WeRead Powered by ReaderPub
Zijn Excellentie Eugène Rougon cover

Zijn Excellentie Eugène Rougon

Chapter 10: X.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel chronicles the rise and exercise of power by an ambitious political figure, portraying strategic maneuvering, alliances, and compromises within formal institutions and social salons. It interweaves detailed scenes of parliamentary sessions, bureaucratic routine, and intimate gatherings to show how personal ambition, patronage, and public spectacle sustain authority. Through realistic depiction of procedural rituals, whispered intrigues, and the characters who orbit the central figure, the narrative examines themes of power, influence, corruption, and the intersection of private motives with public roles, yielding a clinical portrait of political life under a dominant regime.

X.

Rougon had eindelijk voor Delestang de portefeuille van landbouw en handel verkregen. Op een morgen in de eerste dagen van Mei ging hij naar de rue Colisée om zijn nieuwen collega af te halen. Er zou ministerraad te Saint-Cloud gehouden worden, waar het hof juist zijn intrek genomen had.

—Zoo, gaat u met ons mee? zei hij verbaasd, toen Clorinde in de landauer stapte, die voor de stoep gereed stond.

—Ja, ik ga ook naar den raad, antwoordde zij lachend.

Toen voegde zij er op ernstigen toon bij, nadat zij de strooken van haar bleek-kersroode sleepjapon tusschen de zitplaatsen had terecht geschikt:

—Ik heb een afspraak met de keizerin. Ik ben penningmeesteres van een stichting voor jonge arbeidsters, waarin zij heel veel belang stelt.

De twee mannen stegen nu ook in. Delestang zette zich naast zijn vrouw; hij had een gemslederen advokaten-portefeuille bij zich, die hij op zijn schoot hield. Rougon had niets bij zich; hij zat tegenover Clorinde. Het was bijna halftien en de raad zou om tien uur beginnen. De koetsier kreeg bevel om flink door te rijden. Om den naasten weg te nemen, reed hij door de rue Marbeuf de wijk Chaillot in, waar het sloopingswerk reeds begonnen was. Het waren stille straten, omzoomd met tuinen en houten gebouwtjes, steile dwarspaden die kronkelend in elkander liepen, kleinsteedsche pleintjes met magere boomen beplant, een hoekje, dat men in een groote stad niet verwacht zou hebben, met landhuisjes en winkeltjes zonder eenige orde op een heuvelhelling gebouwd, zich koesterend in de morgenzon.

—Wat is het hier leelijk! zei Clorinde, achterover geleund.

Half naar haar man gekeerd, sloeg zij hem een oogenblik oplettend gade; en onwillekeurig begon zij te glimlachen. Delestang, onberispelijk gekleed in zijn nauwsluitende jas, zat deftig en waardig rechtop. Zijn mooi denkend gezicht, zijn vroegtijdige kaalhoofdigheid die zijn voorhoofd hooger deed schijnen, deden de voorbijgangers omkijken. De jonge vrouw merkte op dat niemand op Rougon lette, wiens dik gezicht er slaperig uitzag. Toen trok zij met moederlijke zorg de linkermanchet van haar man wat meer naar beneden.

—Wat hebt ge vannacht toch uitgevoerd? vroeg zij den grooten man, die een gegeeuw achter zijn hand verborg.

—Ik heb laat gewerkt, ik ben doodmoe, antwoordde hij. Een hoop onbeduidende zaken!

En het gesprek hield weer op. Nu was de beurt aan hem om door haar bestudeerd te worden. Hij liet zich door de lichte schokken van het rijtuig heen en weer schommelen; zijn jas was uit haar fatsoen door zijn breede schouders, zijn hoed was slecht afgeborsteld en vertoonde nog de sporen van vroegere regendruppels. Zij herinnerde zich dat zij de vorige maand een paard gekocht had van een paardenkoopman, die veel op hem leek. Haar glimlach verscheen weer, met een zweem van minachting.

—Welnu? vroeg hij, ongeduldig door dat onderzoek.

—Nu, ik kijk naar u! antwoordde zij. Is dat niet geoorloofd?…. Zijt ge dan bang dat ik u zal opeten?

Zij zei dit op een uitdagenden toon, terwijl zij haar witte tanden vertoonde. Maar hij zei schertsend:

—Ik ben te dik, het zou er niet door gaan.

—O, als ik grooten trek had! zei ze ernstig, nadat zij haar eetlust scheen geraadpleegd te hebben.

De landauer kwam eindelijk aan de poort de la Muette. Het was een plotselinge overgang van de nauwe straatjes van Chaillot tot het zachte groen van het bosch. De ochtend was heerlijk; grasvelden in de verte baadden in een blond schijnsel, een lauw zuchtje deed de jonge blaadjes trillen. Zij lieten het hertenpark rechts liggen en sloegen den weg naar Saint-Cloud in. Nu reed het rijtuig over de zandige laan, zonder schokken, zacht en licht als een slede, die over de sneeuw glijdt.

—Wat zijn die straatsteenen toch onaangenaam, niet waar? hernam Clorinde. Men herademt hier, men kan spreken …. Hebt ge nieuws van onzen vriend Du Poizat?

—Ja, zei Rougon. Hij maakt het goed.

—En is hij nog altijd tevreden over zijn departement?

Hij maakte een nietszeggend gebaar, scheen liever niet te antwoorden. De jonge vrouw scheen bekend te zijn met zekere onaangenaamheden, die de prefect van Deux-Sèvres hem door zijn ruw optreden bezorgde. Zij drong niet verder aan, maar sprak over mijnheer Kahn en mevrouw Correur; ze vroeg hem naar bijzonderheden van zijn reis, met een ondeugende nieuwsgierigheid. Toen riep ze plotseling uit:

—A propos, ik heb gisteren kolonel Jobelin met zijn neef Bouchard ontmoet. We hebben over u gesproken …. Ja, we hebben over u gesproken.

Hij haalde de schouders op en bleef nog steeds zwijgen. Toen kwam zij met oude herinneringen.

—Weet ge nog wel hoe gezellig we ’s avonds bijeen waren? Nu hebt ge het te druk, en kunt ge ons niet meer velen. Uw vrienden beklagen zich; zij beweren dat gij ze vergeet …. Ge weet, ik zeg alles. Welnu, ze zeggen dat ge uw vrienden in den steek laat.

Op dit oogenblik, terwijl het rijtuig tusschen de twee vijvers doorging, reed hun een coupé voorbij, die naar Parijs terug ging. Men zag iemand zich snel in de coupé terugwerpen, zeker opdat hij niet zou behoeven te groeten.

—Maar dat is uw schoonbroer! riep Clorinde.

—Ja, hij is ongesteld, antwoordde Rougon glimlachend. Zijn dokter heeft hem aangeraden veel van de morgenlucht te genieten.

En plotseling mededeelzaam geworden, ging hij voort:

—Wat zal ik u zeggen, ik kan hun toch de maan niet geven!…. Daar hebt u bijvoorbeeld Beulin-d’Orchère, die heeft zich in het hoofd gezet grootzegelbewaarder te willen worden. Ik heb het onmogelijke gedaan, ik heb den keizer gepolst zonder er wijzer door te worden. De keizer is, geloof ik, bang voor hem. Dat kan ik toch niet helpen?…. Beulin-d’Orchère is eerste president. Daar moest hij voorloopig tevreden mee zijn, wat drommel! En hij ontwijkt mijn groet! Hij is gek.

Clorinde zat onbewegelijk, met neergeslagen oogen, terwijl haar vingers met de kwast van haar parasol speelden. Zij liet hem voortpraten, maar geen enkel woord ontging haar.

—De anderen zijn al even onverstandig. Wanneer de kolonel en Bouchard klagen, doen zij heel verkeerd, want ik heb al te veel voor ze gedaan …. Ik doe mijn best voor al mijn vrienden. Ze wegen me zwaar genoeg op mijn schouders, dat twaalftal! Zoolang zij mij niet geheel opgeslokt hebben, zullen ze niet tevreden zijn.

Hij zweeg, toen hernam hij met een goedig lachje:

—Bah, als ze mij geheel noodig hadden, zou ik mezelf er ook bij geven …. Wanneer men ze een vinger geeft, nemen zij de heele hand. Ondanks al het kwaad dat mijn vrienden van mij zeggen, doe ik den heelen dag niets anders dan een menigte gunsten voor hen te vragen.

En terwijl hij haar op de knie tikte, om haar te noodzaken hem aan te zien:

—En u! Ik zal van ochtend een onderhoud met den keizer hebben. Hebt u niets te vragen?

—Neen, dank u, antwoordde zij droogjes.

Toen hij zijn aanbod herhaalde, werd zij boos en beschuldigde zij hem dat hij hun de enkele diensten verweet die hij haar en haar man had kunnen bewijzen. Zij zouden hem niet meer tot last zijn. Zij besloot met de woorden:

—Nu doe ik mijn boodschappen zelf. Ik ben er toch zeker wel groot genoeg voor!

Intusschen was het rijtuig het Bosch uitgereden. Het reed nu door Boulogne, terwijl een rij zware karren langs de Grande-Rue voortratelde. Tot dusver was Delestang zwijgend in een hoekje van den landauer blijven zitten. Maar nu boog hij zich tot Rougon over en riep hem te midden van al dat geraas toe:

—Denkt ge dat Zijne Majesteit ons te dejeuneeren zal houden?

Rougon haalde de schouders op.

—Er wordt op het paleis ontbeten, wanneer de raad wat lang duurt.

Delestang dook weer in zijn hoekje, waar hij zich aan een ernstig gepeins scheen over te geven. Maar kort daarop boog hij zich weer voorover, om te vragen:

—Zou er van morgen veel verhandeld worden in den raad?

—Misschien wel, antwoordde Rougon. Men kan nooit weten. Ik geloof dat verscheidene collega’s rekenschap moeten geven van zekere rapporten …. Ik zal in ieder geval de kwestie over dat boek op het tapijt brengen, waarover ik in conflict ben geraakt met de commissie van colportage.

—Wat voor boek? vroeg Clorinde levendig.

—Een prul, een van die boeken die men voor boeren fabriceert. Het heet les Veillées du bonhomme Jacques. Er staat van alles in, socialisme, toovenarij, landbouw, tot zelfs een artikel om de weldaden van de coöperatie te verheerlijken …. Enfin, een gevaarlijk boek!

De jonge vrouw, wier nieuwsgierigheid niet voldaan scheen, wendde zich naar haar man als om hem te ondervragen.

—Ge zijt wel wat streng, Rougon, verklaarde Delestang. Ik heb het boek eens doorgelezen, en er heel wat goeds in ontdekt; het hoofdstuk over coöperatie is heel goed gesteld …. Het zou me verwonderen als de keizer de daarin vervatte denkbeelden afkeurde.

Rougon was op het punt om boos te worden. Hij strekte de armen reeds uit om te protesteeren. Maar plotseling werd hij kalm, alsof hij niet in een twistgesprek wou treden; hij zei niets meer, maar liet zijn blikken over het landschap, aan beide zijden van den gezichteinder, weiden. De landauer reed toen juist over de brug van Saint-Cloud; de rivier, door de zon beschenen, vertoonde zachtblauwe plekken als van een stilstaand water; terwijl de rijen boomen langs de oevers krachtige schaduwen in het water drongen. Het onmetelijke uitspansel vertoonde zich aan alle zijden wit in de heldere lentelucht, ternauwernood getint door een blauwe rimpeling.

Toen het rijtuig op het plein voor het kasteel stilhield, steeg Rougon het eerst uit en reikte Clorinde de hand. Maar deze deed alsof zij dien steun niet noodig had; zij sprong vlug op den grond. En daar hij zijn arm nog uitgestrekt hield, tikte zij hem met haar parasol op de vingers en mompelde:

—Ik heb u immers gezegd dat ik groot genoeg ben!

En zij scheen geen eerbied meer te voelen voor die groote vuisten van den meester, die zij als volgzame leerlinge zoo lang in haar handen had gehouden, om er een beetje kracht aan te onttrekken. Nu meende zij ze zeker genoeg verzwakt te hebben; ze toonde niet langer die aanhalige manieren. Op haar beurt tot macht gekomen, werd zij meesteres. Toen Delestang uit het rijtuig gestapt was, liet zij Rougon voorgaan om haar man in het oor te fluisteren:

—Ik hoop dat je hem niet zult beletten met zijn „Bonhomme Jacques” in den knoei te komen. Je hebt daar een mooie gelegenheid om eens in meening met hem te verschillen.

In de vestibule nam zij hem nog eens goed op, trok aan een knoop van zijn jas, die de stof wat rimpelde, en terwijl een bode haar komst aan de keizerin aankondigde, zag zij Rougon en hem met een glimlach verdwijnen. De ministerraad werd gehouden in een zaal, die aan het kabinet des keizers grensde. Een twaalftal fauteuils stonden er om een groote tafel, waarover een kleed lag. De hooge vensters zagen op het terras van het kasteel uit. Toen Rougon en Delestang binnentraden, waren al hun collega’s reeds tegenwoordig, behalve de ministers van Publieke werken en van Marine en Koloniën, die toen met verlof waren. De keizer was nog niet verschenen. De heeren stonden al een tien minuten in groepjes voor de vensters of rondom de tafel te praten. Er waren er twee bij met een gemelijk gezicht, die zoo’n hekel aan elkander hadden dat zij geen woord tot elkander richtten; maar de anderen keken vriendelijk en onderhielden elkander over aangename onderwerpen, in afwachting van de ernstige zaken. Parijs hield zich toen druk bezig met de komst van een gezantschap uit het verre Oosten, met vreemde kleederdrachten en bijzondere manieren van groeten. De minister van Buitenlandsche zaken vertelde een bezoek, dat hij den vorigen dag aan het hoofd van dat gezantschap gebracht had, hij dreef er heel geestig den spot mee, ofschoon hij zeer correct bleef. Daarop kwam het gesprek op beuzelachtiger dingen, de minister van Staat verstrekte inlichtingen omtrent de gezondheid van een danseres aan de Opera, die bijna haar been gebroken had. En zelfs waar zij zich geen dwang oplegden, bleven de heeren op hun hoede, bij sommige zinnen naar geschikte woorden zoekende, halve woorden weer inslikkend, elkander bespiedend onder hun glimlachjes, plotseling weer ernstig wordend zoodra zij merkten dat men acht op ze sloeg.

—Dus het is een eenvoudige verstuiking? zei Delestang, die veel belang in danseressen stelde.

—Ja, een verstuiking, herhaalde de minister van Staat. De arme vrouw zal een paar weken haar kamer moeten houden. Ze schaamt zich erg over haar val.

Een licht gedruis deed de hoofden omwenden. Alle bogen; de keizer was binnengetreden. Hij bleef een oogenblik tegen zijn armstoel leunen. En met zijn doffe stem vroeg hij langzaam:

—Is zij al wat beter?

—Veel beter, Sire, antwoordde de minister met een nieuwe buiging. Ik heb vanmorgen bericht van haar gekregen.

Op een wenk van den keizer namen de leden van den raad hun plaatsen om de tafel in. Zij waren met hun negenen, verscheidene hunner spreidden papieren voor zich uit; anderen namen een gemakkelijke houding aan en bekeken hun nagels. Er heerschte een oogenblik stilte. De keizer scheen zich niet wel te voelen; zijn vingers draaiden zachtjes aan de punten van zijn knevel; zijn oogen stonden flets. En daar niemand sprak, scheen hij tot bezinning te komen, hij sprak eenige woorden:

—Mijne heeren, de zitting van het Wetgevend lichaam zal weldra gesloten worden ….

Er was al dadelijk sprake van het budget, dat de Kamer in vijf dagen afgehandeld had. De minister van Financiën sprak over de wenschen die de rapporteur geuit had. Voor de eerste maal toonde de Kamer neiging tot kritiek. Zoo wenschte de rapporteur dat de amortisatie op normale wijze geschieden zou en dat de regeering zich tevreden zou stellen met het toegestane krediet, zonder dat zij maar steeds met aanvragen om aanvulling van krediet kwam. Anderzijds hadden sommige leden geklaagd over de geringe aandacht die de Raad van State aan hun opmerkingen schonk, wanneer zij zekere uitgaven trachtten te beperken; een hunner had zelfs voor het Wetgevend lichaam het recht gevraagd om het budget te regelen.

—Mijns inziens is er volstrekt geen reden om met die eischen rekening te houden, zei de minister van Financiën ten slotte. De regeering maakt zijn budgetten met de grootst mogelijke zuinigheid op; en dat is zoo waar, dat de commissie zich ondenkbare moeite heeft moeten geven om twee onnoozele millioentjes te kunnen schrappen …. In de gegeven omstandigheden acht ik het echter het verstandigst drie aanvragen om een supplementair krediet, die in voorbereiding waren, uit te stellen. Een overschrijving van fondsen zal ons de noodige sommen verschaffen, en de toestand zal later geregeld worden.

De keizer knikte goedkeurend. Hij scheen niet te luisteren, met wezenloozen blik keek hij als verblind naar het helle daglicht dat door het middelste venster tegenover hem, in de kamer viel. Er ontstond een nieuwe stilte. Alle ministers knikten goedkeurend, na den keizer. Een oogenblik lang hoorde men slechts een licht geritsel. Het was de grootzegelbewaarder die een handschrift doorbladerde, dat op de tafel lag. Hij raadpleegde zijn collega’s met een blik.

—Sire, zei hij eindelijk, ik heb het ontwerp van een memorie, tot het invoeren van een nieuwen adel, meegebracht …. ’t Zijn nog maar aanteekeningen; maar ik achtte het raadzaam, alvorens verder te gaan, ze in den raad te lezen, ten einde van ieders opmerkingen profijt te trekken.

—Ja, lees maar eens voor, mijnheer de zegelbewaarder, viel de keizer hem in de rede. U hebt gelijk.

En hij keerde zich half om, ten einde den minister van justitie aan te zien, terwijl hij las. Hij geraakte in vuur, een gele flikkering kwam in zijn grijze oogen.

Het hof hield zich toen zeer bezig met die kwestie van een nieuwen adel. De regeering was begonnen met een wetsontwerp aan het Wetgevend lichaam voor te leggen, waarbij aan ieder, die zich zonder recht een adellijken titel toeëigende, een geldboete en gevangenisstraf werd opgelegd. Hiermee werd beoogd een sanctie aan de oude titels en het uitzicht op het scheppen van nieuwe titels. Dit wetsontwerp had in de Kamer een stormachtige discussie uitgelokt; afgevaardigden, die zeer gehecht waren aan het keizerrijk, hadden uitgeroepen dat een adelstand geen recht van bestaan had in een democratischen staat; en bij de stemming hadden zich drie-en-twintig leden tegen het ontwerp verklaard. Toch hield de keizer aan zijn droombeeld vast. Hij zelf had den grootzegelbewaarder een uitgebreid plan aan de hand gedaan.

De memorie begon met een geschiedkundig gedeelte. Daarna werd het toekomstig systeem er breedvoerig in ontwikkeld; de titels zouden verleend worden naar categoriën van ambten, ten einde de graden van den nieuwen adel voor alle burgers toegankelijk te maken; een democratische combinatie die zeer in den smaak van den grootzegelbewaarder scheen te vallen. Eindelijk volgde een ontwerp van een decreet. Bij artikel II verhief de minister zijn stem en las langzaam voor:

—De titel van graaf zal worden verleend, nadat zij vijf jaren hun functies of waardigheden zullen hebben bekleed, of nadat zij door Ons tot grootkruis van het Legioen van Eer zijn benoemd: aan Onze ministers en aan de leden van Onzen particulieren raad; aan de kardinalen, de maarschalken, de admiraals en de senatoren; aan Onze gezanten en aan de divisie-generaals die het oppercommando hebben gevoerd.

Hij hield een oogenblik op, raadpleegde den keizer met een blik, als om te vragen of hij niemand vergeten had. Zijn Majesteit, die het hoofd op den rechterschouder had laten zinken, dacht even na en mompelde:

—Ik geloof dat u er nog bij zou kunnen voegen de presidenten van het Wetgevende lichaam en den Raad van State.

De grootzegelbewaarder knikte toestemmend en schreef haastig een kantteekening op zijn manuscript. Juist toen hij de lezing wou hervatten, werd hij in de rede gevallen door den minister van Openbaar onderwijs en eeredienst, die op een verzuim wees.

—De aartsbisschoppen …. begon hij.

—Pardon, zei de minister van justitie droogjes, de aartsbisschoppen kunnen slechts baron worden. Laat mij het heele besluit eerst voorlezen.

En hij kon niet meer wijs worden uit zijn losse velletjes; hij zocht geruimen tijd naar een blad dat tusschen de andere geraakt was. Rougon, die daar met zijn breeden nek tusschen zijn vierkante boerenschouders zat, glimlachte fijntjes; en toen hij zich omkeerde, zag hij zijn buurman, den minister van Staat, den laatsten vertegenwoordiger van een oud normandisch geslacht, ook verachtelijk glimlachen. Beiden knikten elkander toe. De parvenu en de edelman hadden elkander begrepen.

—Ha, hier is het, hernam eindelijk de grootzegelbewaarder. „Artikel III. De titel van baron zal worden verleend: 1o. aan de leden van het Wetgevend lichaam, die driemaal door hun medeburgers met een mandaat vereerd zijn geworden; 2o. aan de leden van den Raad van State, na acht jaren hun ambt te hebben uitgeoefend; 3o. aan den eersten president en aan den procureur-generaal van het hof van cassatie, aan de divisie-generaals en de vice-admiraals, aan de aartsbisschoppen en de gevolmachtigde ministers, nadat zij vijf jaren hun functie bekleed hebben, of indien zij den rang van kommandeur van het Legioen van Eer verkregen hebben ….”

En zoo ging hij voort. De eerste presidenten en de procureurs-generaals der gerechtshoven, de brigade-generaals en de schouten-bij-nacht, de bisschoppen, tot zelfs de burgemeesters der hoofdsteden van de prefecturen der eerste klasse zouden baron worden; maar van hen werd tien jaren dienst gevergd.

—Iedereen baron dus! mompelde Rougon halfluid.

Zijn collega’s, die het air aannamen alsof zij hem als een onopgevoed man beschouwden, zetten ernstige gezichten, om hem te doen begrijpen dat zij die grap misplaatst vonden. De keizer scheen het niet gehoord te hebben. Toen de lezing geëindigd was, vroeg hij:

—Wat dunkt u van het ontwerp, heeren?

Er was eenige aarzeling. Men verwachtte een meer directe ondervraging.

—Mijnheer Rougon, hernam Zijn Majesteit, hoe denkt u over dit ontwerp?

—Mijn hemel, Sire, antwoordde de minister van Binnenlandsche zaken met zijn kalmen glimlach, ik denk er niet veel goeds van. Het staat aan het grootste gevaar bloot, namelijk aan bespotting. Ja, ik zou vreezen dat al die baronnen den lachlust zouden opwekken …. Ik spreek niet van de ernstige redenen, het gevoel van gelijkheid dat tegenwoordig heerscht, de ijdelheid die door zulk een systeem zou opgewekt worden ….

Maar hij werd in de rede gevallen door den grootzegelbewaarder, die zeer scherp, zeer beleedigd, zich verdedigde alsof men een aanval op hem persoonlijk had gericht. Hij zei dat hij een burger was, de zoon van een burger, niet in staat om de gelijkheidsprincipes van de moderne maatschappij aan te randen. De nieuwe adel zou een democratische adel zijn; en dat woord „democratische adel” gaf zeker zoo goed zijn gedachte terug, dat hij het herhaaldelijk gebruikte. Rougon antwoordde, steeds glimlachend, zonder boos te worden. De grootzegelbewaarder, een mager, donker mannetje, begon eindelijk met persoonlijke hatelijkheden. De keizer deed alsof hij niets van den twist hoorde; hij keek weer, langzaam met de schouders wiegelend, naar het volle witte licht dat door het venster tegenover hem binnen drong. Toen de stemmen al luider werden en hinderlijk voor zijn waardigheid, mompelde hij:

—Mijne heeren, mijne heeren ….

Toen na een korte stilte:

—Mijnheer Rougon heeft misschien gelijk …. De kwestie is nog niet rijp. Ze zal nog eens op andere grondslagen bestudeerd worden. We zullen later nog eens zien.

De raad onderzocht vervolgens verscheidene zaken van minder belang. Men sprak vooral over het dagblad le Siècle, waarin een artikel gestaan had dat groote ergernis aan het hof gegeven had. Er ging geen week voorbij of de keizer ontving een verzoek van zijn omgeving, om de uitgaaf van dat blad te doen staken, het eenige republikeinsche orgaan dat nog bestond. Maar Zijn Majesteit had persoonlijk een groote toegevendheid voor de pers; hij amuseerde zich dikwijls, wanneer hij alleen op zijn kamer zat, met het schrijven van lange artikelen in antwoord op de aanvallen tegen zijn regeering; zijn illusie was een eigen krant te hebben, waarin hij manifesten kon bekend maken en polemiek voeren. Ditmaal besliste de keizer echter, dat er een waarschuwing aan de Siècle zou gezonden worden.

Hunne Excellenties dachten dat de raad geëindigd was. Dat was merkbaar aan de manier waarop de heeren op den rand van hun stoelen zaten. De minister van Oorlog, een generaal die zich klaarblijkelijk had zitten vervelen en gedurende de heele zitting geen woord gesproken had, haalde reeds zijn handschoenen te voorschijn, toen Rougon zich recht voor de tafel plaatste.

—Sire, zei hij, ik wenschte den raad te onderhouden over een geschil dat tusschen de commissie van colportage en mij gerezen is, naar aanleiding van een werk dat onlangs ter afstempeling werd aangeboden.

Zijn collega’s schoven weer dieper in hun armstoelen. De keizer keerde zich half om, met een licht hoofdknikken, om den minister te machtigen verder te spreken.

Toen trad Rougon in de inleidende bijzonderheden. Hij glimlachte niet meer, keek ook niet goedig meer. Over den rand der tafel gebogen, terwijl zijn rechterarm zich regelmatig over het tafelkleed bewoog, vertelde hij dat hij zelf een der laatste zittingen van de commissie had willen presideeren, om den ijver der leden te prikkelen.

—Ik heb hun de inzichten der regeering medegedeeld over de verbeteringen die aangebracht konden worden in de belangrijke diensten, die van hen verwacht worden …. Het colporteeren zou ernstige gevaren kunnen bieden, indien het een wapen werd in de handen der revolutionnairen. Het is dus de taak der commissie alle werken te verwerpen, die hartstochten opwekken welke niet meer in onzen tijd passen. Zij moet daarentegen die boeken goedkeuren, waarvan de deugdzame strekking de vreeze Gods, liefde tot het vaderland, dankbaarheid jegens den keizer inboezemt.

De ministers, die zeer uit hun humeur waren, meenden toch dien laatsten zin met een hoofdknikje te moeten begroeten.

—Het aantal slechte boeken vermeerdert met den dag, ging hij voort. Het is een wassende vloed, waartegen men het land niet genoeg kan beschermen. Van de twaalf boeken die uitkomen, zijn er elf en een half goed om in het vuur geworpen te worden …. Nooit zijn de misdadige gevoelens, de zedenbedervende theoriën, de anti-sociale monsterachtigheden zoo druk bezongen …. Ik ben somstijds genoodzaakt zekere werken te lezen. Welnu, ik verzeker u ….

De minister van Openbaar onderwijs waagde het een woord in het midden te brengen.

—De romans,…. zei hij.

—Ik lees nooit romans, verklaarde Rougon droogjes.

Zijn collega maakte een gebaar, alsof hij tegen de verdenking protesteeren wou dat hij romans las. Hij verklaarde zich nader.

—Ik wou enkel dit zeggen: vooral de romans zijn een vergiftig voedsel dat aan de ongezonde nieuwsgierigheid van de groote massa wordt toegediend.

—Zonder twijfel, hernam de minister van Binnenlandsche zaken. Maar er zijn werken die even gevaarlijk zijn; ik bedoel de populair-wetenschappelijke, waarin de schrijvers binnen het bereik van boeren en werklieden een heelen omhaal van sociale en economische wetenschap trachten te brengen; het eenige resultaat dat zij bereiken is, dat de zwakke hoofden nog meer in de war gebracht worden …. Nu is er juist een dergelijk boek, les Veillées du bonhomme Jacques, in handen van de commissie ter onderzoek. Het handelt over een sergeant die in zijn dorp teruggekeerd is en iederen Zondagavond met den schoolmeester, in tegenwoordigheid van een twintigtal landbouwers, een gesprek voert; ieder gesprek loopt over een bijzonder onderwerp, de nieuwe methode van landbouw, de werkliedenvereenigingen, de gewichtige rol die de producent in de maatschappij speelt. Ik heb dat werk gelezen, nadat mijn aandacht er op gevestigd was; ik vond het te gevaarlijker, omdat het verderfelijke theoriën verbergt onder een geveinsde bewondering voor de keizerlijke instellingen. Men kan er zich onmogelijk in vergissen, het is het werk van een volksleider. Ik was dan ook zeer verbaasd toen ik er verscheidene commissieleden met lof over hoorde spreken. Ik heb verscheidene passages met hen besproken, maar ze niet kunnen overtuigen. De schrijver zou zelfs, naar zij mij verzekerden, Zijn Majesteit een exemplaar van zijn werk hebben toegezonden …. Toen heb ik, alvorens eenige pressie uit te oefenen, gemeend eerst uw oordeel en dat van den raad in te moeten winnen.

En hij keek den keizer vlak in het gelaat. Deze zag weifelend rond en liet ten slotte zijn blik op een vouwbeen, dat voor hem lag, rusten. De vorst nam het in de hand, draaide het tusschen de vingers en mompelde:

—Ja, ja, les Veillées du bonhomme Jacques….

En zonder zijn oordeel uit te spreken, keek hij schuins naar rechts en links van de tafel.

—U hebt het boek misschien doorgelezen, heeren, ik zou gaarne willen weten ….

Hij voltooide den zin niet, sprak de rest binnensmonds. De ministers keken elkander vragend aan; ieder verwachtte dat zijn buurman zou spreken om zijn meening te kennen te geven. De stilte werd hinderlijk. Klaarblijkelijk wisten zij geen van allen dat het werk bestond. Eindelijk maakte de minister van Oorlog voor al zijn collega’s een gebaar van onwetendheid. De keizer draaide zijn knevel op, hij haastte zich niet.

—En u, mijnheer Delestang? vroeg hij.

Delestang schoof onrustig heen en weer, alsof hij aan een inwendigen strijd ten prooi was. Die rechtstreeksche vraag dwong hem tot een besluit. Maar alvorens te spreken, keek hij onwillekeurig in de richting van Rougon.

—Ik heb het boek in handen gehad, sire.

Hij zweeg, toen hij Rougon’s groote grijze oogen op zich gevestigd voelde. Intusschen, tegenover de zichtbare voldoening des keizers, hernam hij met ietwat trillende lippen:

—Tot mijn leedwezen moet ik in meening verschillen met mijn vriend en collega den minister van Binnenlandsche zaken …. Zeker, het werk kon met meer voorbehoud spreken en meer nadruk leggen op de bedachtzame langzaamheid, waarmee iedere waarlijk nuttige, vooruitstrevende beweging moet geschieden. Maar les Veillées du bonhomme Jacques schijnt mij desniettemin een werk toe, dat met uitmuntende bedoelingen geschreven is. De wenschen die daarin voor de toekomst geuit worden, zijn in geen enkel opzicht kwetsend voor de keizerlijke instellingen. Ze zijn er integendeel de ontluiking van, die men rechtmatig verwachten mocht ….

Hij zweeg wederom. Ondanks de zorg waarmee hij zich naar den keizer wendde, voelde hij aan den anderen kant der tafel, het logge lichaam van Rougon, op de ellebogen leunend, het gelaat bleek van verbazing. Gewoonlijk deelde Delestang in alles de meening van den grooten man. Deze hoopte dan ook met een enkel woord zijn weerspannigen leerling tot rede te brengen.

—Komaan, ge moet een voorbeeld noemen, riep hij, zijn handen ineenknijpend zoodat zij kraakten. Het spijt me dat ik het werk niet meegebracht heb …. Wacht, éen hoofdstuk herinner ik mij goed. De „bonhomme Jacques” spreekt over twee bedelaars, die het dorp van deur tot deur rondgaan; en op een vraag van den schoolmeester verklaart hij dat hij den boeren het middel zal leeren om nooit een enkelen arme in hun midden te hebben. Dan volgt er een ingewikkeld systeem over de uitroeiing der armoede. Men is daar midden in de communistische theorie …. Mijnheer de minister van Landbouw en handel zou aan dit hoofdstuk zijn goedkeuring waarlijk niet hechten.

Delestang, plotseling moedig geworden, durfde Rougon in het gelaat zien.

—O, midden in de communistische theorie, zei hij, nu gaat u wel wat ver! Ik heb er niets anders in gezien dan een vernuftige uiteenzetting van de grondbeginselen der associatie.

Terwijl hij dat zei, zocht hij in zijn portefeuille.

—Ik heb juist het werk, verklaarde hij eindelijk.

En hij begon het bewuste hoofdstuk voor te lezen. Zijn stem klonk zacht en eentonig. Zijn mooie staatsmanskop nam bij enkele passages een uitdrukking van bijzonderen ernst aan. De keizer luisterde met een diepzinnig gelaat. Hij scheen vooral te genieten van de roerende gedeelten, waarin de schrijver zijn boeren op een kinderlijk eenvoudigen toon laat spreken. Wat Hunne Excellenties betreft, zij waren opgetogen. Wat een allerliefste geschiedenis! Rougon in den steek gelaten door Delestang, wien hij een portefeuille had laten geven, alleen om op hem te kunnen steunen, te midden van de geheime vijandschap van den raad! Zijn collega’s verweten hem zijn onophoudelijke machtsoverschrijding, zijn behoefte om te heerschen die hem er toe bracht hen als ondergeschikte ambtenaren te beschouwen, terwijl hij zich voordeed als den intiemen raadgever, de rechterhand van Zijne Majesteit. En nu zou hij geheel alleen staan! Die Delestang was een man dien men op prijs moest stellen.

—Er staat misschien een enkel woordje in, mompelde de keizer, toen hij met lezen geëindigd had. Maar over het geheel zie ik niet in …. Nietwaar, heeren?

—Doodonschuldig, bevestigden de ministers.

Rougon haalde de schouders op. Toen kwam hij op zijn aanval terug, tegen Delestang alleen. Een paar minuten werd de discussie tusschen hen beiden voortgezet, met korte zinnetjes. De knappe man vatte vuur, werd vinnig. Toen voelde Rougon voor den eersten keer, hoe de grond onder hem begon te wankelen. Plotseling richtte hij zich op en met een heftig gebaar sprak hij den keizer aan.

—Sire, het boek zal door de censuur goedgekeurd worden, omdat Uwe Majesteit in hare wijsheid denkt dat het volstrekt geen gevaar oplevert. Maar ik moet u verklaren, dat het uiterst gevaarlijk zou zijn aan Frankrijk maar de helft van de vrijheden te schenken, die de brave Jacques opeischt …. U hebt mij in zeer moeielijke tijdsomstandigheden tot het bewind geroepen. U hebt mij gezegd, dat ik niet door een misplaatste gematigdheid moest trachten hen, die beefden, gerust te stellen. Ik heb mij geducht gemaakt, volgens uw wenschen. Ik geloof dat ik overeenkomstig uw geringste aanwijzingen gehandeld en u de diensten bewezen heb, die u van mij verwachtte. Zoo iemand mij van te groote ruwheid beschuldigde, zoo men mij verweet misbruik te maken van de macht waarmee Uwe Majesteit mij bekleed heeft, zou een dergelijke blaam, Sire, ongetwijfeld alleen van een tegenstander van uw politiek kunnen komen …. Welnu! geloof het vrij, het maatschappelijk lichaam is nog diep aangetast, ik heb het helaas niet in enkele weken kunnen genezen van de kwalen, die het ondermijnen. De anarchistische hartstochten woeden nog altijd op den bodem van de daemagogie. Ik wil die wond niet blootleggen, de afschuwelijkheid er van overdrijven, maar het is mijn plicht aan het bestaan daarvan te herinneren, ten einde Uwe Majesteit te waarschuwen tegen de edelmoedige opwellingen van zijn hart. Een oogenblik kon men hopen dat de geestkracht van den vorst en de plechtig uitgedrukte wil van het land de afschuwelijke tijdvakken van algemeene verdorvenheid voor altijd in het niet hadden doen zinken. De gebeurtenissen hebben bewezen in welk een treurige dwaling men verkeerd heeft. Ik smeek u, Sire, uit naam van het gansche volk, trek uw machtige hand niet terug. Het gevaar schuilt niet in te groote praerogatieven van de macht, maar in de afwezigheid van repressieve wetten. Indien gij uw hand terugtrekt, zoudt gij het schuim der bevolking zien opbruisen, gij zoudt bestormd worden door revolutionnaire eischen, en uw energieke dienaren zouden u niet meer kunnen verdedigen. Ik neem de vrijheid hierop nadrukkelijk te wijzen, zoo verschrikkelijk zouden de rampen zijn die de dag van morgen ons brengen zou. Een onbelemmerde vrijheid is onmogelijk in een land, waar een partij bestaat, die de beginselen, waarop de regeering gegrondvest is, halsstarrig miskent. Er zullen lange jaren toe noodig zijn eer het absoluut gezag bij iedereen instemming vindt, de herinnering aan vroegeren strijd uit het geheugen wegwischt, zoo onbetwistbaar wordt dat men er over zal kunnen redetwisten. Buiten het autoritaire beginsel in al zijn gestrengheid toegepast, is er geen heil voor Frankrijk te vinden. Den dag waarop Uwe Majesteit het zijn plicht zal achten het volk de onnoozelste vrijheid toe te staan, dien dag zet zij de geheele toekomst op het spel. Eén vrijheid wordt gevolgd door een tweede, dan komt een derde, die alles wegvaagt, instellingen en dynastiën. ’t Is de onverbiddelijke machine, het raderwerk dat een vingertop grijpt, de hand tot zich trekt, den arm verslindt, het lichaam vermorzelt …. En, Sire, nu ik toch de vrijheid neem mijn gevoelen onomwonden over dit onderwerp te zeggen, zal ik er dit nog bijvoegen: het parlementarisme heeft een monarchie gedood, we moeten het geen keizerrijk te dooden geven. Het Wetgevend lichaam speelt reeds een te groote rol. Dat men het nooit nauwer verbinde met de leidende politiek van den souverein; het zou een bron worden van de jammerlijkste discussies. De laatste verkiezingen hebben nog eens weer de eeuwige dankbaarheid van het land bewezen; maar toch zijn er tot zelfs vijf candidaturen geweest, wier schandelijk succès tot een waarschuwing moet strekken. Nu is het de groote kwestie de vorming van een tegenstrevende minderheid te beletten, en vooral, zoo zij zich toch vormt, haar geen wapenen in de hand te geven om het gezag met nog grooter onbeschaamdheid aan te vallen. Een zwijgend parlement is een werkend parlement …. Wat de pers betreft, Sire, zij verandert de vrijheid in bandeloosheid. Sinds mijn benoeming tot minister, lees ik aandachtig de rapporten, en iederen morgen word ik met walging vervuld. De pers is de vergaarbak van alle kwalijkriekende, gistende stoffen. Zij stookt revoluties, zij is de altijd gloeiende haard waaruit de branden voortkomen. Dan alleen kan zij nuttig worden, wanneer men haar heeft weten te temmen; dan kan de regeering haar macht als haar werktuig gebruiken. Ik spreek niet van andere vrijheden, vrijheid van vereeniging, vrijheid van vergadering, vrijheid om alles te doen. Men vraagt er heel eerbiedig om in les Veillées du bonhomme Jacques. Later zal men ze eischen. Dat is mijn schrikbeeld. Laat Uw Majesteit mij goed begrijpen, Frankrijk heeft nog langen tijd behoefte aan den druk van een ijzeren vuist ….

Hij verviel in herhalingen, hij verdedigde zijn macht met stijgende drift. Gedurende bijna een uur ging hij zoo voort, beschut door zijn autoritair beginsel; hij bedekte zich er mee, hulde er zich in, als een man die het weerstandsvermogen van zijn wapenrusting ten volle gebruikt. En ondanks zijn zichtbare opgewondenheid, behield hij genoeg koelbloedigheid om zijn collega’s te bespieden, om op hun gelaat de uitwerking van zijn woorden gade te slaan. Zij zaten onbewegelijk, met bleeke gezichten. Plotseling zweeg hij.

Er ontstond een vrij langdurige stilte. De keizer had zijn vouwbeen weer ter hand genomen.

—Mijnheer de minister van Binnenlandsche zaken ziet den toestand van Frankrijk te donker in, zei eindelijk de minister van Staat. Niets bedreigt nog, mijns inziens, onze instellingen. De orde is volmaakt. Wij kunnen ons verlaten op de hooge wijsheid van Zijne Majesteit. ’t Is zelfs een gebrek aan vertrouwen op haar, wanneer wij vrees zouden laten blijken ….

—Zeker, zeker, mompelden enkele stemmen.

—Ik mag er bijvoegen, zei op zijn beurt de minister van Buitenlandsche zaken, dat Frankrijk nooit meer geëerbiedigd is door geheel Europa. Overal in het buitenland brengt men hulde aan de flinke, waardige politiek van Zijne Majesteit. In de kanselarijen heerscht de algemeene meening dat ons land voor altijd een tijdperk van vrede en grootheid is ingetreden.

Geen van de heeren had overigens lust om het politiek programma, door Rougon verdedigd, te bestrijden. De blikken richtten zich op Delestang. Deze begreep wat men van hem verwachtte. Hij vond enkele phrases. Hij vergeleek het keizerrijk bij een gebouw.

—Zeker, het beginsel van het gezag mag niet aan het wankelen gebracht worden, maar men moet niet stelselmatig de deur sluiten voor de publieke vrijheden …. Het keizerrijk is als een toevluchtsoord, een grootsch, prachtig gebouw, waarvan Zijne Majesteit eigenhandig de onverwoestbare grondslagen heeft gelegd. Nu is Zijne Majesteit nog bezig de muren op te trekken, maar er zal een dag komen, waarop zij na de voleindiging van haar taak, zal moeten denken aan de bekroning van het gebouw en dan ….

—Nooit! viel Rougon hem heftig in de rede. Alles zal instorten.

De keizer hief de hand op om de discussie te doen eindigen. Hij glimlachte, het was alsof hij uit een diep gepeins ontwaakte.

—Goed, goed, zei hij. We zijn van ons onderwerp afgedwaald …. We zullen zien.

En opstaande voegde hij er bij:

—Mijne heeren, het is laat, u kunt op het kasteel ontbijten.

De zitting was geëindigd. De ministers schoven hun fauteuils terug, stonden op en groetten den keizer, die zich met kleine stapjes verwijderde. Maar Zijne Majesteit keerde zich om en mompelde:

—Mijnheer Rougon, een woordje als ik u verzoeken mag.

Terwijl de keizer Rougon naar een vensternis meenam, verdrongen Hunne Excellenties zich aan het andere einde der kamer rondom Delestang. Zij wenschten hem met knipoogjes en veelzeggende glimlachjes geluk, een gemurmel van loftuitingen verhief zich om hem heen. De minister van Staat, een schrander man van veel ervaring, toonde zich bijzonder vleiend; zijn stelregel was dat de vriendschap der domooren geluk aanbrengt. Delestang boog bescheiden en ernstig bij ieder compliment.

—Neen, kom mee, zei de keizer tot Rougon.

En hij nam hem mee naar zijn kabinet, een tamelijk klein vertrek, waar een groot aantal kranten en boeken op de meubelen verspreid lagen. Daar stak hij een cigarette aan, en toonde toen aan Rougon het verkleind model van een nieuw kanon, dat een officier had uitgevonden; het kanonnetje geleek op een stuk speelgoed. Hij nam een zeer welwillenden toon aan, als trachtte hij den minister te toonen dat hij hem nog altijd genegen was. Toch begreep Rougon, dat hij van het een en ander rekenschap zou moeten geven. Hij wou het eerste spreken.

—Sire, zei hij, ik weet met welk een heftigheid men mij bij Uwe Majesteit heeft aangevallen.

De keizer glimlachte zonder te antwoorden. Het hof was inderdaad opnieuw tegen hem gekant. Men beschuldigde hem nu, dat hij misbruik maakte van zijn gezag, en het keizerrijk door zijn ruw optreden compromitteerde. De zonderlingste histories deden over hem de ronde, de gangen van het paleis waren vol anecdotes en klachten, waarvan de echo iederen morgen in het keizerlijke kabinet doordrong.

—Ga zitten, mijnheer Rougon, ga zitten, zei de keizer vriendelijk.

En zelf ook plaats nemende, ging hij voort:

—Men praat mij de ooren doof over allerlei zaken. Ik spreek er liever met u zelf over. Wat is dat toch met dien notaris te Niort, die tengevolge van een arrestatie gestorven is? Een zekere mijnheer Martineau, geloof ik?

Rougon gaf bedaard eenige inlichtingen. Die Martineau had zich een leelijke reputatie bezorgd, ’t was een republikein wiens invloed zeer gevaarlijk in het departement had kunnen worden. Men had hem gearresteerd. Hij was gestorven.

—Ja juist, hij is gestorven, dat is het onaangename van de zaak, hernam de keizer. De oppositie-bladen hebben zich van die gebeurtenis meester gemaakt, zij vertellen ze op een geheimzinnige manier, met halve toespelingen die een betreurenswaardige uitwerking hebben …. Dat alles doet mij zeer leed, mijnheer Rougon.

Hij ging niet verder op de zaak in. Eenige seconden bleef hij zwijgend zitten, met de cigarette tusschen de lippen gedrukt.

—U is onlangs naar Deux-Sèvres gegaan en u hebt daar een feestelijkheid bijgewoond …. Is u wel zeker van de finantieële soliditeit van mijnheer Kahn?

—O, volkomen zeker! riep Rougon uit.

En hij gaf weder inlichtingen. Mijnheer Kahn werd gesteund door een schatrijke Engelsche maatschappij, de spoorwegaandeelen Niort-Angers stonden hoog genoteerd op de Beurs; het was de mooiste operatie die men bedenken kon. De keizer geloofde er blijkbaar niet veel van.

—Men heeft zijn vrees tegenover mij te kennen gegeven, mompelde hij. U begrijpt hoe ongelukkig het zou zijn indien uw naam betrokken zou zijn bij een catastrophe …. Enfin, daar u mij van het tegendeel verzekert ….

Hij liet dat tweede punt varen om tot een derde over te gaan.

—Daar hebt u den prefect van Deux-Sèvres, men is zeer ontevreden over hem, naar men verzekert. Hij moet daar alles onderste boven geworpen hebben. Hij moet bovendien de zoon van een gewezen deurwaarder zijn, die door zijn zonderlinge gedragingen het heele departement van zich doet spreken …. Mijnheer Du Poizat is uw vriend, niet waar?

—Een mijner beste vrienden, Sire.

En daar de keizer opgestaan was, stond Rougon insgelijks op.

De eerste ging naar een venster, en kwam toen weer terug, lichte rookwolkjes uitblazend.

—U hebt veel vrienden, mijnheer Rougon, zei hij met een fijn lachje.

—Ja Sire, heel veel! antwoordde de minister ronduit.

Tot dusver had de keizer klaarblijkelijk de babbelpraatjes van het kasteel, de beschuldigingen van zijn omgeving overgebracht. Maar hij kende ongetwijfeld andere histories, feiten die het hof niet kende, waarvan zijn particuliere agenten hem onderricht hadden, en waaraan hij een veel grooter gewicht hechtte; hij dweepte met het bespiedingsstelsel van de geheime politie. Een oogenblik keek hij Rougon met een vagen glimlach aan; daarop sprak hij vertrouwelijk, als iemand die zich amuseert:

—O, ik heb meer gehoord dan mij lief was …. Nog een ander feit. U hebt op uw bureau een jongmensch aangenomen, den zoon van een kolonel, ofschoon hij het vereischte diploma niet heeft kunnen overleggen. Dat is niet van zooveel beteekenis, dat weet ik wel. Maar als u eens wist wat een drukte er over die dingen gemaakt wordt!…. Men ergert de menschen door zulke dwaasheden. ’t Is een zeer slechte politiek.

Rougon antwoordde niets. Zijn Majesteit had nog niet uitgesproken. Hij opende zijn mond, zocht naar een geschikte inkleeding; het scheen alsof hij verlegen was met hetgeen hij nu te zeggen had. Eindelijk kwam het, hortend en stootend.

—Ik wil u niet spreken over dien bode, een van uw beschermelingen, een zekere Merle, niet waar? Hij is vaak dronken, hij is onbeschoft, het publiek en de ambtenaren klagen over hem …. Dat alles is zeer onaangenaam, zeer onaangenaam.

Daarop de stem verheffende, zei hij plotseling:

—U hebt te veel vrienden, mijnheer Rougon. Al die lieden doen u nadeel. U zoudt uzelven een dienst bewijzen, als u met ze brak …. Kom, beloof mij dat u mijnheer Du Poizat zult ontslaan en dat u de anderen laat loopen.

Rougon was onverstoorbaar kalm gebleven. Hij boog en zei op gevoelvollen toon:

—Sire, ik vraag integendeel aan Uwe Majesteit het ordeteeken van officier voor den prefect van Deux-Sèvres …. Ik heb bovendien nog verscheidene gunsten te vragen ….

Hij haalde een agenda te voorschijn en vervolgde:

—Mijnheer Béjuin smeekt Uwe Majesteit als een gunstbewijs op Uwer Majesteits reis naar Bourges zijn fabriek van kristalwerken te Saint-Florent te willen bezoeken …. Kolonel Jobelin verzoekt een betrekking in de keizerlijke paleizen ….

De bode Merle herinnert er aan dat hij de militaire médaille draagt, hij vraagt om een tabaksdépôt voor een van zijn zusters ….

—Is dat alles? vroeg de keizer, die weer glimlachte. U is een heldhaftig beschermer. Uw vrienden moeten u op de handen dragen.

—Neen Sire, zij ondersteunen mij, zei Rougon met zijn ruwe openhartigheid.

Dat gezegde scheen den keizer te treffen. Rougon had daar het heele geheim van zijn trouw geopenbaard; zoodra hij zijn invloed ongebruikt liet, zou zijn invloed verdwenen zijn; en ondanks de ontevredenheid en het verraad van zijn aanhangers, zag hij zich genoodzaakt, wilde hij zelf gezond blijven, ook hun gezondheid te onderhouden. Hoe meer hij voor zijn vrienden verkreeg, hoe grooter en onverdiender de gunstbewijzen schenen, hoe sterker hij was. Eerbiedig, maar met een bijzonderen nadruk voegde hij er bij:

—Ik wensch van harte dat Uwe Majesteit, voor de grootheid van zijn rijk, lang in het bezit moge blijven van de verknochte dienaren die hem geholpen hebben het keizerrijk te herstellen.

De keizer glimlachte niet meer. Peinzend en met terneergeslagen blik liep hij eenige schreden op en neer; hij scheen op eens bleek en huiverig geworden. In die mystieke natuur drongen de voorgevoelens zich met buitengewone kracht op. Hij maakte een einde aan het gesprek, om niet genoodzaakt te zijn een besluit te nemen, de vervulling van zijn verlangen tot later uitstellende. Op nieuw toonde hij zich zeer minzaam. Hij kwam zelfs terug op de discussie die in de raadsvergadering had plaats gehad; hij scheen Rougon gelijk te geven, nu hij kon spreken zonder zich te veel te verbinden. Het land was zeker niet rijp voor de vrijheid. Lang nog zou er een energieke hand noodig zijn om aan de zaken een flinken gang, zonder zwakheid, te verleenen. En hij eindigde met den minister de hernieuwde verzekering van zijn vertrouwen te geven; hij liet hem volle vrijheid van handelen, en bekrachtigde al zijn vroegere instructiën. Intusschen meende Rougon te moeten aanhouden.

—Sire, zei hij, ik kan de speelbal niet zijn van een kwaadwillige, ik heb behoefte aan een vasten grond onder mij om de zware taak te volvoeren, waarvoor ik verantwoordelijk word gesteld.

—Mijnheer Rougon, antwoordde de keizer, ga zonder vrees voort, ik ben met u.

En het onderhoud afbrekende, wendde hij zich naar de deur van het kabinet, gevolgd door den minister. Zij gingen verscheidene kamers door om de eetzaal te bereiken. Maar toen hij op het punt stond daar binnen te gaan, keerde de keizer zich om en voerde Rougon in een hoekje van de galerij.

—Dus, vroeg hij halfluid, stemt u met het stelsel van mijnheer den grootzegelbewaarder niet in? Ik had gaarne gewenscht dat u dat ontwerp gunstig gezind waart geweest. Bestudeer de kwestie nog eens.

Daarop, zonder antwoord af te wachten, voegde hij er met zijn kalme stijfhoofdigheid bij:

—Er is geen haast bij. Ik zal wachten. Desnoods over tien jaar.

Na het ontbijt, dat ternauwernood een half uur duurde, gingen de ministers naar een klein salon, waar de koffie rondgediend werd. Zij bleven daar nog een oogenblik rondom den keizer staan praten. Clorinde, die ook bij de keizerin ontbeten had, kwam haar man halen, met de onbeschroomde manieren van een vrouw die zich veel in politieke kringen beweegt. Zij reikte enkelen heeren de hand. Allen verdrongen zich om haar, en begonnen over andere onderwerpen te spreken. Maar Zijne Majesteit toonde zich zoo galant voor de jonge vrouw, hij kwam zoo dicht bij haar staan, met uitgerekten hals en schuinschen blik, dat Hunne Excellenties zich uit bescheidenheid een eindweegs verwijderden. Vier, en daarna nog drie, begaven zich door een openstaande deur naar het terras van het kasteel. Welstaanshalve bleven er twee in het salon.

De minister van Staat met een minzame uitdrukking op zijn aristocratisch gelaat, had Delestang meegetroond; en op het terras staande wees hij hem Parijs, in de verte. Rougon verdiepte zich ook in de beschouwing van de groote stad, die als een afbrokkeling van blauwachtige wolken zich aan gene zijde van het onmetelijke groene veld van het bois de Boulogne aan den horizon vertoonde.

Clorinde was dien morgen zeer mooi. Even achteloos als altijd gekleed, met haar bleeke kersroode sleepjapon, leek het of zij haar kleeren in de haast had vastgemaakt, onder den prikkel van de een of andere begeerte. Haar armen hingen langs haar zijde; zij lachte, scheen zich aan te bieden. Op een bal bij den minister van Marine had zij als „Dame de Cœur,” met diamanten om haar hals, haar polsen en haar knieën, het hart van den keizer veroverd; sedert dien avond scheen zij zijn vriendin te blijven, eenvoudig gekscherende wanneer Zijn Majesteit zich verwaardigde haar mooi te vinden.

—Zie eens, mijnheer Delestang, zei de minister van Staat tot zijn collega, daar aan uw linkerhand, hoe mooi zachtblauw de koepel van het Pantheon zich vertoont.

Terwijl de echtgenoot opgetogen keek, trachtte de minister door de open terrasdeur een blik in het kleine salon te werpen. De keizer sprak, ietwat voorover gebogen over het gelaat van de jonge vrouw, die zich met een welluidenden lach achterover boog als om hem te ontsnappen. Er viel niets te onderscheiden dan het profiel van Zijne Majesteit, een lang oor, een groote roode neus, een dikke mond, die verloren ging onder den trillenden knevel; in het half zichtbare gedeelte van wang en ooghoek schitterde een vlam van begeerte, de zinnelijke lust van een man die door den geur eener vrouw bedwelmd wordt. Clorinde, prikkelend en verleidend, weigerde met een onmerkbaar hoofdschudden, terwijl zij bij elk van haar lachjes de begeerte, die zij met zooveel overleg had opgewekt, door haar adem aanblies.

Toen Hunne Excellenties in het salon terugkeerden, zei de jonge vrouw, opstaande, zonder dat men kon weten waarop haar antwoord doelde:

—O Sire, vertrouw daar niet op, ik ben zoo koppig als een ezel.

Rougon ging, ondanks zijn oneenigheid, met Delestang en Clorinde naar Parijs terug. Zij scheen het weer goed bij hem te willen maken. Ze toonde niet meer dat zenuwachtige ongeduld, dat haar tot onaangename opmerkingen had gedreven; nu en dan keek zij hem zelfs met een soort van vriendelijke meewarigheid aan. Toen de landauer in het zonnige bosch langzaam langs den vijver reed, strekte zij zich gemakkelijk uit en fluisterde met een zucht van genot:

—Wat een mooie dag, hè!

Nadat ze een poosje in gedachten had gezeten, vroeg zij haar man:

—Zeg, is je zuster, mevrouw de Combelot, nog altijd op den keizer verliefd?

—Henriëtte is gek! zei Delestang, de schouders ophalend.

Rougon gaf enkele inlichtingen.

—Ja, nog altijd, zei hij. Men zegt dat zij den keizer op een avond te voet is gevallen …. Hij heeft haar opgericht, haar aangeraden te wachten ….

—Ja, laat haar maar wachten, riep Clorinde vroolijk uit. Er zullen haar anderen voor zijn.