WeRead Powered by ReaderPub
Zeven kleine Australiërs cover

Zeven kleine Australiërs

Chapter 22: HOOFDSTUK XX. JUDY.
Open in WeRead

About This Book

A lively, episodic tale follows seven siblings under a stern father's roof as they enact mischief, experience domestic quarrels, countryside excursions, and schoolroom capers; their adventures range from harmless pranks and a disastrous catapult incident to longer journeys and social visits, and the group's dynamics reveal rivalries, loyalty, awkward coming-of-age moments, and moments of self-sacrifice. The narrative balances humor and pathos, portraying both juvenile naughtiness and tender growth while depicting family discipline, friendships, and the changing responsibilities of adolescence within an expansive rural setting.

“Over het gras vloog eene kleine, lichte gestalte.”

HOOFDSTUK XX.

JUDY.

Over het gras vloog eene kleine, lichte gestalte, Judy in een rose japonnetje met hare woeste krullen dansende om haar gelaat.

“Wil u zoo graag een zonnesteek krijgen—waar is dan toch uw hoed, Miss Judy?” vraagde Mr. Gillet.

Judy schudde hare donkere haren.

“Dat kan ik heusch niet zeggen,” antwoordde zij,—“de Generaal wil eene banaan, en als jelui alle sinaasappels opgegeten hebt, bezwijk ik binnen de eerste vijf minuten!”

Meg schoof den mand met vruchten over het servet naar haar toe, en beproefde hare oogen door den rand van haar hoed te verbergen.

Maar Judy’s schitterende, donkere kijkers hadden de vochtige wimpers op het eerste gezicht ontdekt.

“U heeft zeker allerlei domme gedichten zitten voorlezen, waardoor Meg is gaan schreien!” zeide zij, met een uitdagenden blik van Mr. Gillet naar het boek op het gras. “U beiden moest u schamen, hoort dat nu thuis op een picnic? In ieder geval heeft het sinaasappelen uitgespaard!”

Zij nam een half dozijn groote sinaasappelen uit den mand, evenals vier of vijf bananen, en liep met vluggen tred terug naar de boomgroep, waar de Generaal in zijn linnen jurkje, juist kon gezien worden.

Hij zat kalm in den grond te wroeten en de aarde in zijn kleinen, rooden mond te stoppen, toen zij met de bananen terugkwam.

Hij keek met een allerliefsten glimlach tot haar op.

“Baby!” zeide zij, en wierp zich op hem in een van hare ontstuimige buien van teederheid—“baby!”

Zij kuste hem wel vijftig maal; het gevoel van liefde, dat zij voor dit kleine, dikke, vuile ventje koesterde, overstelpte haar somstijds.

Toen trok zij hem op hare knie en veegde met een punt van zijn jurkje zooveel mogelijk de aarde uit zijn mond.

“Narna,” zeide hij, zich losworstelende, tot hij weer op den grond zat; dus ontdeed zij eene groote gele banaan van de schil, en gaf hem die in zijne kleine hand.

Hij at er iets van, en kneep de rest stijf tusschen zijne handjes, daarop keek hij er vol genoegen naar, hoe het moes in kleine, op wurmen gelijkende rolletjes tusschen zijne dikke vingertjes te voorschijn kwam.

Toen smeerde hij het in zijn gezichtje, en wreef het zelfs over zijn haar, terwijl Judy met haar vijfden sinaasappel bezig was.

Dus moest zij hem natuurlijk klappen geven, omdat hij zoo vies was, of voorwenden dit te doen, wat op hetzelfde neerkwam. En toen moest hij haar slaan, hetgeen niet bij voorgewende klappen bleef.

Hij sloeg haar met een stok, dien hij bij zich vond, hij beukte op haar gezicht en rukte aan haar haar en liet zich zelf telkens op haar neervallen, en dit alles zoo vol ijver en met zulk een grooten ernst, dat zij, ook wanneer hij haar werkelijk pijn deed, niets kon doen dan lachen.

“Dood?” zeide hij ten laatste angstig. En zij begon luid te schreien, het gezicht in de handen en met schokkende schouders, zooals het voor eene boetvaardige berouwhebbende past. En toen sloeg hij zijne armpjes om haar hals, en pakte haar, en zeide “Ju-Ju” met een gedempt stemmetje, en klopte haar op de wangen, en gaf haar wel honderd stijve, natte zoentjes met zijn open mondje, tot zij weer bijgekomen was.

Daarop speelden zij krijgertje, en de Generaal viel wel twintig maal op den grond, en schramde zijne knieën en zijne handen, en hief zich weer op, en waggelde weer verder.

Plotseling bleef Judy stil staan; een insect was bezig zich in haar pols te boren. Alleen de twee zwarte pooten staken nog buiten haar huid uit, en geruimen tijd trok zij en trok zij zonder eenig gevolg. Toen brak het insect in tweeën, en zij moest de eene helft laten waar zij was, in de hoop dat grootmama er haar later wel van zou kunnen bevrijden.

JUDY SNELDE VOORT.

Twee of drie minuten lang was zij bezig geweest met hare pogingen, om het dier te verwijderen, en toen zij opkeek was de Generaal een eindje verder, en liep weg zoo vlug als zijne kleine dikke beenen dit toelieten, altijd denkende, dat zij achter hem aan kwam. Juist, toen zij weer begon te loopen, keek hij om, met schitterende, ondeugend kijkende oogjes, en een lachend gezichtje, dat o! zoo vuil was.

En toen—ach God!

Het is zoo hard dit te moeten schrijven. Mijne pen vertelde tot nu toe slechts zonnige tafereelen, en nu!

“Jij kleine ondeugd!” riep Judy, en deed, alsof zij zeer vlug liep. Toen scheen de geheele wereld voor hare oogen te draaien.

Een boom stortte neer, een van de zware, hooge stammen, die reeds lang geene bladeren meer droegen. Hij had den geheelen dag staan wankelen, door en door vermolmd; nu kwam een windvlaag opzetten, die hem neerstrekte. Een woesten, schorren kreet stootte Judy uit, toen snelde zij voort, met uitgestrekte armen op het kleine ventje af, dat met lachende oogen en lippen vlak op zijn dood afliep.

De slag deed de boomen rondom schudden, de lucht scheen te splijten.

Zij hadden het gehoord—al de anderen—den wilden kreet, en toen het dreunende gekraak.

Hoe trilden hunne knieën! hoe bleek waren hunne gezichten, toen zij allen naar de plaats, vanwaar het geluid gekomen was, snelden.

Zij wentelden hem van de kleine lichaampjes af—den langen zilverachtigen stam, waarop de gom droog en dood in streepen kleefde. Judy lag met het gelaat naar den grond en uitgestrekte armen.

En onder haar lag de Generaal, een beetje verdrukt, hoogst verbaasd, maar volkomen ongedeerd.

Meg sloot hem één oogenblik in haar armen, maar zette hem toen neer, en voegde zich bij de anderen, die vlak om Judy stonden.

O dat kleine, donkere, stille hoofd, dat onbeweeglijke lichaampje in zijn rose, verkreukt kleedje, die kleine, magere, uitgestrekte handen!

“Judy!” zeide Pip, met smeekende, hevig angstige stem.

Maar het eenige antwoord was de wind in de kronen der boomen en de hijgende ademhaling der anderen.

Mr. Gillet begreep, dat hij handelend op moest treden. Hij ging met Pip naar de hut van den drijver, en zij namen de deur uit hare lederen hengsels en droegen deze de heuvel af.

“Ik zal haar optillen,” zeide hij, en sloeg zijne armen om de kleine gestalte, lichtte haar langzaam, langzaam, zachtjes op, en legde haar op de deur met het gelaat naar den hemel gericht.

Maar zij kreunde—o, hoe kreunde zij!

Pip, die, bij het eerste teeken van leven zijn keel als het ware had voelen dichtknijpen, kon zich bijna niet meer goed houden, toen deze korte, jammerende tonen over hare lippen kwamen.

Zij hieven de draagbaar op, en brachten haar naar de kleine hut op den top van den heuvel.

En toen sprak Mr. Gillet, buiten de deur, tot Pip en Meg, die beiden verslagen, door den schrik geheel verdoofd, schenen.

“Het zal uren duren, voor wij hulp kunnen krijgen, en het is nu vijf uur!” zeide hij. “Pip, er woont een dokter te Boolagri, tien mijlen van hier. Haal hem—loop den geheelen weg door hard. Ik zal terug naar huis gaan—dat is veertien mijlen. Miss Meg, ik kan niet in een ommezien terugzijn. Ik zal een rijtuig halen, de ossenkar gaat te langzaam, en schudt te veel, hij kan niet dienen, ook al kwam hij dadelijk terug, U moet bij haar blijven, en haar water geven als zij daarom vraagt—dat is alles wat u voor haar doen kan.”

“Zou zij dood gaan?” zeide Meg.

Hij dacht aan alles wat zou kunnen gebeuren alvorens hij hulp bracht, en durfde haar niet onvoorbereid achterlaten.

“Ik denk, dat haar ruggegraat gebroken is,” zeide hij zeer kalm. “Als dit zoo is, dan is er geene hoop meer.”

Pip snelde den weg op, waarlangs hij den dokter bereiken kon.

Mr. Gillet gaf nog een paar aanwijzingen, toen keek hij naar Meg.

“Alles hangt van u af; u moet kalm en bedaard blijven!” zeide hij. “Verleg haar niet, blijf gedurig bij haar.”

Hij begaf zich naar den weg, die naar beneden leidde.

Zij vloog hem achterna.

“Zou zij sterven terwijl u weg is?—en er niemand anders dan ik bij haar blijft?”

Hare oogen staarden hem woest, vol doodelijken angst aan.

“God weet het!” zeide hij, en ging verder.

Het kwam hem bijna te wreed voor, het jonge meisje alleen achter te laten, haar alleen zulke vreeselijke uren te laten doorbrengen.

“Help mij, goede God!” steunde zij, terwijl zij terugijlde, maar niet naar de zware, laaghangende wolken keek. “Help mij, goede God! God, help mij, help mij!”