WeRead Powered by ReaderPub
Zijn Excellentie Eugène Rougon cover

Zijn Excellentie Eugène Rougon

Chapter 11: XI.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel chronicles the rise and exercise of power by an ambitious political figure, portraying strategic maneuvering, alliances, and compromises within formal institutions and social salons. It interweaves detailed scenes of parliamentary sessions, bureaucratic routine, and intimate gatherings to show how personal ambition, patronage, and public spectacle sustain authority. Through realistic depiction of procedural rituals, whispered intrigues, and the characters who orbit the central figure, the narrative examines themes of power, influence, corruption, and the intersection of private motives with public roles, yielding a clinical portrait of political life under a dominant regime.

XI.

Clorinde’s macht begon zich op dit tijdstip met haar zonderlinge manieren te ontwikkelen. Zij bleef het excentrieke meisje, dat Parijs op een huurpaard doortrok om een echtgenoot te zoeken, maar het groote meisje was nu vrouw geworden, met een breede buste en stevige heupen, die op de kalmste wijze voortging de buitengewoonste dingen te doen, die haar lang gekoesterden wensch om iets te beteekenen, verwezenlijkt had. Haar eindelooze tochten naar afgelegen wijken, haar briefwisseling die de vier hoeken van Frankrijk en Italië met brieven overstroomde, de voeling die zij voortdurend onderhield met politieke personen in wier vertrouwen zij zich drong, al die schijnbaar stelsellooze bedrijvigheid was eindelijk uitgeloopen op een werkelijken, onbetwistbaren invloed. Zij liet nog wel eens dwaze plannen, buitensporige verwachtingen hooren, wanneer zij ernstig aan het spreken was; zij droeg nog overal haar groote, gebarsten portefeuille als een pop in haar armen mee, met zoo’n overtuiging, dat de voorbijgangers moesten glimlachen, wanneer zij haar zoo met lange, morsige rokken zagen voorbijgaan. Toch raadpleegde men haar, men vreesde haar zelfs. Niemand had met juistheid kunnen zeggen waaraan zij haar macht ontleende; de bronnen waren zoo menigvuldig, zoo verwijderd, zoo onzichtbaar, dat het moeielijk viel ze te ontdekken. Men wist hoogstens enkele anekdotes, stukjes en brokjes van allerhande geschiedenissen, die men elkander toefluisterde. Het geheel van deze zonderlinge figuur loste zich op in een verwarde verbeelding, een gezond verstand dat aangehoord en gehoorzaamd werd, een heerlijk gevormd lichaam, waarin misschien het eenige geheim van haar macht school. Trouwens, wat kwam het er op aan waarop Clorinde’s macht berustte? Het was voldoende dat zij heerschte, en men boog voor haar.

Het was voor de jonge vrouw een tijdvak van overheersching. Haar kleedkamer, waar slecht afgedroogde waschkommen slingerden, was het centrum der politiek van alle Europeesche hoven. Langs kanalen die onbekend bleven, ontving zij nog vóor de gezanten allerlei tijdingen, uitgewerkte rapporten, waarin de minste polsslagen in het leven der gouvernementen vooruit werden aangekondigd. Zij hield dan ook een hof, bankiers, diplomaten, intieme kennissen, die kwamen om iets van haar te weten te komen. De bankiers vooral toonden zich echte hovelingen. Een hunner had zij in éen dag honderd millioen francs laten winnen, enkel door de vertrouwelijke mededeeling dat er een verandering van ministerie in een naburigen staat op til was. Zij versmaadde al dat handel drijven van de lagere politiek; zij liet alles los wat zij wist, de babbelpraatjes van de diplomatie, de internationale beuzelingen uit de hoofdsteden, alleen om te kunnen praten en om te toonen dat zij op alle steden tegelijk het oog hield, op Turijn, Weenen, Madrid, Londen, tot zelfs op Berlijn en St. Petersburg; dan vloeide er een onuitputtelijke stroom van inlichtingen over de gezondheid der koningen, hun liefdesbetrekkingen, hun gewoonten, over het politieke personeel van ieder land, over de chronique scandaleuse van het kleinste Duitsche hertogdom. Zij beoordeelde de staatslieden met een enkel woord, sprong zonder overgang van het Noorden op het Zuiden, roerde achteloos met haar vingertoppen de koninkrijken aan, leefde er in alsof zij thuis was, alsof de uitgestrekte aarde met haar steden en haar volkeren in een speelgoeddoos geborgen was, waarin zij naar willekeur de bordpapieren huisjes en houten mannetjes verschikte. En als zij, van al dat gebabbel vermoeid, zweeg, klapte zij met haar duim tegen haar middelvinger, een gebaar dat haar eigen was, en waarmee zij te kennen wilde geven dat dit alles geen zier waard was.

Voor het oogenblik werd haar aandacht, te midden van haar menigvuldige bezigheden, hoofdzakelijk geboeid door een hoogstgewichtige zaak, waarover zij haar best deed niet te spreken, zonder zich echter het genoegen te kunnen ontzeggen er nu en dan op te zinspelen. Zij wilde Venetië veroveren. Wanneer zij van den grooten Italiaanschen minister sprak, zei zij heel gemeenzaam „Cavour”. Dan heette het „Cavour wou niet, maar ik wou wel, en hij heeft toegegeven”. Zij sloot zich ochtend en avond met ridder Rusconi in de legatie op. Trouwens, „de zaak” marcheerde nu heel goed. En kalm, haar smal godinnenvoorhoofd achterover werpend, in een soort van somnabulisme sprekend, liet zij zich woorden zonder verband, halve bekentenissen ontvallen: een geheime samenkomst van den keizer met een buitenlandsch staatsman, het ontwerp van een alliantie-tractaat waarvan enkele artikelen nog besproken moesten worden, een oorlog tegen het volgende voorjaar. Op andere dagen weer was zij woedend; zij schopte tegen de stoelen in haar kamer en zette de waschkommen zoo hardhandig neer, dat zij bijna braken; het leek de toorn eener koningin, die door domme ministers verraden wordt en haar koninkrijk van kwaad tot erger ziet vervallen. Op zulke dagen strekte zij tragisch haar prachtigen blooten arm met gesloten vuist, naar den kant van Italië uit, met den uitroep: O, als ik daarginds was, zouden ze zooveel domheden niet uithalen!

De beslommeringen van de hoogere politiek beletten Clorinde niet allerlei bezigheden tegelijk te verrichten, waarin zij ten slotte zelf geen weg meer wist te vinden. Men vond haar menigmaal op haar bed zitten, met den inhoud van haar groote brieventasch op de dekens uitgespreid, tot aan de ellebogen in dien stapel papieren begraven, radeloos van kwaadheid; zij kon niet wijs worden uit dien berg van losse papieren, of ze zocht naar een weggeraakt dossier, dat zij eindelijk achter een kast, onder haar oude schoenen of tusschen haar vuil linnengoed terugvond. Wanneer zij uitging om een zaak af te handelen, wikkelde zij zich onderweg in twee of drie nieuwe avonturen. Zij leefde in een voortdurende opwinding, in een warnet van de ingewikkeldste, onbegrijpelijkste intriges. Wanneer zij ’s avonds, na den heelen dag door Parijs gedwaald te hebben, met knieën stijf van het trappen klimmen, thuiskwam en tusschen de plooien van haar rokken de moeielijk te omschrijven geuren uit de omgevingen waarin zij verkeerd had, meebracht, had niemand ook maar voor de helft kunnen vermoeden, hoeveel zaken zij in alle hoeken van de stad gedreven had; en als men er haar naar vroeg, begon zij te lachen, wist zij het zelf niet.

Om dezen tijd kreeg zij den zonderlingen inval haar intrek in een „cabinet particulier” van een der grootste restauraties op den boulevard te nemen. Het hôtel van de rue du Colisée, zei ze, was overal even ver vandaan; ze had liever een optrekje in het centrum der stad, en zij richtte het cabinet particulier tot haar kantoor in. Daar ontving zij twee maanden lang de hoogste personnages. Ambtenaren, gezanten, ministers meldden zich daar aan. Zij, volkomen thuis, verzocht hen plaats te nemen op de sofa, die nog de indrukken vertoonde van de dames, die er bij het laatste carnaval gesoupeerd hadden. Zelf bleef zij voor de altijd gedekte tafel staan, vol broodkruimels en papieren. Zij kampeerde er als een generaal. Op een avond, toen zij zich ongesteld voelde, was zij rustig te bed gaan liggen in de zolderkamer van den oberkellner, die haar bediende, een flinken jongen man, door wien zij zich liet zoenen. Tegen middernacht ging zij eerst naar huis.

Met dat al was Delestang een gelukkig man. Hij scheen de zonderlinge gewoonten van zijn vrouw niet op te merken. Zij had hem nu geheel in haar macht, zij beschikte over hem naar willekeur, zonder dat hij aan een tegenwerping dacht. Zijn geaardheid maakte hem voor dat juk voorbeschikt. Hij bevond zich te goed bij die overgave van zijn eigen wil, dan dat hij ooit zou trachten zich te verzetten. Op de dagen waarop zij hem bij zich toegelaten had, bewees hij allerlei kleine diensten bij het opstaan; hij zocht overal onder de meubels naar haar laarsjes van verschillende paren, haalde het linnengoed in een kast overhoop om een hemd zonder gaten te vinden. Het was hem voldoende indien hij zich voor de wereld met een glimlach op het gelaat kon vertoonen. Men kreeg bijna respect voor hem, wanneer hij met een opgeruimd gezicht vol liefdevolle bescherming over zijn vrouw sprak. Clorinde, oppermachtige heerscheres geworden, was op het denkbeeld gekomen om haar moeder uit Turijn terug te laten komen; zij wenschte dat de gravin de Balbi voortaan zes maanden van het jaar bij haar zou doorbrengen. ’t Was een plotselinge losbarsting van kinderlijke teederheid. Ze haalde een heele verdieping van het hôtel overhoop om de oude dame zoo dicht mogelijk bij haar eigen vertrekken te huisvesten. Zij kwam zelfs op het idee van een verbindingsdeur, waardoor zij uit haar kleedkamer in het slaapvertrek van haar moeder kon komen. Vooral tegenover Rougon stalde zij haar genegenheid uit met een Italiaansche overdrevenheid van liefkoozende termen. Hoe had ze ooit kunnen goedvinden zoo lang van de gravin gescheiden te blijven, zij die haar voor haar huwelijk nooit een uur alleen gelaten had? Zij beschuldigde zich van hardvochtigheid. Maar zij kon het niet helpen, ze was gezwicht voor raadgevingen, voor een beweerde noodzakelijkheid, die zij nu nog niet inzag. Rougon bleef volkomen bedaard. Hij hield geen zedepreeken meer, trachtte ook niet meer haar tot een der gedistingeerdste dames van Parijs te maken. Vroeger had zij de ledigheid van zijn bestaan aangevuld, toen zijn bloed door het nietsdoen in gisting geraakte, de zinnelijke begeerten in zijn rustende worstelaarsleden opgewekt werden. Nu in den strijd des levens, dacht hij niet meer aan die dingen; zijn beetje zinnelijkheid ging op in zijn veertienurige dagtaak. Hij bleef vriendelijk met haar omgaan, met dat zweempje minachting dat hij tegenover vrouwen placht te toonen. Toch kwam hij haar van tijd tot tijd bezoeken, met een flikkering van den ouden, nooit voldanen hartstocht in de oogen. Zij bleef zijn ondeugd, de eenige vrouw die hem zijn kalmte kon benemen. Sedert Rougon het ministerie bewoonde, waar zijn vrienden tot hun spijt geen gezellige samenkomsten met hem konden houden, was Clorinde op het denkbeeld gekomen om den troep bij zich aan huis te ontvangen. Langzamerhand werd het een gewoonte. En om beter te doen uitkomen, dat haar soirées die van de rue Marbeuf vervingen, koos zij eveneens den Zondag en den Donderdag. Maar in de rue du Colisée bleef men tot één uur in den nacht bijeen. Zij ontving in haar boudoir, daar Delestang altijd, uit vrees voor vetvlekken, de sleutels van het groote salon onder zijn berusting hield. Daar het boudoir zeer klein was, liet zij haar slaapkamer en haar kleedkamer open, zoodat men meestal in de kamer zat, midden tusschen de prullen die overal rondslingerden.

’s Zondags en Donderdags, was Clorinde er altijd op bedacht vroeg genoeg thuis te komen om haastig te dineeren en de honneurs waar te nemen. Maar ofschoon zij er altijd aan trachtte te denken, had zij toch twee keeren haar gasten geheel vergeten, zoodat zij uiterst verbaasd was zooveel menschen om haar bed te zien, toen zij na middernacht thuis kwam. Op een Donderdag, in de laatste dagen van Mei, kwam zij bij uitzondering tegen vijf uur thuis; zij was te voet uitgegaan en van af de place de la Concorde was zij onder een stortbui voortgeloopen, zonder het van zich te kunnen verkrijgen dertig sous voor een rijtuig uit te geven om haar de Champs-Elysées over te brengen. Druipnat ging zij onmiddellijk naar haar kleedkamer, waar haar kamenier Antonia, de lippen geheel met confituren besmeerd, haar uitkleedde, terwijl zij hartelijk lachte om die natte kleeren, waaruit het water op den vloer afdroop.

—Er is een heer voor u, zei Antonia eindelijk, toen zij op den grond was gaan zitten om Clorinde’s laarsjes uit te trekken. Hij wacht al een uur lang.

Clorinde vroeg haar hoe de heer er uitzag. De heer was dik, bleek en zag er deftig uit, verklaarde de kamenier, die met haar slordig kapsel en vette japon nog steeds op den grond zat.

—O, jawel, mijnheer de Reuthlinguer, de bankier, riep de jonge vrouw uit. Dat is zoo, hij zou om vier uur komen. Nu, laat hem wachten …. Maak een bad voor me klaar, wil je?

En zij strekte zich bedaard in de badkuip uit, achter een gordijn in een hoek van de kamer. Daar las zij de brieven die in haar afwezigheid bezorgd waren. Na een groot half uur verscheen Antonia weer en mompelde:

—Die mijnheer heeft mevrouw zien thuis komen. Hij wou haar graag spreken.

—Hé ja, ik had den baron al vergeten! zei Clorinde, die in de badkuip overeind ging staan. Kleed me maar vlug aan.

Maar zij was dien avond moeielijk te voldoen met haar toilet. Ofschoon zij haar uiterlijk meestal veronachtzaamde, had zij soms buien, waarin zij haar lichaam als het ware verafgoodde. Dan vond zij, naakt voor haar spiegel staande, allerlei verfijningen uit, zij liet zich de ledematen met zalfjes wrijven, met balsems, aromatische oliën, die zij alleen kende; zij had ze te Konstantinopel gekocht, bij den parfumeur van het serail, zei ze, door bemiddeling van een Italiaanschen diplomaat dien zij kende. En terwijl Antonia haar inwreef, nam zij de houding van een standbeeld aan. Dat zou haar huid blank, zacht en duurzaam als marmer maken; een zekere olie, waarvan zij zelf de druppels op een lapje flanel uittelde, had de wonderbaarlijke eigenschap de kleinste rimpels weg te nemen. Daarop verdiepte zij zich in een nauwkeurig onderzoek van haar handen en voeten. Ze had zoo een dag lang kunnen doorbrengen in zelfaanbidding.

Maar na verloop van drie kwartier, toen Antonia haar een hemd en een onderrok had aangedaan, kwam zij plotseling tot bezinning.

—O ja, de baron!…. Och, laat hem maar binnenkomen! Hij weet wel hoe een vrouw er uitziet.

Mijnheer de Reuthlinguer had al meer dan twee uren geduldig zitten wachten. De bleeke, koude, streng zedelijke bankier, die een der grootste fortuinen van Europa bezat, wachtte aldus, sedert eenigen tijd, een paar malen per week bij Clorinde. Hij ontving haar zelfs bij zich aan huis, in die kiesche, strenge omgeving, waar het dienstbodenpersoneel ontzet stond over het onwelvoegelijke van Clorinde’s kleeding en manieren.

—Bonjour, baron! riep zij. Ik word gekapt, kijk u maar niet naar mij.

Zij zat half naakt, haar hemd was van de schouders gegleden. De baron lachte toegevend met zijn bleeke lippen; en hij stond naast haar, met koele, heldere oogen, uiterst beleefd buigend.

—U komt om het nieuws, niet waar?…. Ik weet juist iets.

Zij stond op en zond Antonia heen, die de kam in haar haren liet zitten. Zij was zeker nog bang dat men haar hooren zou, want zij legde de hand op den schouder van den bankier, ging op haar teenen staan en fluisterde hem iets toe. De bankier had, terwijl hij luisterde, de oogen op haar boezem gevestigd, maar scheen er niet op te letten, hij knikte levendig met het hoofd.

—Ziedaar, besloot zij hardop. Nu kunt ge uw gang gaan.

Hij vatte haar weer bij haar arm, trok haar naar zich toe om haar nog enkele uitleggingen te vragen. Tegenover een zijner klerken had hij zich niet meer op zijn gemak kunnen voelen. Toen hij haar verliet, vroeg hij haar tegen den volgenden dag ten eten; zijn vrouw vond het zoo vervelend dat hij haar niet zag. Zij vergezelde hem tot aan de deur. Maar plotseling kruiste zij haar armen over haar borst en riep blozend uit:

—Dat is ook wat, ik ga maar zoo met u mee!

Toen voer zij uit tegen Antonia. Dat meisje was zoo langzaam. En zij gunde haar nauwelijks den tijd om haar te kappen; ze zei dat ze niet graag zooveel tijd aan haar toilet besteedde. Ondanks het seizoen wou zij een lange zwartfluweelen japon aantrekken, een losse blouse met een rood zijden koord om de taille gesloten. Tweemaal had men mevrouw al komen waarschuwen dat het diner gereed was. Maar terwijl zij haar kamer doorging, vond zij er drie heeren, van wier aanwezigheid niemand iets scheen te weten. Het waren de drie politieke uitgewekenen de heeren Brambilla, Staderino en Viscardi. Zij liet volstrekt geen verbazing blijken toen zij ze daar zag.

—Wacht u mij al lang? vroeg zij.

—Ja, ja, antwoordden zij, langzaam met het hoofd wiegelend.

Zij waren al vóor den bankier gekomen. Naast elkander op dezelfde sofa gezeten, kauwden zij groote uitgedoofde sigaren, alle drie in dezelfde houding. Nu echter stonden zij op en omringden Clorinde. Zachtjes werd er nu een haastig gesprek in het Italiaansch gevoerd. Zij scheen hun instructies te geven. Een hunner maakte aanteekeningen in cijferschrift in een zakboekje, terwijl de anderen, blijkbaar zeer opgewonden door hetgeen zij hoorden, lichte kreten onder hun gehandschoende vingers smoorden. Toen gingen zij achtereenvolgens met een ondoorgrondelijk gezicht de kamer uit.

Dien Donderdag zou er ’s avonds een conferentie tusschen verscheidene ministers plaats hebben over een belangrijke zaak. Delestang beloofde Rougon mee te brengen, maar zij trok een ontstemd gezicht, als om hem te kennen te geven dat zij er volstrekt niet op gesteld was hem te zien. Er was nog geen bepaalde breuk, maar zij hield zich hoe langer hoe koeler tegenover Rougon.

Tegen negen uur kwamen mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin het eerst, kort daarop gevolgd door mevrouw Correur. Zij vonden Clorinde in haar kamer, op een chaise longue uitgestrekt. Zij klaagde over een van die onbekende, buitengewone kwalen, die haar soms plotseling overvielen, ditmaal had zij bepaald een vlieg ingeslikt; ze voelde het insekt in haar maag rondvliegen. In haar ruime zwartfluweelen blouse tegen drie kussens geleund, met haar bleek gelaat en haar ontbloote armen was zij als een van die liggende figuren, die in peinzende houding tegen de monumenten aanleunen. Aan haar voeten tokkelde Luigi Pozzo zachtjes op een gitaar; hij had de schilderkunst in den steek gelaten voor de muziek.

—U wilt zeker wel gaan zitten, mompelde ze. U zult me, hoop ik, verontschuldigen. Ik heb op de een of andere manier een dier naar binnen gekregen.

Pozzo ging voort op zijn gitaar te tokkelen, terwijl hij met een verrukt gezicht, als verzonken in een aanschouwing, zachtjes daarbij zong. Mevrouw Correur schoof een stoel naast de jonge vrouw. Mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin vonden na eenig zoeken een paar onbezette stoelen. Het was niet gemakkelijk een plaats te vinden, want de vijf of zes stoelen in de kamer waren bijna onzichtbaar onder de stapels rokken. Toen kolonel Jobelin en zijn zoon Auguste zich vijf minuten later aanmeldden, moesten zij blijven staan.

—Kleine, zei Clorinde tot Auguste, dien zij nog altijd, ondanks zijn zeventien jaren, tutoyeerde, ga jij eens twee stoelen uit de kleedkamer halen.

Het waren rieten stoelen, waarvan de leuningen geheel dof waren door de natte doeken die er altijd op gelegd werden. Een enkele lamp, waarover een rose papieren kap, verlichtte de kamer; een andere stond in de kleedkamer en een derde in het boudoir; door de halfgeopende deuren zag men schemerachtige hoekjes, duistere plekjes waar nachtlichtjes schenen te branden. De kamer zelve, waarvan het behangsel vroeger zacht mauvekleurig was, maar nu vuil grijs geworden was, zag er uit alsof zij vol damp was; men onderscheidde ternauwernood de afgescheurde hoekjes aan de fauteuils, de stof die op de meubelen lag, een groote inktvlek midden op het tapijt, inktspatten tegen het houtwerk; de gordijnen van het bed achterin waren dicht geschoven, opdat men de wanorde der dekens niet zien zou. En in dat halfduister steeg er een geur omhoog, alsof alle reukfleschjes van de kleedkamer ongekurkt waren blijven staan. Clorinde wou volstrekt niet, zelfs niet in het warmste weer, dat de ramen geopend werden.

—’t Ruikt hier verbazend lekker, zei mevrouw Correur om haar iets vriendelijks te zeggen.

—Dat ben ik zelf, antwoordde de jonge vrouw naïef.

En zij sprak over de essences, die zij van den parfumeur der sultanes ontving. Zij hield haar blooten arm onder den neus van mevrouw Correur. Haar zwart fluweelen blouse was wat afgegleden; haar voeten, in roode pantoffeltjes gestoken, waren zichtbaar. Pozzo, half bedwelmd door de sterke geuren die uit haar opstegen, tokkelde zachtjes met den duim op zijn instrument.

Na weinige minuten kwam het gesprek intusschen op Rougon, zooals dat iederen Donderdag en Zondag het geval was. Het troepje kwam uitsluitend bijeen om dat eeuwigdurend onderwerp uit te putten, een geheime, steeds aangroeiende wrok, een behoefte om hun gemoed lucht te geven in eindelooze beschuldigingen. Clorinde gaf zich zelfs de moeite niet meer om ze aan te hitsen; zij brachten steeds nieuwe grieven te berde, ontevreden, jaloersch en verbitterd als zij waren door al wat Rougon voor hen gedaan had. Een koorts van ondankbaarheid woelde in hen.

—Hebt u den dikke vandaag gezien? vroeg de kolonel.

Nu was Rougon niet meer „de groote man”.

— Neen, antwoordde Clorinde. We zullen hem van avond misschien zien. Mijn man wil hem met alle geweld meebrengen.

—Ik ben vanmiddag in een koffiehuis geweest waar men een heel scherp oordeel over hem uitsprak, hernam de kolonel na een korte stilte. Men verzekerde dat hij niet vast meer stond, dat hij het geen twee maanden meer zou uithouden.

Mijnheer Kahn maakte een gebaar van minachting en zei:

—En ik geef hem geen drie weken meer. Rougon is geen man om te regeeren zie je, hij is te veel belust op macht, hij raakt er door bedwelmd en dan slaat hij er links en rechts op los: hij regeert met stokslagen, met een weerzinwekkende ruwheid. Kortom, sedert vijf maanden heeft hij schandelijke dingen bedreven ….

—Ja, ja, viel de kolonel hem in de rede, allerlei machtsmisbruiken, onrechtvaardigheden, dwaasheden …. Hij maakt wezenlijk misbruik.

Mevrouw Correur zei niets, maar maakte een gebaar alsof zij zeggen wou dat zijn hoofd niet al te sterk was.

—Dat is het, hernam mijnheer Kahn, haar gebaar opmerkend. Hij is wat zwak van hoofd, hè?

En daar men hem aankeek, meende mijnheer Béjuin ook een woordje te moeten meespreken.

—O, Rougon is niet sterk, heelemaal niet sterk!

Clorinde, met het hoofd achterover op de kussens geleund, keek naar den lichtenden kring van de lamp tegen het plafond, en liet ze begaan. Toen zij zwegen, zei zij op haar beurt, om ze aan te hitsen:

—Hij heeft zonder twijfel misbruik gemaakt, maar hij beweert al wat men hem verwijt, gedaan te hebben met het eenige doel om zijn vrienden te verplichten …. Ik sprak er laatst nog met hem over. De diensten die hij u bewezen heeft ….

—Ons, ons! riepen zij alle vier woedend.

Zij spraken allen dooreen, maar mijnheer Kahn schreeuwde het hardst.

—De diensten die hij mij bewezen heeft! Wat een dwaasheid!…. Ik heb bijna twee jaar op mijn concessie moeten wachten. Dat heeft me geruïneerd. De zaak, die prachtig was, is zeer bezwarend geworden …. Als hij zooveel van mij houdt, waarom komt hij me dan niet te hulp! Ik heb hem verzocht aan den keizer een wet te vragen, waarbij ik mijn maatschappij met die van den Wester-spoorweg zou kunnen samensmelten; hij heeft me geantwoord dat ik moest wachten …. De diensten van Rougon, die zou ik eens willen zien! Hij heeft nooit iets gedaan, en hij kan niets meer doen!

—En ik, en ik, hernam de kolonel, met een gebaar het woord van mevrouw Correur afsnijdend, en ik, denkt u soms dat ik hem iets te danken heb? Hij spreekt toch niet over het commandeurskruis, dat mij al sedert vijf jaar beloofd is?…. Hij heeft Auguste op het ministerie geplaatst, dat is waar; maar daar heb ik spijt genoeg van gehad. Als ik Auguste in den handel gedaan had, zou hij nu al het dubbele verdienen …. Die ezel van een Rougon heeft me gisteren verklaard dat Auguste in de eerste anderhalf jaar geen opslag kan krijgen. Als hij op die manier zijn krediet ruïneert om zijn vrienden te helpen!

Mevrouw Correur kon eindelijk ook eens haar gemoed lucht geven. Zij had zich naar Clorinde overgebogen.

—Zeg eens, mevrouw, hij heeft mij toch niet opgenoemd? Ik heb niet zóoveel van hem ontvangen. Ik moet de kleur van zijn weldaden nog zien. Dat kan hij niet eens zeggen, en als ik spreken wou …. Ik heb voor verscheidene dames onder mijn kennissen moeite gedaan, dat wil ik niet ontkennen; ik bewijs iemand graag een dienst. Nu, één opmerking heb ik gemaakt: al wat hij toestaat, loopt verkeerd uit, zijn gunsten schijnen ongeluk aan te brengen. Daar hebt u bij voorbeeld Herminie Billecoq, een oud-leerlinge van Saint-Denis, die door een officier verleid is, en voor wie hij dan een bruidschat gevonden had; daar is ze mij van morgen een ramp komen vertellen; het huwelijk is afgesprongen, de officier is er van door gegaan, nadat hij het geld had ingepalmd …. Hoort u wel, altijd voor anderen, nooit voor mijzelve. Onlangs, toen ik met mijn erfenis uit Coulonges ben gekomen, ben ik bij hem geweest om hem de kunstgrepen van mevrouw Martineau te vertellen. Bij de deeling wenschte ik het huis te hebben waarin ik geboren ben, en die vrouw heeft het zoo weten te plooien dat zij het houdt …. Weet u wat zijn eenig antwoord was? Hij heeft mij tot driemaal toe herhaald dat hij zich met die leelijke zaak niet meer wou inlaten.

Intusschen schoof mijnheer Béjuin ook al onrustig op zijn stoel. Hij stotterde:

—Met mij is het evenzoo …. Ik heb hem nooit wat gevraagd, nooit! Al wat hij heeft kunnen doen, was zonder mijn willen of weten. Hij maakt er gebruik van dat men niets zegt om u in te palmen, ja dat is het rechte woord, in te palmen ….

Zijn stem stierf weg in een onduidelijk gemompel. En alle vier bleven zij elkander hoofdschuddend aankijken. Toen begon mijnheer Kahn weer op een plechtstatigen toon:

—Wilt u nu de eigenlijke waarheid hooren?…. Rougon is een ondankbare. Heugt het u nog dat we met ons allen dag aan dag op de vlakte waren om hem in het ministerie te krijgen. Wat hebben wij ons voor hem ingespannen, hè, eten en drinken lieten we er voor staan! In dien tijd heeft hij een schuld jegens ons op zich geladen, die hij zijn leven lang niet kan aflossen. En nu valt de dankbaarheid hem te zwaar, hij laat ons in den steek. Dat was te voorzien.

—Ja, ja, hij heeft ons alles te danken! riepen de anderen. Hij beloont er ons mooi voor!

Een oogenblik verpletterden zij hem onder de opsomming van hun weldaden; wanneer de een zweeg, voerde de ander een nog bezwarender feit aan. Maar plotseling keek de kolonel ongerust de kamer rond; Auguste was er niet meer. Op dit oogenblik kwam er een vreemd geluid uit de kleedkamer, een soort van zacht, aanhoudend geplas. De kolonel ging er haastig op af. Hij vond Auguste, verdiept in de beschouwing van de badkuip, die Antonia vergeten had te ledigen. Schijfjes citroen, die Clorinde gebruikt had voor haar nagels, dreven er in rond. Auguste doopte zijn vingers in het water en berook ze, met een jongensachtigen wellust.

—Die kleine is onuitstaanbaar, zei Clorinde halfluid. Hij snuffelt overal rond.

—Mijn hemel! ging mevrouw Correur zacht voort, nadat de kolonel de kamer verlaten had, wat Rougon vooral ontbreekt is tact …. Zoo, onder ons gezegd, nu de kolonel er niet bij is, heeft Rougon er heel verkeerd aan gedaan dien jongen op het ministerie te plaatsen, en daarbij over alle formaliteiten heen te stappen. Zulke diensten moet men zijn vrienden niet bewijzen. Men verliest er de achting door.

Maar Clorinde viel haar in de rede en fluisterde:

—Ga toch eens zien wat ze daar uitvoeren, mevrouwlief.

Mijnheer Kahn glimlachte. Toen mevrouw Correur weg was, liet hij op zijn beurt de stem dalen.

—Zij is alleraardigst!…. De kolonel is door Rougon met weldaden overladen. Maar zij heeft zich waarlijk ook niet te beklagen. Rougon heeft zich voorwaar deerlijk de vingers gebrand, in die treurige zaak Martineau. Hij heeft daarbij een bewijs gegeven van weinig moraliteit. Men doodt toch zijn medemensch niet om een oude kennis aangenaam te zijn, niet waar?

Hij was opgestaan en liep met kleine stapjes het vertrek rond. Daarop ging hij naar de voorkamer om zijn sigarenkoker uit zijn jaszak te halen. De kolonel en mevrouw Correur kwamen weer binnen.

—Hé, Kahn is gevlogen, zei de kolonel.

En zonder inleiding riep hij:

—Wij kunnen Rougon doorhalen, maar ik vind dat Kahn zijn mond moet houden. Ik mag die hartelooze menschen niet …. Daar straks heb ik niets willen zeggen. Maar in het koffiehuis waar ik van middag geweest ben, werd ronduit gezegd dat Rougon in ongenade zou vallen, omdat hij zijn naam geleend had aan die groote oplichterij van den spoorweg Niort-Angers. Zoo’n gebrek aan doorzicht is onvergeeflijk. Wat een domheid van dien dikke, om mijnen te laten springen en ellenlange redevoeringen te houden, waarin hij zich zelfs veroorlooft de verantwoordelijkheid van den keizer er bij te halen!…. Ziedaar, vrienden! Kahn is eigenlijk degeen, die ons in den drek heeft geholpen. Denkt ge er ook niet zoo over, Béjuin?

Mijnheer Béjuin stemde volmondig toe. Hij had zijn instemming al betuigd met de woorden van mevrouw Correur en mijnheer Kahn. Clorinde, die nog altijd met het hoofd achterover geleund lag, vermaakte zich met in den kwast te bijten die aan haar zijden koord hing en waarmee zij over haar gezicht streek als om zich te kittelen; en de wijdgeopende oogen, waarmee zij stil naar boven lag te staren, weerspiegelden een innerlijk genot.

—Sst! fluisterde zij.

Mijnheer Kahn trad binnen, de punt van zijn sigaar afbijtend. Hij stak haar aan en blies een paar dikke rookwolken uit; men rookte in de kamer van de jonge vrouw. Daarop vervolgde hij zijn afgebroken gesprek:

—Eindelijk, als Rougon beweert zijn macht in de waagschaal gesteld te hebben om ons van dienst te zijn, verklaar ik dat wij integendeel leelijk gecompromitteerd zijn door zijn bescherming. Hij heeft een ruwe manier om de lui vooruit te helpen, waarbij ze hun neus tegen de muren stooten …. Trouwens, met zijn vuisten waarmee hij wel een os kan neervellen, ligt hij toch weer voor den grond. Dank je wel, ik heb geen lust om hem voor de tweede maal op de been te helpen. Wanneer iemand zijn krediet niet weet te bewaren, komt dat omdat hij geen helder inzicht in de zaken heeft. Hij compromitteert ons, hoort ge, hij compromitteert ons!…. Ik heb al verantwoordelijkheid genoeg, ik laat hem in den steek.

Toch weifelde hij en klonk zijn stem flauw, terwijl de kolonel en mevrouw Correur het hoofd bogen, hoogstwaarschijnlijk om niet in de noodzakelijkheid te zijn even duidelijk voor hun gevoelen uit te komen. Alles wel beschouwd, was Rougon nog altijd minister; en dan, als zij zich van hem los maakten, moesten zij toch eerst van een andere machtigen steun verzekerd zijn.

—De dikke is de eenige niet, zei Clorinde achteloos.

Zij keken haar aan, hopende op een meer formeele verklaring. Maar zij maakte enkel een gebaar, als om hen tot geduld aan te manen. Die stilzwijgende belofte van een geheel nieuwen steun, waardoor het weldaden over hen zou regenen, was eigenlijk de voorname oorzaak van hun trouwe bezoeken bij de jonge vrouw. Zij hadden de lucht van een aanstaanden triomf, in die kamer met haar sterke geuren. Nu zij meenden dat de bevrediging van hun eerste wenschen Rougon had uitgeput, wachtten zij de komst van een jeugdiger macht, die hun nieuwe wenschen zou bevredigen.

Intusschen had Clorinde zich op haar kussens opgericht. Op den arm van de causeuse geleund, boog zij zich plotseling naar Pozzo over, en met een schel lachje, alsof zij buiten zichzelve van vreugde was, blies zij hem in den hals. Als zij heel tevreden was, had zij van die kinderlijk vroolijke buien. De knappe Italiaan wiens hand op de gitaar scheen te zijn ingeslapen, boog het hoofd achterover en toonde zijn witte tanden, en hij rilde alsof hij gekitteld werd door de liefkoozing van dien adem, en de jonge vrouw lachte luider en blies harder, om hem genade te laten vragen. Nadat ze een oogenblik met hem in het Italiaansch getwist had, zei ze tot mevrouw Correur:

—Hij moet zingen, niet waar?…. Als hij zingt, zal ik hem met rust laten …. Hij heeft een heel mooi lied gemaakt.

Toen vroegen zij allen om het lied. Pozzo begon weer op zijn gitaar te tokkelen en zong met de oogen op Clorinde gericht. Het was een hartstochtelijk gemurmel, met een accompagnement van zachte akkoorden; de Italiaansche woorden kon men niet verstaan, zij werden meer gezucht dan gesproken; bij het laatste couplet, waarin waarschijnlijk liefdesmart werd uitgedrukt, zat Pozzo, die een somberen toon aansloeg, met een glimlach om den mond en een gezicht vol verrukking in zijn wanhoop. Toen hij zweeg werd hij warm toegejuicht. Waarom liet hij die mooie liederen niet uitgeven? Zijn betrekking bij de diplomatie was toch geen beletsel.

—Ik heb een kapitein gekend die een opéra-comique heeft laten opvoeren, zei kolonel Jobelin. Men heeft hem er niet minder om aangezien in het regiment.

—Ja, maar in de diplomatie …., murmelde mevrouw Correur hoofdschuddend.

—Och, ik geloof dat u het mis hebt, verklaarde mijnheer Kahn. Diplomaten zijn menschen als alle andere. Verscheidenen houden zich met de schoone kunsten bezig.

Clorinde had Pozzo met haar voet een duwtje in de zijde en tegelijk een fluisterend bevel gegeven. Hij stond op en gooide de gitaar op een hoop kleeren. En toen hij vijf minuten later terugkwam, werd hij gevolgd door Antonia, die een blad droeg waarop een karaf met glazen stonden; hij zelf had een suikervaas in de hand. Men dronk nooit iets anders dan suikerwater bij de jonge vrouw en de intieme vrienden wisten wel, dat zij de gastvrouw genoegen deden, wanneer zij enkel water gebruikten.

—Wel, wat is er? zei zij, zich omwendend naar de kleedkamer, waar een deur kraakte.

Maar zich bedenkende riep zij uit:

—O, ’t is mama …. Zij lag te bed.

’t Was inderdaad de gravin Balbi, in een zwarte wollen huisjapon; over haar hoofd had zij een kanten doekje geknoopt, waarvan de punten om haar hals geslagen waren. Flaminio, de groote lakei met zijn langen baard en zijn bandietengezicht, ondersteunde haar, droeg haar bijna in zijn armen. Zij scheen niet verouderd; haar bleek gelaat behield haar eeuwigen glimlach van gewezen koningin der schoonheid.

—Wacht, ma! hernam Clorinde. Ik zal u mijn chaise longue geven. Ik ga wat op mijn bed liggen …. Ik voel me niet goed. Ik heb een dier naar binnen gekregen. Daar begint het me weer te bijten.

Er had een heele verhuizing plaats. Pozzo en mevrouw Correur brachten de jonge vrouw naar haar bed; daar moesten de dekens nog uitgespreid en de kussens opgeschud worden. Middelerwijl strekte mevrouw Balbi zich op de chaise longue uit. Achter haar stond Flaminio, met zijn somberen, onheilspellenden blik.

—’t Hindert u zeker niet dat ik te bed lig? herhaalde de jonge vrouw. Ik voel me veel beter als ik lig …. Maar ik zend u niet weg. Ge moet blijven.

Ze had zich uitgestrekt, met den elleboog in het kussen gedrukt. Niemand dacht aan heengaan. Mevrouw Correur sprak zachtjes met Pozzo over de volmaakte vormen van Clorinde, die zij samen ondersteund hadden. Mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin en de kolonel begroetten de gravin. Deze nijgde met een vriendelijk lachje. En zonder zich om te keeren, riep ze van tijd tot tijd heel zachtjes:

—Flaminio!

De lange lakei begreep haar dadelijk, legde het kussen wat hooger, bracht een tabouret, of haalde uit zijn zak een odeurfleschje te voorschijn.

Op dit oogenblik had Auguste een ongeluk. Hij had overal rondgesnuffeld in de drie kamers en alle kleedingstukken die daar verspreid lagen, op zijn gemak bekeken. Toen begon hij uit verveling suikerwater te drinken, het eene glas na het andere. Clorinde hield hem al een poos in het oog en keek naar de suikervaas waarvan de inhoud snel verminderde, toen hij op eens te hard ging roeren en het glas brak.

—Dat komt door de vele suiker! riep zij.

—Domoor! zei de kolonel. Kan je niet enkel water drinken?…. ’s Morgens en ’s avonds een groot glas. Beter is er niet. ’t Voorkomt alle ziekten.

Gelukkig trad mijnheer Bouchard binnen. Hij kwam wat laat, over tienen, omdat hij buitenshuis had moeten dineeren. En hij scheen verbaasd zijn vrouw daar niet te vinden.

—Mijnheer d’Escorailles had op zich genomen haar te brengen, zei hij, en ik had beloofd haar af te komen halen.

Een halfuur later verscheen inderdaad mevrouw Bouchard, in gezelschap van mijnheer d’Escorailles en mijnheer La Rouquette. Nadat hij een jaar met haar gebrouilleerd was geweest, had de jonge markies zich weer met de mooie blondine verzoend; nu begon hun verhouding een gewoonte te worden, zij bleven nu en dan voor enkele dagen bij elkander en konden niet nalaten elkaar bij een ontmoeting achter een deur te knijpen en te omhelzen. Dat ging zoo van zelf, als een heel natuurlijke zaak. Toen zij in een open rijtuig bij de Delestangs kwamen, hadden zij mijnheer La Rouquette ontmoet. En met hun drieën waren ze naar het Bosch gereden, onder een vroolijk gelach en gewaagde aardigheden; mijnheer d’Escorailles had zelfs een oogenblik de hand van den afgevaardigde achter de taille van mevrouw Bouchard meenen te ontmoeten. Toen zij binnenkwamen, brachten zij een geest van vroolijkheid mee, de koelte van de donkere paden van het Bosch, het geheimzinnige van het ingeslapen gebladerte, waaronder hun guitig gelach wegstierf.

—Ja, we komen van het meer terug, zei mijnheer La Rouquette. Zij hebben me verleid, op mijn woord!…. Ik ging bedaard naar huis om te werken.

Hij werd op eens weer ernstig. Tijdens de laatste zitting had hij een redevoering in de Kamer gehouden over een kwestie van amortisatie nadat hij een maand lang daarvan een bijzondere studie had gemaakt; en sedert dien tijd nam hij de bedaarde manieren van een getrouwd man aan, alsof hij zijn vrijgezellenleven in de vergaderzaal begraven had. Kahn nam hem mee naar een hoekje van de kamer, terwijl hij mompelde:

—A propos, gij staat nog al op goeden voet met Marsy.

Hun stemmen werden onhoorbaar, zij fluisterden zachtjes. Intusschen was de mooie mevrouw Bouchard voor het bed gaan zitten en Clorinde’s hand in de hare houdend, beklaagde zij haar innig. Mijnheer Bouchard riep op eens:

—Heb ik het u nog niet verteld?…. Hij is wel aardig, die dikke!

En voordat hij aan de eigenlijke zaak begon, liet hij zich evenals de anderen op bitteren toon over Rougon uit. Men kon hem niets meer vragen, hij was zelfs niet beleefd meer, en mijnheer Bouchard was bovenal op beleefdheid gesteld. Toen men hem vroeg wat Rougon hem gedaan had, antwoordde hij eindelijk:

—Ik ben een vijand van onrechtvaardigheid. ’t Is voor een ambtenaar van mijn afdeeling, George Duchesne; u kent hem, u hebt hem wel eens bij mij aangetroffen. ’t Is een zeer verdienstelijk jongmensch! We ontvangen hem in ons huis als een kind. Mijn vrouw houdt veel van hem, omdat hij uit haar streek afkomstig is. Nu hadden we laatst een plannetje gemaakt om Duchesne tot sous-chef te laten benoemen. Het idee was van mij, maar jij vond het toch goed, niet waar Adèle?

Mevrouw Bouchard boog zich, ietwat verlegen, nog meer naar Clorinde over, om de blikken van mijnheer d’Escorailles te ontwijken, die zij op zich gevestigd voelde.

—Nu, ging de afdeelingschef voort, u raadt nooit hoe de dikke mijn verzoek ontvangen heeft?…. Hij keek me een oogenblik stilzwijgend aan, op zijn kwetsende manier, u weet wel. Toen heeft hij mij ronduit de benoeming geweigerd. En toen ik er nog eens op terugkwam, zei hij glimlachend: „Mijnheer Bouchard, dring niet verder aan, het spijt me voor u, maar er zijn ernstige redenen”…. Het was me onmogelijk iets meer uit hem te halen. Hij zag wel dat ik woedend was, want hij vroeg of ik zijn groeten aan mijn vrouw wou overbrengen …. Niet waar, Adèle?

Mevrouw Bouchard had juist dien avond een woordenwisseling met mijnheer d’Escorailles over dien Georges Duchesne gehad. Zij vond het dus geraden op misnoegden toon te zeggen:

—Och, laat mijnheer Duchesne nog wat wachten …. Zoo interessant is hij niet!

Maar mijnheer bleef op zijn stuk staan.

—Neen, neen, hij verdient sous-chef te zijn, hij zal sous-chef worden!…. Ik wil rechtvaardigheid!

Men moest hem tot kalmte brengen. Clorinde deed al dien tijd haar best om naar het gesprek van mijnheer La Rouquette te luisteren. De eerste legde in bedekte termen zijn toestand bloot. Met zijn groote onderneming, den spoorweg Niort-Angers, was het heelemaal mis geloopen. De aandeelen hadden aanvankelijk tachtig francs boven pari gestaan voordat er een spade in den grond was gestoken. Achter zijn fameuze Engelsche maatschappij verscholen, had mijnheer Kahn zich aan de onbeschaamdste speculaties gewaagd. En nu was een failliet onvermijdelijk, wanneer een machtige hand zich niet uitstrekte om hem te redden.

—Vroeger, mompelde hij, had Marsy mij aangeboden de zaak aan de compagnie de l’Ouest te verkoopen. Ik ben volkomen bereid om de onderhandelingen weer op te vatten. Er is maar een wet voor noodig ….

Clorinde wenkte ze stil. En met hun beiden over haar bed gebogen, praatten ze geruimen tijd. Marsy was niet haatdragend. Ze zou met hem spreken. Ze zou hem het millioen bieden, dat hij verleden jaar voor zijn steun vroeg. Door zijn positie als president van het Wetgevend lichaam zou het hem zeer gemakkelijk vallen de vereischte wet te verkrijgen.

—Marsy is de man om zulke soort zaken te doen slagen, zei ze glimlachend. Wanneer men buiten hem om zoo iets op touw zet, is men al gauw genoodzaakt hem er bij te roepen en hem te smeeken den boel weer op dreef te helpen.

In de kamer sprak nu iedereen tegelijk, op luiden toon. Mevrouw Correur maakte mevrouw Bouchard deelgenoot van haar liefste wenschen: zij wou haar laatste levensdagen in Coulonges slijten, in het huis van haar familie; en zij sprak vol teederheid over haar geboorteplaats, ze zou mevrouw Martineau wel noodzaken haar dat huis af te staan, zoo vol herinneringen uit haar kindsheid. De gasten kwamen intusschen onvermijdelijk op Rougon terug. Mijnheer d’Escorailles vertelde hoe boos zijn ouders geweest waren; zij hadden hem geschreven dat hij weer aan den Raad van State moest zien te komen, dat hij met den minister moest breken, daar deze zoo’n misbruik van zijn macht maakte. De kolonel vertelde hoe de dikke stellig geweigerd had aan den keizer een betrekking voor hem in de keizerlijke paleizen te vragen. Mijnheer Béjuin zelfs klaagde dat Zijne Majesteit zijn kristalfabriek te Saint-Florent niet bezocht had, bij gelegenheid van zijn laatste reis naar Bourges, ofschoon Rougon hem stellig beloofd had dat hij die gunst voor hem zou aanvragen. En midden tusschen dien stortvloed van woorden, lag gravin Balbi glimlachend op haar chaise longue, bekeek haar nog altijd mollige handen en riep zachtjes:

—Flaminio!

De lange bediende haalde uit zijn vestzakje een schildpadden doosje, vol pepermuntjes. De gravin knabbelde ze op met de manieren van een oude, snoeplustige kat. Tegen twaalf uur kwam Delestang thuis. Toen men hem de portière van het boudoir zag oplichten, ontstond er een diepe stilte, allen rekten den hals uit. Maar de portière was weer neergevallen, niemand kwam achter hem. Toen klonk het van alle kanten:

—Is u alleen?

—Hebt u hem niet meegebracht?

—Is u den dikke onderweg kwijt geraakt?

Dat gaf een verlichting. Delestang verklaarde dat Rougon zich vermoeid gevoeld en op den hoek van de rue Marbeuf afscheid genomen had.

—Heel verstandig, zei Clorinde, die nu languit op bed ging liggen. Hij is zoo saai!

Dat was het teeken voor een nieuwe ontketening van klachten en beschuldigingen. Delestang protesteerde en riep telkens: Met uw verlof! Met uw verlof! Hij deed zich gewoonlijk voor als Rougon’s verdediger. Toen men hem het woord liet, zei hij op afgemeten toon:

—Ongetwijfeld had hij beter kunnen handelen jegens enkelen van zijn vrienden. Maar dat neemt niet weg dat hij toch een verbazend knappe kop is …. Wat mij betreft, ik zal hem eeuwig dankbaar zijn ….

—Waarvoor dankbaar? riep mijnheer Kahn toornig uit.

—Wel, voor alles wat hij voor mij gedaan heeft ….

Men viel hem heftig in de rede. Rougon had nooit iets voor hem gedaan. Waar haalde hij dat vandaan, dat Rougon iets gedaan had?

—U is een wonderlijk mensch! zei de kolonel. Men drijft de bescheidenheid toch niet zoover!…. Mijn beste vriend, ge hadt niemand noodig. Wat drommel, wat ge zijt hebt ge aan uw eigen verdiensten te danken.

Toen werden Delestang’s verdiensten opgehemeld. Zijn modelhoeve was een weergalooze schepping, waardoor hij reeds lang zijn geschiktheid geopenbaard had als bewindvoerder en als werkelijk begaafd Staatsman. Hij had een snellen blik, een helder verstand, een krachtige hand die vrij van ruwheid was. Had de keizer hem niet al den eersten dag den besten met onderscheiding behandeld? Hij stemde in bijna alle punten met Zijne Majesteit overeen.

—Kom, kom, verklaarde mijnheer Kahn eindelijk, gij houdt Rougon eigenlijk nog staande. Indien gij zijn vriend niet waart, indien gij hem niet in den raad steunde, zou hij al veertien dagen geleden gevallen zijn.

Toch protesteerde Delestang nog. Zeker, hij was niet de eerste de beste, maar men moest aan ieders goede eigenschappen recht laten wedervaren. Zoo had Rougon dien eigen avond bij den grootzegelbewaarder, in een zeer ingewikkelde kwestie een buitengewoon helder inzicht getoond.

—O, de handigheid van een sluw advokaat, mompelde mijnheer La Rouquette op minachtenden toon.

Clorinde had de lippen nog niet geopend. Men richtte den blik op haar, als verwachtte men van haar het beslissende woord. Zij streek met haar hoofd over de kussens, alsof haar nek jeukte. Eindelijk zei ze, doelende op haar man:

—Ja, beknor hem vrij …. Men zal hem nog met geweld op zijn ware plaats moeten zetten.

—De positie van den minister van Landbouw en Handel is er slechts een van den tweeden rang, merkte mijnheer Kahn op, om de zaken te bespoedigen.

Hier raakte hij de wondeplek aan. Clorinde vond het zeer onaangenaam dat haar man niet verder zou kunnen komen dan wat zij „een klein ministerie” noemde. Ze ging plotseling overeind zitten en sprak eindelijk het langverwachte woord:

—Wel, hij komt aan Binnenlandsche zaken wanneer we dat willen.

Delestang wou spreken, maar allen kwamen zich met uitroepen van blijdschap om hem verdringen. Toen scheen hij zich gewonnen te geven. Een rose gloed kleurde zijn wangen, zijn knap gelaat straalde van genot. Mevrouw Correur en mevrouw Bouchard fluisterden elkaar toe dat zij hem mooi vonden; de tweede vooral bewonderde zijn kalen schedel. Mijnheer Kahn, de kolonel en de anderen wisselden knipoogjes, gaven elkander teekens om de groote waarde te kennen te geven die zij aan zijn macht toekenden. Die meester zou ten minste volgzaam zijn, hij zou hen niet compromitteeren. Zij konden hem ongestraft als een god vereeren, zonder dat zij zijn toorn behoefden te vreezen.

—Gij vermoeit hem, merkte de mooie mevrouw Bouchard teeder op.

Men vermoeide hem! Dat gaf een algemeen beklag. Inderdaad, hij was een beetje bleek, zijn oogen vielen toe. Denk eens aan, wanneer men sedert den morgen vijf uur werkt! Niets mat zoo af als hoofdarbeid. En met zachten drang eischte men dat hij naar bed zou gaan. Hij gehoorzaamde gewillig; hij ging heen, nadat hij zijn vrouw een kus op het voorhoofd had gedrukt.

—Flaminio! mompelde de gravin.

Zij wenschte ook naar bed te gaan. Aan den arm van den knecht ging zij de kamer door, ieder in het bijzonder met de hand toewuivende. In de kleedkamer hoorde men Flaminio vloeken omdat de lamp uitgegaan was.

Het was één uur. Men wilde aanstalten maken om heen te gaan, maar Clorinde verzekerde dat zij geen slaap had, dat men gerust nog wat blijven kon. Toch ging niemand meer zitten. De lamp in het boudoir was ook uitgegaan, een onaangename olielucht verspreidde zich. Men had groote moeite allerlei kleine voorwerpen, een waaier, den wandelstok van den kolonel, den hoed van mevrouw Bouchard terug te vinden. Clorinde, die rustig bleef liggen, wou volstrekt niet dat mevrouw Correur Antonia zou bellen; de kamenier ging om elf uur naar bed. Eindelijk nam men afscheid, toen de kolonel bemerkte dat hij Auguste vergat; het jongmensch sliep op de sofa in het boudoir, zijn hoofd rustte op een ineengerolde japon; men beknorde hem dat hij de lamp niet had opgedraaid. Op de halfduistere trap, waar slechts een klein gaslichtje brandde, gaf mevrouw Bouchard een gilletje, zij zei dat haar voet uitgleed. En terwijl al die luidjes voorzichtig langs de leuning de trap afgingen, klonk er een luid gelach uit Clorinde’s kamer, waar Pozzo nog wat talmde; ze blies hem zeker in den hals.

Iederen Donderdag en iederen Zondag gingen de avonden op dezelfde manier voorbij. Daarbuiten liep het gerucht dat mevrouw Delestang er een politiek salon op nahield. Er heerschte daar een zeer liberale geest, men brak er het autoritair gezag van Rougon af. De geheele troep droomde nu van een humaan keizerrijk, dat allengs meer en meer vrijheden aan het volk zou schenken. De kolonel stelde in zijn snipperuren statuten op voor werkliedenvereenigingen; mijnheer Béjuin opperde het denkbeeld een stad te stichten rondom zijn kristalfabriek te Saint-Florent; mijnheer Kahn onderhield Delestang uren lang over de democratische rol der Bonapartes in de moderne maatschappij. En bij iedere nieuwe daad van Rougon waren er uitingen van verontwaardiging en van vaderlandslievende vrees, dat Frankrijk onder het bestuur van zoo’n man te gronde zou gaan. Op zekeren dag hield Delestang staande dat de keizer de eenige republikein van dat tijdperk was. Het troepje nam de houding van een godsdienstige heilaanbrengende secte aan. Het spande nu openlijk samen om den dikke ten val te brengen, tot welzijn van het vaderland.

Intusschen haastte Clorinde zich niet. Wanneer de anderen schreeuwden en van ongeduld stampvoetten, zweeg zij en maande hen door een blik tot voorzichtigheid aan. Zij ging minder uit, verkleedde zich soms uit tijdverdrijf met haar kamenier als man. Plotseling legde zij een groote genegenheid voor haar man aan den dag, zij kuste hem in ieders bijzijn, sprak hem lispelend aan en toonde zich zeer bezorgd voor zijn gezondheid, die uitstekend was. Misschien wou zij zoo het onbeperkte gezag dat zij over hem uitoefende, verbergen. Zij was zijn leidsvrouw bij al zijn daden, zij zei hem iederen morgen zijn les voor, als een schooljongen dien men wantrouwt. Delestang was overigens de gehoorzaamheid zelf. Hij groette, glimlachte, werd boos, noemde iets wit, noemde het zwart, al naar het draadje waaraan zij trok. Zoodra het uurwerk afgeloopen was, kwam hij uit eigen beweging bij haar om zich weer op te laten winden. En hij bleef nummer éen.

Clorinde wachtte. Meneer Beulin-d’Orchère, die vermeed in den avond te komen, zag haar dikwijls overdag. Hij klaagde bitter over zijn zwager, beschuldigde hem dat hij alles deed om vreemden vooruit te helpen, en zooals dat gewoonlijk gaat, zijn bloedverwanten voorbij ging! Rougon alleen hield den keizer terug om hem tot zegelbewaarder te verheffen, uit vrees dat hij zijn invloed in den raad met hem zou moeten deelen. De jonge vrouw vuurde zijn heimelijke vijandschap aan. Daarop zinspeelde zij op de aanstaande zegepraal van haar man en gaf hem de vage hoop dat hij deel uit zou maken van de nieuwe ministeriëele combinatie. Eigenlijk bediende zij zich van hem om op de hoogte te komen van hetgeen er bij Rougon voorviel. Uit vrouwelijke boosaardigheid zou zij dezen graag ongelukkig in zijn huwelijk gezien hebben; en zij dreef den magistraat aan om zijn zuster in zijn ongenoegen tegen Rougon te doen deelen. Hij moest het probeeren, luid zijn spijt verkondigen over een huwelijk waarvan hij geen enkel voordeel trok, maar hij slaagde niet tegenover de onverstoorbare kalmte van zijn zuster. Zijn zwager, zei hij, was sinds eenigen tijd erg zenuwachtig. Hij insinueerde dat hij hem rijp achtte voor zijn val; en hij keek de jonge vrouw strak aan, vertelde haar teekenende feiten, met het beminnelijk voorkomen van een prater, die zonder eenige kwade bedoeling de lasterpraatjes van de menschen rondvertelt. Waarom handelde zij dan niet, als zij de meesteres was? Maar zij strekte zich in een nog gemakkelijker houding uit, gaf zich het uiterlijk van iemand die op een regenachtigen dag thuis blijft en gelaten het oogenblik afwacht dat de zon zal doorbreken.

Op de Tuileriën werd Clorinde’s macht steeds grooter. Men sprak fluisterend over de levendige neiging die Zijne Majesteit voor haar had opgevat. Op bals en officiëele recepties, overal waar de keizer haar ontmoette, draaide hij met zijn schuinsche blikken om haar heen; hij keek haar in den hals, bracht zijn gezicht dicht bij het hare, terwijl een langzame glimlach om zijn lippen verscheen. En zij had niets toegestaan, zei men, zelfs haar vingertoppen niet laten aanroeren. Zij speelde haar oude spelletje van een meisje dat een man zoekt; ze was heel vrij en uitdagend, ze zei alles en toonde veel, maar ze bleef voortdurend op haar hoede en onttrok zich juist op het gewenschte oogenblik. Zij scheen den hartstocht van den keizer te laten rijp worden, het oogenblik af te wachten waarop hij haar niets meer zou kunnen weigeren, om het welslagen te verzekeren van een plan, dat zij lang te voren beraamd had.

Omtrent dezen tijd toonde zij zich op eens heel lief tegenover mijnheer de Plouguern. Sedert eenige maanden waren zij gebrouilleerd. De senator, die bijna iederen morgen bij haar opstaan tegenwoordig was, zag zich op een goeden morgen buiten de deur gesloten, toen zij aan haar toilet bezig was. Zij kreeg plotseling een bui van maagdelijke schaamte; ze wou niet langer geplaagd en gehinderd worden, zei ze, door den grijsaard, die haar met een gele flikkering in zijn grijze oogen aankeek. Maar hij liet zich dat niet welgevallen; hij weigerde op uren te komen, waarop haar kamer vol bezoekers was. Was hij haar vader niet? Had hij haar niet als klein meisje op zijn knie laten dansen? En spottend vertelde hij van de kastijdingen die hij haar vroeger op zeker lichaamsdeel had toegediend. Zij werd voor goed boos, toen hij op zekeren dag, ondanks de kreten en de vuistslagen van Antonia, binnengedrongen was terwijl zij in het bad was. Wanneer mijnheer Kahn of kolonel Jobelin haar vroegen hoe mijnheer de Plouguern het maakte, antwoordde zij scherp:

—Hij wordt met den dag jonger, hij lijkt ternauwernood twintig …. Ik zie hem niet meer.

Toen zag men eensklaps weer niemand anders dan mijnheer de Plouguern bij haar aan huis. Ieder uur van den dag was hij daar, in de intiemste hoekjes van haar kleedkamer. Hij wist waar zij haar linnengoed borg, hij gaf haar een hemd of een paar kousen aan; men had hem zelfs eens verrast toen hij bezig was haar corset aan te rijgen. Clorinde toonde het despotisme van een jonggehuwde.

—Oompje, ga mijn nagelvijltje even halen, in de lade, weet je …. Oompje, geef me de spons eens aan ….

Dat „oompje” was een liefkoozing. Hij sprak nu heel vaak over den graaf Balbi, gaf nauwkeurige bijzonderheden over de geboorte van Clorinde. Hij loog dat hij de moeder van de jonge vrouw in de derde maand van haar zwangerschap had leeren kennen. En als de gravin met haar eeuwigen glimlach op haar vervallen gelaat, in de kamer was wanneer Clorinde juist opstond, wisselde hij blikken van verstandhouding met de oude dame, vestigde met een knipoogje haar aandacht op een ontblooten schouder, of een half te voorschijn komende knie.

—Hè, Lenora, mompelde hij, sprekend uw evenbeeld!

De dochter herinnerde hem aan de moeder. Zijn beenig gelaat gloeide. Dikwijls stak hij zijn magere handen uit, vatte Clorinde, drukte haar tegen zich aan, om haar de een of andere onbetamelijkheid te zeggen. Dat bevredigde hem. Hij was Voltairiaan, hij ontkende alles en met zijn knarsenden grijnslach placht hij te zeggen:

—Wel, gansje, dat mag wel …. Als je het prettig vindt, mag het.

Niemand kwam ooit te weten, hoever de zaken tusschen hen gingen. Clorinde had toen mijnheer de Plouguern noodig; hij moest een rol spelen in het drama dat zij voorbereidde. Het gebeurde trouwens meer dat zij op die manier een vriendschap kocht, waarvan zij zich later niet meer bediende, wanneer zij van plan veranderde. ’t Was in haar oog niet veel meer dan een handdruk aan den eersten den besten. Zij zelve gevoelde een diepe minachting voor de gunsten die zij schonk; zij plaatste haar fierheid elders.

Intusschen bleef het gunstige oogenblik nog uit. Zij sprak in bedekte termen met mijnheer de Plouguern over een zekere gebeurtenis, die zich wat te lang liet wachten. De senator berekende met het ingespannen, nadenkend gezicht van een schaakspeler den waarschijnlijken uitslag van allerlei combinaties, maar hij schudde ten slotte moedeloos het hoofd, hij vond niets. Wat haar betreft, bij de zeldzame bezoeken die Rougon haar nog bracht, verklaarde zij zich moe en lusteloos, sprak zij er van een paar maanden in Italië te gaan doorbrengen. En dan sloot zij haar oogleden half en richtte haar glinsterende oogen onderzoekend op zijn gelaat. Een glimlach van verfijnde wreedheid plooide haar lippen. Zij had nu wel reeds kunnen beproeven om hem met haar slanke vingers te verwurgen, maar zij wou het ineens goed doen; en zij beschouwde het als een genot, geduldig af te wachten totdat haar nagels lang genoeg gegroeid waren. Rougon, wiens geest altijd met het een of ander bezig was, gaf haar verstrooide handdrukjes en bemerkte niet eens, hoe koortsachtig haar hand gloeide. Hij dacht dat zij al verstandig geworden was, wenschte haar geluk dat zij zoo volgzaam was jegens haar man.

—Nu zijt ge bijna zooals ik u wenschen zou, zei hij. Ge hebt wel gelijk, vrouwen moeten rustig thuis blijven.

En zij riep, met een schellen lach, als hij weg was:

—Mijn hemel, wat is hij dom!…. En hij vindt de vrouwen nog dom!

Eindelijk, op een Zondagavond tegen tien uur, toen de geheele troep in Clorinde’s kamer bijeen was, trad mijnheer de Plouguern met een triomfantelijk gezicht binnen.

—Wel, vroeg hij, een groote verontwaardiging veinzende, hebt ge al van Rougon’s nieuwe heldendaad gehoord?…. Nu is de maat toch vol.

Allen drongen zich om hem heen. Niemand wist er iets van.

—’t Is een schande! riep hij, de armen opheffende, ’t Is onbegrijpelijk dat een minister zich zoo verlagen kan.

En hij vertelde het avontuur in éen adem door. De Charbonnels hadden, zoodra zij in Faverolles kwamen om de erfenis van hun neef Chevassu in ontvangst te nemen, een groote drukte gemaakt over de beweerde verdwijning van een aanzienlijke hoeveelheid zilverwerk. Zij beschuldigden de meid, een zeer godsdienstige vrouw, die het huis had moeten bewaren; op het vernemen van de beslissing van den Raad van State, zou die ongelukkige zich verstaan hebben met de zusters van de H. Familie, en alle voorwerpen van waarde die gemakkelijk te verbergen waren, naar het klooster gebracht hebben. Drie dagen daarna was er geen sprake meer van de meid; toen heette het dat de zusters zelven hun huis leeggeplunderd hadden. Dat verwekte een ontzettend schandaal. Maar de commissaris van politie weigerde een huiszoeking in het klooster te doen, waarna Rougon, op een schrijven van de Charbonnels, aan den prefect getelegrafeerd had, dat er onmiddellijk huiszoeking gedaan moest worden.

—Ja, een huiszoeking, dat stond duidelijk in het telegram, zei mijnheer de Plouguern ten slotte. Toen hebben de commissaris en twee gendarmes het klooster overhoop gehaald. Ze zijn er vijf uur gebleven. Verbeeld u, ze hebben zelfs de stroomatrassen van de zusters doorzocht.

—De stroomatrassen van de zusters, o, dat is laag! riep mevrouw Bouchard verontwaardigd.

—Men moet heelemaal zonder godsdienst zijn, verklaarde de kolonel.

—Wat zal ik u zeggen, zuchtte mevrouw Correur op haar beurt. Rougon ging nooit naar de kerk. Ik heb zoo dikwijls tevergeefs getracht hem met God te verzoenen.

Mijnheer Bouchard en mijnheer Béjuin schudden het hoofd en keken daarbij, alsof zij daar van een ramp gehoord hadden, die hen deed twijfelen aan het menschelijk verstand. Mijnheer Kahn streek over zijn ringbaard en vroeg:

—En natuurlijk is er niets bij de zusters gevonden?

—Volstrekt niets, antwoordde mijnheer Plouguern.

En met groote radheid voegde hij er bij:

—Een zilveren braadpan, geloof ik, twee bekers, een oliestel, kleinigheden, geschenken van den overledene, een vroom grijsaard, aan de zusters, om ze te beloonen voor haar goede verzorging gedurende zijn lange ziekte.

—Ja, dat is duidelijk, mompelden de anderen.

De senator ging niet verder hierop door. Maar op langzamen toon en met een bijzonderen nadruk op iederen zin, hernam hij:

—Dat is de kwestie ook niet. Het betreft hier den eerbied aan een klooster verschuldigd, aan een dier heilige huizen, waarin de deugden die uit onze goddelooze maatschappij verdreven zijn, haar toevlucht genomen hebben. Hoe kan men verlangen dat de groote massa godsdienstig zij, wanneer hooggeplaatste personen den godsdienst aanvallen? Rougon heeft zich schuldig gemaakt aan niets minder dan heiligschennis, en hij zal daarvan rekenschap moeten geven …. De brave burgers van Faverolles zijn dan ook diep verontwaardigd. Monseigneur Rochart, de eminente prelaat, die den geestelijken zusters altijd bijzonder genegen is geweest, is onmiddellijk naar Parijs vertrokken, waar hij recht komt vragen. En in den Senaat was men vandaag zeer ontstemd, er was sprake van een onmiddellijk onderzoek, na de weinige bijzonderheden die ik heb kunnen meedeelen. En de keizerin ….

Allen rekten den hals uit.

—Ja, de keizerin heeft deze treurige geschiedenis van mevrouw de Lorentz vernomen, die het wist van onzen vriend La Rouquette, aan wien ik het verteld had. Hare Majesteit moet uitgeroepen hebben: „Mijnheer Rougon is niet meer waard uit naam van Frankrijk het woord te voeren.”

—Heel juist! zeiden allen.

Dien Zondag was er tot éen uur in den nacht van niets anders sprake. Clorinde had den mond niet geopend. Bij de eerste woorden van mijnheer de Plouguern had zij zich op haar chaise longue uitgestrekt, ietwat bleek, met samengeknepen lippen. Daarop maakte zij snel, zonder dat iemand het zag, driemaal het teeken des kruises, alsof zij den hemel dankte dat haar lang begeerde wensch eindelijk in vervulling was gegaan. Haar handen vouwden zich telkens weer, bij het verhaal van de huiszoeking. Langzamerhand hadden haar wangen zich rood gekleurd. Strak voor zich uitziende, verzonk zij in een ernstige overpeinzing.

Terwijl de anderen druk praatten, naderde mijnheer de Plouguern haar, en liet zijn hand in haar keurslijf glijden, om haar vertrouwelijk in de borst te knijpen. En met zijn sceptischen grijnslach, op den vrijen toon van een groot heer, die in allerlei omgevingen geleefd heeft, fluisterde hij de jonge vrouw in het oor:

—Hij heeft onzen lieven Heer aangeraakt, hij is een verloren man!