Over de spelling.
Overzicht van de regels, in zooverre zij de tot hiertoe gebruikelijke spelling wijzigen of aanvullen.
1. Veelomvattende veranderingen in de spelling eener taal zijn in den beginne altijd lastig voor de schrijvenden en onaangenaam voor de lezenden, en hebben bij voortduring onvermijdelijk een nadeeligen invloed op de beoefening van de letterkunde dier taal. Wanneer een groot aantal woorden wijzigingen ondergaan hebben, dan wordt de schrijver, die aan de vroegere spelling gewoon is, onophoudelijk in zijn gedachtenloop gestuit, dewijl hij ieder oogenblik genoodzaakt is zich te bezinnen om den eenen of anderen nieuwen regel toe te passen; en de meeste lezers gevoelen een weerzin tegen hetgeen het voorkomen eener vreemde taal heeft gekregen en soms slechts met moeite begrepen wordt. Is men eenmaal aan zulk eene nieuwe spelling gewend, dan is de verhouding omgekeerd; dan schijnen alle vroegere geschriften in eene vreemde taal opgesteld te zijn, en de vorm schrikt de lezers af. Eene geheele omwenteling in de spelling graaft aldus tusschen het verledene en het toekomende eene kloof, die slechts door weinigen overschreden wordt; de vroegere literatuur, die het voedsel moet leveren voor de kennis der taal en het nationaliteitsgevoel van een volk, heeft dan voor de meesten opgehouden te bestaan.
2. Om gemelde redenen hebben wij gemeend in onze schrijfwijze geene veranderingen te mogen aanbrengen van zoo wijden omvang, dat ons geheele schrift daardoor een ongewoon aanzien moest krijgen, gelijk het geval zou geweest zijn, indien wij b. v. besloten hadden alle e’s en o’s in opene lettergrepen op dezelfde wijze, hetzij met één hetzij met twee letterteekens, te schrijven. Daarom hebben wij ons tot regel gesteld geene schrijfwijzen te bezigen, die volstrekt niet in gebruik waren, en zijn wij slechts ten opzichte van eenige weinige op zich zelve staande woorden, als Dinsdag, litteeken en nog enkele dergelijke, van dien stelregel afgeweken. Doch, hoewel wij het raadzaam oordeelden eenparig erkende spelregels ook tot de onze te maken, hebben wij ons toch niet verplicht gerekend tevens alle gebreken en onregelmatigheden over te nemen. Wij achtten ons integendeel gehouden om de willekeurige, op onkunde of misverstand berustende uitzonderingen te verwerpen en erkende regels, zooveel doenlijk, consequent toe te passen.—Verder bestond voor ons de onvermijdelijke noodzakelijkheid, uit twee (of meer) gebruikelijke schrijfwijzen ééne te kiezen en—wat ongetwijfeld het gewichtigste gedeelte van onze taak was—een aantal nog onbeantwoorde vragen, waaronder uiterst belangrijke die nog nooit of slechts ten deele behandeld waren, voor ons zelven te beantwoorden, en de regels, die ons doelmatig voorkwamen, te formuleeren. Om een en ander hebben wij de grondbeginselen, die uit de natuur en de bestemming van het schrift met noodwendigheid voortvloeien, bestendig voor oogen gehouden, en daarbij de natuurwet van alle letterschrift, dat het namelijk de afbeelding der uitspraak behoort te wezen, op den voorgrond geplaatst. (Zie Grondbeginselen § 1–72). De onbevooroordeelde zal uit de volgende beknopte opgave van hetgeen wij voor ons zelven hebben vastgesteld, kunnen zien, dat de wijzigingen in het bestaande betrekkelijk weinig in getal zijn en alle de strekking hebben om de spelling meer met de beschaafde uitspraak in overeenstemming te brengen of haar in andere opzichten regelmatiger te maken, en dat wij bij alles de doelmatigheid hebben beoogd, d.i. van schrift gesproken, duidelijkheid en voorkoming van misverstand.
In het hier volgende overzicht hebben wij de gronden, waarop onze beslissing berustte, slechts even kunnen aanstippen, met verwijzing naar de § § van de Grondbeginselen der Nederlandsche spelling, waar zij breeder ontvouwd zijn.
Klinkers en tweeklanken.
De verdubbeling der klinkletters.
3. In gesloten lettergrepen wordt de lange of heldere klank door verdubbeling van het letterteeken aangeduid: aa, ee, oo, uu; behalve bij de i, wier heldere klank met den vollen of halven klemtoon steeds door ie voorgesteld wordt. Wij schrijven daarom niet alleen baar, beer, boor, buur, enz., maar ook eegaas, raas en vlaas, mv. van de echt Nederl. woorden eega (gade), ra en vla, met eene dubbele a.—Daarentegen zijn de meeste schrijvers gewoon de heldere sluitklinkers in vreemde woorden en eigennamen, als Maria, Hebe, Nero, acacia, echo, niet te verdubbelen, maar den tweeden klinker door het weglatingsteeken (apostrophe) te vervangen: Maria’s, Hebe’s enz. Daar het verkieslijk is den vorm van vreemde woorden en in het bijzonder van eigennamen zooveel mogelijk onveranderd te laten, geven wij aan deze schrijfwijze de voorkeur boven die van Mariaas, Hebees, Neroos, echoos enz., te eer omdat men bij de woorden op i, als Garibaldi, Rubini, toch zoo te werk gaat, en nooit Garibaldiis, Rubiniis schrijft. Wij spellen daarom den 2den nv. van het enkelv. en alle nv. van het meerv. der hier bedoelde woorden met ’s: Maria’s, Hebe’s, Garibaldi’s, Nero’s, acacia’s, echo’s enz. (Grondbeg. § 90).
4. Het behoeft wel geene vermelding, dat wij hier het oog niet hebben op woorden als pendule, Elize, Philippine enz., die op eene toonlooze, niet op eene heldere e uitgaan. De ’ zou daar overtollig zijn en geene weglating aanduiden; daarom schrijven wij Elizes, Philippines, pendules enz.
5. De gebruikelijke onderscheiding van de zoogenaamde zachtlange en scherplange e’s en o’s, met andere woorden, de verdubbeling der scherpe e’s en o’s in opene lettergrepen, b. v. in beenen en boomen, nevens geven en boven, is, o. a. om de redenen in § 2 vermeld, door ons behouden, met de volgende bepalingen, die gedeeltelijk wijzigingen zijn:
1. Alle achtervoegsels, die óf altijd, óf soms den vollen klemtoon hebben, dus niet alleen -eel, en -loos, maar ook -ees, -eesch en -eeren worden steeds met den dubbelen klinker geschreven. Wij spellen derhalve houweelen, penseelen, personeele, Chineezen, Japanneezen, Chineesche, Siameesche, waardeeren, regeeren, waardeering, regeering, goddelooze, redeloozen enz. (Grondbeg. § 77–79).
2. De aangenomen regel, dat in vreemde woorden de e’s en o’s, behalve die welke in den boezem onzer eigene taal uit ai en au ontstaan zijn, met eene enkele e en o geschreven worden, b. v. in lelie, menie, olie, rozen enz., wordt door ons consequent toegepast. Wij verwerpen dus de willekeurige uitzondering van kroon, troon en toon (in de muziek), en schrijven regelmatig ook kronen, tronen, tonen.
Evenzoo blijven wij aan het beginsel getrouw ten aanzien van de uitzondering der o’s uit au, en schrijven niet alleen mooren, poozen enz., maar ook koozen, liefkoozen (lat. causari) met oo.
3. Met de e’s en o’s in samengetrokken lettergrepen handelt men veelal niet consequent. Zoo schrijft men leeman (ledeman), leeren (lederen), streelen (stregelen), gedwee (gedwede), slee (slede), oolijk (oodelijk); maar daarentegen preken (prediken), kwelen (kwedelen), veren (vederen), kwe (kwede), doren (doderen); terwijl men ten opzichte van andere woorden, als ceelen (van cedel), het ww. onweeren (van onweder) enz., in onzekerheid verkeert en in de woordenboeken geene aanwijzing vindt. Het is buiten twijfel raadzaam, alle dergelijke samentrekkingen met ee en oo te schrijven, dewijl de dubbele letter het best geschikt is om den gerekten klank voor te stellen, die door samentrekking noodwendig ontstaat. Derhalve niet alleen leeman, leeren (lederen), streelen, gedwee, slee (slede), oolijk, maar ook preeken, preeker, kweelen, veeren, kwee, dooren, ceelen, onweeren enz.
4. Doordien de zachte en scherpe e’s en o’s in het Hollandsche dialect, dat in de schrijftaal den toon geeft, niet meer duidelijk onderscheiden worden, en sommige woorden ook elders niet op overeenstemmende wijze worden uitgesproken, zoo is er ten aanzien van enkele woorden onzekerheid en verwarring ontstaan, waaruit alleen de afleiding uitkomst kan geven. Bepaaldelijk bestaat die verwarring soms bij verschillende, maar nagenoeg gelijkluidende woorden. Daar nauwkeurig onderscheiden de eerste voorwaarde van juiste kennis is, hebben wij gemeend niet te mogen medewerken tot bestendiging van zulke verwarringen, en onderscheiden wij daarom niet alleen weken en weeken, lenen en leenen, kolen en koolen, roven en rooven enz., maar om dezelfde redenen ook
beren (verscheurende dieren) van beeren (varkens, waterkeeringen, muurstutten en heiblokken);
delen (planken en dorschvloeren) van deelen (gedeelten);
sleepen (voorttrekken) van slepen (gesleept worden);
klooven (doen splijten) van kloven (mv. van kloof en verl. tijd van kluiven);
slooven (voorschooten) van sloven (sukkels en als ww. sukkelen);
tonen (in de muziek) van toonen (werkw. en mv. van toon = teen);
zoogen (laten zuigen) van zogen (verl. tijd van zuigen).
Hoe nuttig echter het onderscheiden van gelijkluidende woorden ook is, het mag niet op willekeur berusten, maar moet in de taal, in de afleiding gegrond zijn. Waar zulk een grondslag ontbreekt, mag men de onderscheiding alleen in gevallen van uiterste noodzakelijkheid erkennen. Zoo heeft men ten onrechte een onderscheid gemaakt tusschen keelen (in de bouwkunde) en kelen (halzen), tusschen meeren (een schip vastleggen) en meren (mv. van meer). De taal eischt in beide gevallen meren met ééne e, terwijl keel in de bouwkunde, en zoo ook in de wapenkunde als benaming der roode kleur, geen ander woord is dan keel (hals), zoodat men zonder onderscheid kelen te schrijven heeft. Daar eene verwarring van het ww. meren met het mv. van (een) meer, en van keel als bouwkundig ornament met keel als lichaamsdeel niet te vreezen is, zoo hebben wij zonder aarzelen de grammatisch goede schrijfwijze tot de onze gemaakt.
Evenzeer eischte de consequentie, met afwijking van de gebruikelijke spelling, de volgende woorden aldus te schrijven: deemoedig, deesem, eega, hoonen en vroolijk; maar dwepen, hepen (handbijlen), keren (vegen), droge, drogen. Die spelling wordt door den oorspronkelijken vorm dezer woorden gebiedend voorgeschreven.
6. Bij het bepalen van de natuur der e’s en o’s in gevallen, waar verschil of onzekerheid bestond, hebben wij ons door de afleiding laten besturen, hetgeen door enkele beoordeelaars verkeerd is opgevat en ten onrechte voorgesteld als eene diep ingrijpende verandering, waardoor de vocaalspelling veel moeilijker zou geworden zijn. Bij eenig nadenken blijkt die voorstelling onjuist te wezen. De gebruikelijke spelling berust op het verschil in de uitspraak der e’s en o’s; en daar dit verschil een gevolg is van den ouderen vorm der woorden, moet het raadplegen der afleiding tot dezelfde uitkomsten leiden als het waarnemen der uitspraak; alleen met dit onderscheid, dat de afleiding ook beslist omtrent die woorden, bij welke de uitspraak niet beslissen kan, t. w. dezulke, wier uitspraak niet overal dezelfde is, of die niet tot de volkstaal behooren. De spelling wint dus voor den taalbeoefenaar in wetenschappelijke juistheid, terwijl voor het groote publiek de toestand dezelfde blijft, daar men bij de gebruikelijke spelling evenzeer genoodzaakt was woordenlijsten te raadplegen.
Verdere regels omtrent de klinkers en tweeklanken.
7. Aau of au.—De spelling flaauw, gaauw enz. vertegenwoordigt eene uitspraak, die volstrekt niet meer de algemeene is, maar in het oor der meeste beschaafde lieden hoogst onaangenaam klinkt. De meest algemeene uitspraak doet een klank hooren, die tusschen aau en ou in ligt, en die in de woorden dauw, kauw, heraut, reeds in de spelling erkend was. Het is juister en regelmatiger, die spelling ook in de andere woorden te volgen, en aau voorgoed door au te vervangen. Wij schrijven daarom blauw, flauw, gauw, nauw, nauwelijks enz. (Grondbeg. § 74).
8. Ie en i.—De lange of gerekte i-klank wordt steeds door ie voorgesteld, in opene lettergrepen evenzeer als in geslotene; men schrijft zoowel die-nen, die-ren, kie-zen met ie, als dien, dier, kies. Daarom verwerpen wij de spelling substanti-ven, anti-ke, Israëli-ten enz., als niet overeenstemmende met substantief, antiek, Israëliet enz., noch met de algemeen gebruikelijke schrijfwijze mortieren, officieren, kommiezen, valiezen, en schrijven regelmatig motieven, substantieven, antieken, republieken, Israëlieten, Mennonieten enz. (Grondbeg. § 82).
9. Daarentegen is de klank, die door ie voorgesteld wordt, te lang en te zwaar voor toonlooze lettergrepen, om welke reden reeds de gebruikelijke spelling de enkele i in afgodisch, Israëlitisch, predikant, muzikant, voorschreef. Wij spellen dienovereenkomstig ook historisch, geographisch, fabrikant, republikein, Jezuïtisme, motiveeren enz. met de enkele i, met verwerping van de bij sommigen gebruikelijke schrijfwijze historiesch, fabriekant, fabriekaat, Jezuietisme enz. (Grondbeg. § 82 en 84).
10. Slechts in den uitgang ie, van woorden als balie, linie, malie, olie, tralie enz., komt ie in eene toonlooze lettergreep voor. Het meervoud dier woorden wordt gespeld: baliën, liniën, maliën enz. (of balies, linies, malies). Deze spelling dagteekent uit den tijd toen ie nog algemeen als een tweeklank ië werd uitgesproken, en kan dus als regelmatig beschouwd worden. Doch niet te verdedigen is de gebruikelijke spelling der meervouden harmoniën, melodiën, reliquiën, die geheel anders klinken dan baliën enz. Wij spellen daarom de meervouden der woorden op ie op twee wijzen, naar gelang ie toonloos is of den klemtoon heeft, en schrijven: baliën, traliën, oliën, enz.; maar harmonieën, reliquieën enz., in overeenstemming met drieën, knieën, tweeën, zeeën. Zoo dan ook genieën, van genie, in onderscheiding van geniën, mv. van genius. (Grondbeg. § 83).
11. Ie en ij.—De ij was oorspronkelijk eene lange i en luidde vroeger algemeen, gelijk nog in sommige gewesten, als ii of ie. Toen zij den ei-klank aannam, had dit ook plaats bij vreemde woorden als bijbel, mijter, pijl, tijger, praktijk, fabrijk, kolijk, muzijk enz. Sommige dezer woorden hebben later hun vroegeren i-klank hernomen, ofschoon men desniettemin voortging ze met ij te schrijven. Die spelling is thans verkeerd, nu de uitspraak der ij veranderd is. Daarom vervangen wij in al de laatstgenoemde woorden de ij door ie, en schrijven fabriek, katholiek, koliek, muziek. (Grondbeg. § 86).
12. Toen de tweeklank ië in den hedendaagschen klinker ie (i) en de lange i in ij (ei) overging, hadden er verschillende verwarringen plaats, en begon men ook aan gerief, harmonie, poëzie, koffie enz., den ij-klank te geven en dus te spellen: gerijf, harmonij, poëzij, koffij enz. Nu men van die uitspraak teruggekomen is, behoort men ook die schrijfwijze te laten varen, en overeenkomstig de ware uitspraak gerief, harmonie, poëzie en koffie (evenals balie en tralie) te spellen. (Grondbeg. § 86).
13. In de namen der maanden Januarij, Februarij, Junij, Julij, bestaat een dergelijke strijd tusschen klank en letterteeken; wij schrijven daarom Januari, Februari, Juni, Juli, in overeenstemming met de uitspraak en met de Latijnsche spelling Januari voor Januarii enz. (Grondbeg. § 87).
14. Ei en ij.—Eene dergelijke verwarring als tusschen ie en ij heeft bij ei en ij plaats gegrepen in de woorden sacristijn, karwei (zaad) en malvezei. Wij schrijven overeenkomstig de afleiding malvezij, sacristein, nevens sacristij, en karwij (zaad), dat in oorsprong niet minder dan in beteekenis verschilt van karwei (werk). (Grondbeg. § 88).
15. Ee en ei, oo en oi.—Men is gewoon aan de e in het woord heer (leger) een klank te geven, die het naast aan den tweeklank ei komt; daarom onderscheiden wij dit woord ook door de spelling van heer als persoonsnaam, en schrijven overeenkomstig de uitspraak: heir, heiren, heirscharen.—Ofschoon de vocaalklank in oir (erfgenaam, Fr. hoir) niet van die in oor (lichaamsdeel) verschilt, en de spelling met oi derhalve in strijd is met de uitspraak, zoo hebben wij gemeend om de doelmatigheid, d. i. hier om de duidelijkheid, de gebruikelijke onregelmatige spelling te moeten behouden in een zoo zeldzaam voorkomend woord als oir, dat onder den vorm oor niet terstond zou herkend worden. (Grondbeg. § 91).
16. De toonlooze e voor de achtervoegsels -ling, -lijk en -loos.—Wanneer een der achtervoegsels -ling, -lijk en -loos achter een stam gevoegd wordt, die niet uitgaat op een klinker of op eene der vloeiende letters l, n en r, of op eene toonlooze lettergreep, dan ontstaat er in de uitspraak tusschen den stam en het achtervoegsel vanzelf eene toonlooze e, die gewoonlijk ook in het schrift wordt uitgedrukt, b. v. in doopeling, goddelijk, goddeloos. Dichters—en ook prozaschrijvers—onderdrukken die e echter niet zelden, en schrijven godlijk, godloos, en zelfs zeedlijk en eindloos, van zede en einde. Het is evenwel niet raadzaam in prozastijl te dezen aanzien willekeurig te werk te gaan, dewijl zulks eene verbastering der uitspraak ten gevolge zou kunnen hebben. Wij hebben ons daarom de volgende regels gesteld:
De toonlooze e blijft achterwege:
1. Wanneer het grondwoord eindigt op een klinker of een tweeklank; b. v. in tweeling, drieling, vrijling, kruiling, kwalijk, leelijk, oolijk en vroolijk. In vrijelijk echter kan de e niet worden gemist, die in de uitspraak altijd gehoord wordt; en nevens de regelmatige vormen moeilijk en verfoeilijk zijn ook moeielijk en verfoeielijk in gebruik.
2. Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op eene n, die voorafgegaan wordt door een helderen klinker of een tweeklank; b. v. in groenling, billijk, begeerlijk, bekoorlijk, persoonlijk, aanzienlijk, pijnlijk, doelloos, verwaarloozen enz. Wordt de n door een korten klinker voorafgegaan, dan zijn de beide vormen, met en zonder e, even goed, b. v. manlijk en mannelijk, beminlijk en beminnelijk. Het gebruik maakt echter onderscheid tusschen zinloos (zonder zin) en zinneloos (buiten zijne zinnen).
3. Wanneer het grondwoord eindigt op eene toonlooze lettergreep, onverschillig met welken medeklinker deze sluit: b. v. adellijk, eigenlijk, geduriglijk, koninklijk, bodemloos enz.
4. Wanneer het grondwoord eindigt op eene g, die als ch wordt uitgesproken; b. v. in behaaglijk, ontzaglijk, heuglijk, genoeglijk, welvoeglijk enz. De uitlating der e strekt hier om aan de g den verscherpten klank te verzekeren, en dus de spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen.
In prozastijl is het niet raadzaam de e weg te laten achter de zachte medeklinkers b, d en g (als g, niet als ch uitgesproken); b. v. niet uit onhebbelijk, dadelijk, dagelijks, degelijk enz., daar de spelling onheblijk, daadlijk, daaglijks, deeglijk, tot de verkeerde uitspraak onheplijk, daatlijk, daachlijks, deechlijk aanleiding zou geven. (Grondbeg. § 112).
Medeklinkers.
De verdubbeling der medeklinkers.
17. De medeklinkers worden in het midden van een woord verdubbeld, wanneer de voorafgaande klinker kort is en de lettergreep den vollen of halven klemtoon heeft; b. v. in hebben, vlaggen, dekbedden, opstellen. De regelmatigheid zou dus ook eischen, dat de ch werd verdubbeld in lachchen, lichchaam, echcho enz. Intusschen heeft deze spelling nooit ingang gevonden, en schreef men doorgaans óf lagchen, ligchaam, enz., óf lachen, lichaam. Het was dus noodig, uit die twee gebrekkige schrijfwijzen eene te kiezen, daar aan het invoeren der dubbele ch (lachchen enz.), die eigenlijk de regelmatige spelling zou zijn, wel niet te denken valt. Van die beide gebruikelijke schrijfwijzen is die met de enkele ch nog de minst onregelmatige. Daarom spellen wij lachen, echo, lichaam, richel, tichel, bochel enz. (Grondbeg. § 95).
18. Na eene toonlooze lettergreep is de verdubbeling van den medeklinker niet slechts overtollig, maar zelfs nadeelig voor de uitspraak. Men schrijft wandelen, inboezemen, regenen, beteren, zondigen; de spelling wandellen, zondiggen enz. zou tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven.
Niet eenparig echter handelt men bij de uitgangen -ik, -erik en -it, en schrijft b. v. leeuwerikken, kievitten nevens monniken en diemiten, ofschoon deze woorden onderling en met die op -elen, -emen, -enen en -eren gelijkstaan. Het is dus raadzaam, consequent te schrijven leeuweriken, perziken, botteriken, zwezeriken, kieviten, diemiten, en zoo ook Dokkumer, Gorkumer enz. Alleen op twee woorden is deze regel niet toepasselijk, t. w. op kennissen en vonnissen, die algemeen met ss geschreven worden, naar analogie van geheimenissen, getuigenissen enz., waarin de lettergreep nis niet toonloos is, maar den halven klemtoon heeft. Ook in het meervoud der woorden, uitgaande op -aris (Lat. -arius), wordt de s verdubbeld: archivarissen, commissarissen, notarissen enz.
19. Bij twee verschillende medeklinkers heeft in onze taal geene verdubbeling plaats; spellingen b. v. als kannten, stellten, zooals het Hoogduitsch die in de verbogen vormen der werkwoorden gebruikt, zijn bij ons onbekend. Slechts schijnbaar maken de woorden als wasschen, flesschen, visschen, enz. eene uitzondering. De ch is in de genoemde en alle dergelijke woorden stom geworden, zoodat wasschen, flesschen, visschen enz. eigenlijk hetzelfde is als wassen, flessen, vissen, waarin de s regelmatig verdubbeld wordt. (Grondbeg. § 96).
20. Uit de drie voorgaande § § vloeit de volgende regel voort:
Tusschenletters worden in vier gevallen niet verdubbeld, namelijk:
1. niet achter heldere klinkers en tweeklanken; b. v. in dagen, leven, blijven, huizen enz.
2. niet achter toonlooze klinkers, b. v. in engelen, perziken, kieviten enz.; behalve de s in kennissen, vonnissen en in notarissen enz.
3. niet, wanneer er twee verschillende tusschenletters zijn, met de schijnbare uitzondering bij de sch in wasschen, tusschen enz.
4. niet wanneer de tusschenletter eene ch is; b. v. in lachen, lichaam enz.
21. Het behoeft nauwelijks vermelding, dat deze regels niet van toepassing zijn bij samengestelde en afgeleide woorden, wier deelen onverminkt behooren te blijven. Men schrijft te recht twee d’s, g’s enz. in hoofddeel, waaggeld, uit hoofd en deel, waag en geld; en zoo ook twee l’s in adellijk en middellijk van adel en middel, door aanhechting van het achtervoegsel -lijk. (Grondbeg. § 113).
De halfklinkers j en w.
22. De j, welke de gebruikelijke spelling in woorden als baaijen, breijen, boeijen, buijen enz. invoegt, is geheel overtollig, nadeelig voor de uitspraak en strijdig met de regelmaat. Zij is overtollig, omdat de klank, dien zij moet voorstellen, vanzelf ontstaat en dus niet behoeft aangeduid te worden. Zij is nadeelig voor de uitspraak, omdat zij slechts aanleiding kan geven, dat men den bedoelden klank te sterk uitspreekt; b. v. in hooijer, leijen, strooijen ten onrechte even sterk als in (een goed) hooijaar, leijonker, strooijonker. Zij strijdt met de analogie, omdat de spelling baaijen, reijen, boeijen, luije, mooije enz., om regelmatig te kunnen heeten, niet slechts eene j in bijjen, rijjen, pijjen enz., maar ook baaij, reij, luij, mooij zou eischen, evenzeer als uit looden, boegen, bloote, vroege, de spelling lood, boeg, bloot, vroeg volgt. Wij mochten dus niet aarzelen, door het weglaten der overtollige j de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen, in overeenstemming te brengen met den erkenden regel betreffende het spellen van de onverbogen vormen der verbuigbare woorden, en zoodoende eene nuttelooze onregelmatigheid uit onze spraakkunst weg te nemen. Wij schrijven uit dien hoofde: baaien, zaaien, breien, leien, gooien, hooien, buien, kruien, zaaier, hooier, kruier, bemoeiing, voltooiing enz., in overeenstemming met reeën, zeeën, tweeën, theeën, drieën, knieën, spieën, waarin evenzeer eene flauwe j gehoord wordt. (Grondbeg. § 92).
23. De spelling verw, verwpot, verwen enz. is thans strijdig met de uitspraak, waarin de w door f en v vervangen is. Wij schrijven daarom verf, verfpot, verfwaren, verven, verver, ververij. (Grondbeg. § 126).
De vloeiende letters l en n.
24. Reeds vanouds bestonden er een aantal samenstellingen met middel, als middelpunt, middellinie enz. In den laatsten tijd is men begonnen ook met midden samen te stellen, en naast middeleeuwen en middelpunt ook middeneeuwen, middenpunt enz. te schrijven. Daar nu de beteekenis van middel en midden in al die woorden volkomen dezelfde is, en de eene vorm niet welluidender dan de andere klinkt, bestaat er geene reden om nu zus dan zoo te schrijven. Wij spellen daarom consequent: middeleeuwen, middelevenredig, middelpunt, Middelnederlandsch enz., in overeenstemming met middeldeur, middellandsch, middellijf, middellijn, middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot, middelsoort, middelstand enz., waarin men nooit midden aantreft. (Grondbeg. § 114).
25. Het manl. achtervoegsel -ing (zie Gesl. § 54) wisselde oudtijds af met den uitgang -ig, die nog in honig voorkomt. De vorm honing, die in de spreektaal de gebruikelijkste is, heeft dus evenveel recht van bestaan als honig. Daarom achten wij ons verplicht beide vormen, zoowel honing, honingraten enz., als honig, honigraten enz., te erkennen.
26. De spelling der verkleinwoorden met eene n, als: boekjen, huisjen, kopjen, schoteltjen, boekjens, huisjens, kopjens, schoteltjens, stilletjens, zachtjens, is strijdig met de beschaafde uitspraak niet alleen, maar ook met de meeste dialecten. Wij schrijven daarom overeenkomstig de meest algemeene uitspraak: bankje, boekje, bloempje, huisje, kopje, stilletjes, warmpjes, zachtjes, zoetjes enz. zonder n.
Anders is het gelegen met de verkleinwoorden op -ken of -ke. Deze zijn verouderd en worden alleen nog in den kanselstijl en in sommige dialecten gebezigd, en dan meestal met n uitgesproken. Wij schrijven om die reden kindeken, jongsken, dochterken enz., te meer daar de beschaafde uitspraak de n volstrekt eischt in allengskens en zachtkens. In gemeenzamen stijl evenwel, waar -ken stijf zou klinken, zien wij geen bezwaar in boekske, penningske enz. (Grondbeg. § 119).
De keelletters g, ch en k.
27. De geadspireerde keelklank, gevolgd door eene t, die tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, overeenkomstig de uitspraak, met ch geschreven, b. v. in acht, biecht, dracht, gewicht, gezicht, jacht, klacht, lucht, nacht, plecht, plechtig, plicht, recht, rechter, richten, slecht, tocht, vlucht, zucht enz., en zoo ook in geslacht en licht, in alle beteekenissen, niettegenstaande een aantal der genoemde woorden van stammen met g zijn gevormd, als dracht, jacht, klacht enz. van dragen, jagen, klagen.
Daarentegen blijft de g in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op g eindigt, en in de zelfst. nw. door achtervoeging van -te gevormd van bijvoegl. nw. op g; b. v. in draagt, jaagt, klaagt, pleegt, weegt, ligt (van liggen), zoogt, zuigt enz., en in laagte, leegte, droogte, hoogte, vroegte, ruigte, menigte enz., waarin de t steeds tot de volgende lettergreep te behoort.
De onvolm. verledene tijden der onregelmatige werkw. brengen, mogen en plegen behooren met ch te worden gespeld: bracht, brachten, mocht, mochten, placht, plachten, en zoo ook het verl. deelw. gebracht; dewijl de t daarin in alle vormen blijft. Daarentegen behoort men brengt, moogt, pleegt met g te schrijven, omdat de t niet wordt aangetroffen in de overige vormen van den tegenw. tijd: breng, brengen, mag, mogen, pleeg, plegen.
Evenzoo is de spelling Aagt en aagtappel regelmatig, dewijl de t in deze verkorte vormen slechts toevallig op de g volgt, maar er in den onverminkten vorm Agatha door eene a van gescheiden is.
Het opvolgen dezer regels maakt een einde aan eene der lastigste onderscheidingen, die de gebruikelijke spelling met zich bracht, en aan de willekeur, die daarbij heerschte. Zoo schreef zij o. a. ligt en regt voor, ofschoon die woorden niet in verband staan met eenig woord, waarin eene g voorkomt. Daarentegen gaf zij aan geslacht, tucht, tuchtigen de ch, hoewel deze woorden met slag en toog, togen samenhangen. (Grondbeg. § 94).
28. Onze g had oudtijds denzelfden klank als de Fransche g in grand, garde, en was dus toen eene zachte k, gelijk zij thans eene zachte ch kan genoemd worden. Wanneer zij als sluitletter door eene n wordt voorafgegaan, b. v. in tang, ring, dan heeft zij nog een zweem van haar vroegeren klank behouden en gaat dientengevolge alsdan dikwijls over in k, b. v. in koninklijk van koning, aanvankelijk van aanvangen, jonkheer van jong enz. Het is daarom strijdig met ons taaleigen, aan eene sluitende g, door eene n voorafgegaan, den klank eener zachte ch te geven, en haar in tang, tangen, ding, dingen, enz. zóó uit te spreken als in aangaan, ingetogen, ongelukkig enz. Daarom vervangen wij ng door nk in al die gevallen, waarin de spelling met ng meer bijzonder tot de verkeerde uitspraak aanleiding kan geven, namelijk in koninkrijk, jonkheid, lankmoedig, en in de verkleinwoorden op -je, gevormd van woorden op -ing, wanneer deze lettergreep toonloos is, als in koninkje, woninkje, rottinkje, kettinkje enz.
Wanneer -ing door eene toonlooze lettergreep wordt voorafgegaan en dus zelf den halven klemtoon heeft, gelijk b. v. in wandeling, teekening, dan wordt het verkleinwoord door aanhechting van -etje gevormd: wandelingetje, teekeningetje enz., evenals tangetje, ringetje, tongetje enz. (Grondbeg. § 98).
29. Sedert de ch achter de s in het midden en aan het einde der woorden stom geworden is, b. v. in tusschen, menschen, disch, visch enz., heeft men haar ingelascht in sommige woorden, waar zij door de afleiding niet gevorderd wordt. In bijv. nw. als gansch, heesch en andere is zulks eenigermate te rechtvaardigen (Grondbeg. § 123), maar niet bij torschen, waarin de ch volstrekt geen nut doet en met de afleiding strijdt. Wij spellen daarom torsen zonder ch.
30. Ten behoeve der duidelijkheid blijven wij, evenals in de gebruikelijke spelling geschiedt, nog (daarenboven, tot nu toe) van noch (ook niet) onderscheiden, ofschoon ook het eerstgenoemde woord volgens de afleiding eene ch behoorde te hebben. In nochtans echter, ofschoon uit nog dan samengesteld, geven wij de voorkeur aan de ch, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachte g, den overgang der d van dan in de t van tans heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de uitspraak behoort gevolgd te worden.
31. De gebruikelijke spelling Dingsdag berust op eene bedorven uitspraak, en maakt van den derden dag der week ten onrechte een dag der (rechts)gedingen. Daar de betere uitspraak Dinsdag op vele plaatsen nog in gebruik is, hebben wij gemeend dezen minder verbasterden vorm te moeten verkiezen. Wij schrijven derhalve Dinsdag, want het woord is eigenlijk Diesdag, d. i. aan den oorlogsgod Die of Diu gewijd, met ingelaschte n, gelijk in kinkhoest uit kiekhoest. (Grondbeg. § 128).
De tongletters d en t.
32. Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpe t; uitgezonderd in den 2den nv. der woorden op d, en in de bijvoegl. nw. en bijwoorden, door aanhechting van sch en s van woorden op d gevormd; en eindelijk in loods (in de beide beteekenissen), in gids en smidse. Ingevolge dezen regel, die op de uitspraak en de afleiding gegrond is, schrijven wij niet alleen trots, scherts, plaats, rots enz. met t, maar ook guts van gieten; knots van knotten; rits, ritsig, verwant met wrijten; gutsen, uit het oudere gussen vervormd, en ritselen van onzekere afleiding. Daarentegen met d: Gods, des kinds, des bloeds, goedsmoeds, steedsch en steeds, gindsch en ginds van gind(er). (Grondbeg. § 99).
33. De woorden op -aard bestaan eigenlijk uit het bijv. nw. hard, gevoegd achter een bijv. of zelfst. nw. Zoo zijn b. v. bloodaard, grijsaard, gulzigaard, gevormd van de bijv. nw. blood, grijs, gulzig, en bankaard van het znw. bank. Die woorden behooren dus met de d van hard geschreven te worden: en daar zij oorspronkelijk samenstellingen zijn, laat het gebruik te recht het grondwoord onveranderd en schrijft lafaard, grijsaard, niet laffaard, grijzaard. Grijnzaard en veinzaard echter zijn tegen den regel van een werkwoord gevormd en uit grijnzer, veinzer verbasterd. Zij kunnen dus niet als samenstellingen beschouwd worden, maar behooren den regel der afleidingen te volgen en (gelijk veinzer, lezer enz.) met de z geschreven te worden. (Grondbeg. § 100).
34. De meervouden ritten en binten bewijzen, dat de d van rijden en binden in de genoemde woorden tot t is verscherpt, gelijk zulks ten aanzien van de d van mede in het voorzetsel met sinds lang algemeen erkend is. De woorden rid, bind en med met d hebben dus feitelijk opgehouden te bestaan, en zijn door rit, bint en met vervangen. Het is derhalve regelmatig ook ritmeester, gebinten en metgezel te schrijven. (Grondbeg. § 102).
35. Dezelfde verscherping heeft de d ondergaan voor het achtervoegsel -nis in de stammen der werkwoorden, die uitgaan op d, voorafgegaan door eene l of n. Ten onrechte heeft men in beeldtenis en verbindtenis eene d ingevoegd, die aan eene afleiding met -te doet denken. De ware spelling is beeltenis en verbintenis, evenals ontstentenis, waarin men nooit eene d heeft geschreven, hoewel het op gelijke wijze afstamt van ontstanden, bijvorm van ontstaan (in den ouden zin van ontbreken). (Grondbeg. § 102).
36. Ofschoon de stofnaam kruit (poeder), wat den oorsprong betreft, hetzelfde woord is als kruid (gewas), is het echter thans door de geheel afwijkende beteekenis voor ons gevoel daarvan gescheiden. Reeds hierom is het wenschelijk, het onderscheid van beteekenis ook in de spelling te doen uitkomen. Daar komt bij, dat het woord in den zin van poeder nu, zoo al niet tot de onverbuigbare, dan toch tot de onverbogen woorden behoort, aan welke de taal liefst de scherpe sluitletter pleegt toe te kennen. Het verkeert in hetzelfde geval als schroot, dat ook eigenlijk schrood luidde (van ’t ww. schroden, snijden), en waarnevens nog schroodbeitel en schroodijzer bestaan. Wij schrijven daarom kruit (poeder), buskruit, rattenkruit, nevens kruid (gewas), kruiden, nieskruid, wormkruid. (Grondbeg. § 127).
37. De woorden op -lei en -hande zijn eigenlijk samenstellingen, waarin het eerste lid in den vrouwelijken 2den nv. staat. Regelmatig gevormd zijn derhalve allerlei, eenerlei, velerlei, menigerlei, twintigerlei en -hande enz. Daarentegen hebben andere, als vierderlei, vijfderlei, zesderlei en -hande, eene d ingelascht, die echter aan de beteekenis niets toedoet. Ten aanzien van twee woorden handelt het gebruik niet eenparig; men vindt tweeërlei, drieërlei (-hande), en tweederlei, driederlei (-hande) geschreven. Het is raadzaam, die onregelmatige vormen te verwerpen en aan de spraakkunstig juiste spelling tweeërlei en drieërlei (-hande) de voorkeur te geven. (Grondbeg. § 93).
38. De spelling Kersdag, Kersfeest, Kersmis enz. maakt die woorden geheel onverstaanbaar. Het ongerijmde van die schrijfwijze komt vooral in kersboom belachelijk uit. De herstelling der t van den naam Kerst (Christus) doet den zin der woorden begrijpen, en verhindert althans aan eene verkeerde afleiding te denken. Wij schrijven daarom Kerstdag, Kerstfeest, Kerstmis, kerstboom enz.—Daarentegen is er geene afdoende reden om in kermis en kerspel de k van kerk weder in te voegen. Sedert de kermissen in ons land niet meer met de feestdagen der kerkpatronen samenvallen, en spel de beteekenis van rechtsgebied verloren heeft, zou de spelling kerkmis en kerkspel deze woorden vooral niet verstaanbaarder maken. Wij behouden daarom de gebruikelijke spelling kermis, kerspel.
39. Reeds in de middeleeuwen onderging het woord liicteken (lijkteeken, d. i. blijkteeken) verbastering en ging over in licteken en litteken. Het veranderde tevens van beteekenis, en dit had eene miskenning van het geheele woord ten gevolge. Men vatte het op als teeken in het vleesch (lijk) en schreef daarom likteeken, hetgeen niet verhinderde dat men voortging litteeken uit te spreken. Daar nu de spelling likteeken zoomin de afleiding als de beteekenis duidelijker maakt, schrijven wij overeenkomstig de uitspraak en het eeuwenoude gebruik: litteeken. (Grondbeg. § 131).
De lipletters v en f.
40. De gebruikelijke spelling diefegge doet denken aan eene samenstelling van dief met zeker onbekend woord egge. Deze uitgang echter is slechts een achtervoegsel; het woord is niet door samenstelling, maar door afleiding gevormd. Het moet derhalve ook op de wijze der afgeleide woorden gespeld worden, dat wil hier zeggen, de f moet in v veranderen: dus dievegge, gelijk in dieverij, lieverd enz. (Grondbeg. § 107).
41. De beschaafde uitspraak heeft de v van vonk in het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk wordt opgevat, tot f verscherpt, en zoodoende een nieuw woord doen ontstaan nevens vonkelen, vonken schieten, in de eigenlijke opvatting. Wij schrijven daarom in den oneigenlijken zin fonkelen, en dus ook fonkelnieuw. (Grondbeg. § 111).
De sisletters s en z.
42. Uit de bijwoordelijke uitdrukking te zamen ontstond eerst het bijw. tsamen, en hieruit, door het wegvallen der t, nadat zij de z tot s verscherpt had, samen. Dit is dus inderdaad in oorsprong een ander woord dan zamen, en de scherpe uitspraak, die nog altijd de heerschende is, steunt op een goeden grond. Wij schrijven daarom samen met s aan het begin van alle samenstellingen, en zoo ook, wanneer het woord alleen staat: samenkomen, samenwerken, samenspraak, samenhang enz. Te samen zou echter niet te verdedigen zijn, dewijl het niets anders kan beteekenen dan te te zamen, met dubbel voorzetsel. Daarom schrijven wij: Zij zullen er te zamen (of er samen) heengaan. Ook blijft de z in het midden der woorden, die door samenstelling of door aanhechting van een voorvoegsel van zamen gevormd zijn, als in opzamelen, inzamelen, verzameling. (Grondbeg. § 108).
43. De gebruikelijke spelling schrijft naar eisch der afleiding en uitspraak geenszins, maar strijdig met beide allezins, anderzins, eenigzins, veelzins. Naar analogie van het geheel onberispelijke geenszins, behoort men ook alleszins, anderszins, eenigszins, veelszins te schrijven: eene spelling, die aan alle eischen der spraakkunst beantwoordt. (Grondbeg. § 125).
44. Het schrijven van wijsst, boosst, loosst, als overtreffende trappen van wijs, boos, loos, zou met de Nederl. begrippen aangaande de spelling in strijd en iets ongehoords zijn. Daarmede vervalt dan ook de spelling wijsste, boosste, loosste, en, naar analogie hiervan, ook valschst, verschst enz. Wij schrijven derhalve, in de gevallen waar dergelijke harde vormen niet te vermijden mochten zijn: wijst—wijste, loost—looste, malscht—malschte enz., overeenkomstig de gebruikelijke spelling van Friesch (niet Friessch), trotsch (niet trotssch), van Fries en trots, die zelve op s eindigen.
Het achtervoegsel -ster, dat vrouwelijke persoonsnamen vormt, maakt steeds eene afzonderlijke lettergreep uit, en verschilt dus daarin van -s en -sch. Het behoudt daarom zijne s, b. v. in ziekenoppasster, mutsenwaschster enz. (Grondbeg. § 124).
De samenstellingen.
45. Samengestelde woorden zijn verbindingen van woorden, die tot één geheel vereenigd zijn met het doel om een nieuw begrip uit te drukken, verschillende van de som der begrippen, die door de afzonderlijke deelen aangeduid worden. Zoo beteekenen b. v. grootschrift en kleinkind iets anders dan groot schrift en klein kind.
46. Alle samenstellingen bestaan uit twee deelen, leden genoemd, die echter zelve samenstellingen kunnen zijn; b. v. huis-knecht, op-stellen, horloge-maker, werk-tuig, horlogemakers-werktuig.
47. De deelen der samengestelde woorden worden aaneen geschreven of door een koppelteeken verbonden, soms met verandering van den vorm van het eerste lid. Hieruit volgt, dat de spelling in de eerste plaats de middelen aan de hand moet geven om te onderkennen, welke opeenvolgingen van woorden samenstellingen zijn en dus óf aaneen geschreven óf door koppelteekens verbonden moeten worden. Vervolgens moet zij ook den aard der veranderingen van het eerste lid doen kennen, voor zooverre deze niet duidelijk uit de uitspraak blijken.
Regels voor het onderkennen der samenstellingen.
(Grondbeg. § 134–153).
48. Samengestelde woorden—en dus aaneen te schrijven—zijn alle opeenvolgingen van woorden, die los staande óf geene óf een verkeerden zin zouden opleveren.
I. Tot de eerste soort behooren alle opeenvolgingen van woorden, die, wanneer zij vaneen geschreven werden, geen verstaanbaren zin zouden opleveren, tenzij men door verandering van den vorm der deelen, door omzetting of invoeging van andere woorden, den zin nader aanduidde; b. v. ijzerdraad, ijzeren draad; tweehonderd, tweemaal honderd; godmensch, goddelijk mensen; zeshoek, figuur met zes hoeken; badkuip, kuip om te baden, enz.
Bijzondere soorten der hier bedoelde woorden zijn:
1. De uitdrukkingen, door middel van een achtervoegsel van op zich zelve staande woorden gevormd; t. w.:
a. Vele zelfst. nw. op -er, -ster en -ing, als houthakker, van hout hakken; droogscheerder, van droog scheren; invrijheidstelling, tekortkoming, van in vrijheid stellen, te kort komen.
b. Vele bijvoegl. nw. op -ig en -sch, als vierhoekig, van vier hoeken; alledaagsch, van alle dagen, enz.
c. Alle bijwoordelijke uitdrukkingen met de zoogenaamde bijwoordelijke s, als veeltijds, buitendijks, terloops.
2. Die zelfst. nw., wier eerste lid een bijvoegl. nw. is, dat in de rede geene naamvalsveranderingen ondergaat, maar steeds denzelfden vorm behoudt; b. v. grootmeester, oudoom, kleinzoon enz. Men zegt: des grootmeesters, uwen oudoom, zijne kleinzoons, niet des grooten meesters, uwen ouden oom, zijne kleine zoons, dan met verandering der beteekenissen.
3. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met spraakkunstige vormen, die buiten zulke samenstellingen niet meer in gebruik zijn. Hiertoe behooren:
a. De uitdrukkingen met het eerste lid in den sterken manl. of onz. 2den nv., als goedsmoeds, blootshoofds enz., dewijl men niet meer zegt: des goeds moeds, des bloots hoofds enz.
b. De uitdrukkingen, bestaande uit een bijv. nw. in den sterken 2den nv. op -er, met een zelfst. nw., in oneigenlijken zin genomen; als allerwegen, langzamerhand, toevalligerwijze enz.
c. De uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een 2den nv.; als binnensmonds, buitenshuis enz.
d. De uitdrukkingen, waarin het verbogen lidwoord de in ter is veranderd; als metterdaad, mettertijd enz.
e. De uitdrukkingen, beginnende met dèr, dès en wès, verouderde 2de nvll. van die en wie; als derhalve, desgelijks, deskundige, weshalve enz.
II. Tot de tweede soort behooren alle opeenvolgingen van twee woorden, in welke een van beide of beide hunne gewone beteekenis hebben afgelegd, zoodat de zin der vereenigde begrippen een andere is dan die, welken de bloote som der beide begrippen zou medebrengen.
Als zoodanig worden aaneen geschreven:
1. De werkwoorden met de voorzetsels aan, achter, bij, door, om, onder, op, over, tegen, uit en voor, welke voorzetsels alsdan in bijwoorden zijn overgegaan, en die met de bijwoorden af, mede en toe, als: aanbinden, doorsteken, uithalen, afgaan, medeloopen, toestemmen enz.
2. De werkwoorden, verbonden met een zelfst. of bijv. naamw., óf met een bijwoord van wijze, wanneer de beteekenis dier woorden of die van het werkw. zelf is gewijzigd; b. v. gadeslaan, rechtspreken, gevangennemen, goeddoen, vrijlaten, voortgaan, aaneenbinden, ondereenmengen enz.
Wanneer het eerste woord eene bepaling bij zich nemen of in een der trappen van vergelijking staan kan, is zulks een bewijs, dat er geene samenstelling plaats heeft. Zoo zijn b. v. staat maken en fraai schrijven geene samenstellingen, omdat men kan zeggen geen staat op iets maken, fraaier schrijven enz.
3. De bijvoegl. naamw., vergezeld van de bijw. wel, vol en al, wanneer deze woorden den zin hebben van zeer, als welbespraakt, volzalig, aloud enz.; alsmede de titels, beginnende met edel, hoog, wel en zeer, als Edelgeboren, Hooggeleerd, Weledel, Zeergeleerd enz.
4. De benamingen van kleuren, uit twee bijvoegl. nw. bestaande, als hooggeel, lichtblauw, donkerbruin, zwartbont enz.
5. De voornaamw. degene, diegene, hetwelk, dezulke en dezelfde.
6. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee bijwoorden, als veeleer, zoozeer, zoolang, evengoed enz. (verschillende van veel eer of eerder, zoo zeer, zoo lang, even goed); of uit een bijwoord en een voorzetsel, dat bijwoord geworden is, als kortom, voluit enz.
7. De bijwoorden hier, daar en waar, gevolgd door een voorzetsel, dat echter in deze verbinding als bijwoord moet opgevat worden. Zoo b. v. hierdoor, daaruit, waaronder enz.
8. De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel gevolgd van een zelfst. of bijvoegl. nw., een bijwoord of een voornaamw., wanneer er wijziging van beteekenis plaats heeft; b. v. achterwege, overeind, overlang, voorzeker, voorgoed, vanhier, vandaar, overal, ondereen enz., verschillende van voor zeker, voor goed, van hier, van daar.
9. De bijwoorden terstond, terug en ternauwernood.
10. De voorzetsels tegenover, rondom, niettegenstaande en ingevolge.
Andere uitdrukkingen, die de waarde van een voorzetsel hebben, als uit hoofde, in geval, door toedoen, met betrekking enz., blijven gescheiden, omdat het tweede lid, dat altijd een zelfst. nw. is, steeds zelf eene bepaling vereischt; als uit hoofde van, in geval van, met betrekking tot enz.
11. Alle uitdrukkingen met de waarde van een voegwoord, waarin de beteekenis van ieder deel niet duidelijk uitkomt; b. v. alhoewel, zoodat, doordien, dientengevolge enz.
12. De tusschenwerpsels helaas en eilieve.
Het gebruik van het koppelteeken.
(Grondbeg. § 154–158).
49. Wanneer het werkelijk aaneen schrijven van de deelen eener samenstelling een woord zou opleveren van een te vreemd voorkomen, of dat wegens zijne lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken vereenigd.
50. Het koppelteeken wordt derhalve gebezigd:
1. In woorden, waarin eigennamen of van eigennamen gevormde bijv. nw. voorkomen; als in Cayenne-peper, Manilla-sigaren, Portorico-tabak, Zuidzee-traan, Schakel-lijm enz., Berlijnsch-blauw, Friesch-groen enz., Engelsch-Russisch, Indo-Germaansch enz. Niet echter, wanneer de eigennaam in de uitspraak onherkenbaar misvormd of wel geheel vergeten is, als in portwijn, kwassiehout, spijkerbalsem enz.
2. In titels, bestaande:
a. Uit twee bastaardwoorden, als adjunct-commies, minister-resident, luitenant-kolonel enz.
b. Uit een Nederl. woord en een bastaardwoord, die beide reeds op zich zelve titels zijn, of waarvan het achterste een bijv. nw. is; als grootmeester-nationaal, kapitein-geweldiger, Staten-Generaal, raad-pensionaris enz.
3. In geographische namen, bestaande uit een eigennaam en een bijv. nw. of bijwoord; als Groot-Britannië, Nieuw-Holland, Noord-Brabant, West-Friesland, Beneden-Egypte enz.
Bijvoegl. naamw. echter, van woorden als de hier bedoelde gevormd, worden (volgens § 48, I, 1, b) zonder koppelteeken aaneen geschreven; b. v. Noordhollandsch, Oostfriesch enz.
4. In samenstellingen, waarin het eerste lid—hetzij een bijv. nw., hetzij een voornaamwoord, lidwoord of telwoord—alleen betrekking heeft op het eerste gedeelte der volgende samenstelling, en niet op dit woord in zijn geheel; als bolvormige-driehoeksmeting, dolle-hondsbeet, klein-kinderschooltje, oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, Sint-Jansdag, St.-Catharinagasthuis, Lieve-Vrouwenkerk, Mijns-Heerenland, ’s-Gravenhage, ’s-Hertogenbosch, de Vier-Heerenlanden enz.
De verbindingsklanken tusschen de leden der samenstellingen.
(Grondbeg. § 161–213).
51. In de meeste samenstellingen blijft het eerste lid onverminkt; maar niet zelden neemt het een toevoegsel aan, hetwelk verbindingsklank of verbindingsletter genoemd wordt.
52. Verminkingen hebben plaats:
a. Bij de woorden op eene toonlooze e, welke die e ook buiten de samenstelling kunnen missen; b. v. in aardbewoner, eindbesluit enz.
b. Bij de woorden, die in het mv. op -eren of -ers uitgaan. Deze werpen in de samenstelling -en of -s af, als: kalvermarkt, raderwerk enz., niet kalversmarkt, raderenwerk.
c. Bij werkwoorden, wier eerste lid eene zoogenaamde onbepaalde wijs is. Deze werpen de n weg, b. v. in spelevaren, voor spelen varen.
d. Bij de stammen op d, voorafgegaan door een helderen klinker of tweeklank, waarin eene i of u voorkomt, t. w. ij, ei, ui, ie en ou. Deze werpen, althans in dagelijksche woorden, de d af, als in rijkunst, leiboom, luiklok, verspiejacht, houpaardje, van rijd(en), leid(en), luid(en), verspied(en) en houd(en).
53. De verbindingsklanken zijn -e-, -n-, -el-, -en-, -er- en -s-. In de meeste gevallen leert de uitspraak, wanneer in een woord verbindingsklanken voorkomen, en welke het zijn. Slechts in twee gevallen kan er onzekerheid bestaan, namelijk ten aanzien eener n achter eene toonlooze e, b. v. in paardemarkt of paardenmarkt; en ten aanzien eener s, wanneer het tweede lid met s of z begint, b. v. in dorpschool of dorpsschool, varkenziekte of varkensziekte. De spelling heeft regels te geven voor het gebruik der verbindings-n en der verbindings-s, vermits de n achter de toonlooze e veelal zeer onduidelijk uitgesproken of wel geheel onderdrukt wordt, en eene s in eene volgende s of z wegsmelt.
Regels voor het gebruik der verbindings-n.
54. Wanneer het tweede lid eener samenstelling met een klinker of eene h aanvangt, voegt men ter vermijding van de gaping (hiatus) eene n achter de toonlooze e; b. v. in galgenaas, ganzenei, brillenhuisje, vossenhol enz.
Uitgezonderd zijn de samenstellingen met het onverbuigbare mede, en met die zelfst. nw., welke, gelijk bede, bode, vrede, op eene toonlooze e eindigen, die niet onderdrukt kan worden; b. v. medearbeider, bedehuis, bodeambt, vredehandel enz. Hiertoe behoort ook minnehandel, van het oude minne, dat thans min luidt, maar in samenstellingen den ouden vorm behoudt, als minnebrief, minnedicht enz.
55. In woorden als ’s-Gravendeel, ’s-Gravenhage, ’s-Gravenland, ’s-Heerenberg, ’s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland, Prinsenhage, behoort eene n als teeken van den 2den nv.
56. Wanneer het eerste lid noodwendig de voorstelling van een meervoud medebrengt, dan wordt achter eene toonlooze e eene n gevoegd als teeken van het meervoud; b. v. in boekenkast, brievenbesteller, brillenslijper, dievenbende, hoedenmaker, kaarsenmakerij, stoelendraaier enz.
57. Wanneer het eerste lid noodwendig een enkelvoud voorstelt, schrijft men het woord zonder n, behalve in die gevallen, waarin deze letter, volgens § 54, ter vermijding van den hiatus gevorderd wordt. Zoo b. v. brilleglas, bruggegeld, eendevleugel, galgebrok, mollevel, paardevijg, speldeknop enz.
Tot deze soort van woorden behooren mede de samenstellingen op -boom, wier eerste lid ook op zich zelf als de benaming van den boom gebezigd wordt: b. v. berkeboom, beukeboom, eikeboom enz.
In galgenaas, eendenei, duivenoog, brillenhuisje, bruggenhoofd enz., kan de n, wegens de volgende klinkers of h’s niet gemist worden, ofschoon het eerste lid enkelvoudig is. Evenmin dus ook in berkenhout, eikenhout enz.
58. In woorden, het dagelijksch leven betreffende, wordt geene n ingevoegd, wanneer de beteekenis de gedachte aan een enkelvoud maar eenigszins toelaat; dus niet in flesschebakje, hondeketting, pennemes, pijpedop, hoededoos enz.—Wanneer echter het enkelvoud geheel tegen de natuurlijke opvatting aandruischt, is ook in zulke woorden de meervoudsvorm met n onvermijdelijk, b. v. in flesschenrek, hondenkoopman, pennenkoker, speldenkussen, speldenwerk, takkenbos enz.
59. Woorden, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, en het mv. uitsluitend met -en vormt, als boer (boeren), heer, slaaf, vrouw enz., eischen den meervoudsvorm op n; b. v. boerendochter, heerenknecht, slavendienst, vorstentelg, vrouwenkleed enz.
60. Woorden, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene samenstellingen met s vormt, nemen eene n als teeken van het meerv. aan, wanneer zij gewoonlijk gebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht denkt; b. v. apengezicht, berenjong, drakenbloed, hazenlip, leeuwenwelp enz.
61. De samengestelde namen van planten, wier eerste lid een diernaam is, zijn in twee soorten te onderscheiden. Zij zijn óf namen van lichaamsdeelen, als ganzetong; óf zij geven te kennen, dat de plant tot de diersoort in eenige betrekking staat, als slangenwortel. In het eerste geval staat de diernaam in het enkelvoud, b. v. in kattestaart, slangekop; in het laatste in het meervoud, b. v. in kattendoorn, slangenkruid.
62. De samengestelde namen op -boom, wier eerste lid de vrucht aanduidt die de boom oplevert, of de bloem die hij voortbrengt, hebben het eerste lid in den enkelvoudsvorm; b. v. kerseboom, kastanjeboom, rozeboom, seringeboom enz.
63. De woorden, wier eerste lid stellig nu eens op een enkel- dan op een meervoud ziet, hebben twee vormen, den eenen zonder, den anderen met de n, naar gelang der omstandigheden; b. v. ossevleesch en ossenvleesch, gemzeleder en gemzenleder, paardestal en paardenstal. In twijfelachtige gevallen kiest men dien vorm, die het meest te pas komt; b. v. ossevleesch, maar paardenstal.
64. Wanneer eene samenstelling in haar geheel een zelfst. nw. is, dat uit een bijvoeglijk woord en een zelfst. nw. bestaat, als hoogepriester, zoutevisch, roodekool, eenhoorn, dan wordt het bijvoegl. woord gedacht in den 1sten nv. te staan en blijft den vorm van dien nv. onveranderlijk behouden. Zoo zegt men b. v. niet alleen de hoogepriester, de eenhoorn, maar ook des hoogepriesters, den eenhoorn enz.
65. Wanneer het laatste lid eener samenstelling een zelfst. nw., maar het geheele woord een bij- of voegwoord is, dan staat de geheele uitdrukking in den 2den of in den 4den nv., en heeft het eerste lid den vorm, dien geslacht en naamval vereischen. Zoo b. v. grootendeels (2de nv. onz.), dewijl (4de nv. vrouwel.).
Regels voor het gebruik der verbindings-s.
66. De verbindings-s wordt als teeken van den 2den nv. niet alleen gevoegd achter manl. en onz. woorden, b. v. in bakkersnering, dorpsherberg, maar ook achter vrouwelijke, als in stadsbestuur, zielsverdriet, vriendschapsbetoon. In woorden, wier tweede lid met s of z begint, wordt zij ingelascht, wanneer ook de overige samenstellingen, waarin het eerste lid voorkomt, ontwijfelbaar eene s hebben. Zoo leeren b. v. krijgsmansdeugd, krijgsmanseed, krijgsmanseer, dorpsherberg, dorpshuis, dorpsleeraar, stadsmuur, stadswal, waarheidsliefde enz., dat men ook eene s heeft te voegen in krijgsmansstand, dorpsschool, stadszegel, waarheidszucht enz.
67. De woorden, wier eerste lid op -ier eindigt en de beteekenis van een meerv. heeft, of een geheelen stand vertegenwoordigt, lasschen de s in als teeken van het meervoud; b. v. officierssabel, onderofficiersstrepen enz.
De bastaardwoorden.
(Grondbeg. § 214–256).
68. De vreemde woorden, die bij ons in gebruik zijn, moeten tot drie klassen gebracht worden. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die hun vreemden vorm geheel hebben afgelegd en, in klemtoon zoowel als in klank, aan echt Nederlandsche gelijk zijn geworden; b. v. ark, beest, bijbel, keten, bisschop, luipaard enz.—De tweede bestaat uit woorden, waaraan niets veranderd is, zoodat zij door ons juist of nagenoeg zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken; b. v. facto, incognito, cadeau, souspied enz.—De derde omvat die woorden, welke in de uitspraak wijzigingen hebben ondergaan, die niet voldoende waren om hun het uitheemsch voorkomen geheel te benemen; b. v. advocaat, officier, president, resolutie, sigaar enz., die ieder op het gehoor af als vreemdelingen herkent. De zoodanige behooren als ’t ware tot twee talen en heeten daarom bastaardwoorden.
69. De wijzigingen, waardoor vreemde woorden in bastaardwoorden overgegaan zijn, bepalen zich doorgaans tot de uitgangen. Deze zijn óf geheel aan Nederl. uitgangen gelijk geworden, b. v. in arti-kel (arti-culus), óf zij hebben nog altijd een vreemd karakter behouden, maar worden, overeenkomstig de gewijzigde uitspraak, volgens de Nederl. spelregels geschreven; b. v. majesteit (majestat-is). Door zulke gedeeltelijke veranderingen aan het einde der woorden zijn de zoogenaamde bastaarduitgangen ontstaan, als -age, -aat, -eeren, -ier, -ij, -ijn enz.
70. De uitgang -age werd, overeenkomstig de vroegere uitspraak aadzje, in de gebruikelijke spelling met dj (-aadje) geschreven. Nu deze spelling niet meer aan de uitspraak beantwoordt, hebben wij ons verplicht gerekend de dj te vervangen door de g, en zoodoende de woorden als bagage, kijvage, pelgrimage, slijtage, stoffage enz. in overeenstemming te brengen met de gewone spelling van manege, logement, gelei, genie, horloge enz.
71. De woorden der eerste klasse worden geheel op Nederl. wijze geschreven; als groep, troep, kleur, klooster, koor, sier, singel, troon enz. Uitgezonderd zijn: cedel (ceêl), ceder, cel, cent, cijfer, cijns en cirkel, die men steeds met c heeft geschreven, en die met s gespeld niet terstond zouden herkend worden.
Cel, cent en cirkel blijven hunne vreemde herkomst verraden door de onnederlandsch klinkende afleidsels cellulair, centesimaal, circulaire, circulatie;—cijfer door zijne f, die in v had moeten overgaan om aan het woord geheel het voorkomen der Nederl. woorden drijver, ijver, kijver enz. te geven.
72. De woorden der tweede klasse behouden hunne oorspronkelijke spelling; b. v. bougie, cadeau, catalogus, museum, savoir-vivre, vaudeville enz. Wanneer zij in de verbuiging een Nederl. uitgang aannemen, als cadeau’s (cadeaux), catalogen (catalogi), museën (nevens musea) enz., dan behooren zulke vormen tot de bastaardwoorden.
73. De woorden der derde klasse, de bastaardwoorden, moeten wederom in twee soorten onderscheiden worden. De eerste omvat die woorden, welke alleen in gebruik zijn bij hen, die de vreemde talen kennen; de tweede de dagelijksche woorden, bij lieden van allerlei stand in zwang.
74. Tot de eerste soort behooren de benamingen der voorwerpen van weelde, de uitdrukkingen van begrippen, alleen onder meer beschaafden gangbaar, en bepaaldelijk de termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen of in kunsten en beroepen, die eene wetenschappelijke opleiding vereischen; als dejeuneeren, disputeeren, receptie, candelaber, lorgnet, categorie, syllogisme, scrupel, lancet, tachygraaf enz.
75. Ten aanzien der woorden dezer klasse hebben wij ons den volgenden regel gesteld:
Bastaardwoorden, ontleend uit talen die hetzelfde letterschrift bezigen als het Nederlandsch, worden op de oorspronkelijke wijze geschreven, voor zooverre hunne uitspraak onveranderd gebleven is. Waar deze is gewijzigd en de oorspronkelijke spelling tot eene ongewone uitspraak aanleiding zou geven, wordt de spelling zooveel noodig op Nederl. wijze veranderd. Zoo wordt b. v. executio bij ons executie, decanus—decaan, république—republiek, souverain—souverein enz.
76. Woorden, ontleend uit het Grieksch, dat een ander letterschrift heeft dan onze taal, worden op Latijnsche wijze uitgesproken, en daarom door ons, volgens oud gebruik, op Latijnsche wijze geschreven, met inachtneming evenwel van den regel, in de vorige § gesteld. Wij spellen derhalve: logica, physica, hypotenusa; doch, met verandering der uitgangen: synode (synodus), categorie (categoria), geographie (geographia) enz.
77. De tweede soort bestaat uit de namen van zaken, voorkomende in allerlei beroepen en ambachten, en uitdrukkingen van denkbeelden, aan alle standen eigen; b. v. penseel, vermiljoen, stukadoor, karkas, karakter, kapitaal, kastelein, kwartier enz.
78. Op de woorden dezer soort—die meest in de uitspraak eene veel sterkere verandering hebben ondergaan—is de vorige regel niet meer toepasselijk; het gebruik schrijft ze, zooveel doenlijk, op Nederlandsche wijze, b. v. komfoort (schoenmakersterm, fr. contrefort), penseel (penicillum), travalje (hoefstal, fr. travail), biljart (billard), biljet (billet), kapittel (capitulum), kasteel (castellum), sigaar (cigarro), sjees (chaise) enz.
79. Niet alle tot deze soort behoorende woorden echter kunnen op Nederlandsche wijze gespeld worden; b. v. niet horloge, diligence, machine. De spellingen horlozje of horloozje, dilizjanse, masjine of maasjine zouden al te wanstaltig zijn en toch de juiste uitspraak niet voorstellen. In zulke woorden moet de vreemde spelling—en wel geheel en al—behouden worden: diligence, machine, chocolade enz., niet diligense, machiene, chokolade, welke noodelooze vermenging van tweeërlei orthographie tegen den goeden smaak zou aandruischen.
80. Tot deze soort moeten twee bepaalde klassen van woorden gebracht worden, namelijk:
a. Die vreemde woorden, welke ten onzent eene beteekenis hebben aangenomen, die hun in de vreemde taal niet eigen was. Dezulke behooren op Nederl. wijze geschreven te worden, ofschoon zij; in de oorspronkelijke beteekenis gebezigd wordende, de vreemde spelling geheel of gedeeltelijk behouden. Hiertoe zijn te brengen: dokter in den zin van geneeskundige, nevens doctor als titel; komedie (schouwburg) nevens comedie (blijspel); kommies (beambte bij de belastingen, fr. douanier), nevens commies (ambtenaar aan een ministerie of bij de posterijen, fr. commis); lokaal (vertrek, zaal) nevens het bijv. nw. locaal (plaatselijk) enz.
b. De vreemde woorden, bij de dichters in gebruik, b. v. nimf, porfier, saffier, zéfir of zefíer enz. De poëzie, uit haren aard afkeerig van vreemde woorden en vormen, heeft de genoemde en dergelijke vreemdelingen, ofschoon zij tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, sinds lang in Nederlandsch gewaad populair gemaakt.
81. Behalve de vreemde woorden, in de vorige § onder a bedoeld, zijn er nog andere van Latijnschen of Griekschen oorsprong, die op tweeërlei wijze geschreven worden; t. w. dezulke, die onder twee vormen tot ons zijn gekomen, de eene rechtstreeks uit het Latijn of Grieksch, de andere middellijk, door tusschenkomst van het Fransch. De Latijnsche of Grieksche vorm is dan de meer wetenschappelijke of deftige, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hiertoe behooren b. v. praesens (tegenwoordige tijd) en present (tegenwoordig), subject (onderwerp) en sujet (in de uitdrukking een gemeen sujet), familie (Lat. familia) en het gemeenzame famielje (Fr. famille), dioecese en diocese, nummer en nommer, oeconomie en economie, praeparaten en preparatieven, fundament en fondement, secunde en seconde.
82. De door ons aangenomen regels voor het schrijven der vreemde en bastaardwoorden zijn geheel in overeenstemming met de heerschende richting in ons spellingstelsel, waarin zich overal het streven openbaart om de uitspraak juist voor te stellen en de afleiding te doen uitkomen, voor zooverre deze het recht verstand der woorden kan bevorderen. Beide, de uitspraak en de afleiding der vreemde woorden, kunnen natuurlijk slechts door de oorspronkelijke spelling in het licht worden gesteld; doch, waar de uitspraak te zeer gewijzigd is en de kennis der etymologie geen nut kan doen, zou de oorspronkelijke spelling veeleer nadeelig werken, en is dus het volgen der Nederl. regels het rationeelst. Ook het erkennen van twee vormen nevens elkander is eene eigenschap van het Nederlandsch, dat een groot aantal woorden bezit, die twee, sommige zelfs drie vormen hebben, welke òf in gewijzigde beteekenissen òf in verschillende stijlsoorten gebruikelijk zijn. Men denke hier aan het koord, met zorg vervaardigd touw, de koord der koordedansers, en de koorde in de meetkunst; aan het uur en de ure, aan de ziel en de ziele, aan kleeden en kleederen, aan volken en volkeren enz.
83. De hier voorgedragene spelling is bovendien voor hen, die zich het meest van vreemde en bastaardwoorden bedienen, namelijk voor allen, die de vreemde talen kennen, buiten tegenspraak de gemakkelijkste, vermits zij hen niet noodzaakt zich nog eene derde, afzonderlijke spelling eigen te maken, die zoowel van de vreemde als van de Nederlandsche verschilt. De eenige moeilijkheid, die zij ook voor dezulken heeft, is te bepalen of een bastaardwoord tot de eerste, dan wel tot de tweede soort gebracht moet worden. Intusschen is die zwarigheid niet zoo groot, als zij schijnt. Het aantal woorden, waarbij men werkelijk in twijfel kan staan, is betrekkelijk gering; en de vraag, die zich bij elk dier woorden voordoet, betreft niet nu deze, dan eene andere bijzonderheid, maar luidt onveranderlijk: is het woord in gebruik bij het algemeen, of slechts in bepaalde kringen? Heeft men die vraag beantwoord, dan is de spelling door de regels in § 75–80 gegeven. In de weinige werkelijk twijfelachtige gevallen, waarin het antwoord van den tact des schrijvers afhangt, zal de beslissing niet bij ieder dezelfde zijn: de een zal een woord volgens den regel in § 75, de ander volgens den regel in § 78 behandelen, hetgeen dan twee verschillende spellingen van hetzelfde woord ten gevolge heeft. Doch niemand kan hierin eene groote ramp zien, wanneer men bedenkt, dat geene der beide schrijfwijzen, zoo slechts de regels goed zijn toegepast, eene taalfout heeten of tot andere verkeerdheden leiden kan.
84. Een ander bezwaar, namelijk dat niet allen, die zich van woorden der eerste soort bedienen, de oorspronkelijke talen (meestal het Fransch, Latijn of Grieksch) verstaan, zoodat er steeds zullen gevonden worden die tot een woordenboek hunne toevlucht moeten nemen, drukt evenzeer op het stelsel dergenen, die de vreemde woorden meer op Nederl. wijze willen gespeld hebben, en b. v. fyzika, kritikus, katheder, kataloog enz. schrijven. Ook dezen moeten evengoed de vreemde talen kennen of eene woordenlijst raadplegen om te weten, dat—volgens hun stelsel—fyzika eene y, maar kritikus gewone i’s, dat katheder eene th, maar kataloog eene t hebben moet.
85. Is het bedoelde stelsel1Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm), Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd. 1843. niet in staat om de moeilijkheid weg te ruimen, voor welker opheffing het juist opzettelijk is uitgedacht, het bezwaar in § 83 vermeld is daarin veel grooter dan bij het onze. Dat stelsel toch past zijne regels niet slechts toe op bastaardwoorden, maar ook op geheel ongewijzigd overgenomen vreemde woorden, wier klank door de Nederl. spelling meer of minder juist kan voorgesteld worden. Men gaat daarbij echter geheel inconsequent te werk en laat sommige, waarop de regels streng genomen zeer wel toepasselijk zouden zijn, geheel onveranderd, zonder eene grens te kunnen aanduiden, waar de vreemde spelling ophouden en de Nederlandsche beginnen moet. Zoo schrijft men botanikus, kritikus, logika, kreion, portefeulië, kompanion, maar, geheel op Fransche wijze: bouillon, bouilli, eau de Cologne, entrepot, coup d’état, bordeaux (wijn), terwijl het stelsel volstrekt odekolonje, antrepo, koedeta of koedeeta, bordo eischt: spellingen, die de uitspraak zeker niet minder juist zouden voorstellen dan konsinië, sinialement, viniët, broeliëeren, akkeuliëeren, gelijk sommigen willen, die van consigne, signalement, vignet, brouilleeren, accueilleeren. Er is voor dergelijke uitzonderingen geene andere reden te bedenken, dan dat de aangevoerde en meer zulke woorden, op Nederl. wijze geschreven, een al te gedrochtelijk voorkomen zouden hebben. Wij hebben gemeend een stelsel niet te mogen aannemen, dat voor zijne eigene toepassing terugdeinst en daarmede zich zelf veroordeelt, en dat, consequent gevolgd, tot spellingen als soepjee (souspied), swarree (soirée), koeduilj (coup d’oeil) enz. brengt, gelijk het reeds het niet zeer fraai klinkende ekwipaadje heeft doen ontstaan.
86. Daar men—en onzes inziens te recht—alle noodelooze inconsequentiën veroordeelt, en prijs stelt op regelmaat in alles, wat—gelijk de spelling eener taal—op den naam van stelsel aanspraak moet kunnen maken, mogen wij geene vormen goedkeuren als fyzika (physica), waarin de Nederl. f en z plaats nemen naast de Gr. y, of als katalogus (catalogus), waar de Lat. uitgang us in strijd is met de Gr. of Nederl. k. Schrijfwijzen, die twee of drie verschillende spellingen, zonder noodzaak en zonder eenig nut, op de willekeurigste wijze vermengen, kunnen niet ordelijk en regelmatig heeten. Wij behouden daarom niet slechts de Gr. th en y, maar ook de c, s en ph, waar de Latijnsch-Grieksche spelling die letterteekens medebrengt. Dat de ph aanleiding kan geven tot eene verkeerde uitspraak bij minkundigen, geeft dezen het recht niet om te eischen dat de geheele natie te hunnen gerieve inconsequent zal handelen. Een onkundige moge bedelen of legeren uitspreken alsof er bedeelen en legeeren geschreven stond, of bévingen met bevìngen verwarren; maar die mogelijke vergissing van lieden, wier kennis zoo gebrekkig is, kan voor de taal geene reden zijn om haar spellingstelsel te veranderen, dat zij eenmaal op goede gronden heeft aangenomen.
Het verdeelen der woorden in lettergrepen.
(Grondbeg. § 257–270).
87. De spelling heeft ook het antwoord te geven op de vraag, tot welke lettergreep bij het afbreken van een woord de tusschenletters moeten gerekend worden, tot de voorgaande of tot de volgende. Te dien aanzien hebben wij de volgende regels aangenomen:
1. In samengestelde woorden blijft iedere letter in het woord, waartoe zij behoort; men breekt derhalve dus af: kwab-aal, eer-ambt, mein-eedig, door-een, elk-ander enz.
Woorden met voorvoegsels, als be-, ge-, her- enz., en die met de achtervoegsels -aard en -achtig, welke eigenlijk samenstellingen zijn, worden als samengestelde woorden behandeld. Men breekt dus af: be-kleeden, her-overen, blauw-achtig, wreed-aard enz., met uitzondering van grijn-zaard en vein-zaard: vergel. § 33.
2. Bij afgeleide woorden met achtervoegsels, die met éénen of meer medeklinkers beginnen, wordt het geheele achtervoegsel afgescheiden; b. v. lief-de, hoog-ste, gedwee-ste, mee-ste, bak-ster, vlee-schelijk enz. Ter wille van de uitspraak moeten naas-te en bes-te worden uitgezonderd.
Ook de t en p, die in de verkleinwoorden voor den uitgang -je gevoegd worden, en evenzoo de s voor -ken of -ke, behooren bij deze achtervoegsels te blijven. Men breekt derhalve dus af: stoel-tje, boon-tje, boom-pje, penning-ske, jong-ske enz.
3. In gevallen, die niet tot een der behandelde te brengen zijn, gaat men naar de volgende voorschriften te werk:
a. Eene alleenstaande tusschenletter behoort tot de volgende lettergreep; b. v. in dee-len, ne-men, la-chen, li-chaam.
b. Van twee tusschenletters behoort de eerste tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b. v. in ber-gen, lan-den, gan-zen enz., en zoo ook bij ng in lan-ger, bren-gen, zin-gen.
c. Van drie en vier tusschenletters behooren er zooveel tot de volgende lettergreep, als zich gezamenlijk aan het begin van een woord gemakkelijk laten uitspreken. Men breke volgens dezen regel dus af: vor-sten, kor-stig, ven-ster enz.; maar amb-ten, erw-ten, art-sen, koort-sen enz.
d. In vreemde woorden en eigennamen gaat men naar de uitspraak te werk, b. v. in le-proos, A-driaan enz.
Het gebruik der hoofdletters.
88. De hoofdletters of kapitale letters dienen om een woord van andere te onderscheiden en den lezer te waarschuwen, dat het tot eene bijzondere soort behoort. Zij worden daarom gebezigd om een woord te kenmerken als een eigennaam of daarmede gelijkstaande, of als het eerste eener reeks van woorden, die òf niet òf minder nauw met het voorafgaande samenhangen. Hieruit vloeien de volgende bijzondere regels voort:
89. Men schrijft met hoofdletters:
1. Het eerste woord van elken volzin en, in poëzie, van elken dichtregel.
2. Alle eigennamen van personen, als Albert, Arend, Rubens, Wolf enz.
Wanneer zij uit de vereeniging van twee woorden bestaan, dan wordt ieder hoofddeel met eene kapitale letter geschreven; b. v. Jan Steen, De Witt, Ter Horst, Van Erp enz.
Bij namen, die uit drie deelen bestaan, van welke het eerste een voorzetsel en het tweede een lidwoord is, behoudt het middelste de kleine letter, als Van den Berg, Van der Horst, Van de Wall, Op den Heuvel enz.
Ook de bijv. nw., als toenamen achter eigennamen gevoegd, hebben eene hoofdletter; b. v. Alexander de Groote, Karel de Vijfde.
3. Alle geographische eigennamen, als Italië, Alkmaar, de Rijn, de Vesuvius enz. Zijn zij samengesteld, dan krijgt ook bij deze ieder hoofddeel eene kapitale letter; als Nieuw-Holland, Noord-Brabant, de Middellandsche Zee, de Kust van Guinea enz.
4. De namen van maanden en van week- en feestdagen, als Januari, Maandag, Kerstmis, Paschen, Allerheiligen, St.-Pieter enz.
5. De gemeene zelfstandige naamwoorden die als eigene gebezigd worden. Dit heeft plaats:
a. Met persoonsnamen, wanneer zonder nadere aanduiding alleen uit de omstandigheden moet blijken, welke persoon bepaaldelijk bedoeld wordt; b. v. in uitdrukkingen als: de Koning (namelijk der Nederlanden); de Burgemeester (der plaats, waar de schrijver zich bevindt), enz.
Dit is natuurlijk ook van toepassing op bijvoegl. woorden, die als zelfst. nw. gebezigd worden, en in hetzelfde geval verkeeren; b. v. de Booze, de overzetting der Zeventigen.
b. Met benamingen van zaken, wanneer zij iets aanduiden, dat in de rhetorische apostrophe aangesproken en dus als een persoon voorgesteld wordt; b. v. in uitdrukkingen als: U roep ik geenszins aan, Verbeelding! Gij, strenge Waarheid, gij alleen spoort me aan tot zingen.
6. Ieder hoofdwoord in titels, als: de Heer A, Mijnheer, Mevrouw, Mijne Heeren, Dames, Weledelgestrenge Heer, de Staten-Generaal, de Hooge Raad, het Hof van Cassatie enz.
7. De bijv. nw. van eigennamen afgeleid, als Amsterdamsch, Groningsch, Engelsch, Russisch enz.; evenzoo wanneer zulke woorden, als zelfst. nw. gebezigd, eene taal of een tongval beteekenen: het Engelsch, het Groningsch.
Het sedert eenigen tijd—in navolging van andere talen—opkomende gebruik om bijv. nw. als Engelsch, Fransch, Duitsch enz. met kleine letter te schrijven, is volstrekt niet aan te bevelen. Het doel der kapitale letter is den lezer te waarschuwen, dat het woord niet een gewoon naamwoord, maar een eigennaam is, en daardoor alle mogelijke verwarring te voorkomen. Die aanwijzing is bij de bijv. nw. even noodzakelijk als bij de eigennamen zelve.
8. Die woorden, die in bijzondere gevallen, door den smaak en het oordeel van den schrijver te bepalen, eene opzettelijke aanwijzing vereischen of van het overige onderscheiden moeten worden, als b. v. Hij, Hem, Zijn, van God gezegd; de Almacht; de Hemel; de Kroon; de Regeering; het Ik; in ’t Voorleden ligt het Heden, enz.
Het gebruik van het samentrekkingsteeken.
90. Het samentrekkingsteeken (^) dient om aan te duiden, dat eene lettergreep, ten gevolge van de uitlating eener d tusschen twee klinkers, door de samensmelting van twee lettergrepen ontstaan is; als in daân, gebeên, gebiên, geboôn, spoên, reên, uit daden, gebeden, gebieden, geboden, spoeden, redenen. De woorden, waarbij zulk eene samentrekking heeft plaats gehad, zijn vrij talrijk, en—althans voor het groote publiek—niet altijd gemakkelijk te herkennen. Zoo zal niet iedereen gevoelen, dat de woorden graag, kwee, kweelen, kiel (kleedingstuk), door (van een ei), samentrekkingen zijn van gradig, kwede, kwedelen, kedel of kidel en doder. Zelfs wanneer het woord nog onveranderd in gebruik is, kan de samentrekking licht onopgemerkt blijven; als bij weerlichten uit wederlichten (hd. wetterleuchten), bij builen (bakkerw.) van buidel, en andere. Daar derhalve het aanduiden van alle samentrekkingen zeer lastig zou wezen en in de meeste gevallen volstrekt geen nut zou hebben, bezigen wij het samentrekkingsteeken alleen dan, wanneer de ineensmelting van twee lettergrepen, die in den gewonen stijl niet samengetrokken worden, opzettelijk, met bewustheid, plaats heeft ten behoeve van maat, rijm of welluidendheid, als b. v. daân, leên, liên, doôn, voên, verneêren en dergelijke ongewone vormen, bij welke de opzettelijke aanduiding der samentrekking voor de duidelijkheid wenschelijk is. Bij samentrekkingen echter als la voor lade, mee voor mede, slee voor slede, leer voor leder, neer voor neder, veer voor veder, weer voor weder enz., die in het dagelijksch leven werkelijk zóó worden uitgesproken, achten wij het teeken geheel overtollig.
1 Zie vooral M. (J. A. Alberdingk Thijm), Over de Spelling van de Bastaartwoorden. Amsterd. 1843.