad, onder de lichamen hunner armere medemenschen. Geen volk is zoo gezond als het zijn kan, zoolang één zijner kinderen ziek is, van geen land kunnen de bewoners volmaakte lichamen hebben, zoolang er nog één honger lijdt. De stoffelijke ellende in de maatschappij is een zaak die allen ter harte moet gaan en niet slechts hun alleen die er onmiddellijk onder lijden. Wij zijn broeders naar het lichaam en genoodzaakt hun leed mede te dragen.

De broederschap van lichaam is echter niet de eenige band tusschen ons. Er is een broederschap van aandoeningen en gevoelens even goed als van lichaam. Wij oefenen ook invloed op elkander uit door onze gevoelens. Al wat ik gevoel werkt ook op u in, al wat gij gevoelt, werkt op mij in. De geheele dampkring is vervuld van trillingen, gemaakt door de gevoelens en hartstochten der menschen. Ook op deze wijze oefenen wij zonder het te weten invloed op elkander uit en indien gij er op let, kunt gij het door eigen ondervinding waarnemen. Hebt gij nooit opgemerkt, hoe wanneer één persoon in een gezelschap slecht gehumeurd is, die stemming zich verspreidt over de anderen, hoe één knorrig persoon in huis iedereen min of meer wrevelig stemt? Hebt gij nooit waargenomen hoe wij in de nabijheid van sommigen een gevoel krijgen van vrede en rust, een gevoel alsof alles ons gemakkelijk zou vallen, terwijl anderen alleen door hun nabijheid ons knorrig maken en alles somber doen schijnen en zwaar? Het is de broederschap onzer aandoeningen, die op deze wijze voortdurend op ons inwerkt en de reden waarom dit mogelijk is ligt hierin, dat de mensch behalve het zichtbare lichaam nog een lichaam heeft van fijnere stof, welke wij astrale stof noemen en deze astrale stof, welke van een hoogeren graad van fijnheid is, trilt uiterst gemakkelijk en vlug. Door onze gevoelens nu wekken wij trilling op, welke die astrale stof aandoet en welke andere menschen in hun astraal lichaam doet beantwoorden aan het gevoel dat in ons astraal lichaam die trilling veroorzaakt heeft. Ieder van u heeft in en om zijn stoffelijk lichaam een wolk of mist van deze fijne astrale stof, veel schitterender dan het stoffelijk lichaam zelf, juist alsof zich rondom u een wolk bevindt, waardoor kleurenspel van elektrisch licht zichtbaar is. Het astrale lichaam is helder en vol kleuren, kleuren als van den horizon bij den opgang of ondergang van den zon. Evenals gij dan in de lucht soms wolken zien kunt, welke door den zon worden gekleurd, zien de menschen, die meer dan het stoffelijke waarnemen kunnen, rondom ieder van u een gekleurde wolk, maar in plaats van door den zon, wordt die wolk gekleurd door uwe gevoelens, uw aandoeningen, uwe hartstochten, en zoodra een gevoel, eene aandoening in u opkomt, kleurt zich de wolk rondom u en trilt zij met groote snelheid, en deze trilling straalt van u uit en wekt in het astrale lichaam van anderen gelijke trillingen op, zoodat zij hetzelfde gevoelen als gij. Wij oefenen daardoor, wanneer wij in elkanders nabijheid vertoeven, invloed op elkaar uit door onze gevoelens even als door onze gezondheid of ziekte, en wij zijn evenzeer door een broederschap van gevoelens verbonden als door een broederschap van het stoffelijk lichaam, en die broederschap van gevoelens uit zich door middel van het astrale lichaam, het lichaam der aandoeningen dat steeds in beweging is, steeds in trilling en hoe sterker onze gevoelens zijn, des te krachtiger oefenen wij er invloed door uit op anderen.

Er is nog een derde wijze, waarop zich de broederschap openbaart en wel in ons denkvermogen. Wij leven evengoed in broederschap van gedachten als in gevoels-broederschap. Wanneer wij denken oefenen wij invloed uit op de gedachten der menschen om ons heen. Wanneer wij denken, zenden wij als het ware elektrische stroomen uit, die werken op het denken van anderen, en zij krijgen betere of slechtere gedachten al naar den aard onzer eigene gedachten. Terwijl ik tot u spreek, gebruik ik mijn stoffelijk lichaam, mijn stem, ook hoort gij mij met uw stoffelijk lichaam, met uw ooren, maar dit is niet het eenige, wat u en mij verbindt. Behalve mijn stem die gij hoort, gaan er van mij trillingen uit, gevoelstrillingen die u er toe nopen te luisteren en uwe aandacht te schenken. Deze trillingen worden soms magnetisch genoemd, en daar zij uit mijn astraal lichaam voortkomen, oefenen zij invloed uit op het uwe. Behalve deze wisselwerking tusschen onze stoffelijke en astrale lichamen is er nog wisselwerking van denkvermogen. Mijn denkvermogen zendt stroomen uit tot het uwe en vormt beelden welke gij met uw denkvermogen waarneemt, niet met uw stoffelijke oogen. Zoolang ik spreek, zend ik voortdurend die denk-beelden uit, zoodat de woorden gemakkelijker voor u zijn te begrijpen wegens den onmiddellijken invloed, dien ik uitoefen op uw denkvermogen. Deze inwerking der menschelijke gedachte op anderen vindt onophoudelijk plaats, en wanneer iemand invloed tracht uit te oefenen op een ander is die werking veel sterker dan wanneer hij als het ware slechts voor zich zelf denkt. Deze beelden welke ons denkvermogen vormt en welke de menschen waarnemen door het hunne, brengen het grootste deel onzer gedachten over aan anderen en stellen ons in staat elkander beter te kunnen begrijpen dan alleen door stoffelijke mededeeling mogelijk is. Deze invloed welken ons denkvermogen op anderen uitoefent bestaat steeds, niet alleen wanneer iemand tot anderen spreekt, maar ook in het gewone dagelijksch leven. Wanneer gij denkt, zijn alle menschen om u heen min of meer geneigd op dezelfde wijze te denken en hoe sterker uw denkkracht is, des te grooter invloed oefent gij op hen uit. Hebt gij wel eens opgemerkt hoe dikwijls, wanneer gij met iemand samenwoont, gij beiden over hetzelfde onderwerp denkt, en wanneer de één zijn gedachte uitspreekt, zegt de ander: "Daar dacht ik juist ook aan." Dit is dikwijls het geval met man en vrouw, broeder en zuster, vriend en vriend, en vaak beslist slechts toeval, wie het eerst spreekt. Wie dan het eerst zijn gedachte in woorden kleedt, bemerkt dat de ander in dezelfde richting gedacht heeft. Op deze wijze kunnen wij elkander veel goed doen en veel kwaad. Goed wanneer wij edel denken en rein, kwaad wanneer wij laag, gemeen en slecht denken. Vele menschen denken dat als zij slechts doen wat goed is, als zij maar geen grove woorden gebruiken, het er niet toe doet hoe zij denken: gedachten zijn tolvrij. Dit is onjuist: onze gedachten oefenen een veel grooteren invloed uit op onze medemenschen dan onze woorden, en een slecht mensch, die slecht denkt, vergiftigt alle menschen met wie hij in aanraking komt; hij oefent een slechten invloed uit zonder iets anders te doen dan in onze nabijheid te zijn. En evenzoo is men, indien men goede gedachten kweekt, overal waar men gaat tot zegen. De menschen om ons heen zullen zelf goede gedachten krijgen zonder te weten waarom. Onze invloed zal hen goed doen denken. Op deze wijze is er broederschap van denken evengoed als broederschap van gevoel en van lichaam.

Zie dan hoe veel er voortvloeit uit dit denkbeeld van de eenheid van al wat is, hoe sterk deze eenheid zich doet gevoelen in het leven, hoe wij naarmate wij die eenheid doorgronden, nuttiger worden voor elkander dan te voren, hoe wij leeren dat wij invloed uitoefenen op onze medemenschen door onze lichamen, onze gevoelens en onze gedachten, en hoe wij op deze drie wijzen elkander kunnen helpen. Zoo leeren wij de natuurwet en passen die dan toe om onze broeders te helpen en de wereld door ons leven beter te maken. Deze eenheid, uitgewerkt zooals ik het thans heb gedaan, is één der groote leeringen van de Theosofie.

Laat ik thans een tweede groote leering nemen, die welke zegt dat uit God de zielen der menschen zijn voortgekomen, dat het leven van God iederen mensch gegeven is, opdat hij zich ontwikkelen moge tot een volmaakt wezen, gelijk God zelf. Gij zult u herinneren dat Jezus, toen hij sprak tot de menigte, een merkwaardig gebod gaf: "Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is." [Footnote: Mattheüs 5,48] De Vader in den hemel nu is God, het goddelijk Wezen, en Jezus leerde aan zijne leerlingen en aan de volksmenigte dat zij volmaakt moesten zijn gelijk God. Nu is God volmaakt in kennis, volmaakt in kracht, volmaakt in liefde. Hoe kan de mensch volmaakt zijn in kennis en in kracht en in liefde, gelijk God volmaakt is? Toch was dit het gebod dat Jezus gaf en als Jezus sprak, zeide hij slechts wat waar was en mogelijk. Hij zou het niet hebben gezegd als deze volmaking onmogelijk was voor den mensch. De vraag waartoe wij van zelf komen is dan deze: hoe is het mogelijk, en is het mogelijk voor ieder of slechts voor eenige menschen? En het antwoord dat de Theosofie geeft is: het is mogelijk voor ieder, niet slechts voor enkelen; voor ieder is het mogelijk volmaakt te worden gelijk God volmaakt is, de mensch is werkelijk gemaakt naar het goddelijk beeld, dat wil zeggen hij is de juiste weerkaatsing van God. Laten wij eerst een uiterst geval beschouwen; een zeer onontwikkelden wilde, zoo laag ontwikkeld dat hij het goede nog niet kan onderscheiden van het kwaad, dat hij nog niet weet dat het kwaad is te stelen of te liegen of te moorden, dat hij al deze dingen geoorloofd vindt. Waarom zou hij niet stelen als hij iets noodig heeft dat hem niet toebehoort? Waarom zou hij niet liegen als hij daardoor kan krijgen wat hij begeert? Waarom zou hij niet moorden als hij sterk genoeg is het te doen en verlangt zijnen vijand te dooden? Die wilde ziet geen kwaad in moorden en liegen en stelen. Hij denkt dat het goed is, of liever: hij denkt er in het geheel niet over. Hij wil het doen. Derhalve doet hij het, en het komt nooit in hem op te vragen: "is het goed dat ik moord of lieg of steel?" Hij onderzoekt niet of wat hij wil doen geoorloofd is. Hij wil het doen en dat is alles waar hij om geeft. Waartoe zou het dienen zulk een mensch te zeggen, volmaakt te zijn zooals God volmaakt is? Hij is zelfs nog niet in staat, kwaad te onderscheiden van goed; hoe zou hij dan volmaakt kunnen zijn? Verstandelijke vermogens zijn in hem nog niet ontwikkeld, hij kan niet verder tellen dan twee, hij kan geen gevolgtrekking maken, begrijpt niet wat een gevolgtrekking is. Hij heeft geen geheugen en herinnert zich niet wat gisteren gebeurde, noch kan hij berekenen wat morgen gebeuren zal. Hij is in verstandelijk opzicht even dom als hij zedelijk laag staat. Wat wilt gij met zulk een mensch doen? Hij ziet er niet uit als "het beeld van God" en er schijnt niet veel kans dat hij volmaakt zou worden gelijk God volmaakt is. Als hij sterft, bezit hij noch verstand, noch zedelijk gevoel. Wat wordt er van dien mensch? Wanneer hij sterft en een ander leven intreedt, zonder zijn lichaam, een soort van middenleven tusschen deze aarde en den hemel, is er niet veel in hem dat omhoog kan stijgen, want zijn ziel is zwak en onontwikkeld. Zij is nog slechts een kiem. Hij kende het goed nog niet van het kwaad. Hij kon nog niet denken. De ziel nu is de kracht in den mensch die denkt en het goede onderscheidt van het kwaad en de ziel van zulk een wilde is slechts een embryo, nog volstrekt onontwikkeld. Wanneer hij sterft en uit het lichaam treedt, is hij in de wereld, volgende op de stoffelijke, in de astrale wereld, waar de dierlijke aard werkelijk thuis behoort. De dierlijke aard nu van den wilde is zeer sterk. Deze was het die hem deed moorden en liegen en stelen, omdat de dierlijke aard sterk was en de ziel nog zwak en jong. Wanneer hij nu na den dood deze astrale wereld binnentreedt, terwijl de dierlijke aard in hem nog sterk is, ondervindt hij dat hij ze daar niet meer kan bevredigen, zooals hij kon terwijl hij in het lichaam woonde, dat hij dat soort genot dat hij op aarde vond, daar niet verkrijgen kan, dat hij met zijn lichaam het werktuig verloren heeft, waardoor zijn dierlijke aard zich kon uiten. Zoo leert hij, wanneer hij uit het lichaam is getreden, dat hij de zucht naar genot van zijn dierlijken aard op den langen duur niet kan voldoen, dat datgeen wat hem in het lichaam genot schonk, hem daarbuiten smart geeft in plaats van genot. Zoo leert de jonge ziel deze eerste les door ondervinding in het aardleven en na den dood. Daarop gaat de ziel naar de hemelsche wereld. Veel is er nog niet dat deze jonge ziel in den hemel kan vinden, maar toch leert zij een weinig door een tijd in die wereld te vertoeven. Toen de wilde nog op aarde leefde, gevoelde hij wellicht eenige liefde voor vrouw of kind, en deze liefde leert hem een nuttige les. Wanneer hij de hemelsche wereld bereikt, is die liefde nog met hem; en hij ondervindt dat deze blijft en hem genot schenkt in die hoogere wereld. Hij bevindt dat de weinige goede gevoelens, dat iedere aandoening welke iets in zich had dat goed was en rein, bij hem is, wanneer al het andere achterblijft, dat de liefde blijft wanneer alle hartstocht is uitgestorven. Wanneer hij een tijdlang in den hemel vertoefd heeft, en zijn liefde in de hemelsche gebieden is toegenomen in kracht, komt het oogenblik, waarop de ziel terug moet keeren tot het aardleven, opnieuw moet worden geboren in een lichaam, een weinig beter dan het lichaam dat zij vroeger bezat. Want de ziel is een weinig gegroeid en heeft een beter lichaam noodig dan het vorige dat zij bewoonde. Zij is een weinig gegroeid, heeft geleerd een weinig meer liefde te koesteren, heeft een weinig geleerd door hare ondervinding in deze wereld en in de twee werelden aan gene zijde van het graf. Zij is een weinig ouder geworden en wijzer en heeft om nieuwe ondervinding op te doen een beter lichaam noodig, wanneer zij terugkomt. Na in dat beter lichaam geboren te zijn, leert zij een weinig meer dan in het vorige. Zij heeft geleerd dat stelen en moorden niet goed is, en wanneer een leeraar of oudere bloedverwant tot het jonge kind, dat reeds deze ondervinding heeft opgedaan, zegt: "Gij moet niet stelen, niet liegen, niet moorden," zal deze ziel, die op aarde teruggekeerd is met de ondervinding die zij heeft opgedaan, deze leering kunnen beantwoorden en zeggen: "Ja, het is waar, ik moet niet stelen, niet liegen, niet moorden, ik zie in dat dit alles verkeerd is." Waarom ziet die ziel nu in dat het verkeerd is, terwijl zij het den vorigen keer niet inzag? Omdat de ziel in dien tijd is gegroeid, omdat zij ondervonden heeft dat stelen ongelukkig maakt. En deze ondervinding bot als zedelijke eigenschap uit, wanneer de ziel in een stoffelijk lichaam wordt weergeboren. De kinderen, die thans in ons midden ter wereld komen, worden niet geboren zooals de volkomen onontwikkelde wilde, waarover ik sprak, niets wetende van goed en kwaad. Zoodra gij hen onderwijst, begrijpen zij het verschil tusschen kwaad en goed en het is gemakkelijk hun te leeren, daar hunne zielen ouder zijn en reeds vele aardlevens doorleefd hebben, waarin zij ondervinding hebben opgedaan en verzameld, en die ondervinding hebben omgezet in wat wij geweten noemen, in aangeboren begrip van goed en kwaad. Deze groei van de ziel gaat door, leven na leven, honderde keeren, zoodat de ziel, wanneer zij in een stoffelijk lichaam ter wereld komt, na reeds honderde levens te hebben doorgemaakt, vele vermogens in zich heeft. Zij komt ter wereld met zekere verstandelijke kracht, met zekeren aanleg voor kunst, met zedelijke eigenschappen. Ieder uwer werd geboren met het vermogen te denken, zoodat gij met vrucht kondt worden opgevoed; en misschien met eenige artistieke kracht, met talent voor schilderen, voor beeldhouwkunst of muziek. Gij bracht die vermogens met u, en toondet ze reeds als kind, zoodat uw opvoeding kon worden ingericht op een wijze die geschikt was om de vermogens die gij medebracht, te kunnen ontwikkelen. Deze vermogens, welke de kinderen meebrengen en in overeenstemming waarmede wij hun opvoeding behooren te regelen, hebben zij gewonnen in herhaalde aardlevens in het verleden, en telkens gedurende hun leven in de hemelsche wereld hebben zij die vermogens verbeterd en doen toenemen in kracht, en bij iedere geboorte op aarde brengen zij ze mede op een hoogeren trap van ontwikkeling dan den vorigen keer.

Op deze wijze groeit de ziel door voortdurend herhaalde wedergeboorte op aarde en naarmate zij groeit wordt zij meer en meer gelijk God. Na langen, langen tijd wordt de ziel op aarde geboren als een kind met een zeer goed karakter, misschien als genie, misschien bijna volmaakt uit een zedelijk oogpunt. Enkele kinderen worden zoo goed geboren dat hunne opvoeding bijzonder gemakkelijk is, onzelfzuchtig, vriendelijk en liefdevol, anderen ter wille. In deze kinderen wonen zielen die oud zijn, zielen die reeds vele malen op aarde geweest zijn, en geleerd hebben onzelfzuchtig en vriendelijk te zijn en hunne medemenschen lief te hebben, zoodat zij thans bij hun geboorte zulk een karakter toonen. Zij behoeven niet meer te leeren wat goed is, zij weten het van de wieg af, juist zooals andere kinderen reeds in hun prille jeugd geniën blijken. Wanneer de ziel zulk een standpunt bereikt heeft, is het oogenblik daar waarop haar ontwikkeling zeer kan worden versneld, het oogenblik, waarop bijzondere leering zal komen op haren weg, waarop haar bijzondere gelegenheden zullen worden geboden, sneller te kunnen ontwikkelen en groeien; dan komt wat de "geestelijke geboorte" genoemd wordt, de geboorte naar den geest waarvan Jezus sprak toen hij zeide dat geen mensch het koninkrijk Gods kon kennen, tenzij hij was geboren naar den geest. De menschen worden telkens en telkens geboren naar den vleesche; zij worden slechts ééns geboren naar den geest en wanneer een mensch geboren is naar den geest, zegt men dat de Christus in hem geboren is. Gij zult u herinneren dat Paulus in een zijner brieven schreef, dat de Christus geboren moest worden in de ziel; dit nu is de groote "tweede" geboorte, die het begin is van de ontwikkeling van den Christus in den mensch. Alle vroegere ontwikkeling heeft hem slechts doen groeien tot een goed en knap mensch, verstandig en krachtig en zedelijk, maar na de geestelijke geboorte wordt hij geestelijk, en begint hij het leven te leiden van den Christus. Hij wordt vol mededoogen voor allen, vol liefde en vol van den wil zijn medemenschen te helpen. Hij ontwikkelt in zich den aard van den Christus, hij gevoelt de broederschap die hem met allen verbindt, hij gevoelt dat hij één is met alle menschen, dat zij allen leden zijn van zijn huisgezin, dat zij allen hem na-staan, als een deel van hemzelf, een deel van zijn eigen leven. Naarmate de Christus zich in den mensch ontwikkelt, nadert hij de volmaking. Hij wordt meer en meer vrij van zonden, hij verkrijgt meer en meer inzicht in alle geestelijke waarheid, hij omvat meer en meer van het goddelijk leven en drukt dit uit in zijn leven op aarde. Dit tijdperk in de menschelijke ontwikkeling is dat van geestelijken groei, niet van verstandelijken of zedelijken vooruitgang. Het komt na dezen vooruitgang en brengt de gelijkenis van God en den mensch tot volkomen volmaking. Wanneer de mensch zóó gedurende langen tijd heeft geleefd, vrij van zonde, terwijl hij goed doet aan ieder, allen met wie hij in aanraking komt helpt, vol wijsheid en inzicht in alle geestelijke waarheid, heeft hij het standpunt bereikt waarop Jezus doelde toen hij zeide: "Weest dan gijlieden volmaakt gelijk uw Vader die in de hemelen is volmaakt is." Dit zou onmogelijk zijn indien de mensch niet gedurende honderde levens tot die hoogte kon klimmen. Voor den wilde, over wien ik u gesproken heb, zou het niet mogelijk geweest zijn, in één leven volmaakt te worden, te worden gelijk God. Maar zonder twijfel is het mogelijk, wanneer hij leven na leven op aarde terugkeert, leven na leven verbetert en groeit, totdat de ziel van een klein zaadje gegroeid is tot een machtigen boom, na talrijke eeuwen van levens. En evenals de eik door zijne bladeren die hij ontplooit, den geheelen zomer voedsel verzamelt, en dit voedsel uit de bladeren voert tot takken en stam, en in den herfst de bladeren afvallen en sterven, maar de boom door het opgenomen voedsel gegroeid is--- zoo ook zendt de menschelijke ziel een lichaam uit, gelijk de boom zijne bladeren, en verzamelt ondervinding door het vergankelijke lichaam, gelijk de boom door de bladeren zijn voedsel. Al die ondervinding neemt de ziel in zich op: het lichaam sterft wanneer zijn tijd daar is, maar de ziel groeit door de opgedane leering en nadert de volmaking.

Dit is wat de Theosofie leert omtrent den groei der ziel, en gij hebt gezien dat wij gekomen zijn tot de gevolgtrekking, dat de mensch volmaakt kan worden, en de vraag zal bij u opkomen: "Wat moet de volmaakte mensch doen met zijne volmaking?"

Hij moet zijn medemenschen helpen. Zij die volmaakt zijn geworden zijn degenen die wij Meesters noemen. Zij zijn de Leeraars der groote godsdiensten, zij zijn het die tot de wereld komen om den menschen te leeren hoe te leven, hoe sneller te groeien. Zelf volmaakt geworden, blijven zij anderen leeren hoe de volmaking te bereiken. Jezus, die zelf volmaakt is, bleef op aarde ten einde den menschen te leeren hoe zij volmaakt konden worden en gelijk aan Hemzelf. En de Theosofie leert dat deze volmaakte menschen nog heden bereikt kunnen worden. Zij zijn niet ver weg in den hemel, maar hier op aarde. En wij kunnen hen vinden, indien wij den juisten weg inslaan; en de eenige weg om hen te vinden is te trachten hun gelijk te worden. Misschien hebt gij wel eens in de geschriften van de heiligen der Christelijke kerk gelezen, hoe Jezus tot hen kwam en hun leerde; en dan hebt gij steeds gedacht dat dit droomen waren of verzinsels. Toch is dit niet het geval. Wat zij schreven is letterlijk waar, en het zou ook voor ons waar kunnen zijn zooals het waar was voor hen, want gij kunt een heilige worden zoo goed als ieder ander mensch, die leefde in de middeleeuwen of in de eerste eeuwen der Christelijke kerk. Waarom zouden niet de tegenwoordige Christenen heilig worden kunnen gelijk die van vroeger, waarom zouden zij den Christus niet kennen zooals Hij gekend werd in de vroegste tijden der kerk, waarom zouden zij niet in staat zijn Hem te spreken en van Hem te leeren, zooals de menschen in die oude dagen deden, toen Hij leefde onder de menschen en zooals zij het nog deden, vier of vijf eeuwen daarna? De ziel der menschen is thans niet zwakker dan toen, de ziel der menschen is in staat nog heden te doen, wat zij toen in staat was te volbrengen. Het is slechts de kennis die u ontbreekt, hoe het te doen en den krachtigen wil, welke u moed tot volharden kan geven. De Theosofie is dáár om u de kennis te geven van den weg, waarlangs wij de groote Leeraars kunnen bereiken, en met die kennis geeft zij ons den moed en den wil en het geduld tot volharden.

Veel van wat ik u hedenavond heb gezegd zal voor sommigen uwer nieuw schijnen en vreemd. Toch is het niet nieuw maar over-oud, zóó oud dat de menschen het hebben vergeten; en niet vreemd, zooals gij bij nadere studie zult vinden. Ik heb u hedenavond niets gezegd, dat ik niet weet dat waar is en de weg dien ik gevolgd heb om tot weten te komen, is de weg dien de Theosofie aanwijst. Door het volgen van hare voorschriften ben ik in staat geweest hetzelfde te doen wat in de Christelijke kerk gedaan werd, vele eeuwen geleden, en wat in alle andere godsdiensten mogelijk is geweest, lang voordat het Christendom was gesticht. Al deze dingen zijn altijd bekend geweest, deze weg is altijd betreden door de weinigen; en zij die hem betraden waren de menschen, die de waarheden van den godsdienst wisten door eigen waarneming—niet uit de tweede hand. Het doel der Theosofische Vereeniging is, u te helpen in het verkrijgen van eerste-hands kennis en hoewel de dingen die ik u gezegd heb misschien onbekend mogen wezen en schijnen onmogelijk te kunnen worden bewezen, kunnen zij alle bewezen worden door ieder uwer die begeert te onderzoeken, en zich dezelfde moeite wil geven, welke door sommigen onzer is gedaan. Dan zult gij de werkelijkheid der wedergeboorte op aarde weten, niet slechts gelooven, dan zult gij de wijze kennen, waarop de ziel langzamerhand groeit tot volmaking, dan zult gij weten dat deze Leeraars nog levende menschen zijn en nog steeds leering geven willen aan leerlingen die tot hen komen. De Theosofie is inderdaad een studie. Ik vraag u niet haar te gelooven, ik vraag u niet haar aan te nemen zonder begrijpen, ik vraag u slechts te onderzoeken, zooals ik onderzocht heb. Gij kunt tot weten komen zooals ik ben gekomen tot weten. En ik weet, dat wanneer al deze dingen voor ons eerste-hands kennis worden, niets in de wereld ons meer werkelijk ongelukkig kan maken. De moeiten en zorgen, welke zoo vele menschen kwellen, worden ons niets, zelfs de dood, die scheiding te maken schijnt tusschen de menschen, kan voor ons geen scheiding meer brengen wanneer wij deze waarheden voor ons zelf bevestigd weten, omdat wij dan den sluier des doods kunnen oplichten, en de menschen aan de andere zijde kennen, even gemakkelijk als gij ze hier kent op aarde; zoodat de Theosofie u met de gelegenheid om deze dingen te onderzoeken de mogelijkheid biedt van grooter geluk dan den meesten menschen ten deel valt, van kennis die u sterk zal maken en krachtig, van een leven vol vrede en rust. Dàt is de uitkomst van Theosofisch onderzoek, dàt is het gevolg van het streven tot weten te komen, en mijn doel voor hedenavond was, eenigen van u te brengen tot diepere studie, opdat gij moogt komen tot de kennis der waarheid. En wanneer gij dan tot die kennis gekomen zult zijn, zult gij terugzien tot dezen avond en zeggen: Toen was het dat ik voor het eerst de leeringen der Theosofie vernam, waarvan de kennis in mijn geheele leven verandering heeft gebracht. Toen was het dat ik den grootsten schat vond, welken ik ooit heb gekend; want ik vond de kennis van God, die het eeuwige leven is, zonder welke het leven arm is en beperkt, met welke het leven oneindig wordt, vol van vreugde en vrede.