HET EINDE VAN DEN WINTER.
nze winter heeft niet veel te beduiden. Soms wordt het jaren achtereen niet eens winter en groeien de plantjes, die in October of November ontkiemen onafgebroken voort, totdat ze in Januari of Februari bloeien en vrucht dragen.
In den regel echter hebben we in ’t begin van Januari een paar vorstweken en die kunnen dan wel maken, dat de natuur buiten een ander uiterlijk krijgt. Het gras, dat eerst nog groen zag, wordt nu geheel uitgebleekt, de weilanden worden grauw. De rozetten van de tweejarige planten zooals toorts (104), Sint Teunisbloem (107) en kaarde, die eerst met hun wijd uitgespreide bladeren den grond bedekten, worden door de vorst wat ingekort, doordat de buitenste bladeren afsterven.
Wat er van die rozetten overblijft, wordt door de samentrekking van de wortel diep in den grond gehaald, zoodat het hart, waar de fijne groeiende deelen zitten, nauwelijks boven de aarde komt en gehuld is in de nog overgebleven bladeren.
Zoo gaat het ook met de rozetten van reigersbek en ooievaarsbek, van hondstong, stinkende gouwe, look zonder look. Ze staan alle klaar om te gaan groeien, schieten in elke dooiweek een klein eindje op, zonder zich al te veel bloot te geven, want nog in Maart kunnen we dagen achtereen van vorst hebben. [71]
|
121 WITVLAKVLINDEREIEREN. |
122 STEKELBREM. |
123 RINGELRUPSEIEREN. |
|
124 SPINNENEIEREN. |
125 KLIMOPSPANNER. |
126 HAANTJE. |
[72]
|
127 KASTANJE. |
128 ESCHDOORN. |
129 BERK. |
|
130 SERING. |
131 LINDE. |
132 RIBES. |
[73]
Ik houd er veel van, om goed op al die dingen te letten en iederen keer als ’t na een paar dagen van vorst weer gaat dooien op te merken, dat we langzaam maar zeker weer wat zijn opgeschoten.
En let er eens op, wat de afwisseling van warmte en kou, van duisteren hemel en stralende zon een invloed heeft op de kleur van de bladeren. Die veilig en wel staan onder dekking van dicht kreupelhout blijven groen, maar die op de open vlakte hun strijd om ’t bestaan vechten, worden bont en blauw en vuurrood van de inspanning. De Sint Teunisbloem kleurt ’t meest op zijn nerven, maar de ooievaarsbek en de reigersbek worden heelemaal rood, terwijl de klimop zijn donkergroen met paars versterkt.
Niet alleen de bladeren, maar ook de takken en knoppen doen aan dat kleurenspel en dat maakt in Februari en Maart vooral de platanen, linden (131), berken en beuken (100) dubbel de moeite waard, om ze eens te bekijken.
De klimop bloeide nog met Kerstmis. Toen kwam de vorst en nu worden bij iedere temperatuurwisseling de klimopbessen telkens wat grooter en wat donkerder van tint, totdat ze in Februari en Maart rijp zijn en als laatste wintervoedsel verschijnen op den disch van lijsters, spreeuwen en waterhoentjes.
Geen wonder, dat je bij al dat langzame veranderen en vorderen ten slotte wat ongeduldig wordt en dat je hoe langer hoe meer verlangt naar ’t bloeien van de vroege heesters, het ontluiken van het jonge groen.
Welnu, daar is wel raad op. We snijden, wanneer het al eenigen tijd goed heeft gevroren, wat takken af van allerlei heesters en boomen: hazelaar, els, berk (129), sering (130), ribes (132), linde (131), eschdoorn (128), kastanje (127), kers, pruimen en wat je maar wilt.
Die zetten we thuis in gewoon water. Je kunt er een enkel kruimeltje zout in doen, maar beslist noodig is dat niet. Wel is het zaak, het uiteinde van de takken onder water af te snijden, opdat de sapkanalen niet verschrompelen of verstopt raken met lucht.
Herhaal dat afsnijden telkens om de dag of tien. Zet die takken ook niet op een al te warme of te droge plaats en ge zult na weinig dagen een voorsmaakje kunnen hebben van de naderende lente.
Vergeet vooral niet, de dingen terdege aan te kijken en wanneer je niet al te lui of te kleinmoedig bent, probeer dan die takken op verschillende tijden na te teekenen; eerst met de knoppen nog geheel dicht, dan als ze wat uitschuiven en eindelijk wanneer ze geheel ontloken zijn.
Zeg vooral niet, dat je niet kunt teekenen. Ieder gewoon mensch kan teekenen, net zoo goed als praten en loopen, al is het dan ook niet altijd even voortreffelijk. Je behoeft ook niet te teekenen voor anderen, maar alleen voor jezelf, alleen om het genoegen te hebben van de mooie dingen goed tot in bijzonderheden te zien. [74]
Let er eens op, hoe zoo’n tak aardig is opgebouwd, telkens van knop tot knop een bepaald stukje, dat zijn eigen richting heeft. De knoppen komen maar niet zoo botweg uit den tak, doch zitten op een kussentje en daaraan is weer het lidteeken te zien, van ’t blad dat in den herfst is afgevallen.
Van afstand tot afstand zitten er ruwe kringetjes om de takken, dat zijn de lidteekens van afgevallen knopschubben en bij ons beteekent zoo’n ring meteen de grens van den jaargroei. Daardoor kun je van de meeste takken tot jaren geleden hun geschiedenis nagaan en opsporen of het jaar 1899 of 1902 voordeelig of nadeelig is geweest.
ANEMOONTJES
Bij kastanjetakken is dat allemaal heel mooi te zien en daar vind je ook makkelijk de stippelvormige ademhalingsopeningen in de schors, die alweer bij iedere verschillende boomschors verschillend zijn.
Sommige boomen en heesters hebben geen knopschubben. Kijk maar eens naar de windende kamperfoelie, de wollige sneeuwbal en de Caucasische vleugelnoot. Hoe die er in slagen den winter door te komen, zonder dat de jonge spruit door de droogte van den koude Oostenwind verschrompelt, lijkt een raadsel, vooral bij de kamperfoelie. De sneeuwbal en de vleugelnoot hebben tenminste nog bruine schubhaartjes op de bladeren zitten, die ze eenigszins beschutten.
Maar als je nagaat, dat er kleine sappige plantjes zijn, die weken lang stijf bevroren kunnen staan bij een temperatuur van twintig graden onder nul en bij ’t invallen van den dooi weer gaan bloeien, alsof er niets gebeurd was, dan begin je te begrijpen dat koude en droogte voor vele planten iets heel anders zijn dan voor ons.
Einde Januari is de kamperfoelie al heelemaal groen en de stekelbrem (122) zit vol goud, nog voordat de sneeuwklokjes en de hazelaars bloeien. Als we een beetje te rade gaan met den boomkweeker en den bloemist, dan kunnen we omstreeks dien tijd al heel wat kleur en geur in den tuin hebben.
Begin maar met te planten een paar peperboompjes (37). Die bloeien op ’t hout met [75]prachtige roode en witte bloempjes, zoo overvloedig in aantal dat de takken geheel in de bloemen verscholen gaan. Ze verspreiden een heerlijke geur en behoorde in alle tuinen en plantsoenen te worden gekweekt.
Ongelukkig is er een „maar”, die bij de voorzichtige Hollanders veel verschrikking met zich brengt: het plantje is vergiftig! Het krijgt in Juni en Juli prachtige roode bessen, zacht van kleur, haast net ’t mooie rood van Taxusbessen, je zoudt er zoo in bijten. Ik ken ook wel een jongen, die dat gedaan heeft en die heeft toen verder den heelen dag zich bezig gehouden met zijn mond te spoelen om de ellendig stekende smaak weg te krijgen.
Ge ziet dus, dat ook hier de kwaal het middel met zich brengt. Het heestertje is vergiftig, maar niemand kan er een hoeveelheid van eten, die schadelijk werkt, doordat de smaak onmiddelijk afschrikt. Ik zou er daarom nooit tegen opzien, om dat pracht-heestertje te planten.
Dan moet ik u er nog een paar aanraden: de vleeschkleurige heideplant (36) en de Japansche hazelaar.
De vleeschkleurige heideplant is afkomstig uit Zuid-Europa en uit de Alpen, waar hij in de zomer bloeit dicht bij de sneeuw. Als deze plant eenmaal goed wortel heeft geslagen, dan verblijdt hij u iederen nawinter met rijke trossen van mooie ericabloesems.
De Japansche hazelaar is eigenlijk geen hazelaar, want hij bloeit niet met katjes, maar met bijzonder mooie bloemen, bloemen, zooals je ze nog nooit gezien hebt, met heel lange en smalle goudgele kroonblaadjes en heel bijzonder gevormde paarse meeldraden, waarvan de helmknoppen op een ongewone manier openspringen.
CROCUS
De wetenschappelijke naam van deze heester is Hamamelis Japonica (32). Er is ook een Amerikaansche soort, die heet Hamamelis virginica. Deze bloeit met minder [76]mooie bloemen in den herfst maar krijgt dan ook weer vruchten, die met een knal uit elkaar springen en daardoor weer merkwaardig is. Wanneer dus uw boomkweeker in plaats van de bestelde Hamamelis Japonica een Hamamelis virginica in uw tuin zet (zulke vergissingen komen voor) dan is dat niet zoo heel erg, want je krijgt toch waar voor je geld.
Er zijn nog wel andere winterbloeiers onder de tuinheesters, maar ik ben met deze voorloopig al tevreden. Ook moeten we vooral niet vergeten, dat we Hollanders zijn en dat we het heengaan van den winter vooral moeten bestudeeren aan onze eigen planten: aan ’t madeliefje, dat weer gaat bloeien, het voorjaarsvroegelingetje, dat witte plekjes maakt op ’t zand, de sneeuwklokjes, die bungelen op zonnige hellingen, onder de stuivende hazelaars, de crocusjes, die iederen dag hun neusje verder boven den grond steken, het kleine, eenjarige beemdgras, dat bloeit tusschen de straatsteenen, het klein-hoefblad dat proppen van bruine bloemknoppen uit den grond boort en straks zijn zonnetje zal doen stralen, als de lucht onbewolkt is.
Men spreekt wel van wintervlagen, maar in Januari en Februari kunnen we ook lentevlagen bespeuren. Als de zuidwestenwind goed doorzet, dan waait hij stootsgewijs, nu bulderend, dan suizend en telkens als hij een paar dagen den baas heeft gespeeld is de winter een stuk teruggedrongen.
Dan komen in de graslanden langs de zee de eerste vluchten leeuweriken. Groote troepen wilde ganzen trekken her en der in lange lijnen of in den vorm van een V. Als je te veel naar de plantjes kijkt, dan zie je ze niet of ze moeten elkander druk aanroepen, wat wel eens gebeurt, als ze het niet eens kunnen worden over de richting.
Ik zoek het altijd maar in de hoogte en zorg er voor, dat ik in Februari bij zonsondergang zoo dikwijls mogelijk op een hoogen duintop sta, niet te ver van de zee. En als ik dan het geluk heb, een bende groote wilde zwanen (144) roepend en trompetterend naar ’t Noorden te zien trekken, dan is ’t mij, alsof daar een deel van de witte wintervracht heentrekt en de Lente nu wel haar intocht kan doen.
[77]
|
133 NONNETJE. |
134 MIDDELSTE JAGER. |
|
135 BRILDUIKER. |
136 TOPPEREEND. |
|
137 SMIENT. |
138 TAFELEEND. |
[78]
|
139 WILDE GANS. |
140 AKKERGANS. |
|
141 BERGEEND. |
142 ROTGANS. |
|
143 EIDEREEND. |
144 WILDE ZWAAN. |
[79]