WeRead Powered by ReaderPub
Vonken cover

Vonken

Chapter 7: IETS OVER LANDVERHUIZING.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

A collection of short narratives and vignettes that blends folk legend, lyrical nature description and moral fable. Some pieces present uncanny incidents and small transformations, others evoke seasonal rites, wartime moods or intimate human encounters; recurring elements include vivid landscape imagery, moments of the fantastic and reflective meditations on compassion, guilt and redemption. The book moves between longer tales and brief sketches, shifting among folk tale, allegory and poetic mood to examine communal bonds, memory and humanity's relation to the natural world.

Weer straalt het heldre zonnelicht!
Wij danken U o Heer,
Met kracht en moed en nieuwe hoop.
Zie zeegnend op ons neer!

Ze stond daar zoo mager en bijna doorschijnend aan het venster, maar terwijl ze zong, speelden de zonnestralen om haar heen, alsof ze haar leven kleur en kracht wilden geven.

Toen ze gezongen had, keek ze de anderen aan en zei—half verontschuldigend: „Zie je, ik heb geen beter vriend dan de zon en daarom wilde ik dit feest geven op den dag van de zonsverduistering. Ik vond, dat we bij elkaar moesten zijn om hem te ontvangen, als hij uit 't donker weer te voorschijn kwam.”

Nu begrepen ze allemaal, wat de oude vrouw bedoelde. Ze waren bewogen en begonnen veel goeds van de zon te zeggen. Ze zeiden, dat hij even goed voor armen en rijken was. Als hij in de kamer kwam in den winter, was hij even mooi als een haardvuur, en als hij scheen was 't prettig om te leven, al hadt je ook nog zoo veel zorgen te dragen.

Toen ze van 't feest naar huis gingen, waren ze allemaal blij en vergenoegd. Ze voelden zich rijker en veiliger, omdat ze er over gedacht hadden wat ze toch een goeden en trouwen vriend hadden in de zon.


Maar omdat dit nu een groote zonsverduistering was, zoo dat negen tiende van de zon verduisterd was, maakte die overal, waar men ze zien kon, een geweldigen indruk. Geleerden waren buiten met hun instrumenten om te berekenen en te meten. Gewone menschen maakten glaasjes en kijkers zwart en stonden lang naar de zon te kijken. De schoolkinderen mochten uit de klasse komen om de zonsverduistering te zien naar hartelust. De couranten gaven lange beschrijvingen: hoe de hemel van kleur veranderde, hoe de vogels ophielden met zingen, en hoe donker 't was toen de verduistering op 't hoogste was gekomen.

Maar hoe groot ook de indruk van de zonsverduistering was—ik heb niet gehoord, dat iemand anders dan Beda in Finnmörkret een feest gaf om de zon te huldigen, toen zij als overwinnaar uit de duisternis te voorschijn kwam.


IETS OVER LANDVERHUIZING.

Daar was de proost en de commissaris en de assessor van Högbro, en de eigenaar van de zagerij in Hyllinge, en de kleine stationschef aan de lijn met smalspoor, en een paar boeren en kooplieden.

Ze hadden de jaarlijksche vergadering voor de spaarbank gehouden en alle rekeningen waren nagezien, en 't bestuur was gedechargeerd, en de commissie voor 't nazien der rekeningen voor 't volgend jaar was benoemd, en de president had met den hamer op de tafel geklopt en de vergadering gesloten. Nu was ieder vrij om naar huis te gaan, maar ze waren blijven zitten om de groote tafel in 't bankgebouw om van gedachten over een en ander te wisselen.

En toen ze een poosje over andere zaken hadden gesproken, kwamen ze op de quaestie van landverhuizing.

En er waren een paar, die zeiden, dat het geld, dat uit Amerika inkwam, zoo weinig was, dat het niet de moeite waard was er over te praten.

En anderen zeiden, dat zij, die uit 't land gingen meer geld meênamen dan iemand wist.

En enkelen beweerden, dat 't gauw onmogelijk zou zijn in deze gemeente den grond te bebouwen, omdat alle arbeiders 't land uit gingen. En dat groote werk aan 't meer, dat begonnen moest worden, kon niet worden uitgevoerd, omdat alle jonge, ondernemende menschen waren weggegaan.

En deze en gene spraken er over, dat het door de landverhuizing was, dat ze zoo'n geweldig hooge armenbelasting moesten betalen, want als al de jongeren, die de ouden moesten verzorgen, wegtrokken, kon het wel niet anders gaan.

En anderen weer zeiden, dat het heele land in gevaar was, omdat allen, wier taak was het land te verdedigen, waren weggegaan. Nu kon de vijand ons overwinnen, zoodra hij maar wilde.

En de een was al levendiger dan de ander in 't uitspreken van zijn meening, maar op eens werd het stil. De proost bewoog zich. Hij had niet meêgesproken en nu verwachtten zij, dat hij zijn opvatting van de zaak zou zeggen.

Want zie eens, de proost was zoo, dat hij meestal een eigen opinie had, die vierkant tegen die van al de anderen inging, en al dacht je nu nog zoo zeker, dat je gelijk hadt, dan was je er toch nooit zeker van, dat hij niet een paar woorden zou zeggen, die je meest vaste overtuiging op eens onderste boven gooide. En omdat het er nu naar leek, dat de proost zich zou uitspreken, werden ze al dadelijk een beetje ongerust, de kooplieden en de boeren, en de eigenaar van de zagerij, en de assessor en de inspecteur van de nieuwe lijn.

Maar de proost zei geen woord en zat even stil als te voren, en toen werden ze steeds levendiger en weer zeker van hun zaak. Want ze waren immers in hart en ziel overtuigd, dat de proost hier ten minste geen tegenwerpingen kon maken, maar in dit opzicht hun gelijk moest geven. Want dat de landverhuizing het land schaadde—dat was toch zeker niet tegen te spreken!

En zij begonnen er weer over te spreken, dat er zooveel knappe koppen voor Zweden verloren gingen, en over al den ondernemingsgeest, die nu een ander land ten goede zou komen.

En enkelen spraken over allen, die daar ondergingen. Er waren er wel, wien 't daar goed ging, maar van allen, die tobden in nood en ellende, hoorde je nooit wat.

En er waren er, die zeiden, dat het er nog door kon, dat ze weggingen, als ze maar zoo verstandig waren niet die photographieën naar huis te sturen, waar ze in zij en fluweel gekleed op stonden, want 't waren juist die photo's, die de menschen ziek van verlangen maakten om ook naar Amerika te komen en daar hun geluk te beproeven.

En anderen weer spraken er over, hoe schadelijk en nutteloos het was, dat menschen uit hun land naar Amerika gingen. Dat kon men wel zien aan hen, die met verlof thuis kwamen. Ze waren zoo gewrongen en onnatuurlijk, dat ze bijna niet te verdragen waren.

Al dien tijd zat de proost zwijgend in zijn stoel, maar nu was er een, die opmerkte, dat hij 't hoofd omwendde en er iets in zijn oogen glinsterde. Hij stootte de anderen aan en weer hield het gesprek op, want allen wilden hooren wat de proost te zeggen kon hebben. Maar hij kwam er ook nu niet toe een woord te spreken. En dat was ook geen wonder. 't Was immers onmogelijk, dat hij anders zou denken dan de anderen over deze zaak.

En ze zeiden, dat er gemeenten waren, waar de huizen leeg en verlaten stonden, en waar men nauwelijks een mensch tegenkwam. Op plaatsen, waar verscheidene duizenden menschen hadden gewoond, waren er nu maar een paar honderd.

En ze zeiden, dat het vreemd was, dat de menschen niet begrepen, dat het verkeerd was het land, waar ze waren opgegroeid, te verlaten. Waar Vader en Moeder zich hadden kunnen redden, zou 't ook voor de kinderen wel goed genoeg zijn om er een weg te vinden.

't Werd immers nooit ergens echt gezellig voor menschen, die hun vaderland hadden verlaten, zei er ook een. Dat ging wel, zoolang je nog jong was, maar als je oud werd, kwam toch 't verlangen naar 't oude land.

Nog altijd zweeg de proost. Hij zat achterover geleund in den presidentsstoel, groot en breed, de armen over de borst gekruist.

Hij boog zich voorover over de tafel, en toen vroeg hij heel zachtmoedig, hoeveel er wel uit deze gemeente naar Amerika waren vertrokken.

Ja, 't juiste getal wisten ze geen van allen precies, maar ze waren er wel zeker van, dat het minstens vijfhonderd waren.

Toen boog zich de proost nog verder over de tafel en keek de menschen, die om hem heen zaten, strak aan.

„Nu wil ik u allen, die zoo tegen de landverhuizing zijt, iets vragen,” zei hij. „Wat zoudt U met al die vijfhonderd menschen beginnen, als ze terugkwamen?”

En toen leunde hij weer achterover in zijn stoel en kruiste de armen over de borst.

Toen de proost die vraag gedaan had, deed de assessor van Högbro dadelijk den mond open om te zeggen, dat dit het beste was, wat er kon gebeuren. Maar toen kwam het hem in de gedachte, dat hij een broer had, die lang geleden naar Amerika was gegaan. En als hij nu terugkwam, zou hij zeker ook aanspraak maken op dat stuk land, dat zijn vader voor hem had bestemd, maar dat hij immers tot nu toe niet had kunnen gebruiken. En toen nu de rechter er aan dacht wat een best land dat was en hoeveel werk hij er al aan besteed had, beet hij op zijn lippen en zei geen woord.

De eene koopman hief ook zijn hoofd op om te zeggen, dat de dag, dat de Amerikareizigers terugkwamen, een dag van vreugde voor hem en de heele gemeente zou zijn. Maar op datzelfde oogenblik dacht hij er aan, dat dan ook een zuster van hem zou terugkomen, die naar Amerika was gegaan en daar met een armen man getrouwd was. Nu was ze weduwe met vijf of zes onverzorgde kinderen en 't zou niet zoo prettig voor hem zijn dat heele gezelschap op den hals te krijgen. En hoe dat nu was ... hij kwam er niet toe den proost te antwoorden; hij begon zijn papieren bij elkaar te zoeken, alsof hij heen wilde gaan.

Toen de stationschef merkte, dat deze twee, die den heelen avond het sterkst hun meening hadden geuit, den proost niet antwoordden, wilde hij juist uitroepen, dat hij dien dag, dat de Amerikareizigers op zijn station aankwamen, op het perron zou staan en „Hoera!” roepen. Maar toen dacht hij er op eens aan, dat daar in Amerika iemand woonde, wie hij eens had beloofd te trouwen en die hij verlaten had. Dat was nu wel vele jaren geleden, maar hoe oud hij nu ook was—hij zou haar toch niet graag ontmoeten, en hooren van alles, wat zij had moeten doormaken, zonder een helpende hand, die haar steunde. En in plaats van den proost te antwoorden stond hij op en zei, dat hij naar buiten moest om zijn paard te zadelen.

Toen de stationschef weg was, kuchte de eigenaar van de zagerij lang en luid. Maar juist toen hij zijn stem wilde verheffen en antwoorden, dat hij wel aan vijfhonderd menschen huis en werk en behoorlijke verdienste zou kunnen bezorgen—dat zou heelemaal niet moeilijk zijn—kwam hem in de gedachte, dat als allen, die waren heengegaan, zouden terugkomen, er ook een zoon van hem bij zou wezen, die zoo aan den drank, en zoo diep gezonken was, dat hij een plaag voor zijn vrouw en hem en alle huisgenooten was geweest. En heel stil ging hij van de tafel weg en naar de andere kamer om zijn jas en hoed te zoeken.

En tegelijk stonden twee boeren op. Want de een had een goeden vriend in Amerika, die hem wat geld gezonden had om te bewaren. Dat geld stond op de bank en gaf goede rente tot kort geleden toe. Maar juist voor een paar dagen had hij er wat van moeten leenen om de bruiloft van zijn dochter te vieren. En hij kon niet zeggen, dat hij graag wilde, dat de reizigers terug zouden komen, voor hij dat zaakje weer in orde had gebracht.

De ander, die tegelijkertijd opstond, had een zoon in Amerika, die goed oppaste en die hem geld zond tegen Kersttijd en midden in den zomer. En hij wist niet hoe hij op zijn hoeve zou kunnen blijven, als die zendingen ophielden.

De commissaris zat nog aan de tafel, maar hij dacht aan een man, die een schrik en een plaag voor de heele streek was geweest en meer dan eens gedreigd had hem te vermoorden. En hij zei tot zich zelf, dat 't juist niet zoo te wenschen was, dat die man terug zou komen. Hij stond ook op, keerde zich naar den wand en keek naar een paar groote annonces van 't toeristbureau, die daar hingen.

Nu zat er nog maar één van de kooplieden aan de tafel; maar hij had aldoor duidelijk ingezien, dat het grootste ongeluk, dat hem kon overkomen was, dat de oude koopman, die hem zijn winkel had verkocht, terug zou komen. Want die was zóó knap in zaken, en had een zóó innemende manier van met zijn klanten om te gaan, dat hij allen handel in de gemeente naar zich toe zou hebben gelokt, als hij niet in 't hoofd gekregen had naar Amerika te gaan.

De proost had al dien tijd zwijgend zitten wachten, maar toen hij merkte, dat alleen de kleinste en armste van de kooplieden nog aan de tafel zat, wendde hij zich tot hem:

„Ja, wat zegt u er van, Söderberg?”

„Ik zeg, dat wat er gebeurt het beste is.”

„Ja, dat zou ik ook meenen,” zei de proost. „Ik wist wel, dat allen tot die overtuiging zouden komen, als ze maar even den tijd namen om na te denken.”


KALLE FRYKSTEDT.

Mijn oude tante, Nanna Lagerlöf, die met Tullius Hammargren, den proost in Karlskoga, getrouwd was, bewonderde de Gösta Berlingsaga niet.

„Zoo was het leven in dien tijd niet,” zei ze tegen mij, kort nadat het boek verschenen was. „Noch de mannen, noch de vrouwen zijn juist geteekend.”

Ze scheen te denken, dat het boek schande over de oude Wermelanders en hun land zou brengen.

Dat was een hard oordeel, en ik moet bekennen, dat ik niet verwacht had, dat van dien kant te hooren.

De vrouw van den proost in Karlskoga was zelf een groote liefhebster van 't vertellen van sagen uit Wermeland, en ik wist, dat ik niet alleen enkele van haar beste verhalen, maar vooral veel van haar eigenaardigen kijk op de menschen van vroeger tijd in mijn boek had weergegeven.

Omdat ze niets goeds van het boek zeggen kon vermeed ze meestal er over te praten, als ik in de pastorie mijn gewoon zomerbezoek kwam brengen. Maar eens kwam zij er toch toe te vragen, wien ik als voorbeeld voor Gösta Berling genomen had.

Ik antwoordde haar, dat mijn held de zoon van een proost in Sunne was, waarover ik mijn vader had hooren spreken. Hij was zoo, dat er vreugde opbloeide op het feest, alleen al wanneer hij zich vertoonde, en dat het ellendigste klavier vol en rijk klonk, zoodra hij de toetsen aanraakte.

De oude vrouw begreep dadelijk op wie ik doelde.

„Jawel, Kalle Frykstedt,” zei ze. „Ik dacht wel, dat je aan hem had gedacht.”

Ik durfde niet vragen of ik hem goed had geteekend. In plaats daarvan vroeg ik mijn tante of ze veel met hem had omgegaan in haar jeugd.

Haar ouderlijk huis op Mårbacka lag juist een mijl van de pastorie van Sunne en daar had mijn tante vaak groote feesten bijgewoond.

Neen, ze had hem niet in zijn huis ontmoet. Hij was immers veel ouder dan zij. Maar ze was een paar keer met hem samen in Karlstad geweest, nadat ze getrouwd was.

„Was hij toen al door den drank gesloopt?” vroeg ik.

„Kalle Frykstedt!” riep de oude vrouw met een scherpe stem. En ze zag mij zóó verbaasd aan, alsof ze heelemaal niet begreep wat ik zei.

Nu was mijn tante zoo, dat ze door deze wereld had mogen gaan met haar eigen betooverden kring om zich heen. Mooi en innemend en rijk begaafd als zij was geweest en nog steeds was, hadden allen, die zij ontmoette, haar hun besten kant willen toonen, en uit dankbaarheid daarvoor was zij hun trouw, en zag hen altijd voor zich als edele, goede, verstandige menschen. Ze was volstrekt geen onervaren kind; ze wist hoe grof en dwaas de menschen zich gewoonlijk gedragen, maar die wetenschap schoof ze op zij en datzelfde verlangde zij van allen, die in haar nabijheid kwamen.

Ze bleef een poos stilzitten en liet haar naaiwerk op haar knie rusten. Maar toen zag ze op met een fijnen glimlach: „Wacht eens, nu zul je hooren hoe Kalle Frykstedt was,” zei ze, en ik begreep, dat ze mij nu zou toonen hoe verkeerd ik mijn Wermelanders had geteekend.

„'t Was in den tijd, dat ik pas getrouwd was,” begon ze. En nu wist ik, dat ik iets heel moois zou hooren. Mijn tante had geen beminlijker verhalen dan die in den tijd speelden, toen haar man als jong leeraar op de jongensschool in Amål was aangesteld en zij zoo verbazend weinig hadden om van te leven. Ik vergeet nooit een verhaal van een pakkist, die haar eerste salonsofa werd. Ze kon zoo mooi en vroolijk van die pakkist vertellen, dat ik later nooit een groote kist zag, zonder dat ik bewogen werd en toch lust tot lachen had.

Nu vertelde zij, dat, toen ze een jaar getrouwd was, haar man besloten had het predikantsexamen te doen. Hij had al zijn candidaatsexamen in Upsala gedaan, maar in dien tijd was het gewoonte, dat de schoolmeesters ook predikanten moesten zijn.

„Moest hij dan naar Upsala terug?” vroeg ik.

„Neen, alleen maar naar Karlstad,” antwoordde mijn tante. „Toen kon je dat examen in Karlstad doen.”

Tante Nanna en haar man trokken toen weg uit hun klein tehuis in Amål en verhuisden naar Karlstad, waar ze bleven, zoolang de studie over 't predikantsexamen duurde.

En al dien tijd moesten ze van geleend geld leven.

„Neen, hoe durfde hij dat te wagen?” zei ik.

„Ja, het moest wel,” antwoordde mijn tante, en aan haar stem was het nog te hooren hoe angstig ze was geweest, toen ze die gewaagde onderneming begonnen.

„Maar ik zou nu niet van ons vertellen,” ging ze voort, „maar van Kalle Frykstedt. Hij zou ook het predikantsexamen doen en studeerde in Karlstad net als Hammargren. Hij had de laatste jaren als huisonderwijzer rondgezworven, maar nu hadden enkele vrienden hem overgehaald om dit examen te doen, om eindelijk eens behoorlijk zijn brood te kunnen verdienen.

„En toen u hem ontmoette, werd u zeker even sterk door hem bekoord als alle andere menschen,” zei ik.

„Eerst was ik meer bang voor hem, want hij was bijna nooit nuchter.”

„O!” riep ik, héél verbaasd. „En ik dacht...”

„Je vroeg of hij door den drank gesloopt was,” zei mijn tante. „Maar hij was zóó knap en zoo geniaal, dat zijn examinatoren er tegen opzagen, toen ze hem moesten examineeren. Maar drinken—dat deed hij. Hammargren en de anderen namen hem gewoonlijk zijn schoenen af op den avond voor een tentamen, want anders konden ze er zeker van zijn, dat hij den heelen nacht in de kroeg zou zitten, en den volgenden morgen niet op zijn beenen kunnen staan.

Toen ik dat hoorde vond ik wel, dat dit beter bij mijn beschrijving van Gösta Berling paste, dan ik verwacht had, maar ik wachtte me wel iets in die richting te zeggen.

„Kwam hij ooit zoover, dat hij dat examen doen kon?” vroeg ik.

„Ja, hij deed het gelijk met Hammargren en kwam er met den hoogsten graad door. Ik had wel gewild, dat hij er niet door gekomen was,” voegde zij er bij.

Toen dacht ik, dat mijn tante gemerkt had, dat Kalle Frykstedt niet voor het ambt van predikant paste, maar dat zou ze zeker nooit willen erkennen. Er mocht niets af te keuren zijn in de gebruiken en gewoonten van den ouden tijd, en zij deed, alsof het heelemaal in orde was, dat Kalle Frykstedt tot predikant zou worden gewijd, en een gemeente te verzorgen krijgen.

Neen, 't was om heel andere reden, dat ze gewild had, dat hij niet door zijn examen kwam. Haar man en zij voelden zich genoodzaakt een diner te geven op den dag van het examen, voor den bisschop, de heeren van den kerkeraad en de examinandi. Mijn tante had Kalle Frykstedt niet bij het feest willen hebben, omdat zij overtuigd was, dat hij zich dronken zou drinken en alle feestvreugde bederven, maar nu hij door zijn examen gekomen was, kon ze immers niet laten hem ook uit te noodigen.

't Was niet met een gevoel van blijdschap, dat zij de voorbereidselen maakte voor dat feest. Haar man en zij hadden een kleine woning gehuurd met slaapkamers en een eetkamer op een hooger verdieping, terwijl de keuken en de werkkamer van den man beneden waren. Men moest het met haar eens zijn, dat hier geen goede gelegenheid voor een diner was. 't Eten was niet zoo moeilijk te krijgen: haar moeder zond haar daarvan het grootste gedeelte van Mårbacka. Maar ze had geen porselein en glazen en zilver genoeg voor zooveel gasten, zoodat ze, wat zij te kort kwam, van vrienden en bekenden moest leenen.

Maar de grootste zorg was toch, dat ze Kalle Frykstedt had moeten vragen.

't Diner had plaats. De bisschop kwam met den heelen kerkeraad, de examinandi kwamen en Kalle Frykstedt bleef ook niet weg. En, wonderlijk genoeg, werd dat het allerbeste feest, dat mijn tante ooit had beleefd.

Ik dacht er aan hoe innemend en onderhoudend zij nog op haar ouden dag als gastvrouw kon zijn. En den tijd, dat ze jong en mooi was, moest ze wel onweerstaanbaar geweest zijn. En ik vroeg kalm of het haar verdienste geweest was, dat het feest zoo voortreffelijk was geslaagd.

Maar dat ontkende zij zoo beslist mogelijk. Die eer kwam haar niet toe, maar Kalle Frykstedt. Hij was ten eerste zoo mooi geweest, met die diepe, melankolieke oogen en dat volle golvende haar. Er was iets plechtigs, iets stralends over hem geweest. De vreugde, dat het hem gelukt was in een nieuwen werkkring te komen, had hem met een mooie, levendige geestdrift vervuld.

Mijn tante had nooit gedacht, dat een mensch zoo sterk geïnspireerd kon zijn. Hij sloeg den eenen toast na den anderen, en dat waren geen gewone toasten, maar toespraken vol diepzinnige gedachten. Alles wat hij dien middag zei, was zoo belangrijk, dat allen gaarne naar hem luisterden. Hij werd het middenpunt der gesprekken, en hij voerde allen mee naar nieuwe ongekende werelden. Maar hoewel zij diep werden getroffen door de hooge en ongehoorde gedachten, die hij uitsprak, vonden allen, dat hij zelf het grootste wonder was. Allen genoten van het verheven schouwspel 't genie te zien vonkelen en branden in een menschenziel.

Er waren vele uitnemende persoonlijkheden onder de genoodigden. Bisschop Agardh zelf was geniaal, terwijl velen van de gasten geleerde en begaafde mannen waren. Ze werden door Kalle Frykstedt meegesleept; ze verhieven zich allen uit hun grauwe, alledaagsche gedachten en spraken welsprekende en diepzinnige woorden. Maar toch was niemand als hij.

Terwijl hij aan tafel zat, roerde Kalle Frykstedt den wijn nauwelijks aan, en over 't geheel werd bij dit feest aan spijzen en dranken niet veel aandacht geschonken. Toch bleven de genoodigden uren aaneen aan tafel zitten. Eindelijk stond de bisschop op en nam afscheid terwijl hij den jongen gastheer en gastvrouw dankte, voor het aangenaamste feest, dat hij nog ooit in zijn bisschopsstad had bijgewoond. Tegelijk met den bisschop vertrokken velen van de andere heeren, en ook de gastvrouw trok zich terug. Maar velen van de gasten konden nog niet besluiten naar bed te gaan. Ze droegen flesschen en glazen naar beneden naar de werkkamer en daar zetten zij het feest voort tot het helder dag werd.

Kalle Frykstedt hield steeds heerlijke toespraken, maar nu begon hij ook te drinken. Tegen den morgen stond hij te spreken, tegen de tafel geleund, waar de glazen en karaffen op stonden. Plotseling wankelde hij, viel om en trok het tafellaken meê met al het glaswerk.

Toen mijn tante den volgenden morgen wakker werd, had ze nauwlijks den tijd gehad om aan den vorigen dag terug te denken en er zich over te verheugen, dat alles zoo goed was gegaan, toen ze hoorde, dat er een massa glazen en karaffen gebroken waren. Men kan zich haar schrik en verdriet voorstellen. 't Zou al treurig zijn geweest als het gebroken goed haar eigendom was, maar nu was immers bijna alles van anderen geleend. Er waren kostbare oude erfstukken onder, die met geen mogelijkheid terug te koopen waren. Mijn tante schreide, als ze aan alle uitgaven dacht, die ze zouden moeten doen om de schade te vergoeden, aan alle verontschuldigingen, die ze zou moeten maken, en aan al de ergernis, die haar vrienden zouden voelen, omdat ze hun eigendom niet beter had verzorgd.

Later op den morgen kwam Kalle Frykstedt een bezoek brengen. Mijn tante droogde haar oogen en ontving hem als altijd. Nu was hij nuchter en kalm, bedankte haar voor den aangenamen middag en bleef nog een poosje praten over allerlei. Maar hij was wat onrustig, hij zag mijn tante onderzoekend aan. Hij scheen een uitbarsting van verdriet of bitterheid te verwachten. Eindelijk deed hij een poging om zich te verontschuldigen.

„Ik weet 't niet recht meer...” zei hij en streek met de hand over het voorhoofd. „Er staat me iets voor... Ik heb me toch gisteren niet onbehoorlijk gedragen?”

„Neen,” zei mijn tante, en ik kon me voorstellen hoe ze hem toen aanzag met haar bekoorlijken glimlach. „U hebt u heelemaal niet onbehoorlijk gedragen. Integendeel, u was degeen, die ons allen genoegen deed—dat is veel te weinig—die ons allen in verrukking bracht.”

Hij zag haar verwonderd aan. Haar antwoord had hem niet geheel gerustgesteld. „Ik moet mijn excuses maken, als er toch iets was...”

„U hoeft u waarlijk voor niets te excuseeren,” zei mijn tante op stelligen toon.

Ik begreep zoo goed, waarom ze hem zoo antwoordde. De man, die voor haar stond, had haar verdriet en groote onkosten bezorgd, maar zij had hem leeren kennen als een hoogstaand genie, en zij kon het niet over zich verkrijgen te toonen, dat ze van zijn vernedering wist.

„O! wat ben ik blij!” had de arme stakker uitgeroepen. „Wat ben ik blij!”

Hij had mijn tante de hand gekust als een bedelaar, die een groote aalmoes had gekregen. Toen had hij zich opgericht en was stralend en vol geest geworden als den vorigen dag.

Ook ik kuste de hand van mijn tante en kon nauwlijks mijn tranen bedwingen. Er was altijd iets bekoorlijks en aandoenlijks over haar. Er lag poëzie over haar heele wezen, de poëzie van de menschen uit den ouden tijd.

Ik begreep best, wat ze mij had willen leeren, maar toen ik die les kende, jubelde er in mij iets hoog op.

„Mannen en vrouwen uit het verleden,” dacht ik, „al ontkent ge het zelf,—toch zijt ge zooals ik u voor me heb gezien in een langen droom.”


DE LEGENDE VAN DEN LUCIADAG.

Veel honderd jaar geleden woonde in het zuiden van Wermeland een rijke, gierige oude vrouw, die Vrouw Rangela werd genoemd. Zij bezat een burcht, of misschien moest men liever zeggen: een versterkte hoeve—aan de smalle monding van een inham, die het Weenermeer diep in 't land stuwt, en over die monding had ze een brug gebouwd, die kon worden opgehaald op dezelfde manier als een ophaalbrug over de gracht van een kasteel. Daar bij die brug hield Vrouw Rangela een sterke wacht van knechten, en voor de reizigers, die in staat waren de bruggelden te betalen, die zij eischte, lieten de wachters dadelijk de brug neer, maar voor anderen, die uit armoede of om andere reden weigerden te betalen, bleef de brug omhoog, en omdat er geen veerpont was, bleef voor hen niet anders over, dan een omweg van verscheiden mijlen te maken en rondom den inham te gaan.

Deze onderneming van Vrouw Rangela om op die wijze belasting van de reizigers te heffen, wekte veel verontwaardiging, en 't is waarschijnlijk, dat de weerspannige boeren, die haar buren waren, haar reeds lang zouden hebben gedwongen om hun vrijen doorgang te laten, als zij niet een machtigen vriend en beschermer had gehad in Heer Eskil van Börtsholm, wiens goed aan dat van Vrouw Rangela grensde.

Die Heer Eskil, die een werkelijken burcht bewoonde met muren en torens, die zóó rijk was, dat zijn landerijen een heel district vormden, die door 't land reed met zestig gewapende dienaars, en die daarenboven door den koning als vertrouwde raadgever was gekozen, was niet alleen een goed vriend van Vrouw Rangela, maar het was haar ook gelukt hem tot haar schoonzoon te maken, en in die omstandigheden was het heel natuurlijk, dat niemand de gierige vrouw in haar doen en laten waagde te storen.

Jaren achtereen zette Vrouw Rangela ongestoord haar nering voort, tot er iets gebeurde, dat haar ongerust maakte. Haar arme dochter stierf heel onverwacht, en Vrouw Rangela begreep, dat een man als Heer Eskil, met acht minderjarige kinderen en een hofhouding, die vorstelijk kon worden genoemd, wel gauw een nieuw huwelijk zou sluiten, vooral omdat hij nog niet oud was. Wanneer nu die nieuwe echtgenoote Vrouw Rangela niet goed gezind zou zijn, kon dat heel veel last geven. 't Was bijna voor haar nog noodiger om goede vrienden met de huismoeder op Börtsholm te wezen, dan met haar man, want Heer Eskil, die veel groote zaken te beheeren had, was veel op reis, en nu en dan moest zijn vrouw thuis en in den burcht alles regelen en besturen.

Vrouw Rangela overdacht deze zaak goed en toen de begrafenis voorbij was, reed zij op een dag naar Börtsholm en bezocht Heer Eskil in zijn eigen vertrek. Daar begon zij het gesprek met hem te herinneren aan zijn acht kinderen, en wat die noodig hadden, aan zijn talrijken bediendenstoet, die onderhouden, verzorgd en gekleed moest worden, aan zijn groote feesten, waarop hij niet aarzelde koningen en koningszonen te noodigen, aan de groote opbrengst van zijn kudden, zijn akkers, zijn jachtvelden, zijn bijenkorven, zijn hoptuinen, zijn vischwater: aan wat er al niet op zijn hoeve moest verzorgd worden, aan alles, in één woord, waarvoor zijn vrouw had gezorgd, en teekende op die manier een recht beangstigend beeld van de groote moeilijkheden, die hij nu, na haar dood te gemoet ging.

Heer Eskil luisterde met den eerbied, dien men zijn schoonmoeder is verschuldigd, maar ook met een zekere onrust. Hij vreesde, dat dit alles beteekende, dat Vrouw Rangela van plan was zich zelf als zijn huishoudster op Börtsholm aan te bieden, en hij moest bekennen, dat die oude vrouw met haar onderkin en arendsneus, met haar ruwe stem en haar boersche manieren juist geen prettig gezelschap in zijn huis zou zijn.

„Lieve Eskil,” ging Vrouw Rangela voort, die misschien niet onkundig was van de uitwerking van wat zij zei. „Ik weet, dat er nu gelegenheid is voor een bizonder goed huwelijk voor je, maar ik weet ook, dat je rijk genoeg bent om meer aan 't welzijn van je kinderen te denken, dan aan een grooten bruidsschat, en daarom wou ik je voorstellen een van de jonge nichtjes van mijn dochter als haar opvolgster te kiezen.”

Heer Eskils gezicht klaarde merkbaar op, toen hij hoorde, dat het een jong familielid was, waar zijn schoonmoeder over sprak, en deze ging voort met toenemende kracht hem te overtuigen, dat hij moest trouwen met de dochter van haar broer, de wethouder Steen Folkesson, Lucia, die dezen winter op St. Luciadag, twintig jaar zou worden. Zij was tot nu toe opgevoed bij de vrome vrouwen in 't klooster te Risaberga, en was daar niet alleen geoefend in goede zeden en strenge godsvrucht, maar had ook door deel te nemen aan 't werk in de groote kloosterhuishouding geleerd de groote huishouding in een heerenhuis te besturen.

„Als niet haar jeugd en armoede een bezwaar zijn,” zeide Vrouw Rangela, „dan moest je haar kiezen. Ik weet, dat mijn overleden dochter van ganscher harte haar de zorg voor haar kinderen zou overgeven. Zij zal niet uit haar graf terug behoeven te keeren, als Vrouw Dyrit op Örehus, als je haar nichtje tot stiefmoeder maakt.”

Heer Eskil, die allerminst tijd had gehad over zijn eigen aangelegenheden te denken, voelde groote dankbaarheid voor Vrouw Rangela, die hem zulk een goed huwelijk voorstelde. Hij vroeg wel om een paar weken bedenktijd, maar gaf reeds den volgenden dag Vrouw Rangela volmacht om voor hem te onderhandelen. En zoodra het mogelijk was in verband met het uitzet, de toebereidselen voor de bruiloft en den goeden toon, werd de bruiloft gevierd, zoodat de jonge vrouw vroeg in het voorjaar haar intocht deed op Börtsholm, eenige maanden nadat zij haar twintigsten verjaardag had gevierd.

Toen Vrouw Rangela bedacht hoe dankbaar haar nichtje haar wezen moest, omdat ze haar tot huisvrouw op zulk een rijken en statigen burcht had gemaakt, voelde zij zich nog veiliger dan toen haar eigen dochter daar de teugels in handen had. In haar vreugde sloeg zij het bruggegeld nog wat op en verbood streng, dat een van de buren de reizigers met een boot over 't water zou helpen, opdat niemand aan de belasting zou ontkomen.

Nu gebeurde het op een mooien lentedag, toen Vrouw Lucia een paar maanden op Börtsholm had gewoond, dat een stoet van zieke pelgrims, die op weg waren naar de heilige Drieëenheidsbron bij Sätra in Westmannaland verzochten over de brug te mogen gaan. Die menschen, die waren uitgetrokken om hun gezondheid te herwinnen, waren gewend, dat allen, die aan den weg woonden, zooveel mogelijk hun tocht verlichtten, en het gebeurde vaker, dat zij geld ontvingen, dan dat zij iets uit moesten geven. De brugwachters van Vrouw Rangela hadden intusschen strenge bevelen ontvangen geen toegevendheid te toonen, en allerminst tegen zulk soort van reizigers, die zij verdacht van niet zoo ziek te zijn, als ze wel voorgaven, en uit pure luiheid het land door te trekken.

Toen aan die zieken de vrije overtocht geweigerd werd, ontstond er onder hen een grenzenloos verdriet. De lammen en gebrekkigen wezen op hun zieke ledematen en vroegen hoe iemand zóó hard kon wezen, hun tocht een heele dagreis te verlengen, de blinden vielen op de knieën en probeerden bij de brugwachters te komen om hun handen te kussen, terwijl de verwanten en vrienden der zieken, die hen op reis hielpen, hun zakken uithaalden voor de oogen der wachters om hun te toonen, dat zij werkelijk leeg waren.

Maar de knechten stonden daar volkomen onbewogen en de vertwijfeling der armen steeg voortdurend, toen tot hun geluk de huisvrouw van Börtsholm kwam aanroeien met haar stiefkinderen. Ze kwam haastig op het misbaar toe, en zoodra ze begrepen had, wat er te doen was, barstte zij uit: „Dat is nu toch in een oogenblik te verhelpen. Nu gaan de kinderen aan land en brengen hun grootmoeder, Vrouw Rangela, een bezoek, en in dien tijd zet ik deze zieke reizigers over in mijn boot.”

De wachters en de kinderen, die wisten, dat met Vrouw Rangela niet te spotten viel, als het om haar dierbaar bruggegeld ging, probeerden met blikken en teekens de jonge vrouw te waarschuwen, maar zij merkte het niet of wilde het niet merken. Want de jonge vrouw was in alles het tegenovergestelde van haar tante, Vrouw Rangela. Van dat zij een klein kind was, had zij al de heilige Siciliaansche Maagd Lucia liefgehad en vereerd. Die was haar heilige, en leefde als haar voorbeeld in haar hart. En als belooning daarvoor had de heiligheid haar geheele wezen met licht en warmte doortrokken, wat al in haar uiterlijk zichtbaar was. Er was iets lichtends doorschijnends en fijns over haar, zoodat men bijna bang was haar aan te raken.

Met veel vriendelijke woorden zette zij nu de zieken over 't water, en toen de laatste van de schare aan den overkant was gebracht, verliet zij ze, zoo overstroomd met zegeningen, dat als die even zwaar als waardevol geweest waren, ze haar boot zóó zouden hebben overbelast, dat die gezonken zou zijn vóór ze weer aan wal was gekomen.

Aan zegeningen en goede wenschen had ze ook groote behoefte, want van dit oogenblik af begon Vrouw Rangela te vermoeden, dat zij geen steun van haar nichtje te verwachten had, en het berouwde haar bitter, dat ze haar tot Heer Eskils echtgenoote had gemaakt. Zij, die met zoo weinig moeite het arme meisje zoo hoog verheven had, besloot haar, vóór ze nog meer schade had gedaan, uit die hooge positie te verdrijven, en in haar vroegere duisternis te doen terugkeeren.

Om haar nichtje te kunnen treffen, besloot ze toch vooreerst haar boos opzet te verbergen, en zij bezocht haar dikwijls op Börtsholm. Daar deed ze al haar best zooveel oneenigheid tusschen de ondergeschikten en de jonge vrouw te stichten, dat deze haar werk moede zou worden. Maar tot haar groote verbazing mislukte haar dat volkomen. Dat kan gedeeltelijk zijn, omdat Vrouw Lucia, hoe jong ze ook was, haar huis goed in orde wist te houden, maar de eigenlijke reden was, dat de bedienden èn de kinderen meenden, dat de jonge huismoeder onder een machtige, hemelsche bescherming stond, die haar tegenstanders bestrafte en hun, die haar goed en gewillig dienden, onverwachten voorspoed bezorgde.

Vrouw Rangela merkte al gauw, dat ze op deze manier niets kon bereiken, maar ze wilde de hoop nog niet opgeven, voor ze ook nog een proef met Heer Eskil had genomen. Hij was intusschen dezen zomer meestal aan het hof voor lange en inspannende onderhandelingen. Als hij nu en dan een paar dagen thuis kwam, hield hij zich meestal bezig met zijn opzichters en jagermeesters. Hij schonk maar in 't voorbijgaan aandacht aan de vrouwelijke bewoners van Börtsholm, en zelfs als Vrouw Rangela op bezoek kwam, hield hij zich terug, zoodat zij hem nooit alleen te spreken kon krijgen.

Op een schoonen zomerdag, toen Heer Eskil op Börtsholm was en in zijn kamer met zijn stalmeester zat te praten, weerklonk de burcht van zulk een luid geschreeuw, dat hij zijn gesprek moest afbreken en haastig naar buiten gaan om de reden daarvan te onderzoeken.

Hij ontdekte toen, dat zijn schoonmoeder, Vrouw Rangela buiten de poort van den burcht te paard zat en luider krijschte dan een uil.

„'t Is om je arme kinderen, Eskil,” riep ze, „ze zijn in levensgevaar op 't water. Ze kwamen naar mijn strand roeien van morgen, maar op weg naar huis moeten ze water in de boot hebben gekregen. Ik zag van uit mijn huis hoe zwaar ze 't hadden en ben hierheen gereden om je te waarschuwen. Ik moet ook zeggen, al is je vrouw mijn eigen nichtje, dat 't leelijk van haar is, de kinderen alleen in zoo'n slechte boot te laten gaan. Dat lijkt op een echten stiefmoedersstreek!”

Heer Eskil deed een paar haastige vragen om te weten, waar de kinderen waren, en snelde toen door zijn opzichter gevolgd naar 't bootenhuis. Maar eer ze nog zoover gekomen waren, zagen ze Vrouw Lucia aankomen met alle kinderen, op het steile pad, dat van het meer naar Börtsholm leidde.

De jonge vrouw was dien keer niet met de kinderen meegeweest, maar was weer naar huis gegaan om haar werk te doen. Maar 't scheen, alsof ze een waarschuwing had gekregen door de hemelsche helpers, die haar beschermden, want plotseling was ze uit den burcht naar buiten gegaan om naar de kinderen te zien. Daardoor had ze gemerkt hoe ze wuifden en riepen om hulp van 't land. Ze was haastig in haar eigen boot naar hen toe geroeid, en 't was haar gelukt ze op het laatste oogenblik in haar boot over te brengen uit het zinkende vaartuig.

Toen nu Vrouw Lucia en haar stiefkinderen op den strandweg aankwamen, was ze zoo verdiept in 't vragen hoe de kinderen in zulk een gevaar gekomen waren, en de kinderen in 't vertellen, dat ze heelemaal niet zagen, dat de Heer Eskil hun te gemoet kwam. Maar hij, die wat wonderlijk te moede was geworden door wat Vrouw Rangela zei van een stiefmoedersstreek, gaf snel zijn opzichter een wenk, en verborg zich met hem achter een van de wilde rozenstruiken, die groot en welig bijna den heelen strandheuvel bedekten, waarop de burcht Börtsholm lag.

Daar hoorde Heer Eskil de kinderen aan Vrouw Lucia vertellen, dat ze in een goede boot waren uitgevaren, maar terwijl ze Vrouw Rangela bezochten, was hun vaartuig omgeruild tegen een oude, slechte boot. Ze hadden 't niet gemerkt voor ze al op 't meer waren en 't water aan alle kanten begon binnen te stroomen, en zeer zeker zouden ze verdronken zijn, als hun lieve moeder hun niet zoo snel te hulp gekomen was.

't Scheen alsof Vrouw Lucia een vermoeden kreeg van de oorzaak van dit omruilen van booten, want ze bleef doodsbleek staan midden op den steilen weg, met tranen in de oogen en de handen tegen haar hart gedrukt. De kinderen drongen zich om haar heen om haar te troosten. Ze zeiden, dat ze toch behouden uit het gevaar waren gekomen, maar zij bleef onbeweeglijk en machteloos.

Toen legden de twee oudsten van de kinderen, een paar kloeke jongens van veertien en vijftien jaar hun handen ineen tot een stoel en droegen haar zoo den steilen weg op, terwijl de jongeren volgden, lachend en in de handen klappend.

Terwijl de kleine stoet zoo tusschen de bloeiende rozen door in triomf naar Börtsholm trok, stond Heer Eskil in gedachten verdiept vrouw en kinderen na te zien. De jonge vrouw kwam hem zoo lief en zeldzaam stralend voor, toen ze hem voorbij gedragen werd, dat hij wenschte, dat zijn ouderdom en waardigheid hem hadden veroorloofd haar in zijn armen te nemen en naar zijn burcht te dragen.

Misschien bedacht Heer Eskil ook in dit oogenblik hoe weinig geluk, en hoe veel moeite hij oogstte in dienst van de hooggeplaatsten, terwijl misschien vrede en vreugde hem aan zijn eigen haard wachtten. Hij sloot zich tenminste dien heelen dag niet in zijn eigen kamer op, maar gebruikte zijn tijd om met zijn vrouw te spreken en naar de spelen van zijn kinderen te kijken.

Vrouw Rangela daarentegen zag dit alles met groot misnoegen, en verliet haastig Börtsholm, zoo spoedig ze dit zonder aanstoot te geven kon doen. Maar daar niemand haar in ernst durfde te verdenken van het leven van haar kleinkinderen in gevaar te brengen om Vrouw Lucia bij haar man in ongenade te brengen, werd de vriendschappelijke omgang niet verbroken en kon ze voortgaan met haar pogingen om de jonge burchtvrouw haar hooge positie te berooven.

Lange tijd scheen het, alsof het de oude vrouw niet gelukken zou, want het goede hart en 't onberispelijk gedrag van Vrouw Lucia, gepaard aan de hulp van haar hemelsche beschermster maakten, dat alle aanvallen op haar afstuitten zonder haar te schaden. Maar tegen den herfst gebeurde het, tot Vrouw Rangela's groote blijdschap, dat haar nichtje iets deed, wat Heer Eskil wel moest afkeuren.

Dit jaar was de oogst op Börtsholm zóó overvloedig geweest, dat hij dien van alle vorige jaren overtrof, zoolang men zich herinneren kon. Ook de jacht en de visschen hadden tweemaal zooveel opgeleverd als anders. De bijenkorven vloeiden over van honig en was, en de hopvelden van hop. De koeien gaven stroomen melk, de wol van de schapen werd lang als gras en de varkens werden zoo vet, dat zij zich nauwelijks konden bewegen. Allen, die op den burcht woonden, merkten dien zegen op, en zij beweerden al spoedig, dat die ter wille van de jonge Vrouw Lucia op de hoeve neerdaalde.

Maar terwijl men nu op Börtsholm zoo goed mogelijk bezig was al die goede gaven te ontvangen en te verzorgen, verschenen daar een menigte menschen, die in nood verkeerden. Zij kwamen allen van den oostelijken of noordoostelijken oever van 't groote Weenermeer. Ze vertelden onder veel tranen en met droevige gebaren hoe de geheele streek, van waar zij kwamen, door een vijandelijk leger was geteisterd, dat daar was rondgetrokken—brandend, plunderend en moordend. De krijgsknechten waren zoo boosaardig geweest, dat ze zelfs 't koren op den akker in brand staken, en al 't vee meegenomen hadden. De menschen, die hun leven hadden behouden, gingen den winter tegemoet, zonder levensmiddelen en zonder dak boven hun hoofd. Sommigen waren begonnen te bedelen, anderen verborgen zich in het bosch, anderen weer zwierven rond tusschen de verbrande woningen zonder kracht om iets te doen, alleen treurende over wat ze hadden verloren.

Toen Vrouw Lucia deze verhalen hoorde, werd het gezicht van alle levensmiddelen, die zich op Börtsholm opstapelden, haar een pijniging. Eindelijk werd de gedachte aan al die hongerende menschen aan den overkant van het meer haar te machtig, zoodat ze geen bete brood meer over de lippen kon krijgen.

Elken dag dacht ze aan de verhalen, die ze in het klooster had hooren voorlezen, van heilige mannen en vrouwen, die zich tot op het bloote lijf hadden ontkleed om armen en ellendigen te helpen. En vóór alles dacht ze aan haar eigen beschermheilige, de heilige Lucia van Syracuse, die zóó ver in barmhartigheid was gegaan tegenover een heidenschen jongeling, die haar liefhad om haar wondermooie oogen, dat zij haar oogen uit de oogholten genomen had en ze hem dof en bloedend gegeven had om hem te genezen van zijn liefde voor haar, die een christenmaagd was en hem niet kon toebehooren. De jonge vrouw werd ten uiterste beangst en gepijnigd door deze herinneringen, en ze verachtte zich zelf diep, omdat ze over zooveel nood kon hooren spreken, zonder eenige ernstige poging te doen om te helpen.

Juist toen die gedachten haar 't allerergste kwelden, kwam er bericht van Heer Eskil, die haar vertelde, dat hij op last van den koning een reis naar Noorwegen moest doen en dat zij hem niet tehuis kon verwachten vóór Kerstmis. Maar dan zou hij niet alleen met zijn eigen zestig man komen, maar ook met een groote schare vrienden en verwanten, waarom hij Vrouw Lucia verzocht zich voor te bereiden op een groot en langdurig feest.

Denzelfden dag, dat Vrouw Lucia op deze wijze hoorde, dat haar man dien herfst niet thuis zou komen, deed zij een krachtige poging om den angst, die haar zoo lang had gekweld, te bezweren. Zij liet haar volk bevelen alle levensmiddelen, die op Börtsholm waren opgehoopt, naar het strand te brengen. Zoo werd dus den heelen wintervoorraad op schuiten en pramen geladen, zeer zeker tot groote verbazing van alle burchtbewoners.

Toen de kelders en provisiekasten geleegd waren, begaf Vrouw Lucia zich, door haar kinderen en dienstboden gevolgd, aan boord van een goed bemand schip, en terwijl ze op Börtsholm alleen een paar oude wachters achterliet om den burcht te verzorgen, liet zij zich met al haar bezittingen voortroeien op het groote meer, dat voor haar lag, onbegrensd aan alle zijden als een zee.

Van die reis van Vrouw Lucia bestaan nog allerlei oude sagen en berichten. Zoo vertelt men, dat het gedeelte van den oever van 't Weenermeer, waar de vijand 't meeste verwoest had, bij haar aankomst bijna door de inwoners verlaten was. Vrouw Lucia had daar zeer teleurgesteld voortgeroeid en naar 't geringste teeken van leven of beweging uitgezien, maar geen rook was naar den hemel opgestegen, geen haan had gekraaid, geen koe had geloeid.

Hier was nog in een gemeente een oude geestelijke achter gebleven, die Heer Kolbjörn heette. Hij had gevonden, dat hij niet met zijn gemeenteleden moest meegaan, toen deze uit hun verwoeste hoeven en huizen vluchtten, want hij had de pastorie en de kerk vol menschen, die in den strijd gewond waren. Hij was bij hen gebleven, had hun wonden verbonden en wat hij had, onder hen uitgedeeld, zonder zich zelf spijs of rust te gunnen. Daardoor was hij zóó verzwakt, dat hij den dood nabij was. Toen had, op een van de donkerste herfstdagen, toen zware wolken over 't meer neerzonken, toen 't water met zwarte golven kwam aanrollen en de duisternis in de natuur de hopeloosheid en den nood nog verzwaarde, die arme Heer Kolbjörn, die geen kracht meer had de mis te lezen, geprobeerd aan het touw van de kerkklok te trekken, om zoo Gods zegen over zijn zieken af te smeeken. En zie, nauwlijks hadden de eerste klokketonen geklonken of een kleine vloot scheepjes en pramen was naar land komen roeien. En uit een van die scheepjes was een jonge vrouw aan land gestapt, met een gezicht, als doorstraald van licht. Voor haar uit liepen acht heerlijke kinderen, en achter haar volgde een lange rij dienstknechten, die ladingen van allerlei levensmiddelen droegen: gebraden kalveren en schapen, lange staken vol droge broodkoeken, kruiken met drinkwaren en zakken vol meel. Op 't laatste oogenblik kwam de hulp als door een wonder.

Niet ver van de kerk van Heer Kolbjörn op een landtong, die spits in 't meer uitliep en Saxudden genoemd werd, had reeds lang een oude boerenhoeve gelegen. Nu was die verbrand en uitgeplunderd, maar de eigenaar, een zeventigjarige, had de hoeve zóó lief, dat hij er niet toe komen kon die te verlaten; zijn oude vrouw, een kleinzoontje en een kleindochter waren bij hem gebleven. Zij hadden van visscherij geleefd, maar de storm had hun vischtuig vernield, en nu zaten zij bij de puinhoopen en verwachtten den hongerdood. Maar terwijl ze zoo lagen te wachten, dacht de boer op eens aan zijn hond, die bij hen lag en geduldig verhongerde. Hij rukte een pook naar zich toe, en met inspanning van zijn laatste krachten, sloeg hij den hond om hem weg te jagen, want hij wilde niet, dat het dier zou sterven door iets wat het niet aanging. Maar bij dien slag huilde de hond luid en liep weg. Den heelen nacht zwierf hij hardnekkig huilend op de hoeve rond. En hij werd ver over 't meer gehoord. Eer nog de dag was aangebroken, roeide Vrouw Lucia, door zijn geblaf geleid, naar land met hulp en redding. Nog verder weg lag een huisje, met een muur omringd. Daar woonden eenige heilige vrouwen, die God hadden beloofd het huis nooit te verlaten. Voor deze vrome zusters hadden de oorlogvoerenden zóóveel eerbied gehad, dat zij haar zelve en haar huis niet hadden geschaad, maar ze hadden haar van al haar wintervoorraad beroofd. 't Eenige wat ze hadden mogen behouden, was een duiventil vol duiven, en die hadden ze één voor één geslacht, tot er maar één overbleef. Maar die duif was heel tam, en de vrome vrouwen hadden het dier zoo lief, dat ze haar leven niet wilden verlengen door het op te eten; en ze openden de kooi en lieten de duif wegvliegen. Toen steeg de witte duif eerst hoog naar den heuvel op, toen daalde ze neer en zette zich op het dak. Toen nu Vrouw Lucia voorbij het strand roeide, uitziende naar iemand, die hulp noodig had, zag zij de duif, en begreep, dat waar die was, ook menschen zijn moesten. En ze kwam aan land en schonk de vrome vrouwen zooveel spijs, als ze noodig hadden om den winter door te komen.

Nog verder naar het Zuiden had bij den oever van het Weenermeer een kleine koopstad gelegen, die nu geplunderd en verbrand was. Alleen de lange steigers, waar vroeger de schepen aankwamen, waren nog overgebleven. Daar onder de steigers had zich, terwijl de verwoesting gaande was, een man, die men Lasse, den kramer noemde, met zijn vrouw verborgen, en terwijl het krijgsrumoer boven hen raasde, was daar hun kind geboren. Maar daarna was de moeder zóó ziek geworden, dat ze niet vluchten kon, en de man was bij haar gebleven. Ze waren nu in groote ellende en elken dag smeekte de vrouw den man aan zich zelf te denken en haar te verlaten; maar hij kon er niet toe komen en weigerde. Toen probeerde ze op een nacht haar schuilplaats te verlaten en met haar kind in 't water te loopen, want ze dacht, dat haar man, als zij dood waren, wel zou vluchten en zijn leven redden. Maar 't kind schreeuwde luid, toen het 't koude water voelde, en de man werd wakker. Hij bracht ze beiden weer aan land, maar 't kind was zóó geschrikt, dat het den heelen nacht schreide. En dat geluid werd over 't water voortgedragen en riep de welwillende helpers, die zoekend en wachtend op 't meer roeiden.

Zoolang ze nog iets had, roeide Vrouw Lucia rond langs den oever van 't Weenermeer en was op dien tocht zoo blij en wel te moede als nooit te voren. Want zooals er niets vreeselijkers is dan stil en werkeloos neer te zitten, als men hoort van ongeluk en ellende van anderen, zoo is het voor ieder 't grootste geluk en de liefelijkste rust, al is 't maar nog zoo weinig te kunnen helpen. Dezelfde verlichting en vreugde zonder 't minste vermoeden, dat haar eenig kwaad kon overkomen, voelde ze nog, toen zij naar Börtsholm terugkeerde, den dag vóór St. Luciadag, vrij laat op den avond. Aan den avondmaaltijd, die uit niet anders bestond dan een paar bekers melk, sprak zij met haar reisgenooten over den heerlijken tocht, dien ze gemaakt hadden, en allen waren 't er over eens, dat ze nog nooit zulke vreugdedagen hadden beleefd.

„Maar nu krijgen we een drukken tijd,” ging ze voort, „morgen kunnen we den St. Luciadag niet vieren met een feestelijken maaltijd, zooals andere jaren. We moeten duchtig aanpakken en brouwen, bakken en slachten, zoodat we 't Kerstfeest klaar hebben als Heer Eskil terugkomt.”

Dat zei de jonge vrouw zonder den minsten angst, want zij wist immers, dat haar stallen en schuren vol van Gods goede gaven waren, al was op dit oogenblik ook nog niets daarvan toebereid voor menschenvoedsel.

Hoe heerlijk de tocht ook was geweest, toch waren alle reizigers uitgeput van vermoeidheid en gingen vroeg ter ruste. Maar nauwlijks had Vrouw Lucia de oogen gesloten of buiten den burcht weerklonken paardengetrappel, gekletter van wapens en een luid roepen. De burchtpoort draaide knarsend in haar hengsels, op de steenen op de plaats klonken haastige voetstappen. Ze begreep, dat Heer Eskil was thuis gekomen met al zijn ruiters.

Vrouw Lucia sprong haastig uit bed om hem te gemoet te gaan. Toen ze eenigszins haar kleeren in orde had gebracht, haastte zij zich naar het balkon om de trap naar de burchtplaats te bereiken. Maar ze kwam niet verder dan de eerste trede, want midden op de trap stond Heer Eskil al op weg naar haar kamer.

Een fakkeldrager liep voor hem uit en bij het licht van den fakkel meende Vrouw Lucia te zien, dat op het gezicht van Heer Eskil een uitdrukking van vreeselijken toorn lag. Een oogenblik hoopte zij nog, dat zijn gezicht door de roode walmende fakkelvlam zoo donker en dreigend leek: maar toen zij zag hoe de kinderen en de dienstboden met bedrukte gezichten en neergeslagen oogen voor hem terugweken, moest ze wel gelooven, dat haar man heel boos was thuisgekomen, met het voornemen gericht te houden en te straffen. Terwijl Vrouw Lucia daar stond en op Heer Eskil neerzag, bemerkte hij haar ook, en ze zag met toenemenden angst, dat zijn gezicht zich vertrok tot een gedwongen glimlach.

„Komt mijn schoone huisvrouw mij nu met een maaltijd verwelkomen?” vroeg hij hoonend. „Maar nu zijn uw vriendelijke zorgen vergeefsch, want ik en mijn mannen hebben reeds bij uw verwante, Vrouw Rangela, avondeten gehad. Maar morgen,” voegde hij er bij, en toen overmeesterde zijn toorn hem zóó, dat hij met de hand op de trapleuning sloeg, „verwachten wij, dat U, ter eere van uw beschermheilige Lucia, ons onthaalt op een maaltijd, zoo goed als ons huis maar opleveren kan, en U moogt ook niet vergeten mij mijn morgendrank bij 't eerste hanengekraai te laten brengen.”

Geen woord kon de jonge vrouw antwoorden. Evenals den vorigen zomer toen zij voor 't eerst vermoedde, dat Vrouw Rangela haar strikken spande, bleef ze staan, de handen tegen 't hart gedrukt en de oogen vol tranen. Want ze kon wel niet anders dan begrijpen, dat het Vrouw Rangela was, die ten ontijde Heer Eskil had teruggeroepen, en hem had opgewonden door hem te vertellen wat Vrouw Lucia met zijn bezittingen had gedaan.

Maar Heer Eskil liep nog een paar treden verder de trap op, en zonder in 't minst bewogen te worden door den angst van zijn vrouw, boog hij zich over haar heen en zei met een vreeselijke stem: „Bij het kruis van onzen Heer, Vrouw Lucia! Onthoud dit wèl, dat als deze maaltijd mij niet voldoet, dan zal je dat levenslang berouwen!”

Toen legde hij zijn hand zwaar op den schouder van zijn vrouw en schoof haar voor zich uit de slaapkamer in.

Terwijl zij daar binnen ging, was het Vrouw Lucia, alsof iets wat tot nu toe op een wonderbare wijze voor haar verborgen was gebleven haar plotseling helder werd. Zij begreep, dat zij onbezonnen en eigenmachtig had gehandeld, en dat Heer Eskil wel reden had om boos op haar te zijn, omdat zij zonder het hem te vragen over zijn eigendom had beschikt. Zij probeerde nu ook, toen zij alleen waren hem dat berouwvol te zeggen en hem te vragen haar die onbedachtzaamheid te vergeven, maar hij liet haar niet aan het woord komen.

„Ga nu naar bed, Vrouw Lucia,” zei hij, „en pas op dat je niet vóór den gewonen tijd opstaat. Als de morgendrank en de maaltijd mij niet voldoen, zou 't kunnen zijn, dat je een gang moest gaan waar je al je krachten voor noodig hebt.”

Met dat antwoord moest zij tevreden zijn, hoewel 't haar angst nog deed toenemen, en men kon wel begrijpen, dat ze dien heelen nacht geen oogwenk sliep. Zij lag er aan te denken wat haar man had gezegd, en hoe meer ze zijn woorden overdacht, hoe duidelijker 't haar werd, dat hij daarmee een sterke bedreiging tegen haar had uitgesproken. Zeker had hij zich voorgenomen, dat hij haar niet wilde veroordeelen, voor hij zelf gezien had, dat zij zóó verkeerd had gehandeld als Vrouw Rangela had beweerd. Maar als zij niet in staat was hem te onthalen, zooals hij verlangde, dan was het maar al te duidelijk, dat een vreeselijke straf haar wachtte. 't Minste was wel, dat ze onwaardig verklaard zou worden, langer zijn vrouw te wezen en naar haar ouders teruggezonden, maar uit zijn laatste woorden meende zij te begrijpen, dat hij haar bovendien zou veroordeelen in galop tusschen zijn knechts mee te loopen als een gewone dievegge.

Toen zij uitgemaakt had, dat het zoo was,—en dat was werkelijk het geval, want Vrouw Rangela had Heer Eskil tot een waanzinnige woede gebracht, begon Vrouw Lucia te beven en te klappertanden en meende te sterven van angst. Ze wist, dat ze de uren van dezen nacht moest gebruiken om hulp en een uitweg te vinden, maar haar groote schrik verlamde haar, zoodat ze onbeweeglijk bleef liggen.

„Hoe zou 't mogelijk kunnen zijn morgen al mijn gemaal en zijn zestig man een maal voor te zetten?” dacht ze in haar wanhoop. „Ik kan even goed stil blijven liggen, tot het ongeluk over mij komt.”

't Eenige, waartoe ze in staat was voor haar redding te doen was onophoudelijk vurige gebeden op te zenden tot Sancta Lucia van Syracuse. „O Sancta Lucia, mijn lieve beschermende moeder,” bad zij, „het is morgen de dag, dat gij den marteldood hebt ondergaan en binnengetreden zijt in het Hemelsch Paradijs! Herinner U hoe donker en koud en hard het is te leven op deze aarde, kom bij mij van nacht en breng mij weg van hier! Kom mijn oogen sluiten voor den eeuwigen slaap! Ge weet, dat dit mijn eenige uitweg is om aan schande en een onteerende straf te ontkomen.”

Terwijl ze zoo de hulp van de heilige Lucia aanriep, gingen de uren van den nacht voorbij en de zoo gevreesde morgen naderde. Lang vóór zij het verwachtte, werd het eerste hanengekraai gehoord, de bedienden, die voor het vee zorgden, liepen over de plaats naar hun werk, en de paarden stonden met geraas op in den stal.

„Nu wordt ook Heer Eskil wakker,” dacht zij. „Hij zal me dadelijk bevelen zijn morgendrank te halen en dan moet ik erkennen, dat ik zóó onverstandig heb gehandeld, dat ik bier noch mee heb om hem mee te verkwikken.”

Op dat oogenblik van 't hoogste gevaar voor de jonge burchtvrouw, kon haar hemelsche beschermvrouw Sancta Lucia, die bedacht, dat haar beschermeling alleen uit al te groote barmhartigheid had gefaald, haar lust tot helpen niet langer bedwingen. Haar heilig aardsch lichaam, dat honderden jaren in de nauwe grafkamer van Syracuses katakomben had gerust, werd op eens van geest en leven vervuld, hernam zijn schoonheid en 't gebruik van zijn ledematen, kleedde zich in een gewaad uit sterrenlicht geweven en begaf zich weer de wereld in, waar zij vroeger had geleden en liefde gegeven.

En reeds eenige oogenblikken later zag de verbaasde wachter op den poorttoren van Börtsholm, dat een nachtwonder: een vuurkogel, ver in het zuiden opdook. Die doorkliefde de ruimte sneller dan een menschenoog het volgen kon, kwam recht op Börtsholm af, vloog voorbij den wachter, zóó dicht, dat hij hem bijna raakte en was verdwenen. Maar op dien bol van vuur,—dat meende de wachter ten minste,—bevond zich een jong meisje, zóó, dat zij met de teenen er op rustte, en terwijl zij de armen in de hoogte hief, al dansend en spelend dit gloeiende voertuig gebruikte.

Bijna op 't zelfde oogenblik zag Vrouw Lucia, die in angst en beven slapeloos neerlag, een lichtschijn door een spleet in de deur van de slaapkamer dringen. En toen de deur onmiddellijk daarop openging, trad tot haar verbazing en vreugde een schoone maagd binnen, gekleed in een gewaad, zoo wit als sterrenlicht. Haar lang zwart haar was bijeen gebonden met den tak van een plant; maar aan dien tak zaten geen gewone bladen en bloemen maar fonkelende sterren. Die verlichtten de heele kamer, en toch vond Vrouw Lucia, dat ze in 't niet verdwenen bij de lieve oogen van de vreemdelinge, die niet alleen helderder glansden dan iets anders op de wereld, maar ook hemelsche liefde en barmhartigheid uitstraalden.

In haar hand droeg de vreemde maagd een groote koperen kan, waaruit een zachte geur van edel druivensap opsteeg, en daarmee zweefde ze door de kamer op Heer Eskil toe, schonk iets van den wijn in een kleine schaal en bood hem die aan.

Heer Eskil, die goed geslapen had, werd wakker toen de lichtglans op zijn oogen viel, en bracht de schaal aan zijn lippen. Half wakker als hij was merkte hij niet meer van het wonder, dan dat de wijn, die hem geboden werd, heerlijk smaakte en hij dronk de schaal tot den laatsten droppel uit. Maar die wijn, die niet anders kon zijn dan edele Malvasier, de eer van Sicilië en de vorst van alle wijnsoorten, was zoo slaapwekkend, dat de ridder nauwlijks de schaal had neergelegd, voor hij slapend in 't bed terugzonk. En op datzelfde oogenblik zweefde de schoone heilige maagd de kamer uit, en liet Vrouw Lucia achter in toestand van sidderende verbazing en herlevende hoop.

De lichtende helpster vergenoegde zich niet met alleen Heer Eskil te onthalen. In den duisteren, kouden wintermorgen zweefde ze door al de sombere zalen van den Zweedschen burcht, en aan alle slapende krijgsknechten bood zij een dronk van den vreugdewekkenden wijn van het zuiden.

Allen die dronken, kwam het voor, dat ze iets van hemelsche heerlijkheid genoten. Zij vielen ook allen aanstonds weer in slaap, vol droomen van streken, waar eeuwige zomer en eeuwige zonneschijn heerschten.

Maar Vrouw Lucia had nauwlijks het lichtende wonder zien verdwijnen, of al de angst en machteloosheid, die haar dien heelen nacht hadden gekweld, waren vervlogen. Zij kleedde zich haastig aan en riep al haar bedienden aan 't werk.

Dien langen wintermorgen waren ze allen bezig om Heer Eskils welkomstmaaltijd te bereiden. Jonge kalven, varkens, ganzen en kippen moesten snel hun leven inboeten, deeg werd te gisten gezet, vuren werden onder groote braadspitten en in den oven aangemaakt; kool werd gestoofd, rapen geschild, honingkoeken voor 't nagerecht gebakken.

De tafel in de feestzaal werd gedekt, kostbare waskaarsen uit diepe kisten gepakt, en op de banken werden blauwe veeren kussens en kleeden gelegd.

En onder al die toebereidselen sliepen de burchtheer en zijn mannen. Toen Heer Eskil eindelijk wakker werd, zag hij aan den stand van de zon, dat het middag was. Hij verwonderde er zich niet alleen over, dat hij zoo lang geslapen had, maar misschien nog meer over 't feit, dat de ergernis, die hem den vorigen avond gekweld had met zijn slaap verdwenen was. Zijn vrouw had zich in zijn morgendroomen aan hem vertoond met groote zachtheid en beminnelijkheid, en hij verbaasde zich nu over zichzelf, omdat hij zich geneigd had gevoeld haar een harde en onteerende straf op te leggen.

„Misschien is het niet zoo erg, als Vrouw Rangela me verteld heeft,” dacht hij. „Wel kan ik haar niet als mijn vrouw bij mij houden, als zij mijn bezittingen heeft verspild, maar het moet wel toereikend zijn haar naar haar ouders terug te zenden zonder andere straf.”

Toen hij uit zijn kamer kwam, ontmoette hij zijn kinderen, die hem naar de feestzaal voerden. Daar zaten zijn mannen reeds op de banken en wachtten met ongeduld zijn komst om toe te mogen tasten. Want de tafel voor hen vloeide over van de heerlijkste spijzen.

Vrouw Lucia nam zonder den minsten angst haar plaats naast haar man in; maar toch was ze nog niet heelemaal gerust; want hoewel ze in haast een maal had kunnen bereiden, bezat ze bier noch meede, want dat had zij zoo gauw niet kunnen brouwen. En ze was in 't onzekere, of Heer Eskil zich voldoende onthaald zou voelen met een maaltijd zonder iets te drinken.

Maar toen zag zij op de tafel vóór zich de groote koperen kan, die de heilige maagd had gedragen. Die stond daar, tot den rand toe gevuld met geurigen wijn. Weer voelde ze zich innig verheugd over de bescherming van de barmhartige heilige, en ze bood Heer Eskil den wijn aan, terwijl ze hem vertelde hoe die naar Börtsholm was gekomen, waar hij met de grootste verbazing naar luisterde.

Toen Heer Eskil een paar maal van den wijn had geproefd, die ditmaal toch niet slaapwekkend werkte, maar alleen opwekkend en veredelend, vatte Vrouw Lucia weer moed en vertelde hem van haar tocht. Eerst zat Heer Eskil heel ernstig te luisteren, maar toen ze van den geestelijke, Heer Kolbjörn, vertelde, barstte hij uit: „Heer Kolbjörn is een van mijn trouwe vrienden, Vrouw Lucia! Ik ben zielsblij, dat je hem kon helpen.”

En zoo bleek het ook, dat de boer op Saxudden een kameraad van Heer Eskil was geweest op menig veldtocht, dat onder de vrome vrouwen een van zijn familieleden was, en dat Lasse de kramer, in het koopstadje hem gewoonlijk laken en wapens leverde uit het buitenland. Eer Vrouw Lucia haar verhaal ten einde had gebracht, was Heer Eskil niet alleen bereid haar te vergeven, maar ook was hij haar innig dankbaar, omdat zij zoovelen van zijn vrienden had geholpen.

Maar de angst, die Vrouw Lucia dien nacht had uitgestaan, kwam weer over haar, en ze zei eindelijk met tranen in haar stem:

„Nu vind ik zelf, mijn lieve Heer en Meester, dat ik heel verkeerd heb gedaan, door zonder U om toestemming te vragen, uw bezittingen weg te geven. Maar ik smeek U, denk aan mijn jeugd en onervarenheid en vergeef het mij daarom.”

Toen nu Vrouw Lucia zoo sprak en Heer Eskil er aan dacht, dat zijn vrouw zóó vroom was, dat een van de hemelbewoners haar aardsche gestalte weer had aangenomen om haar te hulp te komen, en toen hij verder bedacht, hoe hij, die toch wilde doorgaan voor een wijs en helderziend man, haar had gewantrouwd en bijna zijn toorn op haar had doen neerkomen, werd zijn hart zóó vol schaamte, dat hij de oogen neersloeg en geen woord kon uitbrengen.

Maar toen Vrouw Lucia hem daar zoo zwijgend met gebogen hoofd zag zitten, werd ze weer bang en zou liefst schreiend van haar plaats zijn weggeloopen, maar daar kwam, door niemand gezien, de barmhartige Sancta Lucia de zaal binnen, sloop naar de jonge vrouw toe en fluisterde haar in het oor wat zij moest zeggen. En die woorden waren juist dezelfde, die Vrouw Lucia op de lippen had en zoo graag wilde uitspreken, maar die zij in haar verlegenheid nooit had durven zeggen zonder die hemelsche aanmoediging.

„Nog wilde ik U één ding vragen, mijn lieve Heer en Meester,” zei ze, „en dat is, of U wat meer in huis wilt blijven. Dan zou ik nooit in verzoeking komen tegen uw wil te handelen, en ik zou U ook al de liefde kunnen toonen, die ik voor U voel, zoodat niemand zich meer zou kunnen dringen tusschen U en mij.”

Toen zij deze woorden gezegd had, voelden allen, dat zij Heer Eskil in hoogen mate aangenaam waren. Hij hief het hoofd op en de groote vreugde, die hij voelde, overwon zijn schaamte.

Hij wilde juist zijn vrouw het hartelijkste antwoord geven, toen een van de opzichters van Vrouw Rangela de feestzaal binnen kwam stormen. Hij vertelde haastig en gejaagd, dat Vrouw Rangela vroeg in den morgen naar Börtsholm was vertrokken om de straf van Vrouw Lucia bij te wonen. Maar op weg was ze eenige boeren tegengekomen, die haar sinds lang haatten om haar bruggegeld, en toen die haar in den duisteren nacht ontmoetten, door één enkelen dienstknecht gevolgd, hadden ze dien eerst op de vlucht gejaagd, en toen hadden ze Vrouw Rangela van het paard gesleurd en haar jammerlijk vermoord. Nu waren de opzichters van Vrouw Rangela er op uit om de moordenaars te grijpen, en de bode verzocht, dat Heer Eskil ook mannen zou uitzenden om bij het zoeken te helpen.

Maar toen stond Heer Eskil op en sprak luid met strenge stem: „Het schijnt, dat het 't meest gepast zou zijn, dat ik nu mijn vrouw antwoordde op haar verzoek, maar eerst wil ik met Vrouw Rangela afrekenen. En nu moet ik dit zeggen: dat zij wat mij betreft ongewroken mag blijven. En geenszins wil ik mijn dienaren uitzenden om een bloedig werk om harentwil te doen, want ik ben verzekerd, dat zij haar verdiende loon heeft gekregen.”

Toen hij dit had gezegd, wendde hij zich tot Vrouw Lucia, en nu was zijn stem zóó zacht, dat men nauwlijks gelooven kon, dat zulke tonen in zijn borst woonden.

„Maar mijn lieve vrouw wil ik nu antwoorden, dat ik haar gaarne vergeef, evenals ik hoop, dat zij mijn heftigheid wil verontschuldigen. En omdat het haar wensch is, wil ik den koning verzoeken, dat hij een ander in mijn plaats tot zijn raadsman zal kiezen, want nu wil ik in dienst treden bij twee edele vrouwen. De eene zal mijn vrouw zijn, de tweede, de heilige Lucia van Syracuse, voor wie ik altaren zal oprichten in alle kerken en kapellen, die ik op mijn goederen heb, en ik wil haar bidden, dat zij bij ons, die smachten in de koude van het Noorden, de vlam der ziel brandende moge houden, en die leidende ster, die barmhartigheid heet.”