WeRead Powered by ReaderPub
Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika cover

Vóór vier Eeuwen: Een Volksboek over de Ontdekking van Amerika

Chapter 11: HOOFDSTUK IX.
Open in WeRead

About This Book

De auteur biedt een populaire, thematisch gerichte schets van Europese ontdekkingsreizen en hun langzame maatschappelijke gevolgen. Met aansprekende voorbeelden zoals de introductie van de aardappel en de ontwikkeling van instrumenten als het kompas en de stoomkracht legt hij uit hoe uitvindingen en ontdekkingen vaak eeuwen nodig hebben om algemeen nut te krijgen. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de motieven en routes van zeevaarders en van de economische, technologische en sociale verschuivingen die het wereldbeeld en handelsnetwerken veranderden en zo een nieuw historische tijdvak inleidden.

Amerigo Vespucci. (Geb. 1451, overl. 1512.)

Amerigo Vespucci werd in 1451 te Florence geboren, en betoonde al heel vroeg eene groote voorliefde te hebben voor de studie der natuur-, aardrijks- en sterrenkunde. Hij was afkomstig uit een aanzienlijk geslacht, niet onbemiddeld, en trachtte door reizen in Europa zijne kennis uit te breiden. In 1490 bevond hij zich in Spanje en bleef daar tot 1499, wanneer hij zich als Stuurman inscheepte met Don Alonzo De Hojeda. Reeds het volgende jaar was hij weer in Spanje terug om eenige weken later een’ nieuwen tocht naar de Indiën te doen, bij welke gelegenheid hij enkele eilanden ontdekte. Die tocht werd nog door eenige andere reizen gevolgd, en daar hij den slag had om op eene luchtige en vroolijke manier te vertellen, zoo werden de boeken, waarin hij zijne reizen beschreef, weldra in alle landen van Europa gelezen. De boekhandelaar Martin Waldseemüller, die de werken van Vespucci, in het Duitsch vertaald, opnam in een grooter boek, schijnt het voorstel gedaan te hebben om het nieuw gevonden werelddeel, waarvan men toen reeds wist, dat het niets met de Indiën te maken had, den naam van „Amerika” te geven. Dat is zeker, dat de naam „Amerika” reeds voorkomt op kaarten van 1520 en 1522. Ongetwijfeld was deze Amerigo Vespucci een zeer geleerd man, doch als ontdekker heeft hij toch veel te weinig gedaan om zijn’ naam aan de Nieuwe Wereld gegeven te zien. Het heeft daarom, vooral in den laatsten tijd, niet aan geleerden ontbroken, die vroegen: „Is het wel waar, dat Amerika naar dezen Amerigo genoemd is?” Sommigen zijn er toe gekomen om het sterk te betwijfelen en wijzen op vele namen in Middel-Amerika, die op ique en acao eindigen. Anderen weer houden het ervoor, dat de naam afgeleid is van „Amarca”, wat de heilige naam der Peruanen was. Het zal evenwel een zoeken en gissen blijven, en al vinden we het nu jammer, dat dit groote werelddeel niet „Columbia” heet, het zal niet baten, en „Amerika” zal het wel blijven heeten.

Na deze noodzakelijke uitweiding tot De Hojeda terugkeerend, treffen wij hem aan voor eene diepe en wijde golf. Stoutmoedig zeilde hij de golf binnen en bevond dat ze veel eer op een kalm meer dan op eene zee geleek, en naarmate hij er dieper in kwam werd het water steeds kalmer. Eensklaps echter werden op een’ morgen aller oogen getrokken door een dorp, dat midden op het water gebouwd was. Zulk een dorp van paalwoningen was in De Hojeda’s tijd een zeer vreemd iets en bijna vier eeuwen moesten nog na hem verloopen om de ontdekking te doen, dat diezelfde paalwoningen ook in de Europeesche meren, inzonderheid in de Zwitsersche en Italiaansche gebouwd werden, toen Europa nog slechts in de Grieksche gedeelten beschaafd was. Op het gezicht van die paalwoningen dacht De Hojeda onwillekeurig aan Venetië, dat ook op het water gebouwd was, en terstond gaf hij deze streek den naam van „Venezuela”, dat „Klein Venetië” beteekent. De inwoners echter, die eerst zeer schuw in hunne woningen bleven, doch al heel spoedig een’ aanval op de vreemdelingen waagden, welke natuurlijk in hun nadeel uitviel, noemden het land „Coquibacoa.” Na dit gevecht drongen de Spanjaarden de golf steeds dieper in en kwamen eindelijk in het Meer van Maracaïbo, waar de inwoners buitengewoon vriendelijk waren en alles deden, wat ze konden om den vreemdelingen te behagen. Merkwaardig mag het genoemd worden, dat De Hojeda in het verslag van zijne reis melding maakt van Engelsche reizigers, die hij te Coquibacoa ontmoette. Dit bericht bracht in Spanje heel wat pennen en gemoederen in beweging, want, hoe kwamen die Engelschen daar? Wanneer De Hojeda zich niet vergist had, dan hadden die Engelschen immers niet veel meer dan den draak gestoken met de Pauselijke bul, die alleen aan Spanje en Portugal het recht gaf om de landen, aan den Atlantischen Oceaan en in de Indiën gelegen, te bezoeken, er handel op te drijven en ze zich toe te eigenen. Er werden dan ook terstond maatregelen genomen om de Engelschen te beletten de Indiën te naderen. Intusschen is in de Engelsche geschiedenis niets bekend van dien tocht, zoodat De Hojeda vermoedelijk de blanke inlanders met Engelschen zal verward hebben. Een ander vermoeden bestaat er ook nog, doch dat zal eerst geopperd worden in een volgend hoofdstuk, als we over Giovanni Caboto en van zijn’ beroemden zoon Sebastiano met enkele woorden spreken.

Het kostte De Hojeda en den zijnen groote moeite om van deze goedige menschen te scheiden en dit heerlijke land te verlaten, en als we dat lezen, dan overvalt ons een gevoel van treurigheid bij de gedachte, dat later, door de ellendige gouddorst der Spanjaarden, deze menschen halve duivels werden en dat, vier eeuwen na de ontdekking, deze landen de broeinesten van jammer, ellende en revolutie zijn. Hoe bitter wreed werd het Paradijsachtige leven van deze goedige en gelukkige menschen verstoord! Waarlijk, wie er ook jubelen mogen bij het vierde eeuwfeest van Amerika’s ontdekking, de weinige nakomelingen van de oorspronkelijke bewoners hebben er allerminst redenen toe. Bij het gejubel der Blanken mogen zij weenen bij de bouwvallen van hun voormalig Paradijs. En hoe lang nog? Met ieder jaar dringen de Blanken steeds verder, en wijken de Indianen. Met ieder jaar neemt hun aantal af, want allerlei ziekten, door Europeanen aangebracht, dunnen op eene verschrikkelijke wijze hunne gelederen. Het viel bijna allen ontdekkers op, dat de inboorlingen niet door de pokken geschonden waren; die ziekte kenden de Indianen niet, doch de Europeanen brachten ze over, en geene ziekte woedde er ooit heviger onder hen dan juist deze.

Al wat laag en liederlijk was, mocht bij hen bijna onbekend heeten, doch het uitschot van volk, dat de Spaansche Regeering naar deze landen zond, was oorzaak, dat de inboorlingen er mede bekend werden, en, als Renegaten in de ondeugd, toonden ze ook de eigenschappen van Renegaten te hebben, en overtroffen ze weldra hunne leermeesters.

Na dit heerlijke land verlaten te hebben, zette De Hojeda zijn’ tocht nog een eindweegs voort, doch besloot toen om den steven naar Hispaniola te richten. Het lijkt onschuldig maar het was alles behalve onschuldig. Wat De Fonseca had durven doen, hij had den moed niet gehad, De Hojeda vrijheid te geven om te reizen waar deze wilde. In zijn’ lastbrief stond uitdrukkelijk vermeld, dat hij geene landen mocht aandoen, welke door de Portugeezen in bezit genomen waren, en ook geene, die door Columbus vóór 1495 ontdekt werden. Den inhoud van zijn’ lastbrief volgende, mocht hij derhalve niet op Hispaniola komen. Hij was evenwel de man niet om te vreezen dat die overtreding hem kwaad zou doen. Hij kende Koning Ferdinand; hij wist wie De Fonseca was, en bovendien begreep hij zeer goed, dat Columbus op dat eiland op geene rozen sliep, en dat hij, om het eens platweg uit te drukken „Onder-Koning af” was, en dat de toestand in de Kolonie nog ellendig zou zijn.

En wel was die toestand meer dan treurig. Bijna door allen verlaten, was Columbus genoodzaakt om met Roldan en de zijnen een soort van vergelijk te treffen, doch wie nu weet welk een man die Roldan was en welk een geest zijn’ aanhang bezielde, moet terstond inzien, dat een deugdelijk vergelijk tot de onmogelijkheden behoorde en dat er telkens nieuwe twisten moesten ontstaan. Roldan, door Columbus weer als Opperrechter hersteld, vervolgde den aanhang van Columbus zooveel hij kon, doch van de lieden, die tot zijne partij behoorden zag hij alles door de vingers. De vriendelijkheid en toegevendheid van Columbus jegens hem telde hij niet; hij wist dat Columbus hem bij de Monarchen aangeklaagd en tevens op zijn ontslag aangedrongen had. Wel kwam er uit Spanje geen antwoord, doch eenmaal zou het komen, en dan zou, òf Columbus, òf hij moeten wijken. Maar hij kende de kaart van zijn land al te goed en kon bijna voorspellen, dat alles eindigen zou met den val van den Admiraal. Er zat voor hem, hoe hij de zaak beschouwde, geen voordeel in om te trachten weer in de gunst van den Onder-Koning te komen. Zóó stonden de zaken toen Columbus besloot naar Spanje terug te keeren. Hij was zwak en ziekelijk en gevoelde zich onmachtig om de zaken met vaste hand te besturen. En wat wilde hij nu? Het Onder-Koningschap over de Indiën was in zijn geslacht erfelijk verklaard en aan het Spaansche Hof diende zijn zoon Diego als Page. Diego was nu geen kind meer, maar een jongeling vol kracht. Hem zou Columbus halen; samen zouden ze dan de Indiën besturen en Don Diego zou van alles volkomen op de hoogte zijn, als de Vader het moede en matte hoofd voor altijd te slapen legde. Die Vader gevoelde het wel, dat zijn levensuurwerk spoedig afgeloopen zou zijn.

Aan dit voornemen werd evenwel geen gevolg gegeven, want onverwachts kwam er tijding, dat er in het Westen van het eiland vier vreemde schepen aangekomen waren en meteen verspreidde zich het gerucht, dat enkele Kaziken weer plan hadden om tegen de overheersching op te staan. Nu zond hij nog twee karveelen naar Spanje met mannen, die niet in de Kolonie wenschten te blijven. Het was niet veel meer dan gespuis, dat van die gelegenheid gebruik maakte, en dat, in Spanje gekomen, niet nalaten zou om allerlei beschuldigingen tegen Columbus en zijne broeders in te brengen. Om het kwaad, dat ze hem brouwen zouden, zooveel mogelijk te voorkomen, deed de Onder-Koning twee zijner getrouwen de reis medemaken. Ze waren Miguel Ballester en Garcia De Barrantes. Met opzet worden die twee mannen hier genoemd, omdat ze waarlijk edele harten bezaten en nog nimmer bezweken waren voor de schoone beloften van Roldan. Deze twee getrouwen kregen brieven van Columbus aan de Monarchen mede, en hierin vroeg Columbus nogmaals om toch een Opperrechter te zenden. Hij verklaarde er in dat hij en zijne broeders van wreedheid beschuldigd werden, doch dat zijn geweten hem daarvan niet alleen vrij sprak, maar hem zelfs verweet te zachtmoedig en te toegevend te zijn. Zond men nu een eerlijk en geleerd Opperrechter dan zouden Roldan en de zijnen inzien, dat ze valsche beschuldigingen ingebracht, en dat hij, de Onder-Koning, en zijne broeders het recht niet met voeten getreden hadden. Welk een geworstel!

De karveelen vertrokken en Columbus moest nu weten welke schepen er in het Westen van het eiland aangekomen waren. Spoedig vernam hij, dat hij met een eskader te doen had, dat onder bevel van Don Alonzo De Hojeda stond. Columbus kende dien man en wist dat hij tot alles in staat was, en daarom zond hij er Roldan heen om dien gevaarlijken gast weg te krijgen. Roldan nam die taak gaarne op zich en vertrok met twee karveelen naar het genoemde punt en wist De Hojeda, die met slechts vijftien man aan den wal was, zoo te verrassen, dat hij niet meer naar zijne schepen kon terugkeeren. De Hojeda, door de inwoners gewaarschuwd, was de man niet om den moed te verliezen, en hij kende Roldan ook genoeg om te weten hoe hij de zaak moest aanleggen om niet in moeielijkheden te komen. Zoo brutaal mogelijk ging hij Roldan tegemoet en toen deze hem vroeg om den vrijbrief te toonen, welke De Hojeda noodig had om op dit eiland te komen, vertelde de slimme avonturier, dat die vrijbrief aan boord van zijn schip was, dat hij een’ belangrijken ontdekkingstocht gedaan had en dat hij van plan was om met zijne schepen, zoodra hij deze had laten herstellen, naar San-Domingo te komen om daar den Onder-Koning van alles bericht te geven. Noodig achtte hij het niet, want, vervolgde hij: „Columbus is aan het Hof geheel in ongenade gevallen, doch mijn Ridderplicht zou ik te kort doen, als ik niet naar San-Domingo kwam.”

Slechts één punt van De Hojeda’s mededeeling boezemde Roldan belangstelling in en dat was: „Columbus in ongenade.”

Roldan liet evenwel niets van zijne vreugde over dit bericht blijken, hield zich, alsof hij geloofde dat De Hojeda te San-Domingo komen zou en vertrok om Columbus mede te deelen, wat het plan van den avonturier was. Wie er echter te San-Domingo kwam, De Hojeda niet en al spoedig bleek het, dat hij er niet aan dacht om te komen. Nu werd Roldan er andermaal op uitgezonden en niet dan met de grootste moeite, en op vechten af, slaagde hij er in om eindelijk den avonturier verwijderd te krijgen. Deze had zich onder de ontevreden Spanjaarden heel wat vrienden gemaakt, en daar deze laatsten het moeielijk verkroppen konden, dat Roldan, die eerst met hen samengespannen had, nu alweer de rol van Opperrechter vervulde, zoo ontstond er opnieuw gevaar, dat er onder de kolonisten, die zich nu nog al tamelijk rustig hielden, een opstand uitbarsten zou. Dat gevaar vermeerderde nog toen Columbus een’ zekeren Don Hernando De Guevara naar Xaragua gezonden had, met bevel zich daar aanboord van De Hojeda in te schepen, omdat hij voor de kolonie een gevaarlijk persoon was. De Hojeda was evenwel vertrokken en de woelzieke Ridder kreeg van Roldan vergunning om te Xaragua te blijven. Doch wat gebeurde? Roldan had het oog laten vallen op Hignameta, de schoone en bevallige dochter van Anacaona, en De Guevara, die haar ook leerde kennen, begeerde haar eveneens tot vrouw. Thans spande Roldan alle krachten in om den gehaten medeminnaar te verwijderen, doch deze wist zich ook een’ aanhang onder Roldans vroegere makkers te verzekeren en bleef bedaard waar hij was. Toch gelukte het Roldan om zijn’ tegenstander gevangen te nemen, maar als een loopend vuur verspreidde zich het gerucht van deze daad en bereikte ook de ooren van Don Adrian De Moxica, een’ neef van Guevara. De Moxica trok zich de zaak van den neef aan en—de opstand tegen het gezag brak opnieuw uit. Mocht Columbus nu ook al andermaal toegevendheid hebben willen toonen, Don Bartholomeus wist hem te beduiden, dat er heel wat anders gebeuren moest, en dat alleen door het invoeren van een schrikbewind de Kolonie te redden was. Columbus luisterde naar dien raad, en werkelijk het schrikbewind werd met eene ongekende wreedheid ingevoerd. Er ging geen dag voorbij of er werd een doodvonnis geveld en voltrokken.

Zeven Spanjaarden waren pas geleden opgehangen en vijf zaten in de gevangenis hun vonnis af te wachten, toen den drieëntwintigsten Augustus 1500 twee karveelen in het gezicht van San-Domingo kwamen. Don Diego voerde daar, bij afwezigheid zijner broeders, bevel, en wanende dat die karveelen Columbus’ zoon Diego zouden brengen, zond hij eene sloep uit om hem welkom te heeten.

Het was niet Don Diego, die daar kwam; het was Don Francisco De Bobadilla, de nieuw benoemde Opperrechter, het was de feitelijke Onder-Koning, die Columbus van zijne waardigheid kwam ontzetten.

De mannen, die hem met de sloep tegemoet geroeid waren, deelden hem mede met welk eene strengheid Columbus in den laatsten tijd het gezag uitgeoefend had, en toen De Bobadilla de haven van San-Domingo binnenliep, bewezen de galgen op het galgenveld, dat men hem geene leugens opgedischt had.

Het was De Bobadilla’s verlangen geweest, Columbus schuldig te vinden, om dan met meer recht tegen hem te kunnen optreden en hem het hooge gezag te ontnemen. Of Columbus wel schuldig was, en of de gehangenen hun lot niet verdiend hadden, wilde hij niet onderzoeken, en daardoor overtrad hij den lastbrief, dien de Monarchen hem hadden medegegeven. Ja, de bedoeling van Ferdinand en Isabella was het geweest om De Bobadilla het hoogste gezag in handen te geven, doch hij moest Columbus daarbij niet meer krenken dan zij hem al gekrenkt hadden.

Niettegenstaande Don Diego’s protest, gedroeg De Bobadilla zich terstond als opperste Gezaghebber, en vereischte de loslating der gevangenen en het overleggen der proces-stukken. Slechts voor geweld bukte Don Diego; hij begreep dat langer tegenstand bieden toch niets baten zou. Zoodra Columbus vernam, dat de nieuwe Opperrechter aangekomen was, heette hij hem schriftelijk welkom, want ter onderdrukking van den opstand bevond hij zich in het binnenland. Hij gaf hem den welgemeenden raad om voorzichtig te wezen in het verleenen van vrijdom naar het zoeken van goud, en zeide hem verder, dat hij binnenkort te San-Domingo komen zou. Hij zelf zou dan naar Spanje terugkeeren en hem in het voorloopig bewind over het eiland achterlaten.

Op dien brief kwam evenwel geen antwoord, en toen Columbus vernam hoe De Bobadilla te werk ging, Roldan en zijn’ aanhang begunstigde en dat hij zelfs zijn’ intrek in het huis des Onder-Konings genomen en daar alles zich toegeëigend had, geloofde Columbus met niemand anders te doen te hebben dan met een’ driesten avonturier en bleef hij voorloopig waar hij was, niet wetende hoe in deze zaak te handelen.

Het duurde evenwel niet lang of hij zou weten, wat hij doen moest. De Bobadilla zond Francisco Velasquez en Juan De Trasierra naar Columbus, en toen deze twee te Bonao aankwamen, waar de Onder-Koning zich ophield, lieten ze hem den geloofsbrief van De Bobadilla zien. Het was een stuk, onderteekend met: „Ik, de Koning” en „Ik, de Koningin”, en bevatte voor hem het bevel om De Bobadilla „in alles te vertrouwen en te gehoorzamen.”

Te gehoorzamen? Het stond er maar al te duidelijk. Hij, de Onder-Koning, moest gehoorzamen hem over wien hij te bevelen had. De Monarchen wilden dat.

Wat zou hij doen?

Wie Columbus kende, behoefde dat niet te vragen. Te trotsch om de bevelen van anderen te volgen, volgde hij onvoorwaardelijk de bevelen zijner Monarchen en zoo goed als geheel alleen begaf hij zich op weg naar San-Domingo.

„Columbus komt, maar vergezeld van zijne vrienden, de Kaziken met hunne legerbenden,” zoo vertelden zij, die te San-Domingo gekomen waren om „de opgaande zon” te aanbidden en van hem allerlei gunsten te verkrijgen.

Er was geen woord van waar, doch De Bobadilla greep dat gerucht met blijdschap aan, want het gaf immers een schijn van recht aan alle handelingen, die hij reeds gepleegd had en die hij ten opzichte van Columbus nog plegen zou?

Al wat een wapen dragen kon, werd in de wapenen geroepen om den verwaten Admiraal met zijne wilde legerhorden te keeren, en als een bewijs, dat deze maatregelen van voorzorg hoognoodig waren, liet De Bobadilla terstond Don Diego in boeien slaan en zoo aanboord van een der schepen brengen.

Vol spanning wachtte men op den bode, die het bericht brengen zou: „De Admiraal komt!”

Met eene bespottelijke heldhaftigheid, die aan Don Quichotterie doet denken, werden de kruisbogen gespannen, de zwaarden getrokken, de vuurroeren geladen, de pieken geveld.

Eindelijk... „De Admiraal komt! Hij komt alleen!”

„Men sla hem in boeien!” beveelt De Bobadilla, en laat de rammelende keten voorbrengen.

Columbus wordt gevangengenomen, maar hem boeien, hem, van wien ze toch niet zeker weten, of hij wel in ongenade gevallen en van zijne waardigheden ontzet is,—hem, die zóó lang hun heer en meester was, neen, dat kunnen, dat willen ze niet. Zelfs zij, die zoo menigmaal tegen zijn gezag waren opgestaan, weigeren.

Eindelijk verschijnt Espinosa, de kok van Columbus, en wat een ander niet wilde doen, dat doet deze: hij slaat zijn’ meester in de boeien.

De arme Columbus werd naar de gevangenis gebracht en daar wel bewaakt, doch hiermede was De Bobadilla’s gezag nog niet bevestigd. Don Bartholomeus leefde nog in vrijheid, en het was algemeen bekend, dat deze niet zoo handelbaar was als zijn broeder en bovendien onder de Kaziken een’ grooten aanhang had. Wat moest men doen, als hij met eene sterke legermacht kwam om den Admiraal te bevrijden?

Of De Bobadilla zelf het middel vond om dat gevaar te bezweren, is onbekend, maar het werd gevonden en was zoo laaghartig mogelijk. Men had nu gezien dat Columbus zich zonder tegenstreven onderwierp aan het: „Ik, de Koning” en „Ik, de Koningin.” Welnu, hij moest een’ brief aan Don Bartholomeus schrijven en hem daarin gelasten, onmiddellijk naar San-Domingo te komen om zich aan het gezag van De Bobadilla te onderwerpen, omdat dit de wil der Monarchen was. Als Columbus dat schreef, dan zou Don Bartholomeus gehoorzamen, dat wisten ze.

Columbus schreef dien brief; Don Bartholomeus kwam, en werd ook gevangengenomen en in boeien geslagen.

Men mag deze daad van Columbus beoordeelen zoo men wil, doch men moet niet vergeten, dat de acht jaren na 1492 veel meer dan dubbel voor hem geteld hebben. Hij was een grijsaard geworden te midden van allerlei tegenspoed en rampen, te midden van allerlei miskenning. Zijne gezondheid was geknakt; zijne oogen waren verzwakt; zijne hoop was vervlogen. Alleen de trouw, de onwrikbare trouw aan zijne Souvereinen was gebleven, en hij twijfelde er geen oogenblik aan of hij zou, als hij maar in Spanje ten Hove verschijnen mocht, de vuige lasteringen van zijne vijanden zóó weerleggen, dat men hem niet alleen in zijne eer, maar ook in al zijne waardigheden herstelde.

Hij wilde naar Spanje, hoe dan ook, doch hij was er nog niet, en een man als De Bobadilla was tot alles in staat, zelfs om hem het hoofd voor de voeten te leggen. Daarom was hij onderworpen tot de grenzen der lafheid; daarom schreef hij zijn’ broeder dien ongeluksbrief. En waarom zou hij het ook niet gedaan hebben? Al was Don Bartholomeus ook zoo gelukkig hem te bevrijden, hoe zou hij, de gevallene, dan nog gezag kunnen uitoefenen? Reeds toen hij er nog rechtstreeks mede bekleed was, gehoorzaamde men hem niet, en moest hij zelfs een’ man als Roldan naar de oogen zien, hem alle overtredingen vergeven en allerlei gunsten verleenen. Nu hem het gezag ontnomen was, zouden zelfs zijne getrouwen aarzelen om hem te gehoorzamen.

Naar Spanje terugkeeren was zijn eenig redmiddel, doch telkens bekroop de vrees hem, dat dit niet gebeuren zou.

Eindelijk waren de schepen gereed om met de gevangenen te vertrekken, doch Columbus, die nog altijd in den kerker zat, wist nergens van.

Daar treedt eensklaps Ridder Alonzo De Villejo met de wacht binnen.

Columbus verbleekte, dacht aan het schavot, en vroeg met bevende stem: „De Villejo, waarheen brengt ge mij?”

Deze De Villejo was een rechtschapen Ridder, en zeide, zonder een oogenblik zijne onderdanigheid tegenover den Admiraal te verliezen: „Naar het schip, Excellentie, om aanboord te gaan.”

„Om aanboord te gaan,” riep Columbus verheugd. „De Villejo, spreekt gij waarheid?”

„Bij het leven van Uwe Excellentie,” hernam de Ridder, „het is de waarheid.”

De Admiraal had zijn’ zin; hij zou naar Spanje gaan, en zich daar kunnen verantwoorden.

Toch moet die gang van de gevangenis naar het schip voor den hooghartigen man een oogenblik van duldelooze kwelling geweest zijn.

Het gemeen wachtte den gevangene op, en begroette hem met scheldwoorden.

„Spanje moge getuige zijn van den smaad mij aangedaan.”

Verloopen Ridders, die als gemeene deugnieten voor hem gesidderd hadden, en bijna als bedelaars hadden moeten rondzwerven, stonden daar in sierlijke kleeding, trotsch op de gunst waarin ze bij De Bobadilla gekomen waren, en lachten hem sarrend uit.

Geen’ tred mocht Columbus in zijne eigen woning doen. Al, wat zich daarin bevond, was door De Bobadilla in beslag genomen. Alles, zijne boeken, instrumenten, meubelen, gouden en zilveren sieraden, zijn geld en goed, ja, zelfs zijne brieven en papieren waren verbeurd verklaard, doch reeds voor een groot deel gebruikt om Columbus’ vijanden te verrijken.

Er is een bekend Latijnsch gezegde: „Sic transit gloria mundi!” dat is: „Zoo gaat de heerlijkheid der wereld voorbij!”

Weinig voorbeelden zijn in de geschiedenis der wereld aan te wijzen, waar dit gezegde in zijne volle beteekenis zoo kan toegepast worden, als hier.

Het was in het begin van October 1500 toen de karveelen het anker lichtten en de reis naar Spanje aannamen, onder het opperbevel van Don Alonzo De Villejo. De Kapitein van de karveel, waarop Columbus als gevangene was, heette Andreas Martin. Deze deed voor De Villejo in edelmoedigheid niet onder, en behandelde den Admiraal met de meeste onderscheiding.

Zoodra men de ankers gelicht en de haven verlaten had, gaf De Villejo bevel om Columbus de boeien af te nemen, doch toen men kwam om dit te doen, weigerde Columbus beslist, ze zich te laten ontnemen.

„Neen! Spanje moge getuige zijn van den smaad, mij aangedaan,” zeide hij. „Hunne Majesteiten hebben mij bevolen om De Bobadilla in alles te gehoorzamen. Hij heeft mij in boeien doen slaan in Hun’ naam, en ik zal ze dragen tot zij bevelen, ze mij af te doen. Dan zal ik ze bewaren, als eenig loon voor alles, wat ik voor Hunne Majesteiten en voor Spanje gedaan heb.”

Er lag bitterheid in die laatste woorden, doch wie zal ze Columbus euvel duiden? Als bedelaar klopte hij eenmaal aan eene kloosterpoort, en jaren later, na Spanje, zoo hij meende, de Indiën gegeven te hebben, was hij armer dan in die dagen. Toen genoot hij nog de gulden vrijheid; thans was hij in kluisters geklonken.

Columbus’ zoon, Don Ferdinand, zegt: „Ik zag die ketenen steeds in zijn kabinet hangen, en menigmaal deed hij ons het verzoek om, wanneer hij gestorven zou zijn, ze bij hem in de kist te leggen.”

Toen Columbus de tochten bestuurde, had hij nimmer in zulk een’ korten tijd den zeeweg van Hispaniola naar Spanje afgelegd als nu. Zonder eenigen tegenspoed kwamen de karveelen reeds in November te Cadiz aan. Thans vroeg hij den edelen De Villejo de gunst om de brieven, die hij onderweg geschreven had, met eene boot naar den wal te mogen laten brengen, en te willen zorgen, dat een renbode ze onmiddellijk aan het Hof bezorgde. Hij vreesde dat zelfs de weg naar het Hof hem zou afgesloten zijn, wanneer de Koning en de Koningin De Bobadilla’s brieven vóór de zijne ontvingen.

De Villejo stond dit verzoek gaarne toe, en eer de karveelen aan den wal gemeerd lagen, was de renbode reeds met Columbus’ brieven weg.

Aanvankelijk hadden de bewoners van Cadiz de twee karveelen met onverschilligheid zien naderen. Wat anders zouden ze alweer brengen dan ongelukstijdingen? Men verwachtte niets goeds, maar,—de nieuwsgierigheid kwam boven en deed vragen.

En daar luidde het antwoord: „Wij hebben den „Admiraal van den Oceaan”, den gewezen „Onder-Koning van de Indiën” en zijne twee broeders, in boeien geslagen, bij ons aanboord. Zijne Excellentie De Bobadilla heeft het zoo bevolen.”

Eene huivering beving ieder, die dit hoorde.

Ja, duizenden en nog eens duizenden hadden Columbus een’ avonturier genoemd, die aan Spanje nog niets dan schade gebracht had, maar nu men hem in boeien geklonken naar Spanje zond, werd ieders gelaat van verontwaardiging gekleurd. Dat was eene schande, eene onuitwischbare schande. Het waren zelfs Columbus’ oudste tegenstanders en vijanden, die dit luide getuigden.

Het bericht liep van mond tot mond, en zelden klonken er zoovele kreten van diepe verontwaardiging. Ook Koning Ferdinand en de goede Koningin Isabella stonden ontzet toen ze de tijding ontvingen; ze konden het niet gelooven. De renbode bevestigde evenwel van woord tot woord het gerucht, en de brieven deden de waarheid nog erger zijn dan het gerucht. Stellig had zóó iets zelfs niet in de bedoeling van Koning Ferdinand gelegen, en van Koningin Isabella nog veel minder. De Bobadilla had den inhoud van den lastbrief niet gevolgd, en op eigen gezag daden gepleegd, waaraan de Monarchen niet schuldig konden of wilden zijn. Alle gekroonde Hoofden in Europa zouden er schande van spreken, en de Spaansche naam zou veracht worden door heel de wereld.

Onmiddellijk na het lezen van Columbus’ brieven werd er een courier naar Cadiz gezonden, met het Koninklijke bevel, om oogenblikkelijk Columbus en zijne broeders van hunne ketenen te verlossen en in vrijheid te stellen. En niet alleen in vrijheid stellen, neen, meer dan dat. Het bevel luidde dat men den Admiraal en zijne broeders overeenkomstig hun’ hoogen rang behandelen zou, en eene som van ruim twintigduizend gulden moest Columbus ter hand gesteld worden, om zich het noodige aan te schaffen, teneinde op waardige wijze aan het Hof te kunnen komen.

Na van de vermoeienissen en ziekten eenigszins hersteld te zijn, begaf Columbus zich op reis naar Granada, waar de Monarchen toen hunne residentie hadden, en den zeventienden December verscheen hij ten Hove.

Ontroering greep ieder aan, die den grooten man zag.

Met waggelenden tred, gebogen rug en doffe oogen schreed hij tusschen de Hovelingen door naar den troon der Vorsten. Daar knielde hij neer en—brak in een luid gesnik uit. Hij had zich groot willen houden, doch hij kon niet.

Koningin Isabella was de eerste, die op hem toetrad, hem zacht bij den arm greep, en vriendelijk verzocht om op te staan.

Het woord eener vrouw kan eene tooverachtige kracht hebben, en voor Columbus had het woord zijner Koningin meer dan eene tooverachtige kracht.

God, de Heilige Maagd en zijne Koningin, geen, die hij meer vereerde.

Hij richtte zich op, en toen hij tranen in de oogen van Isabella zag, kreeg hij weer alle hoop terug. Die hoop maakte hem welsprekend, en zoodra hij zijn pleidooi geëindigd had, smaakte hij de voldoening, dat Koning Ferdinand, ten aanhoore van al de Hovelingen, verklaarde, dat De Bobadilla de grens zijner macht verre overschreden had, en dat zij nimmer last hadden gegeven, hem en zijne broeders gevangen te nemen, en nog veel minder om hen op zulk eene onteerende en vernederende wijze te behandelen. Columbus werd in al zijne rechten en waardigheden hersteld, doch hoe hij er ook op aandringen mocht, het Onder-Koningschap van de Indiën konden ze hem niet toevertrouwen. Columbus had zich letterlijk onmogelijk gemaakt door de verkeerde maatregelen, die hij in die waardigheid genomen had, en toen de Monarchen hem verzekerden, dat zijn leven zelfs gevaar liep zoo hij andermaal, met het hoogste gezag bekleed, te San-Domingo kwam, zeiden ze dit niet zóó maar, want werkelijk, er bestond alle grond voor, dat het gebeuren zou. Toch hielden de Koning en de Koningin hem de handen boven het hoofd, door oogenblikkelijk De Bobadilla van zijn ambt te ontzetten, en in zijne plaats te benoemen Don Fray Nicolas De Ovando, een Edelman, die om zijne deugden en bekwaamheden de achting genoot van al wat Spanjaard heette.

Dat Columbus, trots dit alles, geen’ vrede met dat besluit kon hebben, is natuurlijk, doch hij zweeg, en zou later wel zien terug te krijgen, wat hem, naar zijne meening eerlijk toe kwam. Hij hoopte zich door nieuwe ontdekkingen nog verdienstelijker te maken, en dan zou alles wel weer terecht komen. Naar zijne stellige overtuiging had hij Marco Polo’s „Zipangu” en de Oostkust van Azië ontdekt. Hij wilde nu een’ tocht maken om den zeeweg naar de eigenlijke Indiën te vinden. Een groot deel van dien weg had hij immers al afgelegd?

De Monarchen vonden dit plan uitnemend, maar .... eerst moest er geld voor de uitrusting der schepen zijn, en dat was er nog niet, zoodat onze Admiraal tijd had om in Spanje, door rust, weer tot de vorige krachten terug te keeren of—door ergernis over het dralen, nog meer averechtsche plooien in zijn karakter te krijgen. Dat uitstel van de vierde reis, die ook zijne laatste zou zijn, geeft ons gelegenheid om in een volgend hoofdstuk eerst over de ontdekkingstochten van andere ondernemende mannen te spreken, en dan ten slotte hem op dien laatsten tocht te volgen.


HOOFDSTUK IX.


LAATSTE REIS VAN COLUMBUS.

Het ligt geheel in den aard der zaak om aan te nemen, dat het gerucht van Columbus’ ontdekking ook nog andere volken dan de Portugeezen prikkelen zou om het voorbeeld der Spanjaarden te volgen, wanneer ze maar een land bewoonden, dat aan zee gelegen was. De Italianen hadden er ook wel lust in, vooral de Genueezen, Florentijnen en Venetiërs, maar wanneer dezen uitzeilden om ontdekkingen te gaan doen, dan moesten ze de enge Straat van Gibraltar passeeren en waren daardoor geheel in de macht van Spanje, dat natuurlijk met Argus-oogen uitzag of een ander volk het niet waagde om het voorrecht, door den Paus aan Spanje gegeven, als van geene kracht te beschouwen. Italië zag zich derhalve gedwongen, bedaard toe te zien. Portugal repte zich om zijne ontdekkingen in Afrika voort te zetten, en wij weten reeds met welk een’ gunstigen uitslag. Frankrijk had echter onder de regeering van Koning Lodewijk XII de handen te vol om den verwarden staat van binnenlandsche zaken te ordenen, en een waakzaam oog te houden op de uitbreiding der macht van het Habsburgsche Huis. Hoe gunstig ook voor de zeevaart gelegen, het kon zich niet met ontdekkingstochten inlaten. De Nederlanders dreven in dien tijd wel veel zeehandel, ze waren ook ondernemend en belust genoeg om ontdekkingen te gaan doen, maar, er was iets, dat hun de handen bond. Graaf Filips de Schoone toch, die Heer was over bijna al de Nederlanden, was gehuwd met de Infante Johanna, dochter van Koning Ferdinand en Koningin Isabella. Nu sprak het toch vanzelf, dat de Nederlanders op zee geene mededingers mochten of konden worden van een bevriend en machtig land, en toen later Karel V Koning van Spanje werd, en meteen dus ook Heer der Nieuwe Wereld, waren de handen der Nederlanders nog veel meer gebonden. Dat het hun aan geen’ ondernemingsgeest of moed faalde, bewezen ze bijna op hetzelfde oogenblik, dat ze zich aan de macht van Spanje onttrokken, en veilig kan men aannemen, dat die zucht om op ontdekkingen uit te gaan, en het toch niet te kunnen doen, eene der vele redenen is geweest, dat er tusschen de Nederlanders en Spanjaarden zulk een volkshaat bestond.

Nu we de redenen opgenoemd hebben waarom de Italianen, Franschen en Nederlanders geen deel aan de ontdekkings-tochten namen, rest ons nog om over de Engelschen te spreken, want de Duitschers en Noren rekenden in dien tijd niet mede; hunne scheepvaart bepaalde zich bijna uitsluitend tot de Noordzee en de Oostzee.

Dat de pogingen van Don Bartholomeus in Engeland schipbreuk leden, meldden we reeds. Men vertrouwde den vreemdeling niet genoeg, en Koning Hendrik VII bleef er zelfs vrij koel onder, toen de ontdekking der Nieuwe Wereld, of zooals men meende, de Indiën, ook in Engeland bekend werd.

In die dagen woonde echter te Bristol een vermogend en geleerd Italiaansch koopman. Hij was van Venetië afkomstig, en heette Giovanni Caboto, doch de Engelschen noemden hem eenvoudig John Cabot. Met leede oogen zag deze man het aan, dat de Spanjaarden door hunne ontdekkingen den handel van zijne vaderstad Venetië ten gronde zouden doen gaan, maar zeer goed zag hij in, dat Venetië onmogelijk als mededingster op den Oceaan kon optreden. Nu besloot hij, als Venetiaan, zich te wreken, en trachtte den Koning van Engeland over te halen om aan hem en aan zijne drie zonen volmacht te verleenen om in het Westen op ontdekkingen uit te gaan. De Pauselijke bul was natuurlijk ook in Engeland bekend, doch Hendrik was er de man niet naar om zich aan die bul te storen. Geen recht was heilig bij hem, als hij er maar voor zichzelven voordeel in zag het te verbreken. Toch werd Cabots voorstel op de lange baan geschoven, en eerst in 1495 verleende de Koning hem die volmacht. Het werd evenwel nog 1497 eer Cabot met vier transportschepen en een Koninklijk vaartuig de haven van Bristol verliet. De volmacht was hem verleend op voorwaarde, dat hij een vijfde deel van de behaalde winst aan den Koning zou afstaan, terwijl de Koning, inruil daarvoor, hem het uitsluitend recht waarborgde om met zijne zonen op de ontdekte landen handel te drijven. De Cabots waren beter wiskunstenaars dan Columbus, zoodat ze overtuigd waren dat, op eene hoogere breedte, den weg naar de Indiën nader moest zijn dan op de lagere, die Columbus gekozen had. Vader Cabot hield den koers ook westelijk, en den vier-en-twintigsten Juni 1497 ontdekte hij het vasteland van Noord-Amerika, derhalve veertien maanden vroeger dan Columbus het vasteland van Zuid-Amerika aanschouwde. Amerigo Vespucci’s beweren, dat hij de eerste Europeaan geweest was, die het vasteland van de Nieuwe Wereld gevonden had, vervalt door deze ontdekking natuurlijk geheel. Columbus had het moeielijk kunnen tegenspreken, want het eiland Cuba werd door hem voor het vasteland gehouden, en Paria hield hij voor een groot eiland. Wel twijfelde hij er nu en dan aan, of Paria wel een eiland was, omdat het water eener rivier tot op mijlen afstands buiten den wal, den Oceaan nog zoet maakte, doch op een heel groot eiland konden ook groote rivieren zijn. Zelfs vóór hij zijne vierde reis ondernam, en de ontdekkingen van Zuid-Amerika reeds overal in Spanje bekend waren, hield hij het er voor, dat de ontdekte kusten aan een eiland behoorden, hetwelk ten zuiden van de Indiën lag. Het moest, zoo redeneerde hij verder, slechts door eene zeeëngte van de Indiën en het vasteland van Azië gescheiden zijn. Wanneer we hem op zijn’ vierden tocht volgen, zullen we hem terugvinden, die zeeëngte nog steeds zoekend ten Zuiden van het gewaande „vasteland Cuba.”

Van eene vrij voordeelige reis teruggekeerd, maakte Johns zoon Sebastiaan in 1498 een’ tweeden tocht en bereikte zelfs Kaap Florida, die zich nog zuidelijker bevindt dan het noordelijkste van de Bahama-eilanden, waarvan Columbus zoo ongeveer het middelste ontdekte. Van Sebastiaans broeders vond ik nergens wat vermeld, zoodat het mogelijk zou kunnen zijn, dat ze behoorden tot de Engelsche reizigers, die De Hojeda op zijn’ tocht ontmoette, en waarvan wij met een paar woorden gewaagden. Mogelijk ook is het, dat de voordeelige tocht der Cabots andere Engelschen bewogen heeft om geheel op eigen gelegenheid, en zonder eenige volmacht, eene reis naar de Nieuwe Wereld te maken, doch dat ze schipbreuk leden en zoo in de streek kwamen waar De Hojeda hen ontmoette.

De opvolger van Hendrik VII, was de beruchte Hendrik VIII, die zelf zooveel als Paus wilde zijn, en zich derhalve niets liet gelegen liggen aan Pauselijke bullen. Misschien was dit wel de oorzaak, dat Sebastiaan Cabot Engeland verliet en in Spaanschen dienst trad. Hij deed dat in 1512, doch vijf jaar later was hij weer in Engeland terug. Hij zeilde toen met den Vice-Admiraal Perth uit, om langs Amerika’s Zuidpunt de Oost-Indiën te bereiken. Er blijkt uit deze onderneming, die evenwel mislukte, dat er in de aardrijkskunde in zoo weinige jaren verbazende vorderingen waren gemaakt. Zoowel voor Engeland als voor Spanje was het te bejammeren, dat deze ervaren zeeman zulk een’ wispelturigen aard had, want in 1525 was hij weer in dienst van Spanje, om ten slotte in 1530 opnieuw in Engeland te zijn en aldaar benoemd te worden tot Opper-piloot. In die voorname betrekking was hij de voorlooper van Jacob van Heemskerk en Barendsz., want ook hij geloofde, dat men de Indiën bereiken kon door de Noordelijke IJszee.

Met dezen zwerver langer te volgen, loopen we groot gevaar in de Noordelijke IJszee boven Azië te komen en de Nieuwe Wereld uit het oog te verliezen. Wij laten hem derhalve tot zijn’ dood, die in 1557 voorviel, zwerven en keeren terug naar Spanje om deel te nemen aan andere ontdekkingstochten.

Toen het in Spanje ruchtbaar werd, dat De Fonseca aan Don Alonzo De Hojeda eene volmacht tot eene ontdekkingsreis gegeven had, waren er terstond anderen bij, die De Hojeda’s voorbeeld wilden volgen. Geen echter zoo vlug als Pedro Alonzo Nino, die Columbus op zijne eerste en derde reis vergezeld had. Hij ontving van De Fonseca eene zelfde volmacht, als De Hojeda gekregen had, en in gezelschap van Christoval Guerra stak hij, slechts weinige dagen nadat De Hojeda vertrokken was, van Palos in zee met een klein vaartuig, dat slechts vijftig ton inhoud had. Aan den weg, dien Columbus bij zijne zeereizen genomen had, was genoeg bekendheid gegeven, hoewel tegen den zin van den Admiraal, die vreesde, dat men van de landen en zeeën, die hij gevonden en in kaart gebracht had, gebruik maken zou om hem te benadeelen. De beide moedige gelukzoekers volgden De Hojeda, als het ware, op den voet en kwamen twee weken na hem op dezelfde kust van Paria aan.

Zij zeilden nog westelijker dan De Hojeda gedaan had en kwamen in eene streek waar de menschen woester en dapperder waren dan ergens elders, doch ze hadden het geluk om toch een groot aantal voorwerpen, die in Spanje geene waarde hadden, tegen een’ schat van de kostbaarste parelen te verruilen. Meer dan voldaan over hun’ voordeeligen handel, namen ze den terugtocht naar Spanje aan, hopende daar het loon voor hun streven te ontvangen. De reis was voorspoedig en in het midden van April, nog twee maanden vóór De Hojeda, liepen ze te Bayona in Galicië, binnen. De lust om nog eens zulk een’ tocht te doen, zal hun wel ontnomen zijn, want inplaats van beloond te worden, werden ze beschuldigd van parelen achtergehouden te hebben en in de gevangenis geworpen. Koning Ferdinand, die dit bevolen had, omdat hij meende, dat hem te kort gedaan was, scheen niet alleen „Liguriërs”, maar ook geboren Spanjaarden uit de beurs der ondankbaarheid te betalen.

Nog in hetzelfde jaar dat De Hojeda en Nino eene ontdekkingsreis ondernamen, rustte Vincente Yanez Pinzon, dezelfde, die Kapitein op de Nino was, waarop Columbus van de eerste reis terugkeerde, op eigen kosten vier schepen uit en vertrok hiermede naar de Nieuwe Wereld. Hij hield den koers ook zuidelijk, en toen hij den zesentwintigsten Januari 1500 land ontdekte, ging hij er aan wal en nam het op de voorgeschrevene wijze plechtig in bezit voor den Koning en de Koningin. De kust waar hij landde lag op 28° Zuiderbreedte en was niets anders dan een deel van het tegenwoordige Brazilië, ter hoogte waar Kaap Sint-Augustinus ligt. De tocht naar deze streek was zeer moeielijk geweest en menigmaal hadden de gezellen van Pinzon op het punt gestaan om den moed op te geven. Hij alleen bleef vertrouwen, dat men eindelijk land vinden zou, en toen hem dat gelukte, was het geen wonder, dat hij het den naam van „Santa Maria de la Consolation” gaf. Hij vond de kust verlaten, en welk eene moeite hij zich gaf om de gevluchte inboorlingen tot zich te lokken, het gelukte hem niet. Een weinig verder had hij evenwel eene ontmoeting, zooals hij er wel geene zal gewenscht hebben. Met eenige booten aan den wal gegaan, ontdekten ze een groot aantal inboorlingen, die zich hielden, alsof ze geen kwaad in den zin hadden. De Spanjaarden lieten zich hierdoor misleiden en toen ze zich meer verdeeld hadden, deden de Wilden zulk een’ verwoeden aanval met hunne pijlen, dat acht der Spanjaarden gedood werden, ja, eene der booten viel den Wilden zelfs in handen. Pinzon zag wel in, dat er op eene kust waar de bewoners zoo machtig en tevens zoo vijandig gezind waren, geene kans bestond om eenigen ruilhandel te drijven. Hij zette den tocht nu veertig mijlen in eene noordwestelijke richting voort en kwam toen in een deel van den Oceaan, waar het water niet zout, maar zoet was. Zonder aan den wal te gaan, liet hij de vaten met dat water vullen en stuurde nu dichter onder den wal, waar hij een groot eiland en eenige kleinere ontdekte.

De reizigers stonden verbaasd en Pinzon deed, zoo zegt men, luide de vraag: „Mare an non?” wat beduidt: „Zee of geene zee?”

Spoedig zag hij dat het geene zee, maar een ontzaglijk groote rivier was, welke zij daar voor zich zagen, en ze wisten haar geen’ beteren naam te geven dan „Mare an non,” wat later verbasterd werd tot Maranon, onder welken naam de Amazonen-rivier, de grootste stroom der geheele Aarde, tegenwoordig nog altijd bij de Spanjaarden en Portugeezen bekend staat.

Terwijl de ontdekkers vol verwondering op den breeden mond van dien reuzenstroom staarden, vertoonde zich op eenmaal een zeer vreemd natuurverschijnsel. Eensklaps rees de vloed meer dan vijf vademen; hooge golven dreigden de scheepjes in den grond te slaan, en er werd een vreeselijk geluid vernomen. Gelukkig ontkwamen Pinzon en de zijnen dat dreigende gevaar. Zij hadden kennis gemaakt met de „Pororoca,” of „zeevloed.” Deze, opgehouden door het uitstroomende rivierwater, krijgt eindelijk de overhand, en met een donderend geraas, dat wel anderhalve mijl ver gehoord kan worden, bruist de machtige zeevloed over het rivierwater heen. Niet veel lust bezittende om, òf met de gewapende Wilden, òf met dien hoogen vloed nog eens kennis te maken, zette Pinzon den tocht in dezelfde richting voort, en bereikte op zijne beurt den Orinoco en het land „Paria.” Wie nu een’ blik op de kaart slaat en ziet welk een groote afstand er ligt tusschen Kaap Sint-Augustinus en het eiland Trinidad, dat voor de zoogenaamde Golf van Paria lag, zal moeten erkennen, dat geen der Spaansche ontdekkers nog zulk een aanzienlijk deel van de Nieuwe Wereld gezien had, als Pinzon. Zonder eenige aanmerkelijke voordeelen behaald te hebben, kwam hij eindelijk op Hispaniola aan, doch de thuisreis vervolgende, had hij bij de Bahama-eilanden het ongeluk door een’ vreeselijken storm twee van zijne schepen te verliezen. Dat was voor Pinzon eene ramp te noemen, welke hij nimmer te boven zou komen. Al zijn geld had hij aan deze vier schepen besteed, en om ze voor den tocht doelmatig uitgerust te krijgen, had hij bij de kooplieden van Sevilla alles op krediet moeten koopen. Deze hebzuchtige lieden hadden van Pinzons verlegenheid gebruik gemaakt, en hem de goederen honderd procent boven de waarde aangerekend. Toen hij nu met slechts twee scheepjes, bijna arm en berooid te Palos aangekomen was, legden zijne schuldeischers beslag op beide vaartuigen, zoodra de moedige reiziger naar Granada vertrokken was, om daar den Koning van zijn’ belangrijken tocht verslag te doen. Nog te Granada zijnde, vernam hij dat de schuldeischers de scheepjes met alles wat er op, aan en in was, verkocht hadden om aan hun geld te komen. Hij deed zijn beklag bij den Koning en zeide dat de driehonderdvijftig centenaars verfhout, die hij medegebracht had, alleen zooveel waard waren als zijne heele schuld bedroeg, waarom hij verzocht, dat de kooplieden hem alles, wat ze verkocht hadden, zouden teruggeven. De Koning vond dien eisch billijk en Pinzon ontkwam zoo aan de handen zijner onbarmhartige schuldeischers. Ook hij scheen nu geen’ lust meer te hebben om op ontdekkingstochten uit te gaan en werd graanhandelaar. Later evenwel deed hij nog twee tochten om de zeeëngte op te sporen, welke door Columbus vermoed, gezocht en niet gevonden werd, omdat ze niet bestond. Pinzons tochten waren derhalve ook vergeefsch, maar dat belette niet, dat Keizer Karel V hem en zijne familie, uit erkentelijkheid voor zijne groote verdiensten, tot den Adelstand verhief.

Niet ontmoedigd door de weinig winstgevende tochten, die reeds gemaakt waren, en ook niet afgeschrikt door den ondank waarmede bijna alle landontdekkers betaald werden, zeilde Diego De Lepe, ook een inwoner van Palos, kort na het vertrek van Pinzon met twee karveelen het Westen in om ontdekkingen te doen. Jammer genoeg is van deze reis zoo goed als niets bekend, en toch was het deze De Lepe, die het waagde Kaap Sint-Augustinus om te zeilen en nog veel dieper langs de Braziliaansche kust het Zuiden in te gaan. Het eenige, wat van dezen zeereiziger verder bekend is, is dat hij bij zijne terugkomst in Spanje voor De Fonseca eene kaart van de ontdekte kusten maakte, welke vrij goed was en gedurende eenige jaren dan ook trouw gevolgd werd.

Bijna tegelijk met De Lepe meldde zich om een’ lastbrief Don Rodrigo De Bastides bij den Koning aan en hij verkreeg dien ook. Don De Bastides was een zeer vermogend man en Notaris te Traniana, eene der voorsteden van Sevilla. Het contract, dat hij met den Koning sloot, was voor dezen laatsten, die er geen geld aan ten koste behoefde te leggen, zeer voordeelig, want De Bastides zou het vierde gedeelte van alles, wat hij winnen mocht, aan de Kroon afstaan.

Hij zeilde met twee karveelen, die hij op eigen kosten uitgerust had, uit, doch was zoo wijs geweest om als Stuurman, onzen ouden bekenden Juan De la Cosa mede te nemen, want deze had op de reis met De Hojeda immers de kusten bezocht waar goud en parelen te vinden waren? En daarheen was het doel van den tocht. Niet om ontdekkingen te doen of om krijgsmansroem te verwerven, maar om goede zaken te maken ging de slimme De Bastides naar de Nieuwe Wereld. Dat men meer vliegen vangt met één’ druppel honig dan met een heel vat azijn, scheen hij onvoorwaardelijk aan te nemen, want eenmaal in het rijke land aangekomen, was hij voor de inboorlingen vriendelijker en hartelijker dan nog één Spanjaard geweest was. De goedige inwoners van dat land stelden dit ook zeer op prijs en het gevolg hiervan was, dat De Bastides schitterende zaken deed. Gaarne had hij hier nog langer willen blijven, doch De la Cosa kwam hem wat mededeelen, dat hem dwong om zoo spoedig mogelijk te vertrekken, teneinde Hispaniola te bereiken. Dit was hoognoodig, want de houtwormen, die in deze zeeën buitengewoon talrijk waren, hadden de schepen op verscheidene plaatsen lek geknaagd, wat gemakkelijk geschieden kon, omdat men in die tijden nog van geene gekoperde schepen iets af wist. De terugreis werd derhalve met spoed aanvaard, doch alleen met de grootste moeite waren de schepen vlot te houden. Eindelijk bereikten ze een klein eiland op de kust van Hispaniola waar ze de deerlijk gehavende vaartuigen zoo goed mogelijk herstelden. Vol hoop, dat men nu wel thuis zou komen, zeilde men weer verder, doch tegenwind en stormen hielden de reis tegen en de houtworm kreeg weer de overhand. Zij repten zich nu zooveel zij konden om de parelen en het goud, benevens eenige handelsartikelen op Hispaniola aan den wal te brengen, en pas was dit geschied, of de schepen verdwenen met alles, wat nog aan boord was, in de diepte. Goede raad was thans duur! Wat te doen? De Bastides verdeelde zijn volk in drie hoopen om, langs verschillende wegen, te trachten San-Domingo te bereiken. Iedere afdeeling droeg in eene groote kist de parelen en het goud mede, benevens allerlei snuisterijen om die op hun’ weg bij de inboorlingen tegen spijs en drank te verruilen. Toen deze zonderlinge landreis aanving, was De Bobadilla nog niet afgezet en regeerde hij derhalve nog als Onder-Koning. Weldra werd hem bericht, dat er schepen geland waren en dat de bemanning ruilhandel met de inboorlingen dreef. Hij zond nu gewapende benden uit, en weldra werden De Bastides en de zijnen aangetroffen en voor den Onder-Koning gebracht. We weten het reeds, dat De Bobadilla kort recht kon maken, als hij dat wilde, en als hij meende, dat het in zijn belang was. De zwervers werden dan ook maar zonder verhoord te zijn, gevangengezet en de kisten werden verbeurd verklaard. De Bastides was echter de man niet om zich dat alles maar te laten welgevallen; hij verzette zich, door duidelijk te maken, dat hij geen’ ruilhandel gedreven had. Hij had, na zijne schepen verloren te hebben, met hetgeen hij bij zich had, alleen spijs, drank en gidsen betaald, meer niet, en betalen, wat men tot dat doel noodig had, mocht geen ruilhandel heeten. De verdediging was glashelder, en hoeveel De Bobadilla ook durfde, hij waagde het niet om De Bastides te veroordeelen, maar zeide, dat hij hem met de eerstvolgende gelegenheid naar Spanje zou zenden, dan kon daar de zaak door het Hof onderzocht worden.

Weinig vermoedde De Bobadilla, dat met die eerstvolgende gelegenheid niet alleen De Bastides naar Spanje zou gebracht worden, maar ook hijzelf en zijn vriend Roldan.

Don De Ovando was aangekomen om De Bobadilla van zijn ambt te ontzetten en met Roldan gevankelijk naar Spanje te laten voeren.

De vloot, die hen overbracht, we zullen hierover later nog spreken, werd door een’ vreeselijken orkaan overvallen, en De Bobadilla en Roldan vonden hun graf in de golven. De Bastides echter was zoo gelukkig om met zijne drie ongeschonden kisten in Spanje aan te komen, waar hij natuurlijk terstond buiten alle vervolging gesteld werd. Het vierde gedeelte van de medegebrachte parelen en andere schatten werd eerlijk aan den Koning gegeven, en dat vierde deel was van zulk eene groote waarde, dat Koning Ferdinand opeens een’ aanval van dankbaarheid en mildheid kreeg en hem levenslang een inkomen schonk uit de opbrengsten van het land Uraba, dat hij bezocht had en dat zoo rijk bleek te zijn. Eene zelfde belooning ontving ook de oude De la Cosa, die tot Bestuurder van dat gewest benoemd werd.

Veel merkwaardigs ten opzichte van de aardrijkskundige wetenschap had die reis niet opgeleverd, en toch diende ze genoemd en in het kort beschreven te worden, omdat juist De Bastides getoond had, hoe men doen moest om de reis- en ontdekkingstochten in de Nieuwe Wereld productief te maken. Jammer maar, dat hij met zijn goed voorbeeld bijna alleen bleef staan en zoo goed als geene navolging vond.

Eindelijk was ook met groote moeite, omdat de uitrusting op kosten der Regeering geschiedde en De Fonseca wel zorgde, dat er voor dit doel steeds geld te kort was, een vlootje van vier karveelen klaar gekomen, en stond Columbus op het punt, te vertrekken, in gezelschap van zijn’ zoon Don Ferdinand en zijn’ broeder Don Bartholomeus. Wijl de Monarchen vreesden, dat de komst van Columbus op Hispaniola, dat met groote moeite tot rust gebracht was, aanleiding zou geven tot wanordelijkheden, zoo werd hem verboden om op zijne heenreis de Kolonie aan te doen. Op de terugreis echter zou het hem vergund zijn om eenigen tijd te San-Domingo van de vermoeienissen uit te rusten, en als het noodig was zijne schepen te laten herstellen. Verder beloofden de Monarchen hem, dat hij, als eenmaal op Hispaniola alles tot orde en rust gekomen en hij alweer teruggekeerd was, andermaal in al zijne waardigheden zou hersteld worden. Zij deden dat schriftelijk, doch Columbus, die bij ervaring wist, hoe hij tegengewerkt werd en hoe weinig men zich stoorde aan alles, wat beloofd was, liet van alle beloften en brieven afschriften maken, door de Alcaldes van Sevilla behoorlijk legaliseeren, en stelde een der duplicaten in handen van een vertrouwd vriend, terwijl hij het andere bezorgde bij den Gezant van Genua, die aan het Spaansche Hof vertoefde. Later zou het blijken, dat hij zeer verstandig gedaan had met deze maatregelen te nemen. Nu hij alles verricht had, wat er te doen viel, nam hij afscheid van zijn’ zoon Don Diego, die op verzoek van Koning Ferdinand in Spanje achterbleef om de belangen zijns Vaders te behartigen, en den negenden Maart 1502 aanvaardde hij de reis, wijzer dan vroeger, zoo meende hij, omdat hij zich overtuigd hield, dat tusschen Cuba en Paria, welks kusten in den laatsten tijd zoo ver bezocht waren, de zeeëngte moest zijn, waardoor hij in de echte Indiën komen kon.

De heenreis was voorspoedig, doch toen hij het kleine eiland Martinique aangedaan had, kon hij de begeerte niet wederstaan, om, trots het verbod, toch te San-Domingo binnen te loopen. De groote man toonde zich hier wel wat klein; hij stelde er prijs op om allen, die hem, in boeien geklonken, hadden zien vertrekken, te toonen dat hij in zijne eer hersteld was. Als voorwendsel om de haven van San-Domingo binnen te loopen, gebruikte hij de kleine averij, die eene zijner karveelen bekomen had, doch De Ovando, die zijne instructies omtrent Columbus reeds ontvangen had, nam het voorwendsel niet aan en verbood, hoewel in zeer beleefde termen, het binnenloopen der haven. Aangenaam was dit voor onzen Admiraal niet, doch hij had zich door eigen schuld die beleediging, als het er eene was, op den hals gehaald.

Toen Columbus te San-Domingo aankwam, lagen er niet minder dan achtentwintig schepen gereed om met eene rijke lading aan goud, parelen en katoen naar Spanje uit te zeilen, wel een bewijs, dat de toestand der Kolonie eene heel andere was dan onder zijn bestuur. Aan boord der schepen bevonden zich, zooals we vroeger opmerkten, zijne vijanden De Bobadilla en Roldan, benevens De Bastides. De ervaringen, die Columbus als zeeman en als reiziger in deze streken opgedaan had, deden onzen Admiraal aan alle verschijnselen zien, dat er een zware storm op handen was. Hij gaf dus den welgemeenden raad om het uitzeilen nog eenige dagen uit te stellen. Men hield het er evenwel voor, dat Columbus dit alleen zeide, omdat hij jaloersch was, dat er zóó spoedig onder het bestuur van een’ anderen Onder-Koning zulk eene rijk geladen vloot naar Spanje vertrekken kon, en dat hij daarom alleen de afvaart wenschte te vertragen. Men hoorde dus niet naar zijn’ raad en—twintig vaartuigen verdwenen met kostbare lading en manschappen, tengevolge van een’ verschrikkelijken storm in de diepte, en slechts acht kwamen in ontredderden toestand in Spanje aan. Over De Bobadilla en Roldan zou derhalve geen vonnis uitgesproken worden; de dood belette dat, maar in het voordeel van Columbus was dit niet, want veel, waarover de Admiraal terecht geklaagd had, kwam nu niet aan het licht.

Zoo spoedig hem dit mogelijk was, had Columbus eene veilige ligplaats voor zijne schepen gezocht en doorstond daar, zonder eenige schade te lijden, den storm.

Toen het noodweer bedaard was, richtte Columbus den steven naar Cuba en van daar voer hij in zuidwestelijke richting naar de Baai van Honduras. Op dien tocht had hij eene ontmoeting, die hem bewees, dat hij in eene streek gekomen was, waar het volk vrij goed beschaafd was. Op een eiland, dat hij om de dennen, die er groeiden, „Isla de Pinos” noemde, aan wal gegaan zijnde, vond hij er bewoners met een zeer laag voorhoofd, die in beschaving echter boven andere eilanders stonden. Daar hun voorhoofdsvorm juist het tegendeel zou doen vermoeden, moesten er redenen voor die betere ontwikkeling zijn, en naar die redenen behoefde men niet lang te zoeken, want terwijl Don Bartholomeus op zekeren dag aan het strand vertoefde, zag hij eene verbazend groote kano, die uit één’ boomstam gemaakt was, naderen. In het midden van die kano was eene hut van palmbladen gebouwd, en in deze hut bevond zich een Kazike met zijne vrouw en kinderen. De kano werd geroeid door meer dan twintig Indianen, die niet naakt, maar evenals de Kazike en zijne vrouw en kinderen gekleed waren.

Zonder eenige vrees of verbazing te toonen, kwamen ze bij Columbus aan boord, en nu vernam deze, dat de kano eene lading van cacaoboonen en vele andere handels-artikelen in had. Zij waren ook in het bezit van allerlei keukengereedschap, ja, zelfs van bijlen, die van koper gemaakt waren. Verder hadden ze katoenen doeken en mantels, kroezen om metalen te smelten, kortom alles, wat duidelijk bewees, dat ze uit eene zeer beschaafde streek afkomstig waren. Ongelukkig kon Columbus niets van hunne taal verstaan, en de Arabische tolken, die hij mede genomen had om hem van dienst te zijn, als hij in de eigenlijke Indiën aangekomen was, konden hen natuurlijk ook niet verstaan. Na een’ zeer voordeeligen ruilhandel gedreven te hebben, namen ze vriendelijk afscheid en vertrokken in eene richting, die ons thans met eenige zekerheid kan doen zeggen, dat ze uit Yucatan afkomstig waren. Had Columbus maar niet voorgenomen om de zeeëngte, die niet bestond, te vinden, en ware hij deze kano gevolgd, dan zou zijne vierde ontdekkingsreis de beste en rijkste geweest zijn, welke hij of eenig ander nog gemaakt had. Maar die zeeëngte wilde en zou hij vinden, en daarom ging het alweer, en nu in zuidoostelijke richting, verder. Weldra had hij de kusten van Middel-Amerika bereikt. Dewijl zijn doel niet daar lag, zoo deed hij slechts nu en dan eene landing, en telkens zag hij bij zulk eene gelegenheid, dat hij meer en meer het goudland naderen moest, want de bewoners droegen allerlei gouden versierselen, die ze gaarne, vooral tegen valkenbellen, inruilden. Het goud kwam uit een land, zoo berichtte men hem door teekenen, dat bewoond werd door een zeer beschaafd volk, dat in het bezit was van lastdieren en in huizen woonde, half van goud gebouwd. Hij meende verder te verstaan, dat dit land „Ciguare” heette en negen dagreizen over land verder lag in westelijke richting en—aan de zee.

Thans liet de Admiraal zijne verbeelding weer spelevaren op de wateren der valsche voorstelling en meende hij verzekerd te zijn, dat hij zich op slechts negen of tien dagreizen afstands bevond van de beroemde Indische rivier de Ganges. Vol moed stevende hij nu verder, doch toen hij eindelijk kwam, waar de Landengte van Panama het smalst is, werd hij overvallen door een’ storm, die negen dagen aanhield. De regen viel al dien tijd bij stroomen neer, en de bemanning der karveelen verkeerde in de grootste gevaren en in de bitterste ellende. Het voedsel was door de hitte en de overslaande zeeën zóó bedorven en zóó vol maden en wormen, dat het volk de duisternis te baat nam om het maal te doen, ten einde dan niet te zien, wat er gegeten moest worden.

Toen de storm ten slotte bedaard, en de zee weer kalm geworden was, bevond men door waarnemingen, dat de schepen ver naar het Noorden teruggeslagen waren. Nog eens denzelfden weg afleggen, er was geen denken aan, want de houtworm had ook deze schepen aangetast. Gelukkig vond men kort daarop land, en kon het volk zich aan den wal van de doorgestane ellende herstellen. Het was een land, rijk aan goud, en bewoond door vriendelijke menschen, die veel beschaafder waren dan al de inboorlingen, die hij nog ontmoet had, en geregeerd werden door een’ Kazike, die den titel van „Quibian” droeg. De Vorst van dit land, dat „Veragua” genoemd werd, ontving Don Bartholomeus en de zijnen, die hem bezochten, bij uitstek vriendelijk, en de ruilhandel in goud was nog nergens zoo voordeelig geweest. Blijkbaar was deze streek bijzonder rijk aan dit metaal, en daarom drong Columbus er op aan, dat zijn broeder bij den Kazike onderzoek zou doen waar die mijnen zich bevonden. De Quibian, die werkelijk geen kwaad in den zin had, gaf Don Bartholomeus twee gidsen mede, die hem bij de mijnen bracht, en wat men daar vond, was zulk een rijkdom in edel metaal, dat Columbus besloot om hier eene volkplanting te stichten, welke onder het opperbevel van zijn’ broeder zou staan. Aanvankelijk scheen het dat de streek niet alleen gezond en vruchtbaar, maar ook bewoond was door menschen, die zeer vredelievend en gastvrij van aard waren. De soort van sterkte, waarin de Kolonisten leven zouden, was reeds bijna voltooid, toen Don Bartholomeus vernam, dat de Quibian zijn volk te wapen geroepen had. Waarom dat gedaan was? Om oorlog te voeren met een’ naburigen stam, bij welke gelegenheid de Quibian zelf gewond werd. Don Bartholomeus legde het evenwel anders uit en meende, dat de Quibian zijne sterkte wilde aantasten. Om dit te voorkomen vormde hij het plan den Vorst op te lichten, en door een aantal gewapende manschappen vergezeld, begaf hij zich naar het dorp waar de Quibian zijn verblijf hield. De Vorst ontving zijne bezoekers vriendelijk, en toonde hun de wonden, die hij in den strijd bekomen had. Op een gegeven teeken echter werd de Vorst op den grond gesmeten, gekneveld en weggevoerd. In de nabijheid van het Admiraalsschip waagde de ongelukkige het, zijn leven te redden. Hij sprong in zee, zwom naar den oever, en was van dat oogenblik af de verbitterdste vijand der Spanjaarden. Hij viel met de zijnen de sterkte aan, doch werd teruggeslagen. Bij een’ tweeden aanval echter, werd eene heele afdeeling Spanjaarden, die uitgegaan was om voedsel, water en hout te halen, op één’ man na, door de inboorlingen gedood, en Columbus zag nu wel in dat er geene mogelijkheid bestond om hier eene Kolonie achter te laten. Het plan werd dus opgegeven, en de ellendige toestand waarin de schepen verkeerden dwong den Admiraal tot den terugtocht.

Wat zal hij dien vol teleurstelling aanvaard hebben! Tijd om in treurige gedachten verzonken te blijven was er echter niet. Eene der karveelen liep op de riffen vast; men moest manschap en lading overbrengen op de drie andere schepen, die door dag en nacht pompen slechts vlot konden blijven. Een van deze drie schepen kon, wat men ook beproefde, de reis weldra niet meer voortzetten, en ook dat moest men, na het ontladen te hebben, aan de golven prijsgeven. De twee overgebleven karveelen werden met den dag steeds lekker. Het volk matte zich vruchteloos aan de pompen af, en toen men het geluk had om Jamaïca te bereiken, was er geen ander middel tot behoud over dan de beide bodems op strand te laten loopen. Het ruim stroomde terstond vol water, en Columbus, die vreesde dat zijne mannen aan den wal, de vriendelijke bevolking slecht behandelen zou, liet daarom de twee scheepsdekken tot verblijf inrichten.

Wilde de Admiraal hier met zijn volk niet omkomen, dan moest hij eene bede om hulp naar Hispaniola zenden. Diego Mendez en Bartholomeus Fiesco boden zich aan om in twee kano’s naar San-Domingo over te steken, ten einde De Ovando in kennis te stellen met den treurigen staat waarin de expeditie van den Admiraal zich op Jamaïca bevond. De twee moedige mannen kwamen behouden te San-Domingo aan in hunne kano’s, die met zes Spanjaarden en tien Indianen bemand waren, en dadelijk deed Diego Mendez den Onder-Koning verslag van den ellendigen toestand van Columbus en de zijnen, en vroeg hij hem een schip om de schipbreukelingen af te halen. De Ovando zag hierin evenwel eene list van Columbus om in de Kolonie aan wal te komen, en draalde om hulp te verleenen. Eerst zeven maanden later gaf hij zijne toestemming om een schip te huren, doch hiermede was Diego Mendez nog niet verder, want om een schip te huren moest er een schip zijn, en er was nergens eenig vaartuig tot dat doel beschikbaar. Die tusschentijd was door De Ovando gebruikt geworden om een’ zijner gunstelingen naar Jamaïca te zenden, teneinde zich te overtuigen of de Admiraal werkelijk in zulk een’ ellendigen toestand verkeerde. Escobar, zoo heette de man, die den dienst van spion moest verrichten, kwam op Jamaïca, en vond daar niet alleen alles zooals Diego Mendez het geschetst had, maar nog veel erger. De bemanning der karveelen was in opstand tegen Columbus gekomen, en gaf op het eiland zich aan allerlei ongebondenheden over, nadat zij vruchteloos beproefd had om in kano’s het eiland te verlaten. Met welk eene vreugde had Columbus, die ziek was, het schip zien komen, hopende dat het zijne getrouwen zijn zouden, die hem kwamen afhalen! Hoe groot moet zijne teleurstelling geweest zijn, toen hij in Escobar een’ zijner vijanden en een’ aanhanger van Roldan herkende, die hem uit naam van den Onder-Koning een stuk spek, een vaatje wijn en een’ brief gaf. De Ovando beloofde in dien brief hulp te zullen zenden en verwachtte van den Admiraal bericht of hij ze nog begeerde. Het grensde aan spotternij, zoo niet erger. Toch schreef Columbus den brief, en toen Escobar dezen had, vertrok hij, Columbus achterlatende in een’ toestand, te ellendig om ze in woorden te schetsen. Inmiddels gingen de opstandelingen met hun ongebonden leven voort, en het gevolg was dat de inboorlingen weigerden, Columbus en de zijnen den noodigen levensvoorraad te verschaffen. De hongerdood scheen allen beschoren, toen Columbus gelukkig berekende dat er eene maansverduistering zou plaats hebben. Hiervan maakte hij terstond gebruik en liet aan de inwoners weten, dat de maan diep bedroefd was, dat men aan de kinderen der zon geene spijzen bracht, en dat zij daarom dien avond zich verbergen zou. De inboorlingen lachten er wat mede, doch toen des avonds de maan totaal verduisterd werd, dreef hun bijgeloof hen aan om Columbus en de zijnen een’ grooten voorraad van levensmiddelen te zenden. Hierdoor waren de arme schipbreukelingen aanvankelijk geholpen, doch hoe lang zou het duren? Gelukkig, eindelijk kwam er uitkomst, want de trouwe Diego Mendez en Bartholomeus Fiesco hadden niet gerust voor ze een schip hadden, en dit schip kwam aan en bracht de arme lijders naar Hispaniola over.