Den dertienden December, vroeg in den morgen, als koude en duisternis regeerden over het land van Wermeland, kwam nog in mijn kinderjaren de heilige Lucia van Syracuse alle huizen binnen, die tusschen de Noorsche rotsen en de Gullspangself lagen. Zij droeg nog—ten minste voor de oogen van kleine kinderen—een gewaad, wit van sterrenlicht. Ze had in 't haar een krans met vurige lichtbloemen, en ze wekte nog altijd de slapenden met een warmen geurigen dronk uit haar koperen kan.
Nooit zag ik in dien tijd iets zóó heerlijks, als wanneer de deur openging en zij in de duisternis van de kamer kwam. En ik zou wel willen, dat ze nooit mocht ophouden zich op de hoeven van Wermeland te vertoonen.
Want zij is het licht, dat de duisternis bedwingt, zij is de legende, die de vergetelheid overwint, zij is de warmte van 't hart, die bevroren landen midden in den winter aantrekkelijk en zonnig maakt.
DE KANONNIER.
De deur van de kamer, waar zij haar ziek kind zit te verplegen, wordt opengerukt, en een stem, heesch van schrik door het vreeselijke, wat ze moet meedeelen, roept naar binnen:
„Je man is gek geworden! Hij heeft zich voor 't kanon gegooid. Hij is doodgeschoten!” Daarop wordt de deur dichtgeslagen en hij, die dat verschrikkelijke bericht bracht, snelt weg. Hij wil misschien niet blijven om getuige te zijn van de wanhoop van de vrouw. Of ook hij is zoo vervuld van wat er elders gebeurt, dat hij zich maar even den tijd heeft gegund om gauw hierheen te komen met dit bericht en nu verlangt daarheen terug te gaan.
De vrouw volgt hem ook oogenblikkelijk. Zij roept het kind toe, stil te blijven liggen tot zij terugkomt en snelt de straat op, zonder zich zelfs den tijd te gunnen, de deur te sluiten. Ze weet heel goed waar ze heen moet: naar die groote open plaats bij de kazerne, waar de parade zal worden gehouden.
Nog gisteren avond wandelde ze daar met haar man voorbij. Hij had haar alle toebereidselen laten zien.
„Kijk daar nu eens heen,” had hij gezegd. „Dat is de tribune voor den president. Daar zit Mijnheer Carnot morgen, met onzen burgemeester naast zich en de ministers, prefecten en generaals om zich heen. En hier vlak over is de tribune voor de stadsbewoners. Hier zitten de deftige menschen, maar daar beneden zullen zij, die geen geld hebben om een billet te nemen, zich wel verdringen. Als je van huis kunt, moet je daar ook gaan staan. Dan kun je de heele manoeuvre zien en de toespraken hooren. Daar kun je mij ook zien,” had hij er schertsend bijgevoegd.
„Nu, waar zul jij dan staan?” had ze gevraagd.
„Waar zou ik anders wezen dan bij mijn dierbaar kanon? Zie je 't niet? 't Staat daar vlak onder de presidentstribune. Dat moet afgeschoten worden om de troepen het teeken te geven, dat de plechtigheid moet beginnen.”
„Arme mijnheer Carnot!” had ze toen gezegd. „Jelui hebt het kanon vlak voor hem opgezet. Maar dat knalt immers zoo verschrikkelijk, heb je daar niet aan gedacht? Hij kan er wel doof van worden.”
„Och, wat dat betreft... hij is nu wel geen krijgsman, die Carnot, maar een beetje kanongebulder moet een president van Frankrijk toch kunnen verdragen. Maar weet je wat ik erger vind: dat de tribune voor de toeschouwers zoo vlak tegenover mijn kanon staat. Nu ja, we schieten alleen met los kruit, maar een kanon is toch geen speelgoed. Ik vind het altijd akelig het af te schieten als het met den mond tegenover een groote massa menschen staat.”
Onder die wandeling had ze gedacht, dat ze al dat moois wilde komen zien. Maar dien morgen vond ze, dat hun kleine jongen niet heel wel was. Ze had dus thuis moeten blijven.
En nu... wat is er gebeurd? Haar man, die zoo blij, zoo vergenoegd, zoo trotsch op zijn dierbaar kanon was! Zou hij krankzinnig geworden zijn? Zou hij zich voor den mond van zijn kanon gegooid hebben. Maar dat is immers onmogelijk! Ze merkt op eens, dat ze schreeuwt, terwijl ze voortrent. Ze ziet zelf hoe akelig ze er uit moet zien, zooals ze daar over de straat vliegt. Op eens houdt ze zich in en begint behoorlijk te loopen. Bij de gedachte aan haar man herwint ze haar zelfbeheersching. Hij placht er dikwijls over te spreken, hoe hij zich wel zou houden als hem plotseling iets verschrikkelijks overkwam.
„Eigenlijk moest men geen soldaat mogen worden, voor men een of andere proef had afgelegd,” placht hij te zeggen. „Neem nu mij maar. Ik ben nooit in den oorlog geweest, weet ik hoe ik me zal gedragen als de kogels om me heen fluiten? Misschien word ik bang. Misschien raak ik heelemaal mijn kop kwijt. Dat kun je nooit weten.”
„Wel nee! Jij blijft tot het laatst op je post,” had ze geantwoord.
„Laat ons dat maar hopen. Maar dat is wezenlijk iets, waar je nooit zeker van kunt zijn. In zulke oogenblikken ben je jezelf niet meester. Dat hangt er van af, of dat wat in je is sterk of zwak is. Voor je de proef doorstaan hebt, weet je niet hoe je doen zult als een groot gevaar dreigt.”
Als ze zich dat herinnert, bedwingt ze zich zelf en begint langzaam te loopen. Maar dat duurt niet lang. Wat geeft zij er om of ze zich bezonnen toont? Haar man is immers dood, doodgeschoten! Ze moet voortrennen, ze moet schreeuwen! Ze kan niet anders.
't Feestterrein is niet ver weg. Ze is daar in een oogenblik. Ze ziet de beide tribunes. Ze zijn vol menschen, die op de banken staan, die schreeuwen en gestikuleeren. Er is dus iets gebeurd. 't Was geen ellendige grappenmaker, die haar aan 't schrikken wou maken en hierheen lokken.
Ze blijft niet staan om te vragen waar haar man is. Dat hoeft niet. Ze weet de richting, die ze uit moet. Ze heeft het kanon maar te zoeken.
Ze ziet, dat het nog op zijn plaats staat, zooals dien vorigen avond, 't Veld daarvoor is leeg—bijna leeg ten minste. Midden op de open plaats staat een groep menschen, die stil zijn; die niet schreeuwen of verschrikte gebaren maken, zooals de anderen.
Ze wordt tegengehouden door menschen, die de plaats afzetten, maar de politieagent, die haar kent, maakt plaats voor haar.
„Ga daarheen! Daar vindt je hem,” zegt hij en wijst naar het troepje midden op het veld.
Ze komt naderbij, terwijl ze voortdurend luide kreten uitstoot. Toen ze op een paar stappen afstands is gekomen, wordt een in die stille, zwijgende groep haar gewaar. Een hooggeplaatst officier, die gebogen heeft gelegen over iets onbeweeglijks, dat op den grond ligt, staat op en gaat haar tegemoet.
„Wacht even,” zegt hij. „Gaat u nog niet naar hem toe. Laat ik u eerst vertellen wat er gebeurd is.”
Ze blijft schreeuwen en probeert den officier op zij te dringen om door te kunnen loopen.
„Wacht!” zegt hij en vat haar krachtig bij den arm. „U moet hem nog niet zien. U moet eerst weten...”
„Ik weet, dat hij krankzinnig is geworden en zich voor 't kanon heeft gegooid.”
„Neen,” zegt de officier. „U weet niets. Zoo is het heelemaal niet.”
Zijn manier van doen maakt haar zooveel kalmer dat ze zwijgen kan. Ze begint een klein beetje hoop te krijgen. Misschien leeft haar man nog. Misschien is hij alleen maar gewond.
„Ziet u dat kanon daar, Mevrouw?” zegt de officier. „U weet, dat uw man dat zou afschieten. En ziet u die tribune daar, die midden voor het kanon is gebouwd?”
„Ik zag dat gisteren al, Mijnheer,” snikt de vrouw. „Mijn man liet me zien hoe alles in orde was gemaakt. Hij vond het niet goed. Hij wilde zooveel menschen niet graag voor den mond van zijn kanon hebben, als 't geen vijanden waren, die neergeschoten moeten worden.”
„Welnu,” zegt de officier. „Uw man kreeg 't bevel te schieten en hij had de lont in 't kanon gestoken. Maar op 't oogenblik, dat we allen verwachten, dat het schot af zal gaan, schreeuwt hij het uit, strekt de armen omhoog en gooit zich met een sprong voor den mond van 't kanon, alsof hij 't schot wil verhinderen af te gaan. Allen, die 't zagen, dachten dat hij krankzinnig was geworden. 't Schot ging natuurlijk af en uw man werd ver over 't veld geslingerd, tot waar hij nu ligt.”
Ze wil zich weer loswringen om vooruit te dringen, maar de officier houdt haar terug.
„Wacht nog even,” zei hij. „U moet weten wat we zagen toen we daarheen snelden om zijn toestand te onderzoeken. Zijn geheele lichaam was doorboord met een massa ijzeren draden. U, die met een kanonnier getrouwd is, weet natuurlijk wat een kanonwisscher is?”
„Ja,” antwoordde zij.
„Uw man had zoo'n ijzeren kwast gebruikt om 't kanon schoon te maken, en had er dien door een of ander verzuim niet uitgenomen, zoodat die nog in het kanon zat, toen het schot afging. Hij had daar niet aan gedacht, voor op 't laatste oogenblik, toen de lont er al in gestoken was. Toen heeft hij in een oogenblik voor zich gezien—want voor denken had hij geen tijd—wat er gebeuren zou, als die vreeselijke lading de tribune vlak voor ons zou treffen. Al die losgelaten stukken ijzer zouden even veel menschen hebben doorboord. Toen werd hij door een bovenmenschelijk medelijden aangegrepen en hij vloog naar voren om de lading in zijn eigen lichaam te ontvangen.”
„O mijn God!” barst de vrouw uit en vouwt de handen.
Op dat oogenblik laat de officier haar arm los.
„Mevrouw,” zegt hij. „Nu wil ik u niet langer beletten uw man te zien. Denk er aan, dat die verwoeste overblijfsels het edelste, wat er in de wereld is, hebben omsloten. 't Zal u lichter vallen dat gezicht te verdragen als u weet, dat hij dit uit eigen vrijen wil heeft gekozen om al die anderen te kunnen redden. En denk er ook aan, Mevrouw, dat wij allen, zijn wapenbroeders, hem zulk een heldendood benijden. Goed te handelen midden in 't gevaar, als er geen tijd tot bezinnen is, als het om 't leven gaat—dat is een bewijs van grootheid. Dat is een heldenziel in zich omdragen.”
DE GESCHIEDENIS VAN ZUSTER OLIVE.
Op het dek van een groote stoomboot in de Middellandsche Zee waren menschen van allerlei nationaliteiten bijeen. De meesten waren Engelschen of konden ten minste engelsch spreken; maar er waren er ook onder, die fransch spraken en die vormden meestal een afzonderlijke groep. Tot dat kleine gezelschap behoorde onder anderen een paar Franschen van middelbaren leeftijd, (de eene werkte op een consulaat, de ander was een hooggeplaatst officier), met hun vrouwen, een mooie kleine belgische schilderes en een italiaansche diacones.
Ze zaten allen te zamen op een avond na 't middagmaal en spraken over Engelschen en Amerikanen. Een van de heeren hield over dat onderwerp een geestige causerie en vergeleek hen op de beminnelijkste en amusantste wijze met zijn eigen landgenooten. Maar de jonge belgische vrouw viel hem snel in de rede.
„Neen, Mijnheer de Consul,” zei ze, „U hebt ons nog niet gezegd wat het voornaamste verschil tusschen U en de Anglosaxen is.”
„Ach!” zei de oude heer, wat spotachtig, „het voornaamste verschil! Hebt U dat werkelijk gevonden, Mevrouw?”
„Ja, ik geloof, dat het dit is: dat zij allen een innerlijke roeping hebben. Vraag het hun maar, dan zult U het hooren. Allen, die hier aan boord zijn hebben een bepaald soort zending. De een reist naar het oosten om melaatschen door handoplegging te genezen, een ander wil ons afleeren vleesch te eten. Die heer daar is van plan het oude Armenische rijk weer te herstellen, en die jonge man, waar hij mee spreekt, wil een luchttorpedo uitvinden.”
„Nu, en wij dan,” zei de consul en wierp snel een blik op zijn reisgenooten, „wij hebben toch ook geen gebrek aan menschen, die een innerlijke roeping volgen.”
„Pardon, Mijnheer!” zei de Belgische, „U blijft in den stand, waarin U is geboren, of U wordt, wat uw ouders wenschen, dat U worden zult. U laat U door het leven leiden. Maar die anderen willen het leven, en ons er bij, op 't sleeptouw nemen, en ons brengen waar zij goed vinden.”
„Nu ja,” zei de andere Franschman bemiddelend, „daar kunt u gelijk aan hebben, Mevrouw, als u meent, dat men onder ons niet zoo vaak menschen vindt, die behebt zijn met den lust om ongerijmde dingen te doen.”
Maar de eerste spreker luisterde niet naar hem. Hij probeerde de bewering van de schilderes te ontzenuwen. „Zuster Agnes!” riep hij en wendde zich tot de diacones, „U hebt veel fransche zusters in uw orde. Wil u ons wel zeggen of haar de innerlijke roeping ontbreekt?”
„Ik kan u, helaas, niet te hulp komen, Mijnheer Bartout,” antwoordde de diacones. „Ik geloof niet dat zij daar slechter verpleegsters om zijn. Maar er zijn niet veel onder hen, die zieken verplegen, omdat ze van den beginne af aan den liefsten wensch van hun ziel gevolgd hebben. De meesten zijn blij geweest, dat ze zich aan die roeping hebben kunnen wijden, toen alles wat zij wenschten in dit leven, hun ontnomen was.”
„Maar u zelf, Mevrouw?” Mijnheer Bartout wendde zich weer tot de Belgische. „U is schilderes; u hebt al naam gemaakt...”
Voor nog de Belgische had kunnen antwoorden, viel de andere Franschman in: „Ik geloof, dat we Mevrouw Adrienne niet heelemaal goed begrijpen. Mevrouw denkt niet aan rijk begaafde menschen, die hun aanleg willen volgen. Mevrouw meent met de innerlijke roeping een lust, een idee fixe, dat de menschen bezielt, zelfs al zijn ze niet meer dan middelmatig, en die ze er toe brengt fantastische en onmogelijke dingen te ondernemen.”
„Maar als de innerlijke roeping er is moet ook de kracht er zijn. Roeping kan niet falen.”
„Ach Mijnheer,” barstte de Belgische uit. „Innerlijke roeping! Is er iets wat meer bedriegelijk is?”
„Mevrouw Adrienne meent, dat het eer een voorrecht is, als wij, Franschen die missen,” zei een van de Fransche dames.
„Ik voor mij geloof, dat u te kritisch is aangelegd om die te volgen. U weet maar al te goed, dat de innerlijke roeping ons altijd misleidt.”
Na die uitspraak vergat men heelemaal, dat men was uitgegaan van een vergelijking tusschen Franschen en Engelschen. Allen begonnen te spreken over aanleg en roeping, en men haalde verscheiden voorbeelden aan van de wonderlijke toestanden, die er konden ontstaan, wanneer deze beide niet overeen stemden.
„Ik ken een groot schrijver,” zei een van de dames, „die meent, dat zijn leven mislukt is, omdat hij geen balletmeester is geworden. Hij verzekert voortdurend, dat dit zijn eigenlijke roeping was en dat hij helaas! die niet heeft kunnen volgen.”
De meesten meenden, dat het innerlijke verlangen ons bijna zonder uitzondering misleidde. Alleen Mijnheer Bartout hield vol, dat het een veilige leidsman was, die we niet moesten aarzelen te volgen.
„Wat anders hebben wij menschen om ons aan vast te houden?” vroeg hij.
„Maar Mijnheer Bartout, ik herinner me nu, dat ik een van uw landgenooten heb gekend, die haar innerlijke roeping volgde,” zei de diacones. „Als u 't goedvindt, zal ik u haar geschiedenis vertellen. Zij was een van onze allerbeste ziekenverpleegsters. Zij was in onze orde opgenomen, lang vóór mij, en zij heeft mij in mijn werk ingeleid. Zuster Olive was een Fransche, maar ze leek zóó weinig op alle Franschen, die ik gezien had, dat ik haar in 't begin voor een Duitsche of een Zwitsersche aanzag. Een Fransche moest, meende ik, òf een mooie en gevulde vrouw zijn met een olijfkleurig tint en levendige bruine oogen, òf klein, tenger, verfijnd, zooiets als een vlokje. Zuster Olive daarentegen was groot, mager, heelemaal niet mooi, maar sterk en vroolijk met een gezicht, dat vertrouwen inboezemde. En nog meer werd ik verwonderd over haar uiterlijk toen ik hoorde, dat Zuster Olive een grootheid was geweest, een beroemdheid, dat zij eens Mademoiselle Olive Miteau had geheeten, dat ze in een elegante villa had gewoond, eigen paarden bezeten en dat ze met alle meest beduidende menschen in Europa had omgegaan.
Zuster Olive was tooneelspeelster geweest vóór ze diacones was, en bovendien een groote en superieure tooneelspeelster, die alle menschen kenden, ten minste alle menschen in Parijs. Wel was ze niet zulk een grootheid, dat ze de heele wereld door had moeten reizen om de eene maand in San Francisco en de andere maand in St. Petersburg te spelen, maar ze had zulk een goede positie gehad, als iemand zich maar kon wenschen. Ze was de lieveling van 't heele publiek, de tooneelcritiek had bijna nooit iets onaangenaams van haar te zeggen. Ze verdiende veel geld en ze trad op in het Theatre Français.
Toen ik Zuster Olive zag, had ik—zooals ik al zei—moeite om te gelooven, dat dit mogelijk was. 't Kwam me ongelooflijk voor, dat Zuster Olive voor een jonge Parijsche gespeeld had. Ze had zooiets hoekigs over zich; geen blanketsel en geen toiletten konden Zuster Olive verleidelijk of betooverend maken. Maar ik hoorde ook al spoedig, dat Zuster Olive zulke rollen ook nooit had gespeeld; maar dat haar kracht daarin lag, dat ze kleine meesterwerken schiep uit rollen, die geen ander op zich had willen nemen. Ze speelde dienstmeisjes en oude vrouwen, ze was waardin en concierge, groentevrouw en boerin. En ze stelde al die eenvoudige typen zóó trouwhartig en aandoenlijk voor, zoo vol liefde en met zoo groote kunst, dat het haar was gelukt een vaste positie bij het Theatre Français te krijgen.
Zuster Olive had altijd hard gewerkt en zich nooit ontzien. Zij was indertijd een van de meest onontbeerlijke krachten van het theater. Haar positie was eigenlijk beter dan die van de anderen, want al oogstte zij nooit zooveel eer in als de prima donna zelf, zij had daarentegen haar eigen rollen, die niemand haar afhandig zocht te maken. Over 't algemeen intrigeerde niemand om haar te schaden; ze was een goede, eerlijke kameraad, waar allen van hielden.
Zelf gaf ze dikwijls op haar ouden dag toe, dat zij het uitstekend had gehad, en dat het jammer was geweest dat zij zulk een dwaasheid had begaan, dat zij van haar plaats aan het theater afstand moest doen. Maar 't ongeluk was, dat Zuster Olive zulk een innerlijke roeping had, als waar we zoo juist over spraken, dat er iets was, waar zij haar heele leven naar streefde en dat ze niet kon opgeven.
't Is heel waarschijnlijk, dat Zuster Olive nu en dan begreep, dat haar wensch dwaas was, maar haar gedachten hadden zich haar leven lang in dezelfde richting bewogen, en eindelijk kon zij ze niet langer bedwingen. Men kon even goed een vallenden steen toeroepen stil te houden en in de lucht te blijven zweven.
Zuster Olive was eigenlijk geen geboren Parijsche, maar een boerendochter uit Normandië. Ze had haar kindsheid en haar eerste jeugd onder onbeschaafde boeren doorgebracht. Tot haar zeventiende jaar had ze nooit een stad of een theater gezien.
Maar eens, toen zij volwassen was, ging ze met haar ouders naar de markt in Cacu en daar was Vader Miteau zoo royaal, dat hij zijn vrouw en dochter mee naar het theater nam.
Daar zag Zuster Olive haar eerste tooneelstuk en dat was Hernani,—Hernani van den grooten Victor Hugo.
Van het oogenblik af, dat het scherm opging, was zuster Olive in een andere wereld en leefde met heel haar ziel op het tooneel. Niets kwam haar daar vreemd voor, ze begreep alles van het eerste oogenblik af, ze trachtte zich alleen nog te herinneren waar en wanneer ze dit alles al beleefd had.
Terwijl ze daar zat, kwam het haar ongeloofelijk voor, dat zij Olive Miteau was, een meisje van 't land, dat onder groene appelboomen op een boerenhoeve was opgegroeid. Wat ze nu zag, was haar eigenlijk tehuis. Ze zag geen tooneelstuk, ze leefde alles mee. Ze was aldoor zelf de Schoone Spaansche Donna Sol; ze werd bemind door Keizer Karel V en door Hernani, en toen op den avond van de bruiloft de horen van graaf Luna weerklonk, voelde zij zich even vernietigd, alsof Hernani aan haar zelf ontnomen werd.
Na dien avond in het theater van Cacu had Zuster Olive maar één gedachte. Alle wenschen, heel het verlangen van dat arme boerenmeisje gingen uit naar het tooneel. Ze wilde tooneelspeelster worden en Donna Sol spelen.
't Was natuurlijk niet gemakkelijk voor haar zich van haar tehuis los te maken, maar Zuster Olive overwon alle moeilijkheden. Ze overtuigde haar vader Miteau en haar moeder, en overwon den tegenstand van een jongen man, die op haar en haar bruidschat wachtte. En zoo gebeurde het, dat zij, die niet anders had gedaan, dan eten gekookt en appelwijn gemaakt, zich aansloot bij een rondreizend tooneelgezelschap.
Heel dat eerste jaar, tot ze goed Parijsch Fransch had leeren spreken, kreeg Zuster Olive niets anders te doen dan dweilen en vegen, het tooneel opruimen, en de werkelijke tooneelspeelsters helpen. Dat was geen gemakkelijke taak voor een aanstaande Donna Sol: het fluweel over den troon af te schuieren, en de toiletten van de prima donna in orde te houden. Maar Zuster Olive verdroeg alle beproevingen met haar gewone opgewektheid, en al haar kameraden hielden van haar, allen hoopten, dat ze gauw zou mogen optreden. „Och, u moest toch een geschikte rol voor die arme Olive zoeken,” zeiden ze tegen den directeur.
Eindelijk kreeg Zuster Olive een rol, maar geen rol zoo als ze gehoopt had. Ze had een Koningin willen spelen, maar men liet haar optreden als de vrouw van een molenaar. Ze moest onbeschaafd zijn en met een grove stem spreken, zich in eenvoudige kleeding vertoonen en vol meel zitten.
Zuster Olive vertelde dikwijls, dat ze, toen ze die rol kreeg moedeloos werd en begon te schreien. Vroeger, toen ze trappen en vloeren veegde, had ze nooit geschreid.
Zelfs de prima donna verwaardigde zich haar te troosten en zei, dat ze nu blij moest wezen, omdat ze zich eindelijk op het tooneel mocht vertoonen. Ze zou nooit aan Donna Sol toekomen, als ze niet als molenaarsvrouw begon. Zij, de prima donna zelf, was als schoenmakersjongen begonnen.
Zuster Olive studeerde dus de rol in en speelde die zoo goed ze kon. Maar na haar eerste optreden schreide ze weer. 't Was voortreffelijk gelukt: het publiek had geapplaudisseerd en de kameraden hadden haar gefeliciteerd. Dit was het, waarvoor ze geschikt was. Een oude, geroutineerde tooneelspeelster had het niet beter kunnen doen.
Maar Zuster Olive schreide. Ze gaf er niet om of ze haar al prezen voor haar molenaarsvrouw. Er was iets in haar, dat haar waarschuwde, dat vooruit voelde, dat deze Donna Sol in den weg stond.
En Zuster Olive had wel reden om te schreien. 't Was alsof ze al 't verdriet voorzag, dat haar wachtte. Van dit oogenblik af mocht ze altijd optreden, maar niet in een rol, die haar voldeed. Ze mocht nooit in verzen spreken, en als er romantische stukken werden gespeeld met vorsten en vorstinnen werd zij van het tooneel geweerd.
Zuster Olive werd dit eindelijk moe en solliciteerde om een plaatsing bij een ander tooneel. 't Viel haar niet moeilijk die te krijgen. De directeuren vochten om haar. Zij, van haar kant, onderteekende geen contract vóór de directie zich verplichtte haar Donna Sol in Hernani te laten spelen. En dan liet de directeur haar gewone rollen spelen, waar ze altijd succes mee had, maar Hernani—Hernani, verklaarde hij, was verouderd en trok geen menschen. Dat durfde hij niet op zijn repertoire te zetten.
De arme Zuster Olive dacht er dikwijls over, of 't niet het beste voor haar was, naar haar appelboomen en haar verloofde terug te keeren. Maar de hoop in haar hart was niet te dooven en ze bleef aan het tooneel en ging door met het spelen van haar kleine rollen, die haar geen moeite of inspanning kostten, en die ze meesterlijk speelde. Eindelijk kreeg ze zóóveel naam, dat de directeur van het Theatre français kwam om haar spel te zien. En 't slot van dit alles was, dat Zuster Olive haar intrede deed in het huis van Molière.
Toen dit gebeurde, begreep Zuster Olive, dat het de bedoeling van de voorzienigheid was, dat zij eenmaal Donna Sol zou spelen op het grootste tooneel van Frankrijk, en ze voelde zich bijna verzoend met al die eenvoudige rollen van dienstmeisje en koopvrouw, die haar zoover hadden gebracht.
Gelukkig had Zuster Olive zulk een sterken indruk gekregen van alle groote actrices, die deze rol op het Theatre français hadden gespeeld, dat ze jaren lang over haar hartewensch niet durfde spreken. Maar de tijd ging voorbij, en ze begon te vreezen, dat zij te oud zou worden.
„Nu of nooit,” zei ze tegen zich zelf. „Je weet, dat je Donna Sol kunt spelen, zooals nooit iemand 't ooit deed. Wat bezielt je eigenlijk? Je hebt immers het doel van je leven nog niet bereikt? Je bent toch niet van huis gegaan om voor boerenvrouw te spelen. Daarvoor hadt je je niet tot in het Theater français hoeven opwerken.”
Ze ging daarom naar den directeur en verzocht hem te mogen spreken, en hij beloofde haar wensch te vervullen. Maar daarna maakte hij er zich drie, vier jaar lang, met mooie praatjes af.
Toen ze volle tien jaar aan het Theater français was aangesteld, kwam ze op een dag weer op haar klachten terug:
„Ik heb nu het Theater langer dan Jacob gediend,” zei ze. „Nu moet u mij Donna Sol geven, Mijnheer.”
Toen riep de directeur alle artisten, die iets te zeggen hadden in het Theater bijeen, en legde hun de zaak voor.
„We moeten 't Olive Miteau laten probeeren,” zeiden ze. „Natuurlijk wordt het een fiasco, maar u kunt niet anders doen.”
De daarop volgende weken, maakte Zuster Olive zich van alle ander werk vrij. Ze leerde voortdurend haar rol en studeerde die in. 't Wonderlijkste was, dat ze al gauw merkte, dat ze niet verrukt met haar taak was.
„Ik moet het doen,” dacht ze, „maar ik geloof dat ik blij zal zijn, als het voorbij is en ik weer naar mijn gewone rollen kan terugkeeren.”
En nu en dan, als ze de romantische woorden in haar rol declameerde, vond zij ze smakeloos en onnatuurlijk.
„Ach!” zei ze, „ze hebben mij te oud laten worden.” Maar eigenlijk lag de fout bij haar. Zij was niet aan verzen gewoon en kon niet zoo gauw leeren ze op een goede en eenvoudige manier te zeggen. De groote woorden wilden haar niet over de lippen. En ze zag in, dat ze op een heel andere manier haar handen moest leeren bewegen.
„'t Is immers onzinnig,” zei ze meer dan eens. „Nooit heeft iemand op die manier geloopen, of gesproken als Donna Sol. Dat is geen rol voor een mensch.”
Maar nu en dan voelde Zuster Olive iets van de oude verrukking over haar rol; en dan dacht ze: „Als ik werkelijk optreed, als ik eindelijk op het tooneel sta, dan zal ik de Donna Sol spelen, zooals niemand ooit deed. Ik weet, dat ze in me leeft als mijn tweede ik. Wat doet het er toe of het niet goed gaat op de repetities? Ik weet, dat zij in 't beslissend oogenblik te voorschijn komen zal.” Maar toch was Zuster Olive na iedere repetitie wanhopend en haar wanhoop werd gedeeld door den directeur en de andere artisten.
„Mademoiselle Miteau,” zei de directeur op een dag, heel vriendelijk. „Ik heb het u beloofd, en alles zal gaan, zooals u wilt. Maar wilt u het werkelijk?”
„Ik weet niet of ik het wil,” antwoordde zij, „maar ik weet, dat ik moet!”
Zij begon een nederlaag te voorzien, een nederlaag juist in wat de eerzucht van haar leven was geweest, een nederlaag in het goedlachsche Parijs op het voornaamste tooneel van Frankrijk.
Spoedig scheen Zuster Olive alle belangstelling voor die rol zelf te verliezen. Ze hield zich alleen met bijzaken bezig. Ze paste pruiken en koos tusschen een roode en een zwarte, op een manier, alsof haar levensgeluk er van afhing. Ze paste haar costuum met ongehoorde nauwgezetheid en blankette zich als proef nu eens met rood dan weer met olijfgeel. Maar zij, die aardig en gracieus was als kamenier werd als adellijke dame stijf en onhandig. Haar gezicht dat er frisch en jeugdig uitzag onder een boerenmutsje, werd wonderlijk oud en vervallen, toen zij de Spaansche schoone moest voorstellen.
„Maar het moet me gelukken,” dacht ze. „Al van mijn zeventiende jaar af heb ik gevoeld, dat ik op de wereld ben gekomen, eenig en alleen om die rol te spelen.”
't Oude tooneelstuk Hernani trekt gewoonlijk niet veel menschen; maar dien avond, toen Zuster Olive optrad als Donna Sol, was 't heele theater vol. Allen kenden de geschiedenis van Zuster Olive en men was bewogen door die levenslange liefde.
„Waarom heeft men haar zoo lang laten wachten?” vroeg men. „Ze is te oud. Dat wordt akelig.”
Enkelen meenden toch, dat het zou gelukken, omdat het de roeping van haar leven scheen te wezen.
Voor het stuk begon heerschte er een sterke spanning onder het publiek. Maar toen het scherm opging en Zuster Olive opkwam en begon te spreken!—Een enkele zucht van wanhoop ontsnapte het publiek, en toen was de belangstelling weg. Men luisterde en keek niet meer; men probeerde haar te vergeten.
Naderhand kon Zuster Olive bijna niet begrijpen hoe ze die voorstelling doorgekomen was. De zaal was niet wreed tegen haar, de menschen waren heel barmhartig. Men vond het bijna pikant, dat ze het zoo grondig verkeerd deed, dat ze in zóó hooge mate haar roeping had misverstaan.
„Ze kan in ieder geval tevreden zijn,” zei men. „Ze heeft op die manier een heel goede positie veroverd, en ze hoeft immers nooit meer in die vreeselijke rol op te treden.”
Zuster Olive was wanhopend over zichzelf. Waarom ging zij niet in haar rol op? Waarom was ze zoo koud? Waarom voelde ze niets? Hoe kon ze zóó onnatuurlijk declameeren? Had ze dan heelemaal geen talent? Ze had bijna lust zich zelf uit te fluiten. Ze moest immers dien Hernani liefhebben en haar blik, die op hem rustte, miste alle gloed en uitdrukking.
„Ach! moet dit Donna Sol verbeelden?” dacht ze, toen ze zwaar en ongracieus over het tooneel stapte. Maar Zuster Olive was heel bemind en zij leed geen schade door haar nederlaag. 't Was werkelijk heel mooi, dat èn de kritiek èn het publiek niet over haar fiasco spraken, en 't zoo gauw mogelijk vergaten. Den morgen na haar nederlaag zocht Zuster Olive de couranten na om een recensie over haar optreden te vinden. Ze vond niets. 't Was heelemaal zwijgend voorbij gegaan. Dat vond ze aandoenlijk; maar ze was toch als verlamd van schrik. „Was het zóó erg?” dacht ze. „Was ik zoo vreeselijk, dat men er niet eens over durft spreken?”
Dien morgen bracht de directeur van het Theater Français Zuster Olive een bezoek.
Hij ontweek een gesprek over wat er gebeurd was niet; maar hij verklaarde en zette haar rol uiteen, ongeveer als een dokter.
„U hebt te lang gewacht. U zag de zaak met te groote spanning te gemoet. U speelde—om zoo te zeggen—met een strik om den hals en geboeide handen. Dat kon onmogelijk goed gaan voor den eersten keer. Vandaag moet u uitrusten; maar morgen,—wilt u 't morgen weer probeeren?”
Zuster Olive luisterde zwijgend naar dat voorstel. Dikwijls heeft men het gevoel, als er iets mislukt is, dat het beter zou gaan, als men het nog eens probeeren mocht. Maar zij had die overtuiging niet. Zij had niet eens de kracht om den strijd nog eens te aanvaarden. Hoe slecht het ook was gegaan, toch was ze blij, dat het voorbij was.
Ze bedankte den directeur voor zijn vriendelijkheid, maar ze weigerde.
De directeur zag Zuster Olive lang en onderzoekend aan en begon over iets anders te spreken.
Toen hij opstond en afscheid nam, zei hij in 't voorbijgaan: „We zien elkaar morgen weer op de repetitie, niet waar Mejuffrouw Olive?”
Bij die woorden schrikte Zuster Olive zóó, dat zij bijna wankelde. Ze voelde dat ze, als ze weer moest optreden, dienzelfden druk en onzekerheid zou voelen als den vorigen avond. Op eens werd het haar duidelijk dat ze nooit weer een rol zou kunnen maken zooals die wezen kon. Zij had daar niet eerder aan gedacht, maar op het oogenblik, dat de directeur haar zei, dat ze op de repetitie komen moest, begreep zij het. Ze vroeg een week vacantie en toen ze weer terugkwam in het theater, was ze flink en opgeruimd en meende, dat ze over het gebeurde heen was.
Maar toen ze weer optreden moest, voelde zij daar een zonderlingen tegenzin in. Ze moest zich dwingen het te doen. Ze was niet bang, maar ze had er een bijna onoverwinnelijken tegenzin voor.
En toen ze op het tooneel stond, waar zij zich vroeger zoo thuis gevoeld had, werd ze koud als ijs. Ze voelde, dat haar gezicht stijf werd, zooals op den avond, dat zij Donna Sol had gespeeld. En als ze begon te praten, herkende zij de afschuwelijke, onnatuurlijke stem van de Schoone Spaansche.
Van dit oogenblik af haatte Zuster Olive het tooneel. Maar omdat ze een practisch en verstandig mensch was, gaf ze niet dadelijk aan haar ontstemming toe. Ze streed er een heelen winter tegen, maar eindelijk werd die haar te machtig.
„Ik heb nu genoeg rollen verknoeid,” zei ze tegen haar directeur. „Er blijft me niet anders over dan mijn ontslag te nemen en heen te gaan.”
Daarna kwam ze bij ons en werd diacones. Ze was altijd rustig en opgewekt, en de zieken hadden haar lief. Ze was ook gelukkig bij ons. Dat lag in haar natuur. Toen ik haar leerde kennen, was ik nog jong en ik vroeg haar meer dan eens: „Verlangt u niet naar de wereld terug, Zuster Olive? Naar uw tooneel, uw rollen, uw mooie paarden en uw sierlijk huis?”
Ik weet nog zoo goed wat Zuster Olive antwoordde, als ik haar zulke vragen deed. Ze was met de jaren meer en meer op een boerenvrouw gaan lijken. Ze was dik geworden, haar gezicht was grof en gerimpeld, maar ze zag er heel sterk en verstandig uit met haar breede kin en haar heldere oogen.
„Waar zou ik naar verlangen?” zei ze. „'t Was immers onmogelijk langer door te gaan. Waar ik lust in had, daar had ik geen aanleg voor, en waar ik aanleg voor had, daar had ik geen lust in.””
Met deze woorden besloot de diacones haar verhaal.
„Wil ik u eens wat zeggen?” zei de consul. „Ik heb haar zien spelen. Ik was dien avond in den Schouwburg en zag haar als Donna Sol. 't Was een geducht fiasco. Maar wat zullen we nu van dit alles zeggen?”
„We kunnen er maar één ding van zeggen,” barstte de Belgische schilderes uit. „De innerlijke roeping is de ergste van alle bedriegers.”
„Men moet haar zeker wantrouwen,” zei een van de Fransche dames.
„Wantrouwen! wantrouwen!” riep de consul uit. „Dan moeten we ook de liefde wantrouwen; maar wat zou er zonder haar van ons worden? Niets! En waar zouden we voor deugen als we niet aan onze roeping geloofden? Niets! Wat meent u, Zuster Agnes?”
„Ik geloof, dat er iets goddelijks in moet zijn, Mijnheer Bartout.”
„Ja, vast en zeker!” zei de Consul. „En al kan dat goddelijke ook gevaarlijk zijn, dan is dat toch geen reden om het te hoonen!”
TWEEDE DEEL.
DE PRINSES VAN BABYLONIË.
't Was een donkere winteravond in het hutje van Skrolycka. Katharina, de huismoeder, zat te spinnen, en de kat lag op haar schoot en spon ook, zoo goed ze kon. De man, Jan Andersson, zat bij den haard en warmde zijn rug aan 't vuur. Hij had den heelen dag hout gehakt in 't bosch van Erik Falla, zoodat niemand kon verlangen, dat hij nu nog zou gaan werken, terwijl hij thuis was. Zelfs Katharina had er niets op aan te merken, dat hij niet anders deed dan spelen en praten met hun kleine meisje, dat dien winter vier jaar was.
Katharina zat in haar eigen gedachten verdiept en luisterde niet bizonder naar wat de man en het kind samen praatten. Maar aan één ding hield zij streng de hand. Zij duldde niet dat Jan tegen 't kleine meisje zei, dat ze zoo mooi was en zoo bizonder, en dat wilde hij juist zoo graag. Want als Klara Gulla heel wat verbeelding van zich zelf kreeg,—dat wist Katharina wel—zou ze nooit een verstandig mensch worden.
Jan was onuitputtelijk in 't uitvinden van allerlei, wat het kind hoogmoedig kon maken. Maar dezen avond was Katharina heel gerust, want nu zat hij haar te vertellen van iets wat lang geleden was gebeurd, in den tijd dat de aarde was geschapen en de menschen die begonnen te bevolken. Hij was juist bezig de oude geschiedenis te vertellen van den toren van Babel, en dan kon je toch wel hopen, dat hij geen gelegenheid had met een van zijn gewone domme streken aan te komen.
„Ja, en ze kwamen aandragen met klei,” zei Jan, „en ze bakten steenen, en bluschten kalk en ze zetten den steiger op; en de toren werd elken dag hooger.
Ze wisten wel, dat Onze Lieve Heer 't niet goed vond dat ze dien toren bouwden, maar daar gaven ze niet om, want ze waren van plan naar den hemel te komen en te zien hoe het daar is.
„Luister nu eens, menschen,” zei Onze Lieve Heer, „nu zeg ik jelui voor 't laatst, dat, als jelui niet hier vandaan gaat en met die bouwerij ophoudt, dan ben ik wel genoodzaakt een ongeluk over jelui te laten komen. En dat wordt dan zoo'n ongeluk, dat jelui er nooit meer van af komt, en er nooit iets tegen kunt doen.”
Maar de menschen dachten zeker, dat Onze Lieve Heer wel lankmoedig zou zijn als altijd. Ze gingen voort met bouwen en kwamen elken dag hooger.
Toen verwarde Onze Lieve Heer hun taal. Kijk eens: tot dien tijd toe hadden ze zoo gesproken, dat ze elkaar konden verstaan, maar nu was het uit met dat pleizier.
Als de metselaarsbazen nu wilden zeggen: „Breng wat klei,” dan zeiden ze in plaats daarvan: „Kolvippen, kolvappen.” En als de leerjongens wilden vragen wat ze wilden hebben, zeiden ze: „Erbe, derbe, mirbe, marbe?” En dus was 't niet zoo vreemd, dat ze elkaar niet konden verstaan.
De bazen meenden, dat de leerjongens hen voor den gek wilden houden, maar als ze wilden zeggen: „Praat toch behoorlijk,” dan zeiden ze in plaats daarvan: „Ullen, dullen, dorf.” En als de leerjongens wilden vragen waarom ze zoo boos keken konden ze niet anders uitbrengen dan: „Abekadabra?”
Toen werden de bazen en al de anderen zoo kwaad, dat ze elkaar in de haren vlogen en begonnen te vechten.
Van dien dag af was het uit met de vriendschap onder de menschen, en niemand dacht er meer aan den toren te bouwen; maar ieder ging heen, zijn eigen kant uit.”
Toen Jan zoover was gekomen met zijn verhaal, keek hij van ter zijde naar Katharina. Het spinnewiel stond stil, en 't scheen alsof de vrouw en de kat allebei waren ingedut. Toen zette Jan gauw zijn verhaal voort. Hij sprak alleen wat zachter.
„Maar onder al die menschen die in Babylon geweest waren, waren ook een koning en een koningin, die een prinsesje hadden. En dat kleine meisje begon ook op eens zoo wonderlijk te praten dat noch haar ouders, noch een van de anderen er een woord van konden begrijpen.
Toen wilden de koning en de koningin haar niet bij zich houden in 't paleis, maar ze joegen haar weg, en ze moest heelemaal alleen de groote, wijde wereld in.
Ze ging natuurlijk heen en liep dood ongelukkig rond. Ze wist immers niet wie ze op weg kon tegenkomen. 't Zou toch een gemakkelijk werk zijn voor beren en wolven om zoo'n klein prinsesje levend op te eten, als ze haar in 't oog kregen.
Maar hoe lief en mooi ze ook was, toch deed niemand haar kwaad.
Neen, integendeel! Allen, die haar tegenkwamen, gingen naar haar toe, zeiden haar goedendag en gaven haar een hand, en vroegen haar waar ze wezen moest. Maar ze konden geen woord verstaan van wat ze antwoordde, en dan bemoeiden ze zich niet verder met haar.
Och, zoo lief en mooi was ze, dat ze maar naar het heerenhuis op een landgoed hoefde te gaan, en dan deden ze de deuren wijd open om haar binnen te laten. Maar zoodra ze haar mond opendeed en de menschen hoorden wat een wonderlijke taal ze sprak, moest ze weer heengaan. Eindelijk, toen ze door alle bestaande koninkrijken heen had gezworven, kwam ze op een avond laat bij een groot bosch en toen ze door dat bosch was geloopen zag ze een kleine hut, die zoo laag was, dat ze maar juist door de deur kon komen; en daar ging ze binnen, en zei: „Goeien avond.”
Daar binnen zat de vrouw te spinnen en de man zat zich bij het vuur te warmen. En toen zij zagen, dat er een vreemde de deur inkwam, zeiden ze ook: „Goeienavond.”
Toen was het prinsesje zoo vreeselijk blij, want in die hut spraken ze zóó, dat zij hen kon verstaan. Maar ze was zoo voorzichtig, dat ze hun niet dadelijk vertelde hoe de zaken stonden.
„Hoe heet deze hut?” vroeg ze, om hen op de proef te stellen.
„Die heet Skrolycka,” antwoordden zij dadelijk, en toen merkte zij dat ze haar verstonden. Ze was buiten zich zelf van blijdschap; maar ze vond het 't beste, ze nog eens op de proef te stellen.
„Hoe heet de taal, die u hier in huis spreekt?” vroeg ze.
„Die heet de Wermelandsche taal,” zeiden de menschen in de hut.
Toen ging het prinsesje op hen toe en vroeg of ze hier niet blijven mocht, want dit was de eenige plaats in de wereld waar de menschen konden verstaan wat ze zei.
Maar toen ze bij het vuur kwam, zagen de menschen, dat ze een prinsesje uit Babylon was en ze zeiden tegen haar, dat ze niet terecht was. En ze zeiden dat het onmogelijk was, dat ze zich bij hen thuis zou voelen. De Wermelandsche taal was op iedere hoeve in den omtrek bekend, zeiden ze, zoodat ze kon wonen waar ze maar wilde.
Maar 't prinsesje wou niet toegeven. „Nee,” zei ze, „nu merk ik wel, dat ik hier terecht ben. En ik wil hier blijven, want hier kan ik vreugde brengen en nuttig zijn,” zei ze.”
De kleine Klara Gulla had volkomen stil op Jan's knie gezeten en geluisterd met oogen, die al grooter werden van verbazing. Maar toen Jan zijn verhaal uit had, zat ze eerst een poos stil; toen draaide zij 't hoofdje links en rechts en bekeek alles in de kamer, alsof zij 't nooit te voren gezien had.
„Ja, nu kan het nog een poosje blijven zooals 't is,” zei ze eindelijk. „Maar als ik groot ben zal ik weer teruggaan, waar ik vandaan ben gekomen.”
Jan zette een lang gezicht. En 't ergste was, dat Katharina wakker was geworden en 't slot van 't gesprek had gehoord.
„Ja, zie je, dat komt er nu van, dat je altijd door dat kind wijsmaakt dat ze heel wat deftigs en groots is,” zei ze.
STEMMINGEN UIT DEN OORLOGSTIJD.
I.
't Schreien van Rachel.
Augustus 1914.
In de stilte van den middag, terwijl ik met een paar van mijn huisgenooten op de waranda zat te praten, hoorden we een wonderlijk geluid door de lucht gaan. 't Was sterk en woest, vol angst en smart en razernij en tegelijk zóó vreemd en ongewoon, dat we elkaar eerst verbaasd aankeken zonder te begrijpen wat het was en waar het vandaan kwam.
Snel gingen we in onze gedachten alle mogelijkheden na. 't Kon niet dat vreemde, griezelige geschreeuw van een paard zijn, dat aan een paal gebonden staat en bijna sterft van dorst. 't Was ook niet een van de heftige schreeuwers uit het bosch, een vos of een uil. Zij zijn niet in staat zulke kreten uit te stooten, zóó geweldig en ruw, dat het een weerklank leek uit den lang vergeten oertijd.
't Was heelemaal niet onmogelijk, dat het geschreeuw of gehuil—of wat men het ook noemen mocht—van een mensch kon komen, die gekwetst was. Maar 't was op het uur van den dag, dat de arbeiders middagrust hielden. De maaimachine klepperde niet buiten op den akker, en geen zwaarbeladen wagens bewogen zich tusschen de schuur en het veld. Er moest geen ongeluk kunnen gebeuren in dit uur, dat aan de rust was gewijd.
De vreeslijke hitte, die dien zomer verlammend over de aarde lag, heerschte ook dien dag. Ze ging voort met het gras op 't veld en de bladeren van de boomen te verzengen; die zoog het water uit beken en bronnen en dreigde het heele dal vóór ons tot een bruin verbrande woestijn te maken. Die ruwe, geweldige schreeuw, dien ik zoo juist gehoord had, was mij zóó onverklaarbaar, dat de gedachte in me opkwam, dat het de klacht van de groote natuur was, de gezamenlijke jammerkreet van de velden en gewassen over hun ondraaglijk lijden.
Terwijl we nog stil neerzaten van verbazing en verwondering, hoorden we nog eens dat vreeslijk geluid. Met onbarmhartigen, onverdraaglijken waanzin deed het de lucht trillen en sneed ons in de ooren—pijnigend als een martelwerktuig.
Toen dat nu voor den tweeden keer weer klonk, vlogen allen, die bij mij waren, op en weg om te onderzoeken wat het was. Ik bleef alleen zitten. Ik had een vaag gevoel, dat ik iets dergelijks vroeger wel eens had gehoord. Ik boog het hoofd en legde de hand over de oogen om beter de verborgen kamer van mijn herinneringen te doorvorschen.
Al spoedig werd ik in gedachten naar een groote open vlakte verplaatst, naar een wit grauw, steenachtig veld, dat golvend zich uitstrekte in welgevormde heuvels.
Heen en weer, als een valk, die zijn prooi zocht in zijn vlucht hoog boven de wolken, zweefde mijn herinnering over deze streek. Op een heuvelhelling groeiden vuurroode anemonen, en op den top van een heuvel een boschje bleeke, schaduwlooze olijven. Ik begreep dat ik op de plaats, waar ik een geluid had gehoord, dat leek op wat zoo pas in mijn ooren had weerklonken, ook vuurroode lentebloemen en wintergroene loofboomen had gezien. Dat moest dus heel ver weg liggen, héél ver van Wermeland en Zweden.
Mijn herinnering vorschte en zocht voort door de duisternis van de vergetelheid, en plotseling, na ongehoorde moeite, brak ze door tot klaarheid. Ik zag mij zelf en mijn reisgenoot in een grooten ouden landauer rijden, die zeker eens als galarijtuig in een of andere groote stad had dienst gedaan. We reden voorbij massa's roode anemonen op een breeden prachtigen landweg naar een stad met een muur omringd. Ik herkende den wagen. 't Was een van de afgedankte rijtuigen, die door de rijtuighouders van Palestina gebruikt worden. Ik herkende den weg, de omgeving, de stad, door een muur omringd. Ik had dat alles gezien, toen ik jaren geleden van Jeruzalem naar Bethlehem reed. Op de achterbank zit onze Syrische dragomaan donkergekleurd en met een roode fez op het hoofd. Hij vestigt onze aandacht op een klein, wit vierkant huis, met een lagen koepel gedekt, dat heelemaal alleen, op korten afstand van den weg ligt. 't Is bijna zonder vensters en lijkt op de algemeen voorkomende grafkamers, die de Oostersche inboorlingen voor hun vele heiligen plegen te bouwen, en die we op de meest verschillende plaatsen gevonden hebben, nu eens ver weg in de woestijn, dan eens midden in een stad of een dorp en ook, zooals nu, aan een weg, waar massa's menschen voorbij komen.
De dragomaan vertelt ons nu, dat dit huisje het graf van Rachel is en hij verzekert ons ook, dat dit niet maar een bloot vermoeden is, maar een werkelijk bewezen waarheid. Geleerde mannen hebben over de echtheid van bijna alle heilige plaatsen in Palestina geredetwist; maar nooit over dit graf. Er is geen twijfel aan of dit is de plaats, waar Jacob, ook wel Israël genoemd, zijn meest geliefde vrouw heeft begraven, kort nadat hun zoon, Benjamin geboren was, als vergoeding voor een anderen zoon, die hij meende dat door de wilde dieren verscheurd was op een zwerftocht door de woestijn.
Wij houden den adem in bij de gedachte aan wat dit wil zeggen. Hier had een schoone nomadenvrouw haar rustplaats gehad in een jarenrij, waarvan niemand de lengte kon aangeven; hier rustte zij, lang vóór haar zoon Jozef een man van gewicht werd in 't land van Egypte, lang vóór nog een koningsburcht was opgericht in Mycena of een Grieksche vloot over de zee was gevaren om Troye te veroveren, en hier sliep zij nog zonder dat haar graf in vergetelheid was geraakt of door vernielzuchtigen verwoest.
De dragomaan vertelt ons, dat in vroeger tijd, ja heel tot op onze dagen toe, volgens wat sommigen vertelden, uit dit graf schreien en klagen was gehoord, telkens als een ongeluk Israël zou treffen. Hier had de stammoeder der Judaeën haar jammerkreet doen hooren in den nacht vóór den dag, toen de onschuldige kleinen in Bethlehem zouden vermoord worden. Van hier hoorde men haar klachten ver over het dal gaan op den avond, vóór dat Jeruzalem werd verwoest en het onmetelijk dal van Hinnom tot den rand toe werd gevuld met de lijken van haar zonen en dochters. En vele malen daarna hebben, zoowel de inwoners van Bethlehem als de Bedouinen op het veld, haar onheilspellende kreten in het dal beneden Bethlehem gehoord in donkere avonden en nachten. Zelden zijn er lange tijden voorbij gegaan, zonder dat zij zich moest losscheuren uit den slaap des doods om te weeklagen over de ongelukken, die haar volk bedreigden. Rachel spreekt geen woord, maar haar schreien klinkt akelig door de doodelijke stilte, die haar graf omgeeft. Het wordt begeleid door lange, gerekte kreten, woester en vreeselijker dan eenig nu levend wezen uiten kan.
Toen we dat hoorden, zeiden wij tegen elkander dat het geen wonder is, dat Rachels graf tot op onzen tijd bewaard gebleven is. Omdat alle menschen in haar gelooven als de Groote Moeder, wier liefde voor haar kroost nooit kan verzwakken, heeft men haar nooit kunnen vergeten, en niemand, die uit een vrouw geboren is, heeft het ooit gewaagd de hand aan haar rustplaats te slaan.
Wij spreken daarover, terwijl de wagen voorbij het witte grafhuis rijdt. Op 't zelfde oogenblik gaat ons een heftige schok door de leden. Nu is 't geen avond, maar heldere morgen, maar toch hooren we uit het graf een langen, akeligen, gerekten schreeuw, dadelijk daarna nog een en nog een.
't Heele dal wordt door dit geluid als gevuld; het verscheurt ons trommelvlies. Er is niets menschelijks in—en ook niets dierlijks. Het hoort niet thuis in de wereld, waarin wij nu leven, 't zijn kreten, zooals de wilde oervrouw in den morgen der tijden moet hebben geuit. Zoo heeft Eva gejammerd, toen Kaïn Abel bedreigde, zoo heeft Hagar over Israël geschreid. Zoo moest het zijn, dat Rachel, Zij, die door alle tijden heen liefhad en bemind werd, schreit en weeklaagt. De dragomaan geeft snel den koetsier een teeken stil te houden. Hij springt uit den wagen en gaat het lijkenhuis binnen. Na een poosje komt hij terug.
Hij verklaart, dat de vreeselijke kreten werden geuit door een Bedouïnenvrouw, die daar binnen staat en Rachel aanroept om hulp voor een zieken zoon.
Wij zijn half en half teleurgesteld, we hadden ons bijna verbeeld, dat wij de klachten van de groote Stammoeder hadden gehoord. En we zeggen tegen elkaar, dat die Bedouïnenvrouw haar klagen van Rachel zelf moet hebben geleerd. De oerklanken moet zij uit het graf hebben hooren komen in een donkeren nacht, en nu herhaalt zij ze zoo goed ze kan, om het meegevoel van de sluimerende doode te wekken.
We zeggen ook, dat zulke geluiden niet uit de keel van een Europeesche vrouw kunnen komen. Wij zeggen, dat we in ons werelddeel zooiets nooit zullen hooren.
We zeiden nog veel dergelijke dingen, maar toch had ik dien zomerdag, den laatsten dag van Augustus 1914 dezelfde woeste kreten gehoord vlak bij mijn eigen tuin. Ik had dien kreet van de wilde moeder herkend, toen 't gevaar haar kind dreigde, zooals ieder, die hem eens heeft gehoord, hem altijd zal onthouden en nooit missen kan dien te herkennen.
Zij, die waren heengegaan om de zaak te onderzoeken, kwamen nu terug. Ze zeiden, dat het een arme vrouw was, die zoo had geschreeuwd, omdat haar eenige zoon haar moest verlaten om in dienst te gaan. Er was geen sprake van iets anders dan 't vervullen van den gewonen dienstplicht, maar zij meende, dat hij nooit zou terugkomen, omdat er aan alle kanten oorlog was. Ze hadden haar gevloekt, omdat ze zoo als een waanzinnige had staan schreeuwen en de heele hoeve had verschrikt, maar zij had geantwoord dat ze zoo had moeten schreeuwen. Ze kon niet anders, nu haar zoon in den oorlog moest gaan en worden doodgeschoten.
Ik dacht in stilte, dat de harde druk en de ontzetting van den tijd in haar keel dat geluid uit den oertijd had doen geboren worden; het geschrei van Rachel, de treurende moeder. 't Was lang geleden, dat men het in deze streken hoorde, zóó lang, dat niemand had kunnen zeggen, van welk wezen het kwam. Maar nu de oorlog was losgelaten over de wereld, was het uit de diepte van de menschelijke natuur weer boven gekomen, en nu zou men 't zoo spoedig niet weer vergeten.
Misschien zullen wij het nu zóó dikwijls hooren, dat allen het zullen herkennen tot zelfs in elke afgelegen stad. Gelukkige, rustige moeders, die nooit geweten hebben, dat zulk een geluid bestond, zullen misschien ontdekken, dat het ook in haar keel geboren kan worden.
II.
De verlaten Kerk.
Toen ik een kind was, hoorde ik vaak oudere menschen zeggen, dat in het groote bosch, dat ten Oosten van mijn oud tehuis lag, drie zeer merkwaardige dingen waren.
Ten eerste zou daar een heerlijke witte bloem groeien, zóó zeldzaam, dat haars gelijke in 't heele land niet te vinden was. Nu wist niemand precies meer waar men die in 't bosch moest zoeken, maar men was er van overtuigd, dat zij er was. Ze stond in een dicht kreupelhout van dennen aan den rand van een donkeren vijver—zooveel wist men er van. En als maar iemand haar kon vinden en aan de menschen brengen, zoodat ze van haar geur konden genieten en het zilveren waas over de bladeren zien, dan zouden ze haar liever hebben dan leliën en rozen.
Het tweede, groote en merkwaardige, dat zich in 't bosch verborg, was een geneeskrachtige bron.
Die kwam opborrelen met donker en bewegelijk water onder den wortel van een grooten berk, en vroeger hadden groote volksmenigten den weg daarheen gevonden. Daar hadden blinden het gezicht teruggekregen, en de lammen waren met gezonde ledematen van hun smartenleger opgestaan. 't Was een grenzenloos verlies, dat nu niemand meer den weg naar de bron of naar de groote beek kon vinden, die haar overschaduwde. Ach, er waren zooveel zieken, die naar het genezende water verlangden, en als iemand zoo gelukkig was het te vinden, die zou aanbeden worden als de engel van Bethesda.
De derde merkwaardigheid, die in het bosch was verborgen, was een oude verlaten kerk, daar overgebleven uit den tijd, dat de groote pest woedde, en die was even onmogelijk te vinden als al het andere.
Die stond heel diep in 't bosch tusschen hooge sparren, heelemaal alleen en verlaten. De geweldige balken in de wanden waren door houtwurmen doorknaagd, die daar eeuwen lang ongestoord hadden gewerkt, zonder dat hun scherpe kaken dat machtige hout tot stof hadden kunnen vermalen.
In die kerk waren geen hooge gewelven, geen schoone rijen zuilen. Ze was arm en klein, nauwelijks grooter dan een gewone hut, en ze rustte op een grond van los neergelegde steenen. Ze was zoo laag, dat een volwassen man nauwelijks zijn arm in volle lengte behoefde op te steken om tot het dak te reiken.
Het rieten dak en de houten wanden waren met mos bedekt, dat daar dichter en langer groeide dan ooit op eenige rots. Menig jager en houthakker was die kerk voorbij geloopen, meenende dat het een los blok was, een geweldige steen, die een of andere reus uit vroeger tijd naar de oude kerk had geslingerd, die daar eens moest gestaan hebben. Die had nooit vensters met in lood gevatte ruitjes gehad, maar 't licht was naar binnen geslopen door smalle lichtgaten, waarvan de luiken gesloten waren gebleven sinds de geestelijke, die door zijn toehoorders was verlaten, daar zijn laatste mis had gelezen. Maar de lichtgaten waren gevuld met groote pruiken varens, en lange slierten leverkruid hingen er overheen, zoodat ze den voorbijganger niet konden verraden, dat dit geen steenblok was, maar een gebouw, door menschenhanden gemaakt.
Rond om de kerk stond een heel oud bosch. De bodem was bedekt met licht mos en roode boschbessen. De korhoen sloop er rond met haar kuikens. De adder verlustigde zich in de zon op den drempel, waarop sinds den tijd van den Zwarten Dood geen voetstap meer was gezet. Geen spoor was er nu meer te zien van 't groote dorp, dat de kerk vroeger had omgeven. Ze was alleen overgebleven om er van te getuigen, dat eenmaal in haar nabijheid, op de vlakte, tusschen de beschermende burchten de menschen hun kudde hadden geweid en den akker voor den oogst bereid, en dat ze daar gedanst en gespeeld hadden, gehuwd waren en kinderen hadden gekregen, en dat ze daar veilig liepen en meenden dat hun nakomelingen daar zouden leven en wonen tot aan het eind der tijden.
't Was alles weg; alleen de verlaten kerk was nog overgebleven en getuigde van ziekte en dood, van weezen, die door de verlaten huizen hadden gedwaald, van verloofden, die door schrik overweldigd van elkaar waren gevlucht, van akkers, waar geen zaaier meer kwam, van vervallen huizen, van kudden, die doodgehongerd waren in hun gesloten stallen en al de ellende van verwoesting, die haar had omringd, tot eindelijk de sparren, het mos, de boschbessen gekomen waren en hun barmhartig kleed over 't spoor van den Zwarten Dood hadden gespreid.
Vroeger kon het gebeuren op mooie zomerdagen, dat scharen vroolijke jonge menschen naar het bosch trokken om naar deze drie merkwaardige dingen te zoeken, waar de ouden zoo stellig over spraken. Dan werd er gezocht achter steenblokken en beneden in de kloven; dan liep men met angstige stappen tot ver in 't moeras en klauterden tot op den top van den bergrug, maar als de avond viel en men naar huis moest gaan, was er nooit iets gevonden.
Als dan de jongeren op de hoeven terugkwamen waren ze heel mismoedig en vol twijfel, maar alle ouden hielden vol, dat de drie dingen ergens in 't bosch te vinden moesten zijn. Zij hadden het gehoord in hun jeugd, van menschen, die toen heel oud waren en werkelijk niet in staat waren onwaarheid te spreken.
En nog tot op den huidigen dag kan ik nooit den heuvelachtigen weg langs gaan, die naar den boschheuvel leidt, zonder te hopen, dat ik onverwacht de witte bloem haar kelk in 't kreupelhout zal zien ontvouwen, of dat ik het genezende water zal hooren borrelen onder een berkenwortel.
Die oude kerk heb ik nooit verlangd te ontdekken. Ik ben bang voor dat oude huis geweest, waar eens zóóveel angstige gebeden en klagend gejammer, en kreten van wanhoop, onverhoord hebben geklonken. Zeker, dacht ik, verbergt die kerk zich zoo diep onder haar moskleed, opdat niemand den vloer meer zal betreden, waar een heel volk, dat op 't punt stond onder te gaan, op de knieën heeft gelegen en te vergeefs om hulp geroepen. Maar nu, in deze dagen, sinds de groote oorlog is uitgebroken, had ik haar graag willen vinden. Nu zoek ik niet langer naar bloemen of genezende bronnen; nu zou ik dat oude gebouw willen terugvinden, dat getuige is geweest van de verwoesting en den ondergang van geheele dorpen en streken.
„Verlaten kerk,” zou ik willen zeggen, „de tijd van verwoesting is weer gekomen. De dood maait door de landen en stapelt lijken op lijken. Kinderen, die hun ouders verloren, dwalen door verwoeste huizen. De zaaier wordt van zijn akker verdreven, huizen en steden worden met den grond gelijk gemaakt en de tempels weerklinken van angstige gebeden. Mijn wereld staat op 't punt in stukken te worden geslagen, zooals eens de uwe.
Oud gebouw, ik weet geen beter plaats, waarheen ik met mijn smart kan gaan, dan naar u. Ik heb gespeeld en geschertst, maar in mijn ziel is geen spel of scherts meer.
Mijn ziel is geworden als gij zijt: stom, zonder klokgelui, zonder gezang.
Mijn ziel is arm geworden en duister, en verwilderd. Zij is vol beelden van ontzetting en schrik, ze is schuw en beroofd, als een daklooze, zij weet geen raad en ziet geen uitweg, zij zou zich willen verbergen en verdwijnen voor ieders aangezicht, zooals gij hebt gedaan, arme, oude kerk in de wildernis.”
III.
De Mist.
Op een herfstmorgen in 1914, in 't eerste jaar van den grooten oorlog, breidde zich een vrij dichte mist over de kleine, vredige en door de wereldgebeurtenissen vrij wel onberoerde streek, waar de Vreedzame woonde. De mist was toch niet dikker, dan dat hij den geheelen tuin en alle gebouwtjes daar kon zien, maar verder kon zijn blik niet doordringen. Hij zag geen akkers, geen heuvels, geen bosch. Heel zijn gewone omgeving was verdwenen, hij had zich kunnen verbeelden, dat hij op een eenzaam eilandje ver weg in de wereldzee woonde.
Hij was niet gewend aan dien engen gezichtskring; die was hem zóó vreemd, dat hij een pijnlijke drukking op de oogen voelde. Er was iets drukkends in, niet vrij naar alle zijden om zich heen te kunnen zien, en toen hij zijn gewone morgenwandeling door den tuin deed, voelde hij zich angstig en onrustig, als door een dreigend gevaar omringd.
Onwillekeurig trok hij de wenkbrauwen samen en probeerde zijn blik scherper te maken, opdat die door den muur van mist heen zou dringen. Maar dat alles hielp niet, hij moest zich vergenoegen met het aller dichtstbij zijnde te bekijken. Heel misnoegd beproefde hij in 't eerst zich te verstrooien door een paar vuurroode lijsterbesbladen te bewonderen, die in de vocht de kleur van oud koper hadden aangenomen. Dadelijk daarop werd zijn aandacht getrokken door de bedauwde spinnewebben, die over een aardbeiveld vol verdorde planten waren gespannen. Hij zei in zich zelf, dat die spinnewebben den sluier van de schoonheid van den herfst waren, en hij vroeg zich af, of zij de vrouwen van 't verleden, die oud werden, geleerd hadden, haar verwelkende schoonheid achter sluiers met paarlen versierd, te verbergen.
Die gedachte vermaakte hem, zijn ontstemming verdween en hij keek met nieuwe belangstelling rond. Vóór zich had hij een oude appelboom, met takken zwaar van vruchten neerhangend en hij werd er verrast door, dat hij dien boom buitengewoon mooi vond. Anders placht die oude boom hem, telkens wanneer hij door den tuin liep, door zijn leelijkheid uit zijn humeur te brengen. Hij was laag en breed. De takken kwamen dwars en dik in een rechte lijn uit den stam. Maar nu in den tijd van rijpheid, nu de takken zwaar waren van vruchten, bogen ze zich in sierlijke lijnen. Zij toonden, dat ze sterk en toch buigzaam waren. Hij begreep, dat hun zware lompheid noodig was, opdat zij den last, die hen nu drukte, zouden kunnen dragen.
Hij voelde zich op eens volkomen met den mist verzoend. Zij was het, die zijn gezichtskring inkromp en hem zijn aandacht deed schenken aan kleinigheden, waarover hij vroeger had verzuimd zich te verheugen.
„Om goed te zien, om te begrijpen wat men ziet,” dacht hij, „is het ten allen tijde noodig geweest, den blik op het nabijzijnde te vestigen.”
Die ervaring werd nog bevestigd bij den volgenden stap, toen hij een paar goed rijpe groene pruimen ontdekte, de laatste van het jaar, wien het tot nog toe gelukt was alle zoekende blikken te ontgaan. Maar de mist scheen hem een nieuw gezichtsorgaan te hebben gegeven en hij nam snel de kleine glanzende pruimen in bezit. Op datzelfde oogenblik hoorde hij voor het eerst op dien morgen een geluid uit de buitenwereld. Een sterke, zware stem riep ergens in den mist:
„O, Heer, wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, mijn God, wees genadig voor de oorlogvoerenden!”
Hij bleef staan en luisterde. De woorden drongen duidelijk door den mist tot hem door, maar er scheen geen mensch te zijn.
„Heer, mijn God! wees genadig en help de oorlogvoerenden! Ja, ja, ja, wees genadig voor de oorlogvoerenden, want zij hebben het zoo zwaar. 't Bloed vloeit in de greppels als water. Ja, ja, ja, Heer, mijn God!”
De vreedzame, die daar in vredige en aangename gedachten verdiept had geloopen, maakte een ongeduldige beweging. Alweer die oorlog! Die kon je nu ook geen oogenblik vergeten: als men zijn aandacht aan iets anders wijdde, scheen de natuur zelf een stem te krijgen om de gedachten weer naar alle verschrikkingen terug te leiden, die nu over de menschheid kwamen. Weer werd er diep in den mist geroepen: „'t Bloed vloeit als water in de greppels. De stapels lijken liggen op 't veld zoo hoog als riethoopen. Ja, ja, ja! Help de oorlogvoerenden!”
't Was natuurlijk de krankzinnige vrouw, die altijd rondzwierf in de streek, biddend en zingend, en die nu op zich had genomen God aan te roepen ten gunste van de oorlogvoerende machten. Zij liep zeker daar ginds op den weg, die langs den zoom van 't woud loopt, en nu door den mist onzichtbaar was. 't Was aandoenlijk haar te hooren, en toch kon hij niet laten er even over te glimlachen, dat dit arme schepsel den wereldoorlog met haar gebeden wilde bezweren.
„Help de oorlogvoerenden, zoodat ze vrede maken!” herhaalde de krankzinnige. „'t Bloed vloeit in de greppels als water!”
Hij stond stil en luisterde, zoolang hij haar hooren kon. Toen zuchtte hij en zette zijn wandeling voort.
Voorwaar, deze tijd was zóó, dat ieder mensch er toe zou kunnen komen op velden en wegen te gaan, en de angst daarbinnen uitschreeuwen.
Hij steunde bij de gedachte aan den strijd, waaraan bijna de heele menschheid deelnam, en die de heele wereld met vernieling bedreigde. Als het nog maar de uitbarsting van een vulkaan of een stormvloed was, waarmee je te doen hadt! 't Ongeluk zou er niet kleiner om zijn, maar dan hadt je niet dat vernederende gevoel, dat dit alles door menschen veroorzaakt, door menschen aanbevolen was. Dan hoefde je ook niet te denken, dat er—omdat het wezens met verstand waren, die door den waanzin van den oorlog waren aangetast, een woord of misschien een maatregel te vinden moest zijn—die de razernij tot staan kon brengen. Dan hoefde je ook niet iederen dag en ieder uur met smart en angst te peinzen over dat, wat aan de verwoesting een eind zou maken.
„Wat kan ik doen?” vroeg hij zich af. „Mijn woorden zouden niet meer beteekenen, dan die van de arme krankzinnige zwerfster. Maar toch...”
Hij voelde door alles heen, dat er iets gedaan moest worden, dat je niet stil kon blijven zitten.
Op zijn wandeling was hij nu aan de meest afgelegen hoek van den tuin gekomen. En toen hij zich nu omkeerde om terug te gaan, had hij een lachend en innemend beeld vóór zich.