WeRead Powered by ReaderPub
Voetbal-Sport: over haar voor- en nadeelen, eenige harer strijdvragen en haar rationeele beoefening cover

Voetbal-Sport: over haar voor- en nadeelen, eenige harer strijdvragen en haar rationeele beoefening

Chapter 5: INLEIDING.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

De tekst bespreekt voetbal als een samenspel van lichamelijke oefening, geestelijke ontspanning en sociale activiteit: het geeft een overzicht van voordelen voor gezondheid, vreugde, karaktervorming en teamgevoel, en benoemt tegelijk nadelen die voortvloeien uit overdrijving en ondeugdelijke begeleiding. Er worden rationele aanwijzingen geboden voor een gezonde en pedagogisch verantwoorde beoefening, met aandacht voor matiging, frisse lucht, afwisseling en het voorkomen van schadelijke praktijken. Praktische wenken voor spelers en opvoeders sluiten de bespreking af met het doel het spel een heilzame plaats in het jeugdleven te laten innemen.

The Project Gutenberg eBook of Voetbal-Sport: over haar voor- en nadeelen, eenige harer strijdvragen en haar rationeele beoefening

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Voetbal-Sport: over haar voor- en nadeelen, eenige harer strijdvragen en haar rationeele beoefening

Author: Jac. Samson

Release date: June 13, 2011 [eBook #36418]

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK VOETBAL-SPORT: OVER HAAR VOOR- EN NADEELEN, EENIGE HARER STRIJDVRAGEN EN HAAR RATIONEELE BEOEFENING ***

Opmerkingen van de bewerker

De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te moderniseren.

Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn hernummerd en verplaatst naar het eind van het hoofdstuk.

Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn gecorrigeerd; deze zijn voorzien van een dunne rode stippellijn, waarbij de Brontekst via een zwevende pop-up beschikbaar is.
Variaties in spelling (met/zonder afbreekstreepje) zijn behouden.

Van de voorkant van het boek is een vergroting beschikbaar door op de betreffende illustratie te klikken.

Een overzicht van de aangebrachte correcties is te vinden aan het eind van dit bestand.

Bij den Uitgever dezes verschenen:

ROMANS.

Ing. Geb.
Robert Hichens, De Stem van het Bloed ƒ 2.90 ƒ 3.50
Horace Annesley Vachell, Haar Zoon „ 1.50 „ 1.90
Attie Nieboer, 't Witte Huiske
Tweede goedkoope druk.
„ 1.50 „ 1.90
'n Deil Rêmans van Hanje van Mie.
D'n jong van Raemaekers hêt'er de puppekes bij geteikend
Prijs 75 Ct.

POËZIE.

Ing. Geb.
E. H. du Quesne-Van Gogh. Gedichten ƒ 0.90 ƒ 1.25
   „          „  Volkslied en Volksdicht „ 0.90 „ 1.25
   „          „  Bretonsche Liederen „ 0.90 „ 1.25

Van dezelfde Schrijfster:
Opstellen over Opvoeding Ingenaaid 60 Ct.

GIDSEN.

Dr. J. van Bergen, In Zwitserland ƒ 1.50
Gids voor Brussel en hare Voorsteden.
Met plattegrond
50 Ct.
T. Pluim, Geïll. Gids voor Baarn en Omstreken 25  „  
Wandelkaart van Baarn en Omstreken 25  „  

Voetbal-Sport
OVER HAAR
VOOR- EN NADEELEN
EENIGE HARER
STRIJDVRAGEN
EN HAAR
RATIONEELE BEOEFENING

DOOR

JAC. SAMSON


BAARN—J. F. VAN DE VEN

BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ, G. J. THIEME, NIJMEGEN.

INHOUD.

Bladz.
Voorwoord 5
Inleiding 7
Het voor en tegen van voetbal 9
Voordeelen 10
Nadeelen 18
Eenige strijdvragen 31
Wenken voor een gezonde beoefening van voetbal 40

INLEIDING.


Voetbal!—Dat woord kent ieder. Maar niet ieder kent het voetbal zelf. Er zijn er die het wel eens gezien, er over gehoord of gelezen hebben. Maar die weten niet wat voetbal is, hoewel velen het denken.

Men moet, jong zijnde, het spel zelf hebben beoefend, men moet het wezen der voetbalsport hebben doorgrond, om volkomen te kunnen beseffen: het nut, dat het heeft gesticht en nog zal stichten, onder onze jonge menschen.

Wat de beteekenis van voetbal is in vele levens, zal ik u straks duidelijk trachten te maken, voor zoover dat ten minste mogelijk is, als ik overga tot de behandeling van het voor en tegen, maar allereerst zal ik u den natuurlijken weg wijzen, waarop de jongen er toe komt, het voetbal te gaan beoefenen.

De geestelijke ontwikkeling eischt van hem, van jongs af aan, „een lang achter elkaar zitten” op de schoolbanken en een voortdurend geleer in vakken, waarvoor hij nu nog nagenoeg niets voelt, die hem tenminste geen intense vreugde brengen. Dat alles is nu eenmaal niet anders. Maar dan moet de jeugd ook een tegenwicht tegen het lange stilzitten gegeven worden, dan moet haar ook een vreugdevol bestaan verschaft worden, zonder welke een gezond opgroeien van lichaam en geest onmogelijk is. Dit voelt ook instinctief de gezonde jongen in wiens natuur het ligt, zooveel mogelijk, een vreugdevol bestaan na te streven, en.... hij vindt een bevrediging van dien levenseisch in het gezonde jongensspel, dat hem veel biedt, waaraan hij zoo dringend behoefte heeft: Lichaamsbewegingfrissche luchtafleidingkerngezonde vreugde en een aanvulling van het schoolleven voor een harmonische ontwikkeling.—Maar de jongen wordt ouder, zijn eischen aan het spel gesteld, worden hooger en zoo ziet men langzamerhand, de zwakkere, nog min of meer kinderlijke jongensspelen plaats maken voor krachtiger spelen die meer overleg vergen, die gelijken tred houden met de voortschrijdende verstandelijke ontwikkeling van de beoefenaars. Zoo komt dan ten slotte, na ongeveer het tiende jaar, in het bijzonder het voetbal in aanmerking, als een combinatiespel, dat al naar gelang de beoefenaar ouder wordt, ook hooger eischen aan hem kan stellen, als een spel waarin de beoefenaar steeds nieuwe en moeielijker opdrachten voor lichaam en geest vindt, als een spel dat hem volkomen afleiding en vreugde bereidt, maar bovenal, hem van enthusiasme vervult.


HET VOOR EN TEGEN VAN VOETBAL.


Voetbal is een wintersport en als zoodanig een bewegingsspel bij uitnemendheid. Veel van het goede dat het spel ons biedt, treffen we ook aan bij andere soorten openluchtspel; maar ook zullen wij voor elk spel afzonderlijk karakteristieke lichtzijden kunnen aanwijzen en deze zijn bij het voetbal in hooge mate vertegenwoordigd. Daar de gemeenschappelijke voordeelen van openluchtspel voldoende bekend zijn, kan volstaan worden met een even aanstippen hiervan, terwijl aan de karakteristieke voordeelen meer aandacht geschonken zal worden. Naast de vele voordeelen vallen helaas ook vaak nadeelen bij de tegenwoordige beoefening van voetbal te constateeren, die voornamelijk de gevolgen zijn van overdrijving. Bij een rationeele beoefening der sport zouden geen schaduwzijden bestaan, maar daaraan valt m. i. vooreerst niet te denken. Daartoe is in de eerste plaats de opvoeding niet geschikt, die den leerling meestal geheel onwetend laat met de gezondheidsleer en psychologie (zielkunde) en in de tweede plaats is het menschdom veelal nog te zwak in de uitoefening van de door het verstand als goed erkende handelingen. Door velen (voornamelijk personen onbekend met het voetbalspel) worden echter deze grondoorzaken voor het ontstaan van schaduwzijden bij het spel, niet als zoodanig erkend. De oorzaak wordt foutievelijk in het spel zelf gezocht en deze opvatting is het, die nog voortdurend het voetbalspel tracht te ondermijnen. Waakt op dan voetballers, gij allen; en bewijst, dat geen nadeelen uw spel behoeven te ontsieren, bewijst, zooals reeds velen voor u hebben gedaan, dat uw spel waardige en flinke menschen helpt vormen voor de maatschappij. Dit alles kunt ge, mits ge u volkomen op de hoogte stelt van het wezen uwer sport, zoodat ge alle kwaad kunt uitwerpen en het goede beter kunt vastleggen.


Voordeelen.1)

Bovenal is voetbal een uitstekende afleiding bij het overvloedige, men zou haast kunnen zeggen, uitsluitende hersenwerk van onze tegenwoordige opvoeding, welke hoe langer hoe meer schijnt te vergeten, dat de ontwikkeling van den mensch niet alleen het hoofd ten doel moet hebben, maar den mensch in zijn geheel.

Een geest, vooral die van de jeugd, verslapt, als hij aan voortdurende eenzijdige inspanning bloot staat, evenals een boog, die altijd strak gespannen is. De jeugd wordt oud voor haar tijd en als zij de wereld moet intreden, is het veelal met een krachtelooze onverschilligheid als levensopvatting en met den aanleg van één of meer ziekelijke afwijkingen onder haar leden, als gevolg van de verwaarloozing van het lichaam.

Kernvreugde kent zij niet en toch is juist die kerngezonde gepaste vreugde vooral in den tijd van den aanleg van krachtige organen, dus in de jeugd en overgangsjaren, voor een onbelemmerde ontwikkeling, een vereischte. Het zijn de jongensspelen in de eerste jeugd en het voetbal en andere spelen later, welke haar die vreugde in rijkelijke mate doen genieten en het is voornamelijk het voetbal, naast andere lichaamsbeweging, dat een te vroeg rijp zijn der jeugd voorkomt, dat als het ware een overgang vormt tusschen jeugd en manlijkheid. Wat de verdere voordeelen betreft, zijn deze het best in twee groepen te behandelen.

1e Die welke de gezondheid van lichaam en geest betreffen;

2e Die welke een opvoedkundige waarde hebben.

Als één van de voornaamste factoren der eerste groep, moet wel het licht- en luchtbad2) worden beschouwd, dat voetbal zijn beoefenaars aanbiedt en dat voornamelijk tot zijn recht komt door de gelijktijdig plaatshebbende spierbeweging3) en de daarmee gepaard gaande verhoogde bloedcirculatie. Evenals een waterbad een reiniging is voor het uitwendige, is een frisch spel in de openlucht een reinigingsbad voor het inwendige lichaam. De longen worden door en door van frissche lucht voorzien en zoo gereinigd.

Maar zij deelen ook in ruime mate versche zuurstof toe aan het bloed, dat vooral daarmee, het geheele lichaam van nieuw leven vervult en de schadelijke afgewerkte stoffen afvoert en uitscheidt door huid, longen en nieren.

Het snelle en diepe ademen werkt ook direct gunstig op de ontwikkeling van het middenrif, de voornaamste ademingsspier, die op zijn beurt door zijn verhoogde werkzaamheid een weldadige prikkel uitoefent op de inwendige organen, als maag, nieren en lever. Tevens wordt door de flinke beweging in open lucht het lichaam gehard. De huid wordt weerstandskrachtig gemaakt zoodat niet bij het geringste tochtje een verkoudheid volgt. Het zenuwstelsel wordt in de hoogste mate gunstig beïnvloed door het voetbalspel. De zenuwen die als het ware de verbinding tusschen lichaam en geest vormen, worden in hun functies geoefend en gesterkt, waardoor een gelukkig gevoel van kracht en kunnen ons doorstroomt. Ook de hersens worden door het spel aan het werk gezet en dit is het vooral wat het spel zoo gewild maakt. Dat telkens, zelfstandig en in combinatie met de medespelers, zoeken naar den besten weg die tot het doel leidt, trekt den speler met onweerstaanbaren kracht aan. Daarbij komt nog dat meest geheel andere hersenfuncties dan die op school gebruikt worden, in werking worden gezet, zoodat dit hersenwerk inplaats van meerdere inspanning, ontspanning is, en ons een schrede nader brengt tot de, voor ons geheele wezen, zoo belangrijke harmonische ontwikkeling, die in den grond der zaak de voorwaarde vormt voor het verkrijgen of behouden van een kernachtige gezondheid4).

Niet te onderschatten is de waarde van de oefening van het oog bij het spel. Door onderzoekingen van oogartsen is in Duitschland aangetoond, dat het procent der bijziende leerlingen in de hoogere klassen onrustbarend stijgt. Terwijl in Duitschland het procentgetal der bijzienden in de eerste klassen van vele gymnasia vaak 50 bedraagt, blijft het in Engeland, waar de spelen algemeen verbreid zijn, en het leerprogramma niet zoo overdreven groot is, meest onder de 1%. In de vrije natuur rust het oog weer uit van zijn inspannenden arbeid, terwijl het gedwongen wordt den bal nu eens van verre, dan weer in de onmiddellijke nabijheid te volgen. Deze verschillende accommodaties der ooglens oefenen een bijzonder goeden invloed uit op het lange behoud van een nagenoeg onverzwakt gezichtsvermogen.

Een ander nut dat voetbal sticht, is van indirect belang voor de gezondheid. Daar de voetballer geheel opgaat in zijn spel en alles waardeert wat zijn spelkwaliteit kan verhoogen, bevordert voetbal den zin voor het krachtig houden van het lichaam. Het spel leert hem, wat de school hem te leeren zoo stelselmatig negeert, nl. het lichaam te waardeeren. Hij leert door ondervinding dat een goede levenswijze veel voordeelen geeft boven een slechte. Hij ziet ze voor zich: de vertegenwoordigers dezer verschillende richtingen, de kracht en de energie aan de ééne, de zwakte en het onverschillig schijngedoe aan de andere zijde. De keuze tusschen deze twee typen is voorwaar niet moeielijk en dat vooral niet voor den nog onbedorven voetballeerenden jongen, die naar zijn aard een onbegrensde vereering koestert voor al wat krachtig en behendig is. Nu de voordeelen voor de gezondheid in korte trekken behandeld zijn, kan overgegaan worden tot een beschouwing van voetbal als opvoedingsmiddel.

In Engeland wordt, hetgeen hier nog niet het geval is, de opvoedende kracht van het spel algemeen erkend, waarschijnlijk omdat het daar langer bekend is dan bij ons, waar ongeveer geen der tegenwoordige opvoeders het zelf heeft gespeeld en slechts weinigen genoeg belangstelling in het vraagstuk der algemeene opvoeding toonen, om deze kwestie te onderzoeken. Maar erger.—Velen, hoewel totaal onbekend met voetbal, matigen zich hierover een oordeel aan, of wel, spreken er een vernietigende meening over uit. Hiervan een sterk staaltje. „De Sport” zond onlangs een lijstje met vragen aan 43 hoogleeraren der medische faculteit. Slechts zes hoogleeraren antwoordden. Prof. W. Koster (Leiden) antwoordde op de vraag:—„Bent u een voorstander van voetbal?”—het volgende:—„Het komt me niet bijzonder aantrekkelijk voor, noch uit een artistiek oogpunt noch uit dat van kunstvaardigheid beschouwd. Het schijnt me een ruw spel, waarin domme krachten den baas spelen.”—

Een overtuigender bewijs van zijn eigen onbevoegdheid tot eenig oordeel in dezen, had Prof. Koster nauwelijks kunnen geven. Gelukkig dat er nog vele andere menschen van jaren zijn, die zich een beter oordeel over het voetbal hebben gevormd.

Zoo zal ik hier enkele zinnen voor u vertalen van wat Prof. Ragdt over voetbal schrijft5).—„Als het krachtigste, moedeischend en moed bevorderend spel, kan het niet genoeg aanbevolen worden. Behalve moed ontwikkelt het voetbalspel volharding, behendigheid, tegenwoordigheid van geest, vastberadenheid en zelfbeheersching. Hoofdzakelijk echter bevordert het, daar het een uiterst fijn samenspel eischt, het werken voor een gemeenschappelijk doel, het vrijwillige onderwerpen, het zich terugtrekken van het enkele, tot het welzijn van het geheel.”—Na deze aanhaling kunnen we aanvangen met de stuksgewijze bespreking van de nuttige eigenschappen, die voetbal aankweekt.

De groote opvoedende kracht verleent het aan het feit, dat het een combinatiespel is, waarbij het al of niet bereiken van het gestelde doel voor het grootste deel afhankelijk is van de samenwerking der spelers onderling. Niet alleen hangt de toe te passen speelwijze af van de capaciteiten en inzichten der partijgenooten, maar zij is ook in sterke mate afhankelijk van het spel der tegenstanders, zoodat in de eerste plaats het opmerkingsvermogen door het spel wordt geprikkeld. Een goed opmerkingsvermogen kan aan een partij de overwinning bezorgen. Een sprekend voorbeeld hiervan is het volgende: Ajax (Leiden) in 1905 te Antwerpen spelende tegen een „Combination Bruxeloise”, paste voor rust bijna uitsluitend het korte passeeren (short-passing)6) toe en was met 1-0 in het nadeel. Door enkelen werd opgemerkt, dat de Belgische verdediging niet opgewassen scheen tegen het lange passeeren (long-passing). Er werd dus besloten na de rust deze laatste methode te probeeren en de wedstrijd werd gewonnen met 8-2. Er zijn echter ook vele kleine bijzonderheden bij het spel der eigen- en tegenpartij op te merken, waarvan de oplettende speler een handig gebruik kan maken voor den aanval of zich er tegen wapenen, met het oog op de verdediging. De vaak geuite meening, dat voetbal het altruïsme tegenover het egoïsme bevordert, zou ik niet maar zooals de mijne willen neerschrijven. Er komen gevallen voor, dat voetbal het op den achtergrond treden eischt van het individualisme7).

Zoo bijv.: als bij een aanval eener voorhoede op het vijandelijk doel, een bepaald voorhoedespeler, laten we zeggen de links-binnen, den bal heeft en waarschijnlijk een doelpunt kan maken, terwijl toch de middenvoor beter in staat is of er beter voor staat om te schieten, dan moet de links-binnen den bal, zoo dit mogelijk is, overgeven aan den middenvoor en afstand doen van de eer, een doelpunt te hebben gemaakt.

Altruïsme kan ik hierin niet zien, daar ik meen dat deze opoffering voortkomt uit partijbelang dat toch niet tot het altruïsme gerekend kan worden. Wel zie ik in deze achterstelling van eigenbelang bij partijbelang, een schitterende erkenning van de macht der samenwerking, een ontwikkeling van een warm, tot opoffering in staat zijnd, gevoelen voor de partij, waartoe men behoort. Zoo is het voetbal in staat eigenschappen te bevorderen, die een krachtig nationaliteitsgevoel in het leven roepen, hetgeen ook, maar dan direct, wordt bewerkt door de internationale wedstrijden, door vertegenwoordigende elftallen gespeeld. Het zooeven aangehaalde geval van opoffering kan ook dienen als voorbeeld, hoe voetbal het snel optreden en handelen in de hand werkt.

De links-binnen moet daar in één oogopslag zien of de midden-voor er beter voor staat en of deze zich al of niet in buitenspelpositie bevindt. In hetzelfde oogenblik echter, moet hij ook handelend optreden. Staat de midden-voor beter dan hij en bevindt deze zich niet buitenspel, dan moet de bal hem overgegeven worden, op zulk een wijze, dat deze, direct als de bal hem bereikt, kan schieten. Blijkt overgeven niet gewenscht, dan moet hij (de links-binnen) de juiste plaats van het doel kiezen, waar hij de meeste kans heeft, zijn schot met succes beloond te zien. Zoo ook een middenspeler die schier in hetzelfde oogenblik den stand van mede- en tegenspelers moet overzien, het aanvalsplan der tegenpartij moet doorgronden, de uitvoering daarvan moet beletten, den bal zoo mogelijk vermeesteren en op de geschiktste wijze aan zijn voorhoede geven. Zoo is hiertoe een groote mate van tegenwoordigheid van geest vereischt, evenals zelfbeheersching, kalmte en een flinke doortastendheid op 't juiste moment.

Er behoort ook moed toe, om zich in den strijd te werpen. Men moet niet bang zijn, een aanval te ondernemen, om een tegenstander den bal afhandig te maken. Maar het voetbal leert ook, dat men hierbij voorzichtig moet te werk gaan. Roekeloosheid toch, wordt óf direct door het spelreglement gestraft, óf geeft aanleiding tot onaangename gevolgen, bijv.: kwetsuren.

En nog zijn al de genoemde eigenschappen niet voldoende om succes te verzekeren als het vrije denkvermogen en de behendigheid niet genoeg helpen, ze productief te maken.

Geen goed voetballer is hij, die zijn hersens niet gebruikt en ook geen goed voetballer is hij, wien, al weet hij ook nog zoo precies, hoe in gegeven omstandigheden te handelen, de behendigheid ontbreekt. Ook het geduld van den speler wordt vaak door het voetbal op een zwaren proef gesteld. Hoevele malen worden zijn aanvallen op het vijandelijk doel niet onderbroken?

Hoevele malen wordt hij niet teleurgesteld, als hij denkt te winnen en toch verliest! Met volharding strijdt hij echter door, zoekt naar de oorzaken van zijn verlies en tracht te verbeteren, waar te verbeteren valt. En al gelukt het hem misschien nog niet te winnen, toch ziet hij de betere resultaten als gevolg van zijn onvermoeide pogingen en dit houdt de hoop op de toekomst in hem levendig. Zoo worden dan alle krachten van het zelfstandig denken en optreden, die later in de maatschappij onontbeerlijk zijn, door het spel opgewekt.

Het is de wil8) die voortdurend aangekweekt wordt, de wil en de durf tot het nemen van initiatief, de wil om te overwinnen in wat men ook onderneemt en het zelfvertrouwen om te kunnen overwinnen.

Zoo worden menschen gevormd, die de tanden op elkaar kunnen klemmen, menschen, die zich in de maatschappij weren zullen. Toch dient de speler zich reeds er aan te gewennen, gezag boven zich te erkennen. Hij moet altijd den aanvoerder (captain) zijner partij gehoorzamen. De speler gehoorzaamt niet uit vrees voor straf, maar hij doet dit uit practische overweging. De gehoorzaamheid is echter ook geen blinde, want er komen gevallen voor, dat de speler moet afwijken van den regel en hierbij moet hijzelf besluiten. Bijv.: de aanvoerder heeft den links-buiten gezegd, bij de grenslijn te blijven. Echter ziet in een bepaald geval, de links-binnen die den bal heeft, kans, zelfstandig op den uitersten linkervleugel door de vijandelijke verdediging heen te breken.

In dit geval neemt de links-buiten snel de plaats van den links-binnen in, waardoor de gebroken aanvalslinie weer hersteld wordt. Een omvangrijken invloed oefent ten slotte de kritiek der medespelers op den voetballer uit. Vele onvolkomenheden van het karakter komen bij het spel in een hel daglicht te staan en onbarmhartig wordt de bezitter dezer onvolkomenheden daarop attent gemaakt.

Zoo heeft menigeen in de voetbalsamenleving zijn oneerlijkheid, zelfzucht, verwaandheid of andere slechte eigenschappen afgelegd. Het mes snijdt dus aan twee kanten. Aan den eenen kant kweekt het voetbal de goede eigenschappen aan, aan den anderen kant breekt het de slechte af.

Begrijpelijk is het ook, dat bij een spel van zulk een opvoedende kracht als voetbal, de gelegenheid om menschenkennis op te doen, zeer groot is. Men leert reeds van jongs aan, de menschen kennen en begrijpen....

De voetballers vormen een maatschappij in het klein, een jeugdmaatschappij, waar vroolijkheid en ongedwongenheid heerscht en aan deze jeugdmaatschappij zal in de toekomst, naar we gelooven, niemand de karaktervormende kracht meer kunnen ontzeggen.


1) Alleen de voordeelen die direct uit het practisch voetbal voortkomen zullen hier behandeld worden.
2) Licht-, Lucht- en Zonnebaden bij J. F. van de Ven, Baarn.
3) Hierover wordt later bij de strijdvragen gesproken.
4) Zie hiervoor bijv. „De Hygiëne van het zenuwleven”, door Prof. Dr. A. Forel, in de serie der geneeskundige leekeboekjes.
5) Prof. H. Ragdt „Volks- und Jugendspiele”.
6) Zie hiervoor: J. Buskop „Iets over de techniek van het voetbalspel”.
7) Ik zet hier liever: individualisme, (dat behalve zichzelf alles negeert) dan egoïsme, (liefde tot zich zelf) daar een fijn uitgewerkt egoïsme evengoed als altruïsme (naastenliefde) moet worden beschouwd. Hier dient echter onderscheid gemaakt te worden tusschen egoïsme, in zijn werkelijke beteekenis, als liefde tot zich zelf, en de vaak gehuldigde opvatting van egoïsme, als zou dit een verzameling zijn van alle mogelijke slechte eigenschappen. Zie hierbij bijv. Haeckel: „Welträthsel”, of Carneri: „Grundlegung der Ethik”.
8) De opvoeding van den wil door de spelen, wordt vrij uitvoerig behandeld in het werkje van W. van Daatselaar: „De opvoedkundige waarde van het spel”.

Nadeelen.

Bij de algemeene behandeling van het „voor en tegen”, is reeds gezegd, dat voetbal bij goede beoefening nagenoeg geen nadeelen met zich brengt. Maar het spel wordt vaak overdreven en dan vallen er beslist nadeelige gevolgen van te constateeren. Zoo wil ik dan hier het vraagstuk der overdrijving bespreken, en tevens de aandacht vestigen op het gevaar voor ongevallen, dat ook zonder overdrijving, altijd min of meer bestaat. Ook is het mijn doel, om in dit en de volgende hoofdstukken zooveel mogelijk de wegen aan te geven, die tot verbetering kunnen leiden. Allereerst echter wil ik u toonen welk gevaar deze overdrijving naast die voor het individu, ook voor het voetbal zelf oplevert.

De ouders zien de nadeelige gevolgen ervan en wijten die aan het voetbal zelf, terwijl ook de leeraren vaak het voetbalspel als zoodanig er de schuld van geven. Vele ouders verbieden dan hun kinderen het spel, terwijl ook op meerdere andere wijzen het spel er onder lijdt. Toch wordt door velen bij het onderwijs reeds uitsluitend de overdrijving als oorzaak der nadeelen erkend. Zoo wil ik hier een schrijven aanhalen van den Rector van het gemeentelijk gymnasium en den directeur der gemeentelijke H. B. S. te Nijmegen, gericht tot de ouders der leerlingen.

Met dit schrijven werd door het college van curatoren en de commissie van toezicht op het middelbaar onderwijs volkomen instemming betuigd. De inhoud was als volgt:

„Voor een goeden gang der studiën is het noodig, dat het werken geregeld worde afgewisseld door gepaste en gezonde uitspanning en wij zijn dus geheel overtuigd, dat met mate beoefende sport, en voor den leeftijd onzer leerlingen geschikte vermaken, noodzakelijk zijn. De boog mag niet steeds gespannen wezen. In de laatste jaren hebben echter bij velen, vermaken in sport zulk een plaats ingenomen en zoodanig karakter gekregen, dat de hoofdzaak, de studie er ernstig door geschaad werd. Bals tot in den nacht, meermalen zelfs tot diep in den nacht; ook verzuim der lessen den volgenden morgen, om acht uur of half negen begonnen, kwamen hoe langer hoe meer voor. „De wedstrijd” ontwikkelde zich in onrustbarende mate en hen die elders de eersten waren, zagen wij in de studie maar al te vaak achteruitgaan. We achten het hoog tijd, dat ernstig op het gevaar gewezen worde. Vermindering van belangstelling in het werk, daling van arbeidskracht, waren onmiddellijke nadeelen; daarop volgden vroegrijpheid en soms geblaseerdheid. Studie en karakter leden beide. Ook elders heeft men het euvel geconstateerd en er tegen gewaarschuwd. In onze stad is eveneens maar al te zeer reden om aan te dringen op beperking. Wij, die dagelijks in de gelegenheid zijn, de nadeelige gevolgen te constateeren, verzoeken u daarom dringend, krachtig mede te willen werken, opdat het kwaad hoe eerder hoe liever gestuit worde.”

Gelukkig schijnt het nu niet bij deze klachten en waarschuwingen, die tot nu toe niets vermochten uit te richten, te blijven, getuige het initiatief van de school-voetbal-commissie9) van den Nederlandschen voetbalbond, die onlangs de heeren Dr. A. H. Kan, rector van het gymnasium te Middelburg en M. Horn, directeur van de H. B. S. te Schiedam verzocht, respectievelijk op de eerstkomende vergadering van de vereeniging van leeraren aan de Nederlandsche gymnasia en van de vereeniging van directeuren van Hoogere-Burgerscholen, het onderwerp: „School en Voetbal” in te leiden teneinde de omvang van de overdrijving te kunnen bepalen en de middelen tot bestrijding te bespreken.

Ik geloof wel dat zulk een bespreking ons een stap nader zal brengen bij het onderzoek van de kwestie, maar wat de bestrijding betreft, geloof ik, dat men de juiste middelen hiertoe niet zal vinden of erkennen, want die middelen, welke ik u zal aanwijzen en die m. i. de hoofdvoorwaarde vormen om het kwaad, zoo niet geheel, dan toch voor het grootste deel tegen te gaan, zijn te ingrijpend in het onderwijs dan dat zij nu al zullen worden toegepast. Niet door bloot verbod of tegenwerking is de overdrijving te weren, maar wel door den voetballers duidelijk alle nadeelen er van voor oogen te stellen. Uit eigen overtuiging zal ieder voor zich dan tegen overdrijving waken. Aan de school de schoone taak, den leerling in de eerste plaats de zorg voor de gezondheid te leeren kennen als hoofdvoorwaarde voor een slagen in het leven en in de tweede plaats hem de noodige kennis te geven, die het zorgen voor de gezondheid van lichaam en geest vereischt. Tot nog toe heeft de school dit niet gedaan en dit is m. i. niet alleen de grootste oorzaak voor misbruik van voetbal, maar eveneens voor misbruik van studie en in het algemeen voor het zoo vaak voorkomende misbruik van het geheele leven.

Zien de leeraren en ouders dan niet, dat niet alleen bij voetbal, de gezondheid en andere belangen vaak worden veronachtzaamd, maar dat deze ook veelal worden genegeerd bij het studeeren, dat door de meeste scholieren zeer onoordeelkundig wordt gedaan10), bij de voeding, en massa's andere verrichtingen van oudere menschen even goed als van leerlingen? Zien de leeraren dan niet, dat men, door weglaten op het leerprogramma van een paar vakken als gezondheidsleer en psychologie, een kapitaal aan volkskracht en levensenergie weigert aan te nemen? Er is nog veel te zeggen over deze zaken die ik als hoofdoorzaak voor overdrijving bij voetbal aanmerk, maar dat zou ons te ver voeren.

We willen nu nagaan, waarin de overdrijving bestaat, om daarna de nadeelen ervan te behandelen. Er dient in de eerste plaats een onderscheid gemaakt te worden tusschen overdrijving en verkeerde toepassing van het voetbalspel. Onder verkeerde toepassing versta ik: het spelen van zware wedstrijden des Zondags terwijl in den loop der week nagenoeg geen lichaamsbeweging wordt genoten. Hoe op de beste wijze in dit gemis aan lichaamsoefening te voorzien is, zal in een volgend hoofdstuk worden behandeld bij de bespreking van het verband tusschen voetbal en athlethiek. Het gevaar der overdrijving is voornamelijk gelegen in de wedstrijden en het te vaak achtereen voetballen. De wedstrijden duren m. i. in het bijzonder voor jonge voetballers te lang en worden vaak door verschillende omstandigheden te ver opgedreven.

Een duidelijk bewijs hiervoor is wel, dat het bekende gevolg van oververmoeienis, de stijfheid, zelfs wel optreedt bij getrainde spelers, die zich geregeld oefenen. Ik ken, naast eigen ondervinding, hier vele voorbeelden van en ook „Ten Have” haalt het aan11).

Zoo oordeelt Ten Have ook, dat er niet zooveel gevaar is gelegen in den eigenlijken wedstrijd, indien deze goed geregeld is en de speeltijd niet te lang wordt gesteld (b. v. een half uur, daarna een kwartier rust en nogmaals twintig minuten). Mij lijkt deze speeltijd wel wat overdreven bekort, hoewel ik hem voor zeer jonge spelers aanbevelenswaardig vind. Een regeling van drie kwartier spelen, tien minuten rust en nogmaals een half uur spelen of van vijf kwartier spelen met twee rustperioden lijkt mij het meest bevredigende. Het is niet dan na lange overweging en proefneming, dat ik tot de besliste meening ben gekomen, dat de gestelde tijd te lang is, en het is na lang aarzelen, dat ik besloot, hier op verkorting van den speeltijd aan te dringen, daar ik volkomen begrijp hoe moeielijk dit is tot stand te brengen (voor oudere spelers tenminste) in verband met den vastgestelden speeltijd in andere landen. Ik hoop echter dat mijn opmerking zal meêwerken de aandacht op dit punt te vestigen en een aansporing zal zijn voor ieder voetballer, om het in onderzoek te nemen. Niet vergeten dient te worden, dat bij verkorting van den speeltijd, het voetbal binnen bereik van meerderen komt die nu, wegens een voor hen te langdurige inspanning, er niet aan deelnemen. Nimmer moest de speeltijd mogen verlengd worden, zooals bij seriewedstrijden vaak gebeurt, als er nog geen beslissing is. Ook het spelen van twee wedstrijden op één dag dat hier plaats vindt, is afkeurenswaardig en dient zooveel mogelijk te worden tegengegaan. Eveneens is het wenschelijk het aantal te spelen wedstrijden per seizoen niet groot te maken, opdat tijd overblijve voor onderlinge oefeningen en vriendschappelijke spelen (friendly-games) wier aantrekkelijkheid meestal niet onder behoeft te doen voor die van competitiewedstrijden. Ik zelf speel bijv. liever een onderlinge partij, dan een wedstrijd. Wat nog den speeltijd betreft, kan de tegenwoordig bestaande, wel gehandhaafd blijven bij de gewone oefeningen ten minste voor ouderen.

Het maakt een groot verschil of men een gemoedelijke vroolijke partij voetbal speelt (een oefening) of dat men een wedstrijd speelt, waar een zekere spanning heerscht en de eerzucht hoogtij viert.

Bij mijzelf, en ook bij anderen, heb ik wel waargenomen, dat wedstrijd-spelen meer vermoeide dan gewone oefeningen, hoewel toch op bedoelde wedstrijden niet meer arbeid werd gepresteerd dan op de oefeningen. De zenuwspanning schijnt hierbij wel een rol te spelen. Bij den één zal ze meer, bij den ander, minder werkzaam zijn, afhankelijk van den individueelen aanleg. Maar ook andere invloeden doen zich bij de wedstrijden gelden. Zoo hangt dikwijls van één wedstrijd een kampioenschap af. De spelers willen dan meer presteeren. Hun capaciteiten blijven dezelfde en de meerdere prestatie wordt dan geforceerd ten koste van het lichaam dat meer moet geven dan het normaal kan, in een oververmoeiden toestand wordt gebracht en langen tijd noodig heeft om zich te herstellen.

Een andere invloed, meestal ten kwade, is die, door het publiek op de spelers uitgeoefend. Voetbal moet zijn ontspanning, mag ook soms inspanning zijn, maar moet nooit een zenuwopwindend afbeulen worden. En hiertoe geeft het publiek door haar luide aanmoedigingskreten, die soms in schreeuwen, bellen en fluiten ontaarden, meermalen aanleiding.

Toen ik dit gevaar begon in te zien, heb ik mij systematisch er aan gewend, geen notitie van het publiek te nemen, zoodat alleen het spel m'n opmerkzaamheid trekt en ik van de toeschouwers nagenoeg niets zie of hoor. Bij 3de klasse en soms ook bij 1ste en 2de klas-wedstrijden in den N. V. B. heeft men nog veelal geen last van zulk opwindend gehits, zooals ik het nu maar eens zal noemen, zoodat het gevaar voor een groot gedeelte der voetballers slechts gering is. Het publiek betaalt veelal entree en komt nu wel op het vreemde idee, voor hun geld een mooien wedstrijd te kunnen eischen (dit geldt voornamelijk voor publiek bij eerste klas wedstrijden).

Ieder, die het goed met de voetbalsport meent, zal nu inzien, dat het publiek nooit bij een amateurwedstrijd iets anders voor haar betaling te eischen mag hebben, dan toegang op het terrein. Zoo gauw men een eisch op het spel betrekking hebbende, gerechtigd acht, zijn de spelers niet langer volstrekt amateur. Evenwel kan de voetbalsport tegenwoordig moeielijk meer buiten de entree's, die het publiek bij de wedstrijden betaalt. Mocht echter het publiek aanleiding geven tot verwezenlijking van het gevaar, dat ik u zoo even noemde, dan zou ik in het belang van het voetbal en zijn beoefenaars het liever zonder publiek stellen en op een vergeten, waarschijnlijk heel wat minder geriefelijk terrein, deze sport beoefenen. Beter is het een appel te bezitten, die ofschoon er van buiten minder mooi uitziende, geheel gezond is, dan één, die een prachtigen aanblik geeft, maar van binnen verrot is.

Nu wij gezien hebben, wat we onder overdrijving hebben te verstaan en de voornaamste factoren die haar in de hand werken, hebben nagegaan, zullen we de gemeenschappelijke gevolgen van deze overdrijving en de verkeerde toepassing van voetbal bespreken. Ze zijn schadelijk voor lichaam, geest en karakter, als ook voor de studie of andere dagelijksche werkzaamheden. In de eerste plaats ontstaat in den toestand van oververmoeidheid een algemeene stijfheid, die geleidelijk toeneemt, om na één of meerdere dagen langzaam weer te verdwijnen. Haar optreden wordt bewerkt door de z.g. vermoeiingsstoffen, die bij spierarbeid zoowel als bij geestelijken arbeid ontstaan en niet tijdig uitgescheiden kunnen worden. Zij hebben een giftige werking en verwekken spierpijn bij te veel lichamelijken dofheid en hoofdpijn, bij te veel geestelijken arbeid. Zij werken verlammend ook vooral op de hartspier, waardoor een verzwakte werking van het hart en een versnelde en zwakke polsslag optreedt. Bovendien brengt deze stijfheid het lichaam in een toestand, die uiterst vatbaar maakt voor ziekten. De etenstrek is sterk verminderd, daar de groote vermoeidheid een verminderde afscheiding van het maagsap ten gevolge heeft. Ook de slaap moet het ontgelden. Hij is onrustig. Ja, bij zeer groote vermoeienis is het zelfs niet mogelijk in slaap te komen.

De gevolgen hoopen zich steeds op en sleepen nog andere na zich. Zoo ontstaan als indirecte gevolgen, de feiten, waarop gewezen wordt in het schrijven op blz. 19 aangehaald. De jongelui voelen zich na afloop van den wedstrijd slap en moe, ontvluchten 's avonds hun thuis, waar ze natuurlijk meeningen omtrent hun „Voetbal” vinden, die door hun gedrag in sport veroorzaakt, geheel in strijd met de hunne zijn. Zij zoeken dan veelal hun troost bij elkaar in een of ander café, onder grootdoenerij.

Deze verslappingstoestand van de jongens wordt een sleur, waaruit de zoogenaamde vroegrijpheid, geblaseerdheid enz. ontstaan. Natuurlijk zijn ook andere oorzaken van even twijfelachtige waarde mede werkzaam het vroege kroegbezoek te bevorderen en het verslappingsproces in de hand te werken, maar hierover zullen we 't niet hebben. We zullen liever zien, hoe de ophooping van overtredingen der gezondheidswetten, blijvende kwalen doet ontstaan en ons vroeg oud maken. Het is een bekend feit dat overmatige lichamelijke arbeid bijna altijd blijvende hart- en longgebreken ten gevolge heeft. Zoo heeft Prof. Wenckebach, de Groninger specialiteit voor hartziekten, onlangs de aandacht gevestigd op de vele, door sportoverdrijving ontstane hartziekten, welke o. a. in Engeland voortdurend weer voorkomen. Het slotresultaat van de overdrijving is: hartvergrooting met verslapping der hartspieren.

Het verraderlijke van dit verschijnsel is wel, naar Prof. Th. Schott (Nanheim) aantoont, dat het langzamerhand optreedt, zonder dat de betrokken persoon het opmerkt. Ook gebreken der klapvliezen en latere vaatverkalking kunnen gevolg zijn van sportoverdrijving. Van de longen wordt evenals van het hart veel te veel arbeid gevergd. Ze worden in oververmoeiden toestand gebracht, die zoowel acute als chronische longaandoeningen tengevolge kan hebben.

Ook de andere organen moeten zooals vanzelf spreekt op den duur verzwakken, daar alle organen met elkaar in verband staan en van elkaar afhankelijk zijn.

Een bijzonder leelijk gevolg van de overdrijving voor jongeren, is de belemmering in de ontwikkeling van het geheele lichaam. Jonge menschen hebben normaal veel meer voedsel noodig dan ouderen, eenvoudig omdat voor den groei een meerdere hoeveelheid noodig is. Wordt nu bijv. door overdreven voetbal te veel arbeid besteed, dan gaat het voedsel hieraan verloren en de geheele ontwikkeling van den betrokkene lijdt er onder. Men zal misschien denken, dat dan meerdere voedselopname de fout weer zal herstellen, maar dat is niet zoo, daar de capaciteit van de maag een grens heeft, zoodat eerder de fout er door verergerd wordt. En toch ondanks al de genoemde gevolgen, zou er nog niet zoo over voetbaloverdrijving worden geklaagd als de studie er niet zoo ernstig onder leed. Goede studie in oververmoeiden toestand is niet mogelijk. De hersens zijn niet in staat de zaken voldoende te verwerken, terwijl soms ook zelfs een paar dagen na de gepleegde overdrijving, de werklust nog nagenoeg ontbreekt.

Naast de aanmerkingen hierover wordt ook wel geklaagd, dat voetbal te veel de gedachten der beoefenaars in beslag neemt, zoodat deze van de studie worden afgeleid. Maar het kan toch in geen geval aan het voetbal verweten worden, dat het zoo'n groote belangstelling bij de beoefenaars verwekt. Het is trouwens best te begrijpen, dat jonge levenslustige menschen liever aan iets anders denken dan aan de studie, waar zij dagelijks volop over te hooren krijgen. Dat het juist het voetbal is, waarover vele leerlingen zoo vaak spreken, meen ik te moeten toeschrijven aan de weinige algemeene ontwikkeling en liefhebberijen die zij er op nahouden12). Geef zulke leerlingen voor hen interessante en leerrijke stof ter overdenking en moedig hun liefhebberijen aan, m. a. w. breidt hun gedachtenkring uit naar andere zaken die zij mooi vinden, die in staat zijn hun belangstelling gaande te maken en het resultaat zal meestal spoedig kunnen worden waargenomen. Ik zeg: meestal, want er zijn ook individuen waarbij niets te bereiken valt, die als het ware verkeerd willen en deze bestonden vroeger, vóór het voetbal werd ingevoerd, even goed als nu. Voor zulke typen is het misschien zelfs een geluk, dat het voetbal er is om hen bezig te houden. Bestond er geen voetbal, dan zouden zulke patiënten naar mijn meening met evenveel ijver, andere, wellicht heel wat minder nuttige zaken die hen genoegen brachten najagen. Bovendien geloof ik dat inplaats van zich over het sportenthusiasme13) te verontrusten, men eerder redenen heeft zich er over te verheugen. Dit idee komt sterk uit in eenige alinea's van de kanselrede uitgesproken door Ds. Beijerman in de Remonstrantsche kerk te 's-Gravenhage op 27 Juni 1909. Ik zal ze U hier weergeven.

—„Spreken wij over menschen die met vuur opkomen voor de dingen waarvan ze vervuld zijn, dan denken we voor alles aan onze jonge mannen als zij het hebben over hun lichaamsoefeningen. Zij zijn vol van de wedstrijden die ze onder elkaar organiseeren, hebben een vurige vereering voor hun clubs en hun kampioenschappen en ijveren vol bezieling voor de sport die ze beoefenen. O, we zijn er niet blind voor, dat hun studie en hun werk soms lijden kunnen onder dat groote sportenthusiasme en we zouden niet gaarne verzuimen hen er aan te herinneren, dat er grooter en hooger dingen in de wereld zijn, maar toch, laten we er dankbaar voor zijn en het toejuichen dat onze jongelingschap idealen kent, dat onze jonge mannen in vuur kunnen komen voor een zaak die zij goed achten, dat daar in hun hart nog plaats is voor gloed en geestdrift.”—

We hebben nu in voorgaande bladzijden gezien, hoe voetbal bij goede beoefening ons als een bewonderenswaardig nuttig spel ten dienste staat. Maar we hebben ook gezien welke slechte gevolgen de overdrijving na zich sleept. Waar nu is de grens tusschen goed en kwaad? Hoe moet men de juiste maat vinden bij de beoefening? Het „ken u zelven” moet ieder hier toepassen, zegt Ten Have14) terecht. Ieder moet zijn eigen krachten leeren kennen en in verband met zijn noodzakelijke kennis van de gezondheidsleer, daaruit besluiten hoever hij gaan kan.

Hiermede kan ik het vraagstuk der overdrijving laten rusten, om het eenige werkelijke nadeel van voetbal te gaan beschouwen, nl. het gevaar voor ongevallen. Gevaar bestaat overal en altijd. Door onvoorzichtigheid of onstuimigheid kan men van een trap vallen of op straat uitglijden en den enkel verzwikken, zoo niet erger. Bij schaatsenrijden kan men door het ijs zakken of zich door vallen hevig bezeeren. Bij het zwemmen verdrinken jaarlijks tientallen. Niet te ontkennen valt het echter m. i., dat bij voetbal de kans op een tijdelijk licht ongeval grooter is, dan bij de meeste andere spelen. We lezen er meermalen van, dat een speler bij een wedstrijd, wegens een blessure, het veld moet verlaten. Toch zijn de blessures zeer zelden ernstig. Mulier15) schrijft dat bij watersport, ijssport, paardensport en rijwielsport, veel meer ongelukken voorkomen en ongelukken van blijvenden aard. Deze laatsten komen nl. bij voetbal nagenoeg niet voor.

In het vragenlijstje, gericht tot de hoogleeraren, genoemd op blz. 13, was de 6de vraag:

„Acht u het voetbalspel bijzonder gevaarlijk of gevaarlijker dan andere sporten?” 2 hoogleeraren antwoordden: ja, 3 vonden het wel min of meer gevaarlijk en de rest antwoordde niet. De zevende vraag luidde: „Heeft uwe praktijk u het bewijs geleverd dat het voetbalspel gevaarlijk is? Zijn u ernstige ongevallen bekend?” De meeste hoogleeraren antwoordden weer niet, één antwoordde bevestigend, twee: ontkennend, één zei: nu en dan en ook een: slechts enkele. Zelf heb ik in de 13 jaar die ik voetbal slechts enkele blessures opgeloopen, waarvan geen enkele mij heeft gehinderd mijn studies of anderszins waar te nemen. Meestal zijn de ongevallen toe te schrijven aan te onbesuisd of te hartstochtelijk spel. Gelukkig dat het spelreglement hiertegen zooveel mogelijk waakt, doordat het den scheidsrechter de opdracht geeft, om met vastgestelde straffen voor verschillende overtredingen tusschenbeide te komen.

Spel, dat gevaar oplevert of op kan leveren voor lichamelijk letsel wordt ten allen tijde gestraft. Dus ook heeft de scheidsrechter de spelers tegen hun eigen spel te beschermen. Dit is tenminste de meening van de bewerkers van het spelreglement. Te bejammeren vind ik het, dat de heer Groothoff16) deze opvatting bestrijd. Zoo schrijft hij o. a.: „Verder is het onjuist een vrijen schop te geven omdat een speler den bal laag bij den grond kopt en er een speler der tegenpartij in de onmiddellijke nabijheid is. Het is een onvoorzichtigheid van den speler zelf, waarvoor hij ook zelf verantwoordelijk is.”—Hoeveel gevaar is er echter niet aan verbonden, laag bij den grond te koppen. Ik zelf heb het geval bijgewoond dat een speler, door zoo te handelen, een trap tegen het oog kreeg. Zoo'n voorval is zeker niet geschikt, een goede meening over het spel te vormen en is tevens zeer onaangenaam voor alle medespelers en in het bijzonder voor de beide betrokkenen. Neen, de artikelen tegen gevaarlijk spel moeten ten doel hebben, alle gevaarlijk spel bij voetbal te weren. Het spelreglement moet even goed den speler tegen zijn eigen onbesuisdheid beschermen, als tegen roekeloos spel der medespelers. Iedere andere opvatting kan niet anders dan het voetbal en zijn beoefenaars nadeel berokkenen, en moet dus op verkeerde grondslagen berusten. Nu deze kwestie afgehandeld is, zijn we aan het einde van dit hoofdstuk gekomen. Nog is men wel op zoek gegaan naar andere nadeelen van het spel en heeft men hier en daar iets gevonden, dat als zoodanig, echter ten onrechte, werd betiteld. Daar ze hier dus volstrekt niet thuis hooren, zullen we in het volgend hoofdstuk mede een paar belangrijkste dezer aantijgingen de revue laten passeeren.