WeRead Powered by ReaderPub
Winter cover

Winter

Chapter 7: WINTERGASTEN.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

Een geïllustreerde gids door het winterse landschap die de overgang naar het bladloze seizoen beschrijft en aandacht besteedt aan zichtbare veranderingen in planten, paddenstoelen en vogels. Het werk combineert levendige observaties van bladeren, sneeuw, ijs en de timing van paddenstoelen met praktische tips voor buitenonderzoek, natekenen en verzamelen. Thema's zijn seizoenale cycli, aanpassing en het plezier van natuurwaarneming, met aandacht voor soorten die juist in koude maanden opvallen. Teksten worden afgewisseld met beschrijvingen van vindplaatsen en determinatiekenmerken, en moedigen lezers aan zelf te zoeken, te tekenen en de waarde van nauwkeurige waarneming te waarderen.

[Inhoud]

WINTERGASTEN.

et onze kachels en haarden, dichte muren en dikke gordijnen, weten we ons binnenshuis een zomersch gevoel te bezorgen, al vriest het buiten ook, dat het kraakt. Geen wonder, dat verscheiden dieren daarvan mee profiteeren; ik verzeker u, dat uw huis in den winter meer gasten herbergt, dan ge wel denkt.

Muizen, ratten, bunsings vestigen zich in schuren en stallen. Ook komt menig vogeltje ’s avonds binnensluipen, vooral roodborstjes en winterkoninkjes. En in de huiskamer en den kelder overwintert menig insect.

Meestal zitten die stil in een hoekje, maar van tijd tot tijd, als ’t niet te warm en niet te droog in huis is, dan worden ze wakker en dan zie je opeens rondom het licht een enkele groote bromvlieg (110 en 109) rondzweven, wat traag in zijn bewegingen, maar toch volkomen levendig.

Je zoudt er zelfs een verzameling van kunnen aanleggen, want er zijn er van verschillende soorten, blauwe en groene en weer andere, die dambordachtig gekleurd zijn met grijze en blauwe vlekken.

Veel kwaad doen ze op ’t oogenblik niet, maar er zijn er onder, die ons in den komenden zomer veel last kunnen veroorzaken. [57]

97

HAARMOS.

98

TAKJESMOS.

99

KLIMOPBESSEN.

100

BEUK.

101

SCHORSMOS.

102

ELS.

[58]

103

HONDSTONG.

104

TOORTS.

105

BERBERIS.

106

EIKEBLADSPINNER.

107

ST. TEUNISBLOEM.

108

KOEKOEKSBLOEM.

[59]

De weinige muggen (41), die nu in huis vertoeven, kunnen ons verbazend hinderen. We hadden onlangs een muziekavondje, nogal van belang, want er waren vreemde gasten bij, Engelschen. Bovendien zou ik dirigeeren, een instrument bespelen, waar ik niet aan gewend was en in een sleutel lezen, die ik amper kende. Ik had dus al mijn tegenwoordigheid van geest noodig.

Het ging boven verwachting nogal tamelijk behoorlijk en toen kwam daar juist middenin een mug bovenop mijn hoofd zitten. Hij boorde mij terdege aan. Ik verzeker u, dat ’t geen geringe beproeving was: ik moest mijn aandacht bepalen bij ’t toch reeds zoo moeilijke werk en dan nog dat geprik verdragen, wetende hoe gevaarlijk zoo’n muggebeet soms wezen kan.

Het applaudissement was dan ook nog in vollen gang, toen ik hem al door een vluggen tik vermorseld had. Gelukkig was het geen malaria-mug, maar een ringelmug (114), zoo’n mooie met lange zwart-met-witte pooten. Deze kan door zijn steek wel niet zooals de andere de malaria-ziekte veroorzaken, doch soms geeft hij aanleiding tot bloedvergiftiging. De malaria-mug heeft geen gevlekte pooten, wel gevlekte vleugels, terwijl de gewone steekmug ongevlekte pooten en ongevlekte vleugels heeft.

SNEEUWKLOKJES

Al deze muggen overwinteren in huizen, kelders, stallen en schuren en indien alle menschen nu van de gelegenheid gebruik maakten, om ze daar te dooden, dan zouden we ’s zomers minder last en nadeel ondervinden. ’t Is wel niet gastvrij, maar een volkomen gerechtvaardigde maatregel tot zelfverdediging.

Op koude plekken in huis, zolders en kamertjes waar niet gestookt wordt, overwinteren [60]soms mooie vlinders: dagpauwoogen, kleine en groote vossen, atalanta’s, citroentjes, al de vlinders van het vroege voorjaar.

Die kunt ge ook buiten vinden in de altijd groene heesters of in holle boomen, takkebossen en rommel. Zoo’n vlinder zit dan den heelen winter onbeweeglijk met saamgevouwen vleugels, bevriest en ontdooit waarschijnlijk verscheidene malen en gaat in Februari of Maart weer echt leven.

De rupsen van de eikenbladvlinder (106) zitten langs de takken en zijn er als het ware geheel mee saamgegroeid, zoodat ze tenminste uit de verte niet gemakkelijk gezien kunnen worden.

Sommige kevertjes van de familie van de goudhaantjes (126) verbergen zich in de schorsspleten van boomen en weven zich een fijn wit gordijntje, waarachter ze voor verdrogende winden beveiligd zijn.

Maar ze zijn niet beveiligd voor de onderzoekende tong van de specht of voor het scherpe oog der meesjes. Als die vogeltjes eens konden vertellen, wat zouden we dan een massa aardige dingen kunnen vernemen omtrent de insecten.

Zooals zij een boom bekijken en afwerken, moesten wij ’t ook doen. Hier vinden ze wat spinner-rupsen, ginds wat eierkringen van de ringelrups (123), dan weer een partijtje eieren van de witvlakvlinder (121) op een zwart ruig spinseltje of een zijdeachtige gele cocon vol spinneneieren (124). Altijd en overal vinden die meesjes wat en toch laten ze nog veel zitten, anders zouden ringelrupsen en witvlakvlinderrupsen in den zomer niet heele boomen kaal vreten.

Er zijn ook wel insecten, die in den winter buiten nog bedrijvig en bezig zijn. In de avondschemering vliegen de mooie teergekleurde wintervlinders rond, de groote (111) en de kleine (112) en aan de meeste klimopmuren kunt ge u amuseeren met te zoeken naar de grappige klimoprupsen (125), die precies gelijken op kleine dorre takjes en uren lang stijf uitgestoken stil kunnen blijven zitten.

Kijk maar goed uit, of de klimopblaren aangevreten zijn. Wanneer er halfronde stukjes zijn uitgebeten, dan kunt ge er wel op rekenen, dat er van die rupsen moeten zitten. Maar als ge niet terdege oplet, vindt ge er geeneen. Pak van tijd tot tijd maar eens een dor bladsteeltje beet, dan zal dat wel gaan bewegen.

Ze zijn natuurlijk heel gemakkelijk te verzorgen en leveren in Mei en Juni zeer mooie bleekgele vlinders met hoekige vleugels.

Aan ’t korstmos van de boomen zitten weer rupsen, die precies op dat mos zelf gelijken, met al zijn vlekjes en al zijn ruigtetjes. Alleen wanneer je zoekt op de manier van de meesjes kun je die rupsen vinden, d.w.z. je moet plekje voor plekje afzoeken en telkens probeeren of er soms door aanraking beweging komt in zoo’n stukje mos. [61]

109

BROMVLIEG.

110

BROMVLIEG.

111

GROOTE WINTERVLINDER.

112

KLEINE WINTERVLINDER.

113

GALWESP.

114

MUGGEN.

[62]

115

NOTEKRAKER.

116

KLAPEKSTER.

117

VISCHAREND.

118

ZEEAREND.

119

BUIZERD.

120

SNEEUWUIL.

[60]

’t Is in die klimopbladeren en in dat mos altijd nog een beetje minder koud dan [63]daarbuiten. Ook in de dorre bladeren en er onder leeft altijd nog een massa klein gedierte, evengoed als in het water zelf, zooals we konden zien, toen we op het zwarte ijs stonden.

En in de zee, daar is het altijd betrekkelijk warm, zoodat daar de meeste overwinteraars zijn aan te treffen. De zee is in den winter te vergelijken met een verwarmde kamer, en als ik eens echt veel dieren wil ontmoeten, dan ga ik in Februari wandelen langs de dijken van de Zuiderzee, liefst wanneer sinds een paar dagen de dooi is ingevallen.

Over de groote steenblokken van de buitenberm trippelen tal van aardige kleine vogeltjes. Sommige zijn al heel uit de verte te herkennen als kwikstaartjes aan de lange staarten, die ze telkens op en neer wippen, wanneer ze een eindje zijn voortgevlogen. Als je goed kijkt zie je dat die staarten betrekkelijk langer zijn dan die van de witte en de gele kwikstaart, die we in de lente zullen ontmoeten. Deze wintergast heet de groote gele kwikstaart (72), hij wordt ook ieder jaar langs de Amsterdamsche grachten gezien.

Er loopen ook muschkleurige vogeltjes over onze steenen met fijne spitse bekjes. Dat zijn de oeverpiepers (77), familie van den graspieper en den boompieper. De sneeuwgors toont zijn witte vlerkjes overal en heel even hebt ge ook kans op de ijsgors (78), die wat meer roodbruin in zijn vleugels heeft. Toch is deze nogal zeldzaam, maar ieder jaar minder zeldzaam wordt de Alpenleeuwerik (76), een diertje met veel geel aan zijn kop, dat langzamerhand uit Oost-Siberië den weg hierheen heeft geleerd en nu tamelijk dikwijls langs onze stranden kan worden opgemerkt.

Maar kijk nu eens wat verder, in ’t water. Daar ligt een honderd meter ver uit den dijk een heele rist vogels. Ze zwemmen wat heen en weer, duikelen soms eens, vechten een beetje, of liggen roerloos stil.

Aan de blinkend witte voorhoofdsplaten herkennen we zonder moeite verscheidene onder hen als onze oude vrienden, de meerkoeten, maar er is ook heel veel vreemd volk bij. Daar zwemt er een, die heeft een prachtige oranje vlek op zijn bovensnavel, je zoudt zeggen, dat er een soort van familiewapen op geschilderd is. Dat zou dan het wapen zijn van de zwarte zeeëenden (19). Ze zijn ongelooflijk vlug, duiken, zwemmen, vliegen en loopen uitstekend en komen soms al in Juli of Augustus in troepen op ons strand.

Maar behalve zwart zien we nog andere kleuren, vooral wanneer we kunnen beschikken over een behoorlijken verrekijker, of als we op een buitenlandje achter dor riet wat ver in zee vooruit kunnen komen.

Daar liggen zwart met wit en grijs, de mooie toppereendjes (136), of grijs met vosbruinen kop, de tafeleenden (138). Verwar deze laatste niet met de smientjes (137), [64]die ook een bruinen kop hebben, maar boven op hun schedel een oranje kuif dragen.

Deze smientjes zijn wel de aardigste eenden, die ik ken. Mooi van kleur, vlug van vorm, gracieus in hun bewegingen en in ’t voorjaar vol leven en dartelheid. Ze draaien om hun wijfjes heen, die wat stiller van kleur zijn en laten daarbij een alleraardigst gefluit hooren. Je kunt al zien, wanneer ze gaan fluiten, want dan houden zij ineens hun hals stil en steken de kop een beetje vooruit. „Wjieuw, wjieuw” klinkt het dan over de zee en wijd en zijd wordt dat geluid herhaald, door de vele smientjes, die overal geposteerd zijn.

Nog drukker zijn de brilduikers (135). Die zijn ook al heel in de verte te herkennen, doordat de mannetjes in den donker gekleurden kop, die nu eens groen, dan weer violet schittert, een groote vlek hebben tusschen oog en snavel.

Wanneer deze brilduikers opgetogen raken, dan gaan ze vlug in ’t rond zwemmen, gooien ineens hun kop ver achterwaarts en buigen die om, totdat de snavel loodrecht naar boven wijst. Het is de moeite waard, een gezelschap van een twintigtal brilduikers op deze manier bezig te zien. De wijfjes liggen doodstil op ’t water en de mannetjes zwemmen in kringetjes om haar heen en iedere keer dat de een den ander ontmoet, gaat het wipsnaveltje de hoogte in.

JENEVERBES

Maar het ergst maken het de zaagbekken. Daarvan komen er in den winter drie soorten op onze zeeën voor en wel de groote zager, de middelste zager (134) en de kleine zager, die ook wel nonnetje (133) heet.

Van deze drie wordt de middelste zager het meest bij ons gezien. Hij heeft een langen, rooden snavel, vol kleine insnijdingen en op zijn kop een heel wilde kuif.

Die kop is bij de wijfjes bruin, bij de mannetjes blinkend donkergroen, bij zwart af. Hun rug en vleugelveeren zijn ook mooi zwart-en-wit en de wijfjes zijn meer grijsachtig. [65]

Deze zaagbekken nu krijgen ook al in Januari de lente in het hoofd en maken dan de zonderlingste grimassen. Op ’t eerst zou je meenen, dat de dieren doodelijk benauwd zijn. Ze buigen krampachtig door, het achterdeel de lucht in, de hals en snavel omhoog en de borst diep in ’t water, een stand, die ze heel potsierlijk en stijf in drie tempo’s innemen.

AREND

Het zijn alleen de mannetjes, die zich zoo aanstellen, de wijfjes, die aan haar bruine kuiven te herkennen zijn, zwemmen maar een beetje heen en weer en bijten van tijd tot tijd naar elkander of naar een mannetje, dat te dicht in de buurt komt.

De kleine zaagbekken, de nonnetjes, gedragen zich weer veel sierlijker. De mannetjes zijn spierwit, hier en daar afgezet met smalle, mooi gebogen lijnen van pikzwart. De schedelveeren zijn lang en kunnen opgezet worden tot een allersierlijkst kuifje. Daarmee manoevreeren ze dan ook uit den treure.

Soms ook klinkt een dof en hol „oehoe” over de stille binnenzee. Dat is afkomstig van de allermerkwaardigste van alle zeeëenden, n.l. van de beroemde Eidereend (143), die iedereen heeft hooren roemen om zijn dons. De wijfjes zijn bruin met donkere vlekken, maar de mannetjes zijn spierwit, pikzwart en rose met een paar olieachtige groene plekken aan weerszijden van den kop. In sommige jaren komen er nogal veel op de Zuiderzee en op de Wadden.

In 1906 hebben deze eidereenden geprobeerd, om bij ons op Vlieland te gaan broeden. Het zou natuurlijk een groot buitenkansje zijn, als er gaandeweg eens een broedkolonie van een honderd of zoo eidereendparen op onze Wadden-eilanden ontstonden. Dat zou [66]niet alleen merkwaardig zijn als gebeurtenis uit het dierenleven en een mooie gelegenheid, om die prachtige dieren ook eens in hun zomerleven van nabij te bezien, maar er zou—en zonder schade voor die dieren—nog een aardigen duit te verdienen zijn met het eiderdons.

Een paar domme Vlielanders echter hebben de eerste nesten verstoord en zoo zal er vooreerst van al die heerlijkheden wel niets gebeuren.

Op de groote strandvlakten van de Wadden kan het ’s winters ook wemelen van bergeenden en van ganzen. De bergeenden (141) zijn niet bijzonder schuw, maar wie de slimme ganzen wil benaderen, moet heel vroeg opstaan.

Zeer geloofwaardige onderzoekers vertellen, dat die ganzen naar alle kanten schildwachten uitzetten en dat die schildwachten op bepaalde tijden en volgens een bepaald cerimonieel worden afgelost. Ik geloof zulke dingen nooit, voor ik ze zelf gezien heb en ik zal dan ook nog wel eens het witte hemd moeten aantrekken om ganzenstudiën te gaan doen.

Zoo worden ze gejaagd ook. De jager kleedt zich geheel in ’t wit en sluipt zoo over de witte vlakte voort tegen den wind in naar de ganzentroep. Dan is het nog drie tegen een of hij ze wel onder schot zal kunnen krijgen.

De wilde gans (139) en de akkergans (140) gaan nogal eens landwaarts in en kunnen dan enorme schade aanrichten in het winterkoren. De rotganzen (142) blijven meer aan den zeekant.

Van die rotganzen ging vroeger het sprookje, dat ze aan de boomen groeiden. Men kende hun nesten en eieren niet en men had ook wel eens een dier gezien, dat men niet goed begreep, n.l. de eendenmossel: een schaaldier, dat met vele mooi gekrulde pootjes verborgen zit tusschen eenige platte schelpen.

Nu leken die pootjes wel wat op veeren en al dadelijk had men ’t verhaal gereed. De eendenmossels zouden dan groeien aan de takken van de boomen (ze zitten met steeltjes altijd vast aan rotsen, palen, schepen e.d.), eindelijk afvallen en in de zee terecht komen, als wanneer de schelp zich zou openen en het jonge rotgansje frank en vrij de Oceaan zou inzwemmen.

Het is nogal pleizierig voor ons, dat dit sprookje de wereld uit geholpen is door de ontdekkingen van onze Hollandsche Noordpoolvaarders, die ’t geluk hadden honderden rotganzen nestelend aan te treffen op een eiland in de poolzee. Na een gevaarlijke klauterpartij bemachtigden ze een aantal eieren, die een heele versnapering vormden voor de zieken en zoo raakten die dan tegelijk hun scheurbuik en hun bijgeloof kwijt.

Langs het Noordzeestrand is het ’s winters veel stiller dan op de Zuiderzee, de Wadden en de Zeeuwsche stroomen.

Behalve meeuwen en scholeksters zwerven er hoofdzakelijk troepen rond van strandloopertjes, [67]klein vlug goedje, dat met ongeloofelijke snelheid voor je uit blijft trippelen, mijlen ver. Eindelijk wordt het hun te bar en dan vliegt de heele bende tegelijk op en vlak langs de toppen van de golven scheeren ze dan in een groote bocht terug naar hun punt van uitgang.

Ze hebben alle spitse vleugeltjes met een of meer witte streepen en ook hun rug en staart worden meestal zichtbaar als groote witte vlekken.

Kunt ge ze dicht genoeg naderen, dan slaagt ge er misschien in de soort zelf te onderscheiden. De kanoet-strandlooper (13) is nog wel de grootste van het gezelschap. Zijn naam herinnert aan den grooten Deenschen koning, van wien verteld wordt, dat hij eens aan zee zijn hovelingen zoo aardig hun vleierij heeft trachten af te leeren door hun te laten zien, hoe de mensch machteloos staat tegenover het geweld van de zee.

Je vindt ’t verhaal in vele leesboekjes en themaboeken. De koning ging aan ’t strand zitten, terwijl de vloed opkwam en gebood de golven terug te gaan. Maar hij moest zelf wel stukje voor stukje terugwijken.

Zoo gaat het met die vogeltjes ook. Ze loopen altijd vlak langs de waterlijn en als er dan eens een golf wat plotseling komt opzetten, dan moeten ze razend snel uitwijken om niet te worden meegesleept. Om een paar natte beenen geven ze anders niet zoo heel erg.

De andere strandloopertjes zijn meestal bonte strandloopers (15) en drieteenige strandloopers (16).

De zilvermeeuwen en de bonte kraaien zijn onophoudelijk bezig met het opzoeken van de grootste schelpdieren. Ze dragen die landwaarts in op de duinen, breken daar de schelp open, halen het weekdier er uit en laten dan de schalen liggen. Wel een half uur ver van de zee vindt je nog wel van die schelpen.

Soms zie je tusschen de meeuwen een donker gekleurde vogel rondvliegen, kleiner dan de bruine, jonge zilvermeeuwen of mantelmeeuwen en met een tamelijk lange, puntige staart. Als bij het begin van de eb de zilvermeeuwen een meter of vijftig buiten de kust aan het visschen zijn, dan voegt hij zich graag bij hen en de stumpers of domkoppen denken er niet aan, om hem met vereende krachten te verjagen.

Zoodra een zilvermeeuw een vischje uit de zee heeft opgepikt komt de donkere vogel op hem af, en jaagt hem na, hoog en laag, links en rechts, totdat de arme geplaagde visscher van angst en zenuwachtigheid niet meer weet, wat hij doet en het blinkende vischje laat glippen.

Bliksemsnel schiet nu de jager—zoo heet die donkere vogel—het vallend vischje na en voor het ’t water kan bereiken, heeft hij het te pakken en gulzig slikt hij het in om dadelijk weer naar nieuwe slachtoffers uit te zien.

Hij maakt zich zoodoende meester van de voortbrengselen van den arbeid der [68]meeuwen. Maar ge moet ze niet al te veel beklagen want onderling belagen en bestelen zij elkander ook den heelen dag. Als je even nadenkt, zul je ook inzien dat stelen bij de dieren toch nog altijd heel iets anders is dan bij de menschen, lang zoo erg niet.

In de duinen zelf komen in den loop van den winter allerlei merkwaardige roofvogels: slechtvalken, buizerden (119), zeearenden (118) en soms een enkele vischarend (117) of een sneeuwuil (120). Ook wel de groote klapekster (116) die zooveel op een roover lijkt en toch eigenlijk een zangvogel is.

De jagers loeren altijd op die vogels, ten eerste omdat zij ze voor schadelijk houden en ten tweede om de aardigheid van een zeldzaam dier te schieten.

Ik voor mij vind, dat ze daar ongelijk aan hebben. Het is nog zeer de vraag, of die roofvogels wel zoo schadelijk zijn, en al waren ze het, dan zijn er altijd toch nog zoo weinig, dat de schade, die ze zouden aanrichten niet van veel beteekenis kan wezen.

En een dier schieten, omdat het zeldzaam is, dat lijkt me ook heel vreemd toe. We moeten toch die zeldzame gasten wat vriendelijker ontvangen, blij zijn, dat ze hier komen. Ze natuurlijk zoo goed mogelijk waarnemen en hopen dat ze een volgend jaar zich nog weer eens en dan in grooter aantal zullen vertoonen. Meestal loopt die schieterij er op uit, dat de arme vogel na zijn dood nog heel leelijk en gebrekkig wordt opgezet en als dat opgezette monster dan na een paar jaar door mot en schimmel is bedorven, dan gaat het ’t vullesvat in.

NARCIS

Treft ge het eens, dat in uw omgeving een werkelijk zeldzame vogel wordt geschoten, tracht dan ten minste te bewerken, dat hij wordt opgestuurd naar Artis te Amsterdam of naar het Museum voor Natuurlijke Historie te Leiden, dan heeft de wetenschap er nog iets aan.

Als ik weet, dat er arenden in ’t duin zijn, ga ik er ook alle dagen op uit, om ze te zien te krijgen. Al heel gauw vind ik de sporen van hun werkzaamheid door op [69]de bonte kraaien te letten. Waar die in troepjes opvliegen, midden in ’t duin, ligt vast en zeker het een of ander cadaver: een half afgekloven fazant, konijn of haas, door de trotsche roovers achtergelaten, wanneer het grijs-met-zwarte gespuis het hun al te lastig maakt met hun opdringerigheid.

Dan zie ik ook gauw de vogels zelf en ’t is wel de moeite waard, er in de barre winterkou een paar uren voor te loopen, duin op en duin af. Daar gaan ze: groote donkere gestalten, met een vlucht anderhalf of tweemaal zoo groot als die van den reiger.

Waar komen zij vandaan? Hun nest, hun horst heeft gelegen op de rotsen van Scandinavië of IJsland. Over zee zijn ze hierheen gekomen. Ze houden zich hier een paar dagen op en gaan dan weer verder.

Zie, hoe ze tegen den Oostenwind invliegen. Nu slaan ze niet meer uit, ze houden de vleugels strak uitgespreid, zoodat de slagpennen van de hand als vingers uiteenstaan en nu zweven ze rond in wijde kringen, al hooger en hooger, totdat ze heel Nederland kunnen overzien van de Eems tot de Schelde. De beweging schijnt hun geen inspanning te kosten, en langzaam dalen ze ook weer neer in de stille duinvallei.

De jager heeft ze van verre gezien, toen ze daar zweefden in de hoogte. Haastig heeft hij het zware geweer gegrepen, dat voor dergelijke gelegenheden kant en klaar boven de deur hangt: een echt zwaar roer, dat naar zijn zeggen met reeposten raak schiet op honderd meter.

Hij stapt het duin in en ik wandel een eindje mee, hem vertellend van de prachtige dieren en zeggend, hoe zonde het is om ze te dooden. Maar hij houdt vol, dat ’t zijn plicht is en dat zijn heer zoo graag een paar opgezette arenden wil hebben. Ook verlangt hij zelf naar het mooie schot en ten slotte keer ik bedrukt huiswaarts.

Maar als ik een paar dagen later in ’t duin weer een versch afgekloven fazantje vind en de jager mij vraagt, of ik de arenden soms ook gezien heb, dan ben ik weer gelukkig en tevreden. Hij heeft ze niet kunnen raken.

[70]