WeRead Powered by ReaderPub
Zijn Excellentie Eugène Rougon cover

Zijn Excellentie Eugène Rougon

Chapter 12: XII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel chronicles the rise and exercise of power by an ambitious political figure, portraying strategic maneuvering, alliances, and compromises within formal institutions and social salons. It interweaves detailed scenes of parliamentary sessions, bureaucratic routine, and intimate gatherings to show how personal ambition, patronage, and public spectacle sustain authority. Through realistic depiction of procedural rituals, whispered intrigues, and the characters who orbit the central figure, the narrative examines themes of power, influence, corruption, and the intersection of private motives with public roles, yielding a clinical portrait of political life under a dominant regime.

XII.

Acht dagen lang hoorde Rougon reeds de misnoegdheid om hem heen zich in steeds luider bewoordingen uiten. Men zou hem alles vergeven hebben, zijn machtsoverschrijding, de onverzadelijke begeerten van zijn trawanten, den zwaren druk van zijn ijzeren vuist, maar gendarmes uit te zenden om de stroomatrassen der zusters te doorzoeken, dat was een misdaad, zoo monsterachtig, dat de dames aan het hof rilden, als hij voorbij ging. Monseigneur Rochart bracht de geheele officiëele wereld in beweging; hij was zelfs bij de keizerin geweest, zei men. Trouwens, het schandaal werd levendig gehouden door een troepje handige lieden; dezelfde geruchten verhieven zich van alle kanten tegelijk. Te midden van die verwoede aanvallen bleef Rougon eerst kalm en glimlachend. Hij haalde zijn stevige schouders op, noemde het zaakje „een dwaasheid”. Hij maakte er zelfs een grapje van. Op een soirée bij den grootzegelbewaarder, liet hij zich ontvallen: „Ik heb toch niet verteld dat ze een pastoor in een stroozak gevonden hebben”, en toen dat gezegde bekend werd, kwam er een nieuwe uitbarsting van toorn, dat was de goddeloosheid, de heiligschennis ten top gedreven! Toen begon hij zich langzamerhand op te winden. Het begon hem eindelijk te vervelen! De zusters waren dieveggen, men had immers de zilveren braadpannen en de bekers bij haar gevonden. En hij wou de zaak nog verder drijven, hij sprak er van dat hij de heele geestelijkheid van Faverolles voor de rechtbank beschaamd zou doen staan.

Op een morgen, heel in de vroegte, meldden de Charbonnels zich bij hem aan. Hij keek verbaasd op, hij wist niet dat zij in Parijs waren. Zoodra hij ze zag, riep hij hun toe dat de zaken goed vorderden; den vorigen avond had hij nog instructies aan den prefect gezonden om het parket te noodzaken de zaak aan te pakken. Maar mijnheer Charbonnel scheen zeer ontsteld en mevrouw Charbonnel riep uit:

—Neen, neen, dat niet …. U is te ver gegaan, mijnheer Rougon. U hebt ons verkeerd begrepen.

En beiden begonnen een lofrede op de zusters der H. Familie te houden. Zij waren heiligen. Een oogenblik hadden zij misschien aan ze getwijfeld; maar nooit waren zij zoover gegaan om ze van leelijke dingen te beschuldigen. Geheel Faverolles zou hun trouwens de oogen geopend hebben, zoo hoog stonden de zusters daar in de algemeene achting aangeschreven.

—U zou ons het grootste nadeel toebrengen, mijnheer Rougon, zei mevrouw Charbonnel, als u voortging zoo verbitterd tegen den godsdienst te werk te gaan. Wij zijn gekomen om u vriendelijk te verzoeken de zaken te laten rusten …. Daarginds, ziet u, wist men dat zoo niet! Zij dachten dat wij u aanzetten, ze zouden ons nog gesteenigd hebben …. We hebben het klooster een ivoren crucifix geschonken, dat boven het voeteneind van onze armen neef hing.

—Enfin, besloot mijnheer Charbonnel, u is gewaarschuwd, u moet het verder zelf weten …. Wij bemoeien er ons niet meer mee.

Rougon liet ze praten. Zij schenen heel ontevreden op hem te zijn, ze werden ten laatste zelfs heftig. Hij kreeg op eens een koud gevoel in den nek. Hij keek ze aan, door een plotseling matheid bevangen, alsof hem wederom iets van zijn kracht ontnomen was. Maar hij begon geen woordentwist met hen. Hij zond ze heen, met de belofte dat hij de zaak zou laten rusten. En inderdaad, zij ging in den doofpot.

Sedert eenige dagen was hij onder den indruk van een nieuw schandaal, waarbij zijn naam genoemd werd. Een afgrijselijk drama was in Coulonges afgespeeld. Du Poizat, die het zijn vader lastig wou maken, was op een morgen aan de deur van den gierigaard komen aankloppen. Vijf minuten later hoorden de buren geweerschoten in het huis, gevolgd door een vreeselijk gejammer. Toen men binnentrad, vond men den grijsaard met gespleten hoofd onder aan de trap liggen; twee afgeschoten geweren lagen midden in het voorhuis. Du Poizat vertelde doodsbleek dat zijn vader, toen hij de trap op wou gaan, plotseling als een waanzinnige „houd den dief” geroepen en tweemaal op hem gevuurd had; hij toonde zelfs het gat van een kogel in zijn hoed. Daarop, altijd volgens hem, was zijn vader achterover gevallen en had zich tegen de punt van de eerste trede het hoofd te pletter gestooten. Die tragische dood, dat geheimzinnige drama zonder getuigen, had in het heele departement aanleiding tot de zonderlingste praatjes gegeven. De dokters constateerden wel een plotselingen aanval van beroerte, maar de vijanden van den prefect beweerden niettemin dat hij den ouden man een duw gegeven had: en het aantal van zijn vijanden wies met den dag, dank zij zijn ruw bestuur, waaronder Niort als onder een schrikbewind gebukt ging. Du Poizat klemde zijn tanden opeen en balde zijn magere vuisten; wanneer hij voorbijging, was éen enkele blik uit zijn grijze oogen voldoende om den babbelaars aan de deuren den mond te snoeren. Maar er kwam een tweede ongeluk bij; hij zag zich genoodzaakt Gilquin te ontslaan, die zich aan een leelijke zaak had schuldig gemaakt; voor honderd francs nam Gilquin op zich den boerenzoons vrijstelling van militairen dienst te bezorgen; en al wat men doen kon, was hem voor een correctioneele straf te vrijwaren en hem zijn ontslag te geven. Intusschen had Du Poizat krachtig op Rougon gesteund, wiens verantwoordelijkheid hij bij iedere nieuwe ramp grooter maakte. Hij had zeker een voorgevoel van Rougon’s val, want hij kwam in Parijs zonder hem te waarschuwen. Hij dacht er aan een overplaatsing als prefect te vragen, ten einde een zeker ontslag te ontkomen. Na den dood van zijn vader en de schelmenstreken van Gilquin werd Niort voor hem onhoudbaar.

—Ik heb mijnheer Du Poizat op de faubourg Saint-Honoré ontmoet, hier vlak bij, zei Clorinde uit boosaardigheid tot den minister. Zijt ge dan niet meer met elkander bevriend?…. Hij schijnt nijdig op u te zijn.

Rougon ontweek een antwoord. Daar hij zich genoodzaakt gezien had verscheidene gunsten aan den prefect te weigeren, was er langzamerhand een groote verkoeling tusschen hen ontstaan, en onderhielden zij alleen nog officiëele relatiën. Trouwens, de afval was algemeen. Zelfs mevrouw Correur liet hem in den steek. Op enkele avonden kreeg hij weer die gewaarwording van eenzaamheid, waaronder hij al vroeger geleden had, in de rue Marbeuf, toen zijn aanhang aan hem twijfelde. Na zijn drukke dagen, waarbij zijn salon altijd vol bezoekers was, vond hij zich alleen. Hij miste zijn huisvrienden. Hij kreeg weer behoefte aan de bewondering van den kolonel en mijnheer Bouchard, aan de levenswarmte die van zijn kleine hofhouding uitging; tot zelfs de stille aanwezigheid van mijnheer Béjuin betreurde hij nu.

Toen trachtte hij zijn volkje nog eens tot zich te trekken; hij toonde zich vriendelijk, schreef brieven, waagde bezoeken. Maar de banden waren verbroken; hij kon er niet in slagen ze allen weer om zich heen te krijgen; wanneer hij het eind had vastgeknoopt, brak de draad weer aan het andere eind. Eindelijk kwam er niet een meer. Dat was de doodsstrijd van zijn macht. Hij, de sterke, was aan die onbeduidende wezens gebonden door de langdurige werking van hun gemeenschappelijke fortuin. Bij het heengaan namen zij ieder iets van hem mee. Bij die vermindering van zijn gewichtigheid was het als werkten zijn krachten niets uit; zijn groote vuisten sloegen in het ledig. Toen zijn schaduw zich slechts alleen in de zon vertoonde, toen hij zich niet vetter kon maken door het misbruiken van zijn invloed, scheen het hem toe alsof zijn plaats op aarde kleiner was geworden; hij droomde nu van een wederopstanding als een Jupiter Tonans, zonder trawanten aan zijn voeten, de wet stellende enkel door de kracht van zijn woord.

Toch geloofde Rougon nog niet ernstig aan zijn val. Hij gevoelde niets dan minachting voor die beten in zijn hielen. Hij zou heerschen, alleen en onbemind. Daarbij vertrouwde hij nog geheel op den keizer. Zijn lichtgeloovigheid was zijn eenige zwakheid. Telkens als hij Zijne Majesteit zag, vond hij hem welwillend, vriendelijk, met zijn ondoorgrondelijken glimlach; en hij hernieuwde hem de betuiging van zijn vertrouwen, hij herhaalde de instructies die hij hem reeds vroeger gegeven had. Dat was hem voldoende. De keizer kon er niet aan denken hem op te offeren. Die zekerheid bracht hem tot een groot waagstuk. Om zijn vijanden het zwijgen op te leggen en zijn macht voor goed te bevestigen, kwam hij op de gedachte zijn ontslag in te dienen. Hij deed dit in zeer waardige termen; hij sprak van de klachten die over hem in omloop waren, hij zei dat hij de wenschen van den keizer stipt nagekomen was en dat hij nu behoefte gevoelde aan Zijner Majesteits hooge goedkeuring, voor dat hij zijn werk tot heil van den Staat voortzette. Het hof bevond zich in Fontainebleau. Toen zijn aanvraag om ontslag ingediend was, wachtte Rougon met de koelbloedigheid van een goed speler. De laatste schandalen, het drama van Coulonges, de huiszoeking bij de zusters der H. Familie, dat alles zou in het vergeetboek geschreven worden. Mocht hij daarentegen vallen, dan wou hij vallen op het toppunt van zijn macht, in al zijn kracht.

Juist op den dag waarop het lot van den minister beslist zou worden, was er in de Oranjerie van de Tuileriën een fancy-fair gehouden, ten voordeele van een bewaarschool, waarvan de keizerin beschermvrouw was. Alle gewone bezoekers van het paleis, de geheele officiëele wereld zou er zeker komen, om de keizerin welgevallig te zijn. Rougon besloot er heen te gaan en zich kalm te toonen. Hij zou ze trotseeren, ze vlak in het gelaat zien, die lui die hem schuins zouden aankijken, hij zou zijn verachting stellen tegenover hun fluisterende opmerkingen. Tegen drie uur gaf hij een laatste bevel aan den chef van het personeel, toen zijn kamerdienaar hem kwam zeggen dat een heer en dame hem dringend wenschten te spreken. Het kaartje droeg de namen van den markies en de markiezin d’Escorailles.

De twee oudjes die de knecht, misleid door hun hoogst eenvoudige kleeding, in de eetzaal had gelaten, stonden plechtstatig op. Rougon haastte zich hen naar het salon te leiden, ietwat ongerust door hun aanwezigheid. Hij drukte zijn verbazing uit over hun plotselinge reis naar Parijs, wou zich heel vriendelijk toonen. Maar zij bleven effen en keken onvriendelijk.

—Mijnheer, zei eindelijk de markies, u zult ons, hoop ik, den stap niet kwalijk nemen dien wij ons genoodzaakt zien te doen …. Het betreft onzen zoon Jules. Wij wenschten dat hij de administratie verliet, dat u hem niet langer bij u hieldt.

En daar de minister hen met de uiterste verbazing aankeek, ging hij voort:

—Jongelui zijn lichtzinnig. Wij hebben Jules tweemaal geschreven om hem onze redenen uiteen te zetten, waarom wij wenschten dat hij zijn ontslag zou nemen …. En daar hij niet gehoorzaamde, zijn wij maar zelf gekomen. ’t Is de tweede keer, mijnheer, in dertig jaar, dat wij de reis naar Parijs ondernemen.

Toen had hij er veel tegen aan te voeren. Jules had mooie vooruitzichten. Zij zouden zijn carrière verwoesten. Terwijl hij sprak, gaf de markiezin blijken van ongeduld. Zij sprak nu op haar beurt, met iets meer heftigheid:

—Mijn hemel, mijnheer Rougon, het staat niet aan ons om u te beoordeelen. Maar er zijn zekere tradities in onze familie …. Jules mag de hand niet leenen tot een afschuwelijke vervolging van de Kerk. Te Plassans verbaast men zich reeds. We zouden met den geheelen adel van het land in onaangenaamheden komen.

Hij had haar begrepen. Hij wou spreken, maar zij legde hem met een gebiedend gebaar het zwijgen op.

—Laat mij uitspreken …. Onze zoon heeft zich tegen onzen zin met de nieuwe dynastie verzoend. U weet hoe smartelijk het ons aandeed hem een onwettig bestuur te zien dienen. Ik heb zijn vader weerhouden hem te vloeken. Sedert dien tijd is ons huis in rouw gedompeld en wanneer wij vrienden ontvangen, wordt de naam van onzen zoon niet genoemd. Wij hadden gezworen ons niet meer met hem te bemoeien, maar er zijn grenzen, wij mogen niet dulden dat een d’Escorailles gemeene zaak maakt met de vijanden van onzen heiligen godsdienst. U begrijpt mij zeker wel, mijnheer Rougon?

Rougon boog. Hij dacht er niet aan te lachen om de vrome leugens van de oude dame. Hij vond den markies en de markiezin terug zooals hij ze gekend had, in den tijd dat hij honger leed in de straten van Plassans, hooghartig, trotsch en onbeschaamd. Wanneer anderen hem zoo hadden durven toespreken, zou hij ze zeker de deur gewezen hebben. Maar hij voelde zich klein; zijn armoedige jeugd kwam hem weer voor den geest; een oogenblik meende hij nog zijn scheefgeloopen laarzen aan de voeten te hebben. Hij beloofde Jules te overreden. Daarop voegde hij er bij, zinspelend op het antwoord dat hij van den keizer verwachtte:

—Trouwens, uw zoon zal u misschien van avond reeds teruggegeven worden.

Toen hij weer alleen was, voelde Rougon zich beklemd. Die oude lieden hadden zijn koelbloedigheid geschokt. Nu aarzelde hij naar die liefdadigheidsbazaar te gaan, waar iedereen zijn ontroering op zijn gelaat kon lezen. Maar weldra schaamde hij zich voor die kinderachtige vrees. En hij ging heen, zijn weg door het kabinet nemend. Hij vroeg aan Merle of er niets voor hem gekomen was.

—Neen, Excellentie, antwoordde de bode, die sedert den morgen op den loer scheen te staan, op een meewarigen toon.

De Oranjerie der Tuileriën waar de bazaar gehouden werd, was voor die gelegenheid weelderig ingericht. Behangsel van rood fluweel met gouden franje onttrok de muren aan het oog en herschiep de groote, kale galerij in een hooge feestzaal. Aan een der uiteinden, links, scheidde een kolossaal gordijn, eveneens van rood fluweel, een gedeelte van de galerij als een zijvertrek af; dit gordijn was opgenomen door embrasses met groote gouden kwasten, en door de wijde opening kwam men uit de groote zaal, waar de kraampjes waren opgesteld, in de kleinere ruimte, waarin het buffet geplaatst was. Men had den grond met fijn zand bestrooid. Majolica potten vormden in iederen hoek boschjes van groene planten. Op het midden van het vierkant door de kraampjes gevormd, bood een cirkelronde fluweelen pouf gemakkelijke zitplaatsen aan, terwijl zich uit het midden van den pouf een kolossale bloementuil verhief, een dikke bundel stengels, waartusschen rozen, anjelieren, verbena’s, als een regen van schitterende druppels neervallend. En voor de openstaande glazen deuren op het terras aan den waterkant, bekeken de bedienden, in zwarte rokken gekleed, met een ernstig gezicht de kaarten der genoodigden. De dames-patronessen verwachtten tegen vier uur de eerste bezoekers. In de groote zaal stonden zij achter haar toonbanken de koopers af te wachten. Op de lange, met rood laken bekleede tafels lagen de koopwaren uitgestald; er waren verscheidene toonbanken met Parijsche luxe-artikelen en met Chineesche kunstvoorwerpen, twee winkels met kinderspeelgoed, een bloemenkiosk vol rozen, en eindelijk een draaibord onder een tent, als op een boerenkermis. De verkoopsters, gedecolleteerd en in avondtoillet, waren vleiend als echte koopvrouwen, glimlachten als modistes die een ouderwetschen hoed verkoopen, prezen haar artikelen aan zonder dat zij er verstand van hadden; en tot dat winkeljuffrouwtje spelen leenden zij zich met zenuwachtige lachjes, gekitteld door al die handen, die onder het koopen de hare aanraakten. Een prinses stond in een speelgoedkraam; aan de overzij verkocht een markiezin portemonnaies van vijftien stuivers, die zij niet onder twintig francs losliet, twee mededingsters, die den triomf van haar schoonheid afmeten naar de hoegrootheid van haar ontvangst; zij klampten de bezoekers aan, riepen de mannen, vroegen onbeschaamde prijzen, en na een loven en bieden als bij inhalige slagersvrouwen, gaven zij, om de lui tot groote aankoopen te decideeren, een handdrukje of een kijkje in haar wijdgeopend keurslijf op den koop toe. De liefdadigheid bleef het voorwendsel. Langzamerhand liep de zaal vol. Heeren bleven kalm stilstaan en bekeken de verkoopsters, alsof zij deel uitmaakten van de uitstalling. Voor sommige kraampjes verdrongen zich elegante jongelui; zij grinnikten en maakte guitige zinspelingen op hun inkoopen, terwijl de dames, onuitputtelijk in welwillendheid van den een naar den ander gingen en met een allerliefsten glimlach haar koopwaren aanprezen. Vier uren in zoo’n drukte door te brengen is een genot.

Er was een leven als op een veiling, daartusschen een helder gelach en het doffe kraken van het zand onder de voetstappen. De roode behangsels temperden het helle licht van de hooge vensters, verspreidden een rooden gloed, die een rose tint op de ontbloote schouders deed schitteren. En tusschen het publiek liepen zes andere dames, een barones, twee bankiersdochters en drie vrouwen van hooggeplaatste ambtenaren, met lichte mandjes om den hals gehangen, en snelden iederen nieuwen bezoeker te gemoet met sigaren en lucifers.

Mevrouw de Combelot had vooral veel succès. Zij verkocht ruikertjes in de met rozen gevulde kiosk, een met uitsnijwerk en verguldsel versierd chalet, veel gelijkende op een groote vogelkooi. Zelf geheel in het rose, een zachtrose huidtint, die haar naaktheid boven het laag uitgesneden keurslijf verder voortzette, tusschen de twee borsten niets anders dragend dan het ruikertje viooltjes, dat door alle verkoopsters gedragen werd, was zij op het denkbeeld gekomen om haar ruikertjes als een echte bloemenverkoopster voor de oogen van het publiek te maken: een roos, een knop, drie blaadjes, die zij tusschen haar vingers ineendraaide, terwijl zij het einde van den draad tusschen haar tanden vasthield, en die zij voor een tot tien louis verkocht, naar gelang van het uiterlijk der heeren. En men betwistte elkander haar ruikertjes, ze kon aan alle aanvragen niet voldoen; zij prikte zich nu en dan van de haast in den vinger en zoog dan snel de bloeddruppels op.

Tegenover haar, in de linnen tent, stond mevrouw Bouchard bij het draaibord. Zij droeg een keurig blauw boerinnen-kostuum met hoog lijf en een keurslijf bij wijze van fichu, bijna een vermomming, om geheel het voorkomen te hebben van een oblie-koopvrouw. Daarbij lispelde zij allerliefst en gaf zich een alleraardigst air van onnoozelheid. Op het draaibord lagen de prijzen, afschuwelijke prullen van vijf of zes stuivers, glaswerk, porcelein of marokijnwaar; en de wijzer kraste tegen de koperen draden en het bord draaide met de prijzen rond, met een geraas als van brekend vaatwerk. Om de twee minuten, wanneer er geen spelers waren, zei mevrouw Bouchard met haar onschuldig stemmetje, alsof zij zoo pas van haar dorpje kwam:

—Twintig sous een keer, heeren …. Toe, heeren, draai ereis rond ….

Het afgeschoten vertrek, waar ververschingen verkrijgbaar waren, was eveneens met zand bestrooid, in de hoeken met groene planten versierd, en van ronde tafeltjes en rieten stoelen voorzien. Men had gepoogd een echt café na te bootsen, om de zaak pikanter te maken. Achterin, aan de monumentale toonbank, zaten drie dames; zij wachtten op de bestellingen der bezoekers, en maakten intusschen een druk gebruik van haar waaiers. Likeurkaraffen, schalen met taartjes en sandwiches, bonbons, sigaren en cigaretten stonden daar uitgestald als op een publiek bal. Nu en dan stond de middelste dame, een levendige brunette, op om een glaasje in te schenken, zij kon zich niet roeren tusschen dien overvloed van karaffen en manoeuvreerde met haar bloote armen op gevaar af van alles te breken. Maar Clorinde heerschte aan het buffet. Zij bediende het publiek aan de tafeltjes. Zij leek wel Juno als kellnerin. Zij droeg een geelsatijnen japon, met zwartsatijnen biezen afgezet, verblindend, buitengewoon, als een ster waarvan de sleep op den staart van een komeet geleek. Zeer laag gedecolleteerd, liep zij in statige houding tusschen de rieten stoelen door, glazen bier op een witmetalen blad ronddragend met de kalmte van een godin. Zij streek met haar bloote ellebogen langs de schouders der heeren, bukte zich, met haar laag uitgesneden keurslijf om orders op te nemen, gaf ieder antwoord, glimlachend, zonder zich te overhaasten. Wanneer het bestelde gebruikt was, ontving zij in haar mooie hand de zilverstukjes en de stuivers, die zij met een gebaar, alsof zij met dat werk reeds vertrouwd was, in een taschje liet glijden, dat aan haar ceintuur hing. Intusschen waren mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin gaan zitten. De eerste klopte voor de grap op het zinken tafelblad en riep:

—Mevrouw, twee bier!

Zij kwam, bracht de twee glazen bier en bleef daar even staan rusten, daar er bijna geen bezoekers waren. Verstrooid veegde zij met haar kanten zakdoek haar vingers af, die nat van het bier waren. Mijnheer Kahn merkte een bijzonderen gloed in haar oogen op, een zegevierende uitdrukking op haar gelaat. Hij keek haar aan en vroeg:

—Wanneer zijt ge van Fontainebleau teruggekomen?

—Van morgen, antwoordde zij.

—En hebt ge den keizer gezien, wat weet ge voor nieuws?

Zij glimlachte even, kneep haar lippen samen met een raadselachtige uitdrukking op haar gelaat, en keek hem op haar beurt aan. Toen zag hij, dat zij een zonderling sieraad droeg, dat hij haar nooit had aan zien hebben. Om haar hals droeg zij een hondenhalsband van zwart fluweel, met gesp, ring en belletje, een gouden belletje waarin een fijne parel klingelde. Op den halsband stonden in diamanten letters twee dooreengewerkte namen. Aan den ring hing een zware gouden ketting op haar borst neer, die werd opgehouden door een gouden plaatje, aan den rechterarm bevestigd, waarop te lezen stond: Ik behoor mijn meester toe.

—Zeker een cadeau? mompelde mijnheer Kahn, op het kleinood wijzend.

Zij knikte van ja, de lippen tot een fijn, sensueel lachje geplooid. Zij had die lijfeigenschap gewenscht. Zij praalde er met een schaamteloosheid mee, die haar boven een gewonen misstap verhief, gevierd door de keuze van een vorst, benijd door allen. Toen zij zich vertoonde met den band om den hals, waarop de scherpziende oogen der mededingsters een doorluchtigen voornaam met den haren meenden vermengd te zien, hadden alle vrouwen het begrepen; zij wisselden oogwenkjes, alsof zij zeggen wilden: ’t Is dus een feit! Sedert een maand sprak de officiëele wereld over dat avontuur, verwachtte die ontknooping. En ’t was inderdaad een feit, zij zelve verkondigde het luid, ze droeg het op haar hals geschreven. Indien men geloof mocht hechten aan wat er gefluisterd werd, dan had zij op vijftienjarigen leeftijd voor de eerste maal met een koetsier in een stal op een bos stroo geslapen. Later had zij gerust in andere bedden, van bankiers, ambtenaren, ministers, steeds hooger stijgende, haar fortuin in elk dier nachten grooter makend. En van alkoof tot alkoof, van het eene nachtkwartier tot het andere, had zij bij wijze van apotheose, als een laatste uiting van trots, haar mooi verstandig hoofd op het keizerlijke hoofdkussen gelegd.

—Mevrouw, een glas bier, alsjeblieft! vroeg een dikke gedecoreerde heer, een generaal, die haar glimlachend aankeek.

En toen zij het glas bier gebracht had, werd zij door twee afgevaardigden geroepen.

—Twee glazen chartreuse, alsjeblieft!

Een stroom van bezoekers kwam binnen, van alle kanten klonken de bestellingen, grogjes, anisette, limonade, taartjes, cigaren. De mannen keken haar oplettend aan en fluisterden elkander gretig het praatje toe, dat over haar de ronde deed. En als die kellnerin, die ’s morgens uit de armen van den keizer was gekomen, haar hand uitstrekte om hun geld te ontvangen, schenen zij iets van die vorstelijke liefde aan haar te zoeken. Zij keerde zonder eenige verwarring te doen blijken langzaam haar hals om, teneinde haar hondenhalsband te laten zien, waaraan de dikke gouden ketting rinkelde. Dat was nog iets pikants er bij, ieders dienstbare te zijn wanneer men voor een nacht koningin is geweest, om de tafeltjes van een nagebootst café tusschen de citroenschijfjes en de koekkruimels door, met voeten rond te wandelen, die door een doorluchtigen knevel hartstochtelijk gekust waren.

—’t Is vermakelijk, zei ze, weer bij mijnheer Kahn terugkomend. Ze houden me, op mijn woord, voor een gemeene meid! Een heeft er me zelfs geknepen, geloof ik. Ik heb maar niets gezegd. Och, waarvoor ook?…. ’t Is voor de armen, nietwaar?

Mijnheer Kahn gaf haar een knipoogje dat zij zich bukken zou, en heel zacht vroeg hij:

—Dus, Rougon?….

—Sst, dadelijk, antwoordde zij eveneens fluisterend. Ik heb hem een uitnoodigingskaart met mijn naam gestuurd. Ik verwacht hem.

En toen mijnheer Kahn twijfelachtig het hoofd schudde, voegde zij er levendig bij:

—Ja, ja, ik ken hem, hij zal komen …. Trouwens, hij weet niets.

Mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin begonnen toen naar Rougon uit te kijken. Ze hadden het uitzicht op de groote zaal, door de wijde opening der gordijnen. Het werd er steeds voller. Heeren, met de beenen over elkander gekruist, lagen achterover geleund tegen den cirkelronden pouf, en sloten droomerig de oogen, terwijl een onafgebroken stroom van bezoekers langs hun uitgestrekte beenen heen liep en er bijna over struikelde. De warmte werd hinderlijk. En boven het gonzend gedruis klonk het krassend geluid van het draaibord als een ratel.

Mevrouw Correur, die juist aankwam, ging langzaam de kraampjes langs; zij droeg een wit en mauve gestreept zwartzijden kostuum, waaronder haar armen en schouders rosachtige vetkussentjes leken. Zij keek bedachtzaam rond, als een klant die een voordeelig koopje hoopt te doen. Gewoonlijk zei zij dat men er uitmuntende koopjes vond, op die liefdadigheidsbazaars, die arme dames hadden zoo weinig verstand van haar koopwaren. Maar zij kocht nooit bij haar kennissen onder de verkoopsters; die „pekelden” hun vrienden te veel. Toen zij de zaal om geweest was, alles opnemende, besnuffelende en weer neerleggende, kwam zij terug voor een kraampje van marokijnwerk, waarvoor zij meer dan tien minuten staan bleef, om met een besluiteloos gezicht de heele etalage te monsteren. Eindelijk nam zij achteloos een juchtleeren portefeuille in haar hand, waarop zij al langer dan een kwartier het oog gehad had.

—Hoeveel? vroeg zij.

De verkoopster, een lange jonge blondine, die met twee heeren stond te schertsen, keerde zich ternauwernood om en antwoordde:

—Vijftien francs.

De portefeuille was er minstens twintig waard. De dames, die onder elkander wijdijverden om de heeren buitensporige prijzen te laten betalen, verkochten gewoonlijk uit een soort van vrijmetselarij aan vrouwen tegen inkoopsprijs. Maar mevrouw Correur legde de portefeuille met een verschrikt gezicht op de toonbank neer en mompelde:

—O, dat is te duur. ’t Is maar voor een cadeautje. Ik geef er tien francs voor, meer niet. Hebt u niet iets liefs voor tien francs?

En zij haalde opnieuw de etalage onderste boven. Niets beviel haar. Och hemel! was die portefeuille nu maar zoo duur niet! Zij nam ze weer ter hand, stak haar neus in de zakjes. De verkoopster werd ongeduldig en was bereid ze haar voor veertien, toen voor twaalf francs te laten. Neen, neen, dat was nog te duur. En zij kreeg ze voor elf francs, na een vreeselijk geknibbel. De lange blondine zei:

—Ik verkoop graag …. Alle vrouwen bieden, er is er niet een die koopt …. O, als we de heeren niet hadden!

Mevrouw Correur vond tot haar groote blijdschap in de portefeuille een etiketje, waarop de prijs, vijf en twintig francs, genoteerd stond. Ze snuffelde nog wat rond en ging ten slotte achter het draaibord staan, naast mevrouw Bouchard. Zij noemde haar „liefje”, en streek de lokjes op haar voorhoofd terecht.

—Kijk, daar is de kolonel! zei mijnheer Kahn, die nog steeds, aan zijn tafeltje gezeten, de binnenkomende bezoekers bespiedde.

De kolonel kwam omdat hij niet anders kon. Hij hoopte er met een louis af te komen, en dat ging hem al genoeg aan het hart. Aan de deur werd hij reeds bestormd door drie of vier dames, die als om strijd riepen:

—Mijnheer, koopt u een sigaar van mij …. Mijnheer, een doosje lucifers ….

Hij glimlachte en maakte zich met een beleefd woordje van ze af. Vervolgens ging hij eens poolshoogte nemen, en daar hij hoe eer hoe liever zijn schuld betalen wou, hield hij stil bij een kraampje, waarin een dame stond, die zeer gezien was aan het hof; daar vroeg hij naar een zeer leelijken sigarenkoker. Vijf en zeventig francs! Hij kon een gebaar van schrik niet weerhouden; hij wierp den koker weg en maakte dat hij wegkwam; terwijl de dame gekrenkt het hoofd omwendde, alsof hij haar persoonlijk iets onbehoorlijks had gedaan. Toen ging hij, om onaangename aanmerkingen te voorkomen, naar de kiosk waar mevrouw de Combelot nog steeds haar ruikertjes ineendraaide. Die ruikertjes zouden zeker niet duur zijn. Uit voorzichtigheid wou hij zelfs geen ruiker nemen, begrijpende dat de bloemenverkoopster een te hoogen prijs voor haar werk zou vragen. Hij koos uit den stapel rozen den dunsten en de minst ontloken knop, en zijn portemonnaie voor den dag halend, vroeg hij hoffelijk:

—Mevrouw, hoeveel kost die bloem?

—Honderd francs, mijnheer, antwoordde de dame, die zijn manier van doen had opgemerkt.

Hij stotterde, zijn handen beefden. Maar ditmaal was het onmogelijk terug te treden. Er stonden menschen om hem heen, men keek naar hem. Hij betaalde en zijn toevlucht naar de koffiekamer nemende, ging hij aan het tafeltje van mijnheer Kahn zitten, en mompelde:

—’t Is een afzetterij, een afpersing ….

—Hebt ge Rougon niet in de zaal gezien? vroeg mijnheer Kahn.

De kolonel antwoordde niet. Hij wierp van verre woedende blikken op de verkoopsters. En toen mijnheer d’Escorailles en mijnheer La Rouquette vroolijk lachend voor een kraampje stonden, mompelde hij binnensmonds:

—Dat dank je de drommel, die jongelui hebben pret …. Zij krijgen altijd waar van hun geld.

Mijnheer d’Escorailles en mijnheer La Rouquette amuseerden zich inderdaad uitstekend. De dames betwistten ze aan elkander. Zoodra zij binnentraden, werden de armen naar hen uitgestoken, rechts en links, overal klonken hun namen.

—Mijnheer d’Escorailles, u weet wat u me beloofd hebt …. Kom mijnheer La Rouquette, koop een stokpaardje bij me. Niet? Dan een pop. Ja, ja, een pop, die moet u hebben!

Zij gaven elkaar een arm, om elkaar te beschermen, zeiden zij lachend. Zij gingen door de zaal, stralend, opgetogen, te midden van die bestorming van rokken, de warme liefkoozing van de lieve stemmen. Nu en dan verdwenen zij, verzwolgen onder de naakte boezems, waartegen zij zich met uitroepen van afgrijzen trachtten te verdedigen. En bij ieder kraampje lieten zij zich zoo’n lief geweld aandoen. Daarop hielden zij zich gierig, en gaven op een komische wijze lucht aan hun ontzetting. Een pop van een stuiver voor een louis, dat konden zij zich niet permitteeren! Drie potlooden van twee louis, men wou ze dus doodarm maken! ’t Was allergrappigst. De dames maakten een zacht kirrend geluid, als de tonen een fluit. Ze werden begeerig, vroegen het drie-, viervoudige van den prijs. Zij gaven de heeren aan elkander over en hier en daar klonk het: „Ik zal die twee eens beetnemen …. Dat zijn een paar goede om af te zetten ….”, wat de heeren heel goed hoorden en waarop ze met grappige buigingen antwoordden. Achter hun rug pochten de dames op hun succès; maar de meest benijde was een achttienjarig juffertje, dat een pijp zegellak voor drie louis verkocht had. Aan het einde der zaal, waar een verkoopster hem met alle geweld een doos zeep in den zak wou steken, riep mijnheer d’Escorailles:

—Ik heb geen cent meer. Wil ik een wissel voor u teekenen?

Hij keerde zijn geopende portemonnaie om, en de dame vergat zich in haar ijver zoozeer dat zij de portemonnaie uit zijn hand nam en ze doorzocht. En zij keek den jongen man aan, ze scheen op het punt hem zijn horlogeketting te vragen.

’t Was een grap. Mijnheer d’Escorailles nam altijd voor de aardigheid een leege portemonnaie op zulke bazaars mee.

—Kom mee, zei hij, mijnheer La Rouquette meetroonend, ik word het beu, hè? Wij zullen trachten weer wat op ons verhaal te komen.

En toen zij voorbij het draaibord gingen, riep mevrouw Bouchard:

—Twintig sous per keer, heeren …. Draai ereis rond!

Zij traden naderbij en deden alsof zij haar niet verstaan hadden.

—Hoeveel kost een keer, koopvrouw?

—Twintig sous, heeren.

Daar begon het gelach opnieuw. Maar mevrouw Bouchard, in haar blauw boerinnenpakje, bleef onschuldig kijken, en zette een gezicht alsof zij de heeren volstrekt niet kende. Toen bleef het bord een kwartier lang ronddraaien, zonder rustpoos. Zij losten elkander af. Mijnheer d’Escorailles won twee dozijn eierdopjes, drie zakspiegeltjes, zeven biscuitbeeldjes, vijf cigarettenkokers. Mijnheer La Rouquette kreeg voor zijn aandeel twee pakjes kant, een porceleinen vaasje op een verguld zinken voet, glazen, een blaker, een toiletdoos. Mevrouw Bouchard riep met een benepen gezicht:

—Neen maar, u is al te gelukkig! Ik speel niet meer …. Hier, neem uw prijzen mee.

Ze had ze op een tafel gelegd, in twee stapels. Mijnheer La Rouquette stond er versteld van. Hij vroeg of hij zijn stapel mocht ruilen voor het ruikertje viooltjes, dat zij in haar kapsel droeg. Maar zij weigerde.

—Neen, neen, u hebt het gewonnen, niet waar? Nu, dan moet ge het ook meenemen.

—Mevrouw heeft gelijk, zei mijnheer d’Escorailles ernstig.

Men moet de fortuin den rug niet toedraaien, en de drommel haal me als ik éen eierdopje laat staan!….

Hij had zijn zakdoek uitgespreid en pakte er alles netjes in. Er ontstond een nieuwe uitbarsting van vroolijkheid. De verlegenheid van mijnheer La Rouquette was al even vermakelijk. Toen kwam mevrouw Correur, die tot dusverre als een waardige matrone zich glimlachend op den achtergrond had gehouden, met haar dik, blozend gelaat voor den dag. Zij wou wel ruilen, zei ze.

—Neen, ik wil niets, haastte de jonge afgevaardigde zich te zeggen. Neem alles, ik geef u alles.

Maar zij gingen niet heen, ze bleven nog een oogenblik. Nu richtten zij zachtjes aardigheden van een twijfelachtig allooi tot mevrouw Bouchard. Als men haar zag, geraakten de hoofden nog meer aan het draaien dan haar draaibord. Wat won men bij haar aardig spel? Dat was wel zoo amusant als alle vogels vliegen; en ze wilden voor dat spelletje allerlei aardige inzetten geven. Mevrouw Bouchard sloeg de oogen neer en lachte als een onnoozel gansje, zij wiegelde zachtjes op haar heupen, als een boerinnetje dat door heeren in de maling wordt genomen, terwijl mevrouw Correur er opgetogen bij stond en met het verrukte gezicht van een kenster uitriep:

—Wat is ze toch snoezig!

Maar mevrouw Bouchard gaf mijnheer d’Escorailles tenslotte een tikje op de handen, toen hij het mechaniek van het draaibord wou onderzoeken, onder voorwendsel dat zij valsch speelde. Wilden de heeren haar wel eens met rust laten! En toen zij ze weggezonden had, hernam zij weer op lokkenden toon:

—Komaan, heeren, twintig sous per keer. Een keer maar, heeren!

Op dit oogenblik ging mijnheer Kahn, die opgestaan was om over de hoofden heen te kijken, weer haastig zitten, terwijl hij mompelde:

—Daar is Rougon …. Niets laten merken, hoor!

Rougon ging langzaam de zaal door. Hij bleef staan, draaide aan het bord van mevrouw Bouchard, betaalde drie louis voor een roosje van mevrouw de Combelot. Toen hij aldus geofferd had, scheen hij onmiddellijk weer heen te willen gaan. Hij begaf zich reeds naar een deur, maar plotseling, nadat hij een blik in de koffiekamer had geworpen, ging hij dien kant uit, met opgeheven hoofd, kalm en trotsch. Mijnheer d’Escorailles en mijnheer La Rouquette waren bij mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin en den kolonel gaan zitten; ook mijnheer Bouchard had zich bij het groepje gevoegd. En al die heeren voelden, toen de minister langs hen heen ging, een lichte huivering, zoo groot en forsch gebouwd leek hij hun toe. Hij had ze uit de hoogte een vertrouwelijk knikje gegeven. Hij ging aan een naburig tafeltje zitten. Zijn breed gezicht keerde zich links en rechts, alsof hij de blikken, die hij op hem voelde rusten, wilde trotseeren.

Clorinde was naderbij gekomen, haar geel kostuum als een koningin achter zich aan slepend. Zij vroeg hem, op een vulgairen toon, waarin een zweempje spotternij klonk:

—Wat blieft mijnheer?

—Ah zoo, zei hij vroolijk. Ik drink nooit iets …. Wat hebt u?

Toen somde ze hem allerlei likeuren op: fine champagne, rum, curaçao, kirsch, chartreuse, anisette, vespetro, kummel.

—Neen, neen, geef me een glas suikerwater.

Zij ging naar het buffet en bracht het glas suikerwater, altijd met haar majestueuse houding. En zij bleef voor Rougon staan en zag toe hoe hij zijn suikerwater roerde. Hij bleef glimlachen en sprak een paar onbeteekenende woorden.

—Maakt ge het goed?…. Ik heb u in geen eeuw gezien.

—Ik was op Fontainebleau, antwoordde zij eenvoudig.

Hij keek op en wierp haar een doordringenden blik toe. Maar zij ondervroeg hem op haar beurt.

—En zijt ge tevreden? Gaat alles naar wensch?

—O, uitstekend, zei hij.

—Komaan, des te beter!

En zij draaide om hem heen, met de oplettendheden van een kellner. Zij keek hem aan met een boosaardige flikkering in haar oogen, alsof ze ieder oogenblik gereed stond om haar zegepraal uit te flappen. Eindelijk besloot zij reeds hem te verlaten, toen zij op de teenen ging staan om in de zaal te zien. Daarop tikte zij hem op den schouder.

—Ik geloof dat men u zoekt, hernam zij, met een opgewekt gezicht.

Merle kwam inderdaad eerbiedig nader, tusschen de tafels en de stoelen van het buffet door. Hij maakte drie buigingen achtereen en verzocht Zijn Excellentie hem niet kwalijk te nemen, maar men had na het vertrek van Zijn Excellentie den brief gebracht, dien Zijn Excellentie ’s morgens misschien al verwacht had. En ofschoon hij daaromtrent geen opdracht had gekregen, had hij gemeend ….

—Al wel, geef maar hier, viel Rougon hem in de rede.

De bode reikte hem een groote enveloppe over en ging wat in de zaal rondloopen. Rougon had met een oogopslag de hand herkend; het was een eigenhandig schrijven van den keizer, in antwoord op zijn aanvraag om ontslag. Een koud zweet brak hem uit, maar hij verbleekte niet. Hij stak den brief bedaard in den binnenzak van zijn overjas, zonder de blikken af te wenden van mijnheer Kahn en diens vrienden, aan wie Clorinde enkele woorden had toegefluisterd. De geheele bende loerde nu op hem, verloor geen enkele zijner bewegingen uit het oog, in een koortsachtige nieuwsgierigheid.

De jonge vrouw had zich weer voor hem geplaatst. Rougon dronk eindelijk zijn glas suikerwater half leeg en zocht naar een vleiend gezegde.

—U ziet er vandaag bijzonder mooi uit. Als koninginnen zich tot dienstbaren maakten ….

Zij viel hem midden in zijn complimentje in de rede en zei met haar gewone vrijmoedigheid:

—Leest u hem niet?

Hij deed alsof hij het geheel vergeten was. En toen, alsof hij zich plotseling herinnerde:

—O ja, die brief …. Ik zal hem lezen, als het u genoegen doet.

En met een pennemes sneed hij de enveloppe door, heel zorgvuldig. Met een enkelen blik had hij de weinige regels doorloopen. De keizer nam zijn ontslag aan. Meer dan een minuut hield hij het papier voor zijn gezicht, als om het te herlezen. Hij was bang dat hij zijn gelaat niet in bedwang zou kunnen houden. Zijn gansche kracht kwam in opstand, wilde dien val niet aannemen, een rilling ging hem door merg en been, als hij zich niet met inspanning van alle krachten daartegen verzet had, zou hij het uitgeschreeuwd, met zijn vuist op de tafel gebeukt hebben. Steeds starend op den brief, zag hij den keizer weer zooals hij hem te Saint-Cloud gezien had, met zijn weeke stem, zijn onveranderlijken glimlach, terwijl hij hem bij hernieuwing van zijn vertrouwen verzekerde, de vroeger gegeven instructies bekrachtigde. Hoe lang moest die gedachte aan zijn ongenade achter dat omsluierd gelaat gezeteld hebben, om hem zoo plotseling, in éen nacht, terneer te werpen, na hem wel twintig malen in zijn macht gehandhaafd te hebben? Eindelijk bedwong Rougon zich, met een uiterste krachtsinspanning. Hij hief zijn gelaat op, waarin geen enkele trek bewoog; met een onverschillig gebaar stak hij den brief weer in zijn zak. Maar Clorinde was met beide handen op het tafeltje komen leunen. Zij boog zich voorover en met trillende mondhoeken mompelde zij:

—Ik wist het. Ik was er van morgen nog …. Arme vriend!

En zij beklaagde hem met zulk een wreede spotternij, dat hij haar nogmaals in de oogen keek. Zij veinsde trouwens niet meer. Zij had nu dat genot, waarop zij maandenlang gewacht had, en zonder overijling, zin voor zin, smaakte zij het genoegen zich eindelijk aan hem als een onverzoenlijke, gewroken vijandin te doen kennen.

—Ik heb u niet kunnen verdedigen, ging zij voort. Ge weet zeker niet ….

Zij voleindigde niet. Toen vroeg zij, op scherpen toon:

—Raad eens wie u aan Binnenlandsche Zaken vervangt?

Hij maakte een gebaar alsof het hem niet schelen kon. Maar zij bleef hem onafgewend aan zien en zei ten slotte deze twee woorden:

—Mijn man!

Rougon, wiens keel droog was, dronk nog een teug suikerwater. In die paar woorden had zij alles gelegd, haar toorn dat zij vroeger versmaad was geworden, haar wraakplannen met zooveel kunst overlegd, haar vreugde als vrouw, dat zij een man van zoo’n kracht verslagen had. Toen gaf zij zich het genoegen hem te kwellen, misbruik van haar overwinning te maken, zij legde nadruk op de kwetsende zijden van het geval. Mijn hemel, haar man was volstrekt geen hoogvlieger, dat bekende zij volmondig, zij spotte er zelfs mee; zij gaf te kennen dat de eerste de beste voldoende was geweest, dat zij evengoed den bode Merle tot minister kon laten benoemen, als zij er lust in had gehad. Ja, den bode Merle, den eerste den besten domoor, onverschillig wien: Rougon zou een waardigen opvolger gehad hebben. Dat bewees de almacht van de vrouw. En daarop sloeg zij een beschermenden, moederlijken toon aan, ze deelde goeden raad uit.

—Ziet ge, mijn waarde, ik heb het u dikwijls gezegd, ge handelt verkeerd, de vrouwen te minachten. Neen, de vrouwen zijn zoo dom niet als gij denkt. Dat maakte me altijd boos, als ik hoorde dat ge ons uitmaakt voor dwazen, lastige meubels, weet ik het, blokken aan het been …. En mijn man, zie daar eens naar! Ben ik soms voor hem een blok aan het been geweest?…. Kijk, dat had ik u eens willen toonen. Ik had me daarop willen vergasten, van af den dag waarop we dat gesprek hielden, weet ge nog wel? Ge hebt het nu gezien, nietwaar? Nu daarom toch even goede vrienden, hoor …. Ge zijt heel sterk, mijn waarde, maar onthoud éen ding: als een vrouw zich de moeite wil geven om zich tegen u te stellen, trekt gij altijd aan het kortste eind.

Rougon glimlachte ietwat bleek.

—Ja, ge hebt misschien gelijk, zei hij langzaam, terwijl de geheele geschiedenis hem weer voor den geest kwam. Ik had enkel mijn kracht. Gij hadt ….

— Ik had wat anders, te drommel! eindigde zij met een vrijmoedigheid die bijna grootheid werd, zoo hoog stelde zij zich in haar minachting voor de convenances.

Er kwam geen klacht over zijn lippen. Zij had hem kracht ontnomen om hem te overwinnen; zoo keerde zij de lessen, die zij als een volgzame leerling in de rue Marbeuf van hem gekregen had, als een wapen tegen hem. Dat was een ondankbaarheid, een verraad, waarvan hij als een man van ondervinding, de bitterheid zonder walging indronk. Alleen wenschte hij bij deze ontknooping te weten of hij haar nu eindelijk geheel kende. Hij herinnerde zich zijn oude pogingen om het geheime raderwerk van die prachtige en toch defecte machine te leeren kennen. De domheid van de mannen was toch werkelijk groot.

Tweemaal was Clorinde even weggegaan om een bestelling uit te voeren. Daarna hervatte zij haar plechtstatige wandeling tusschen de tafeltjes, terwijl zij veinsde zich niet meer met hem te bemoeien. Hij keek haar na; hij zag hoe zij op een heer met een grooten baard toetrad, een vreemdeling wiens buitensporige verkwistingen Parijs in opschudding brachten. Hij dronk juist zijn glaasje Malaga leeg.

—Hoeveel is het, mevrouw? vroeg hij, opstaande.

—Vijf francs, mijnheer. Alle verteringen zijn vijf francs.

Hij betaalde. En toen op denzelfden toon, met zijn vreemd accent:

—En hoeveel een kus?

—Honderdduizend francs, antwoordde zij zonder aarzelen.

Hij ging weer zitten en schreef een paar woorden op een stuk papier dat hij van een agenda scheurde. Toen drukte hij haar een stevigen zoen op de wang, betaalde haar en ging met kalmen tred de deur uit. Iedereen glimlachte, en vond dat heel aardig.

—De kwestie is maar, welken prijs men er voor vraagt, mompelde Clorinde, weer bij Rougon terugkomend.

En hij zag daarin een nieuwe toespeling. Zij had „nooit” tot hem gezegd. En die kuische man, die zonder het hoofd te buigen den nekslag van zijn ongenade had ontvangen, leed nu bij het zien van den halsband, dien zij met zooveel onbeschaamdheid droeg. Zij boog zich meer voorover, bewoog uitdagend haar hals. De fijne parel klingelde in het gouden belletje; de ketting hing, nog warm van de hand zijns meesters; de diamanten schitterden op het fluweel, waar hij gemakkelijk het geheim las, dat iedereen kende. En nog nooit had de keizer hem met zoo’n gevoel van afgunst vervuld. Hij had Clorinde liever in de armen van den koetsier gezien, van wien men fluisterend sprak. Het prikkelde zijn oude begeerten haar buiten zijn bereik te weten, als de slavin van een man die met een enkel woord de hoofden deed buigen.

De jonge vrouw ried waarschijnlijk wat hem kwelde. Zij voegde er een wreedheid aan toe, ze wees hem met een knipoogje op mevrouw de Combelot, die in een bloemenkiosk haar rozen verkocht. En zij mompelde met haar boosaardigen glimlach:

—Die arme mevrouw de Combelot, hè? Zij wacht nog altijd.

Rougon dronk zijn glas suikerwater leeg. Hij stikte bijna. Zijn portemonnaie voor den dag halend, mompelde hij:

—Hoeveel?

—Vijf francs.

Toen zij het geldstuk in haar taschje had laten glijden, hield zij weer haar hand op en zei schertsend:

—Geeft u niets voor de kellnerin?

Hij zocht, en vond twee sous die hij in haar hand lei. Dat was zijn onbeschoftheid, de eenige wraak die zijn parvenu-ruwheid wist te bedenken. Zij kreeg een kleur, ondanks haar brutaliteit. Maar dadelijk hernam zij haar hooghartige houding. Zij ging groetend heen en liet van haar lippen vallen:

—Dank u, Excellentie.

Rougon durfde nog niet opstaan. Hij voelde een slapheid in de beenen, die hem deed vreezen dat hij zou wankelen, en hij wou heengaan zooals hij gekomen was, flink, met een kalm gelaat. Hij zag er vooral tegen op langs zijn vroegere huisvrienden te moeten gaan, aan wier gerekte halzen, gespitste ooren en opengesperde oogen geen enkele bijzonderheid van het voorgevallene was ontgaan. Hij keek nog eenige oogenblikken rond, met geveinsde onverschilligheid. Hij dacht na. Een nieuw bedrijf van zijn politiek leven was dus afgespeeld. Hij viel, ondermijnd, afgeknaagd, verslonden door zijn bende. Zijn sterke schouders kraakten onder de verantwoordelijkheden, de dwaasheden en de laagheden, die hij voor zijn rekening had genomen, uit snoeverij op zijn kracht, een behoefte om een gevreesd en edelmoedig hoofd te zijn. Zijn reuzenspieren maakten zijn val nog geweldiger, de ineenstorting van zijn kliek nog grooter. De voorwaarden zelven van zijn macht, de noodzakelijkheid om achter zich begeerten te hebben die hij voldoen moest, zich staande te houden door het misbruik van zijn invloed, dat alles had noodzakelijkerwijs zijn val tot een kwestie van tijd gemaakt. En nu herinnerde hij zich die langzame werking van zijn bende, die scherpe tanden die iederen dag een beetje van zijn kracht opaten. Zij waren om hem heen; zij klommen op zijn knieën, daarop naar zijn borst, vervolgens naar zijn keel, tot stikkens toe; zij hadden hem alles ontnomen, zijn voeten om op te stijgen, zijn handen om te stelen, zijn tanden om te bijten, zij woonden in zijn ledematen, ontleenden er hun vreugd en hun gezondheid aan, deden er zich aan te goed, zonder aan den dag van morgen te denken. Maar nu zij hem uitgeput hadden, nu zij zijn beenderen hoorden kraken, maakten zij dat zij weg kwamen, als die ratten die door hun instinct gewaarschuwd worden voor de aanstaande ineenstorting van de huizen, waarvan zij de muren verbrokkeld hebben. De heele bende blaakte van gezondheid. Ze mestte zich weer aan een ander dik lichaam vet. Mijnheer Kahn had zijn spoorweg Niort-Angers aan den graaf de Marsy verkocht. De kolonel zou de volgende week een betrekking in de keizerlijke paleizen krijgen. Mijnheer Bouchard had de bepaalde toezegging gekregen dat zijn beschermeling, de belangwekkende Georges Duchesne, tot sous-chef benoemd zou worden, zoodra Delestang aan het ministerie van Binnenlandsche zaken was. Mevrouw Correur verheugde zich over een zware ziekte van mevrouw Martineau; zij verbeeldde zich reeds dat zij in haar huis te Coulonges woonde, van haar renten levende en weldoende in die streek. Mijnheer Béjuin had de zekerheid gekregen dat de keizer zijn kristalfabriek tegen den herfst zou bezoeken. Mijnheer d’Escorailles eindelijk had zich, na een heftig vertoog van den markies en de markiezin, aan Clorinde’s voeten geworpen, en had een post als sous-prefect gekregen, enkel door de bewondering, waarmee hij had toegekeken toen zij glaasjes likeur ronddiende. En Rougon, tegenover die met weldaden overladen bende, voelde zich kleiner dan vroeger, voelde zich verpletterd onder hun drukkend gewicht; hij durfde zijn stoel niet verlaten, uit vrees dat hij ze zou zien glimlachen, wanneer hij mocht struikelen.

Langzamerhand werd zijn hoofd echter vrijer, voelde hij zich flinker; hij stond op. Hij schoof het tafeltje terzijde om voorbij te gaan, toen Delestang en de Marsy gearmd de zaal binnenkwamen. Er liepen zonderlinge geruchten over dezen laatste. Wanneer men mocht gelooven wat er gefluisterd werd, dan had hij de vorige week een ontmoeting met Clorinde op het kasteel van Fontainebleau gehad, met het eenige doel om de samenkomsten van den keizer met de jonge vrouw gemakkelijk te maken. Hij had in opdracht de keizerin te amuseeren. Trouwens, dat scheen pikant, anders niets; zulke diensten worden meer onder mannen bewezen. Maar Rougon zag er een weerwraak van den graaf in, die de medeplichtigheid van Clorinde aanwendde om hem ten val te brengen, op die wijze tegen zijn opvolger aan het ministerie dezelfde wapenen gebruikende, waarmee hij eenige maanden vroeger te Compiègne verslagen was. Sedert zijn terugkeer uit Fontainebleau was mijnheer de Marsy de onafscheidelijke metgezel van Delestang.

Mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin, de kolonel, de heele bende wierp zich in de armen van den nieuwen minister. Diens benoeming zou eerst den volgenden dag in de Moniteur verschijnen, vlak achter het ontslag van Rougon; maar het besluit was geteekend, men was zeker van zijn zegepraal. Zij gaven hem met een lachend gezicht een stevigen handdruk, fluisterden hem iets toe, en toonden een geestdrift die zich ternauwernood door de tegenwoordigheid van al de bezoekers liet bedwingen. ’t Was de langzame inbezitneming der trawanten, die de voeten en de handen kussen voordat zij zich van de vier ledematen meester maken. En hij behoorde hun reeds toe; een hield hem bij den rechterarm, een ander bij den linkerarm; een derde had een knoop van zijn jas gegrepen, terwijl een vierde zich achter zijn rug op de teenen verhief om hem iets toe te fluisteren. Hij hief zijn knappen kop omhoog, met een minzame waardigheid, een van die indrukwekkende, correcte, domme gezichten, die men op platen ziet afgebeeld, waarop de dames van de onder-prefecturen ruikers aanbieden aan een souverein op reis. Rougon, die met een bloedend hart naar die verheerlijking van de middelmatigheid keek, kon toch een glimlach niet bedwingen. Hij herinnerde zich zijn eigen voorspellingen.

—Ik heb altijd voorspeld dat Delestang het ver zou brengen, zei hij met een fijn lachje tot den graaf de Marsy, die met uitgestrekte hand op hem toe gekomen was.

De graaf antwoordde met een spottend lachje. Sedert hij vriendschap met Delestang had aangeknoopt, nadat hij zijn vrouw diensten had bewezen, amuseerde hij zich kostelijk. Hij knoopte een gesprek met Rougon aan, steeds uiterst hoffelijk. Voortdurend met elkander in botsing, groetten die twee mannen elkander na afloop van ieder tweegevecht, als tegenstanders van gelijke kracht, die zich telkens voornemen het een volgenden keer te winnen. Rougon had Marsy gekwetst, Marsy had op zijn beurt Rougon gekwetst, dat zou zoo voortgaan totdat een van hen niet meer zou opstaan. Misschien verlangden zij eigenlijk niet eens naar elkanders volkomen nederlaag, amuseerde hen die strijd, was die onafgebroken ijverzucht een onmisbaar deel van hun bestaan; bovendien, voelden zij zich de twee tegenwichten die noodig waren om het keizerrijk in evenwicht te houden, de ruige vuist die neervelt, de fijne geganteerde hand die verworgt.

Intusschen was Delestang in de grootste verlegenheid. Hij had Rougon opgemerkt en hij wist niet of hij hem de hand zou reiken. Hij keek besluiteloos naar Clorinde, die druk bezig was met een onverschillig uiterlijk sandwiches, tulbanden en koekjes naar alle kanten van de koffiekamer te brengen. Een enkele blik dien hij opving, nam zijn besluiteloosheid weg; hij kwam naderbij, nog ietwat, verlegen, zijn verontschuldiging stamelend.

—Beste vriend, ge neemt het me toch niet kwalijk?…. Ik heb het geweigerd, maar ik ben er toe genoodzaakt …. Er zijn dingen, waaraan men zich niet kan onttrekken, nietwaar?

Rougon viel hem in de rede; de keizer had in zijn hooge wijsheid gehandeld, het land zou in uitmuntende handen zijn. Toen vatte Delestang weer moed.

—O, ik heb u verdedigd, we hebben u alle verdedigd. Maar kijk, onder ons gezegd, ge waart wel wat ver gegaan …. die zaak met de Charbonnels, ge weet wel, die arme zusters ….

Mijnheer de Marsy onderdrukte een glimlach. Rougon antwoordde op zijn jovialen toon van vroeger:

—Ja, ja, de huiszoeking bij de geestelijke zusters. Mijn hemel, onder al de dwaasheden die mijn vrienden mij hebben laten begaan, is dat misschien de eenige verstandige en rechtvaardige zaak in de vijf maanden van mijn gezag.

En hij ging heen, toen hij Du Poizat zag binnentreden en zich van Delestang meester maken. De prefect hield zich alsof hij hem niet bemerkte. Sedert drie dagen lag hij te Parijs in hinderlaag. Hij had zeker een overplaatsing als prefect gekregen, want hij putte zich uit in dankbetuigingen. Toen de nieuwe minister zich omkeerde, kreeg hij den bode Merle, die door mevrouw Correur voortgeduwd werd, bijna tegen het lijf; de bode sloeg de oogen neer als een verlegen meisje, terwijl mevrouw Correur hem warm aanbeval.

—Men houdt niet van hem aan het ministerie, mompelde zij, omdat hij door zijn stilzwijgen tegen de misbruiken protesteerde. Hij heeft rare dingen onder mijnheer Rougon bijgewoond!

—Ja, vreemde dingen, zei Merle. Daar zou ik een boekje van open kunnen doen!…. Mijnheer Rougon zal niet betreurd worden. Ik heb allerminst reden om gesteld op hem te zijn. Hij had me bijna weggejaagd.

In de groote zaal, die Rougon met langzame schreden doorwandelde, was men bijna uitverkocht. Om de keizerin genoegen te doen, hadden de bezoekers de kraampjes letterlijk geplunderd. De verkoopsters waren in de wolken; ze opperden het plan om ’s avonds met een nieuwen voorraad de bazaar te heropenen. En zij telden haar geld op de tafeltjes uit. Groote bedragen werden met een zegevierend gelach aangekondigd: de eene had drieduizend francs gebeurd, een andere vierduizend vijfhonderd, een derde zevenduizend, een vierde tienduizend. Deze laatste straalde van verrukking. Ze was een vrouw van tienduizend francs.

Maar mevrouw de Combelot was wanhopig. Zij had haar laatste roos verkocht, en de koopers bestormden nog steeds haar kiosk. Zij ging de zaal in om mevrouw Bouchard te vragen of zij niets te koop had, het kwam er niet op aan wat. Maar het draaibord was ook leeg; een dame nam juist den laatsten prijs mee, een poppen-waschkom. Eindelijk, na lang zoeken, vonden zij een pakje tandenstokers op den grond. Mevrouw de Combelot nam het in zegepraal mee naar haar kiosk, gevolgd door mevrouw Bouchard.

—Heeren! Heeren! riep eerstgenoemde vrijmoedig, met haar bloote armen de mannen om zich heen lokkend. Dat is alles wat wij overhebben, een pakje tandenstokers. Er zijn er vijf-en-twintig …. Ik breng ze in veiling.

De mannen verdrongen zich lachend om haar heen. De inval van mevrouw Combelot vond een uitbundigen bijval.

—Een tandenstoker! riep zij. Er is een kooper voor vijf francs!…. Komaan, heeren, vijf francs!

—Tien francs! zei een stem.

—Twaalf francs!

—Vijftien francs!

Maar mijnheer d’Escorailles bood op eens vijf en twintig francs en mevrouw Bouchard haastte zich om met haar lieve stem te roepen:

—Toegewezen voor vijf en twintig francs!

De andere tandenstokers gingen nog veel hooger. Mijnheer La Rouquette betaalde voor den zijnen drie en veertig francs; ridder Rusconi, die juist aankwam, bood zelfs twee en zeventig francs; de laatste tandenstoker eindelijk, die door mevrouw de Combelot als gespleten werd aangekondigd, daar zij haar menschen niet wou bedriegen, zei ze, werd toegewezen voor de somma van honderd zeventien francs aan een ouden heer, die vuur vatte door de opwinding der jonge vrouw, wier keurslijf bij iedere hartstochtelijke beweging half openging.

—Hij is gespleten, heeren, maar hij kan nog dienst doen …. We zeggen honderd acht!…. honderd tien, daar!…. honderd elf! honderd twaalf! honderd dertien! honderd veertien!…. Komaan, honderd veertien! Hij is meer waard …. Honderd zeventien! honderd zeventien! Niemand meer? Toegewezen voor honderd zeventien francs.

En door die cijfers achtervolgd, verliet Rougon de zaal. Op het terras aan den waterkant vertraagde hij zijn tred. Een onweer kwam op aan den horizon. Het vuilgroene Seinewater stroomde zwaar tusschen de bleeke kaden, waarop de stofwolken omhoog dwarrelden. In den tuin lieten de boomen, waartusschen nu en dan een heete luchtstroom streek, hun takken machteloos hangen. Rougon zocht de groote kastanjeboomen op; het was er bijna geheel donker en vochtig warm als onder een keldergewelf. Hij kwam uit in de groote laan, toen hij de Charbonnels op een bankje zag zitten, keurig gekleed, alsof zij een gedaanteverwisseling ondergaan hadden; de man in lichte pantalon en getailleerde overjas, de vrouw met een hoed met roode bloemen gegarneerd en een licht manteltje op een lilazijden japon. Naast hen, schrijlings op een hoekje van de bank, zat een haveloos individu, met een oud jachtvest aan, druk te gesticuleeren, terwijl hij hoe langer hoe nader bij hen schoof. Het was Gilquin. Hij sloeg telkens tegen zijn linnen pet, die dreigde af te waaien.

—Een hoop schurken! riep hij. Heeft Théodore iemand ooit een stuiver te kort willen doen? Ze hebben een sprookje verzonnen over militaire plaatsvervangers om me onmogelijk te maken. Toen heb ik er den brui van gegeven, en ik ben weggegaan. Laten ze naar den bliksem loopen, niet waar?…. Ze zijn bang voor me, ze kennen mijn politieke opinies wel. Ik heb nooit bij de kliek van Bonaparte behoord ….

Hij boog zich naar hen over en met smachtende blikken vervolgde hij zachter:

—Ik betreur daar maar één persoontje. O, een allerliefst vrouwtje, een dame uit de deftigste kringen. Ja, ja, en zoo aangenaam in den omgang …. Ze was blond. Ik heb nog een haarlok van haar gekregen.

Daarop hernam hij met donderende stem, heel dicht bij mevrouw Charbonnel en haar op den buik kloppende:

—Wel, mama, wanneer mag ik met u mee naar Plassans, om de ingemaakte vruchten, de appelen, kersen en confituren op te eten?…. ’t Zit er nu beter aan, hè?

Maar de Charbonnels schenen Gilquin’s vertrouwelijkheid zeer onaangenaam te vinden. De vrouw antwoordde stijfjes, terwijl zij haar lilazijden japon naar zich toe trok:

—We blijven een poosje in Parijs …. We zijn van plan elk jaar een maand of zes hier te vertoeven.

—O, Parijs! zei haar man met een diepe bewondering, Parijs is eenig!

En daar de windvlagen heviger werden en een troepje kindermeiden den tuin inliep, hernam hij, zich tot zijn vrouw wendend:

—Vrouwlief, wanneer we niet nat willen worden, moesten we nu naar huis gaan. Gelukkig zijn we maar een stapje van ons hôtel af.

Zij waren afgestapt in het hôtel du Palais-Royal, rue de Rivoli. Gilquin keek ze met een verachtelijk schouderophalen na.

—Ook al vrienden, die je in den steek laten, mompelde hij, ze zijn allemaal eender.

Plotseling bemerkte hij Rougon. Hij wiegelde heen en weer, terwijl hij zijn nadering afwachtte, en sloeg zijn pet vaster op zijn hoofd.

—Ik ben niet bij je geweest, zei hij. Je hebt het zeker niet kwalijk genomen, hè?…. Die windwijzer van een Du Poizat heeft zeker rapport over me gemaakt. Niets dan leugens, mijn waarde, daar zou ik je het bewijs van kunnen leveren …. Enfin, ik ben niet boos op je. En tot bewijs geef ik je hier mijn adres: rue du Bon-Puits 25, te la Chapelle, vijf minuten buiten de barrière. En mocht je me noodig hebben, dan sta ik altijd voor je klaar.

Hij ging met slependen tred heen. Aan het einde der laan keerde hij zich nog eens om, stak zijn vuist dreigend naar de Tuileriën uit en riep:

—Leve de republiek!

Rougon verliet den tuin en ging de Champs-Elysées op. Het verlangen was plotseling in hem ontwaakt, zijn hôtel in de rue Marbeuf terug te zien. Den volgenden dag, zoo nam hij zich voor, zou hij van het ministerie daarheen verhuizen. En met een gevoel van vermoeidheid in het hoofd, peinsde hij over de dingen, die hij eenmaal doen zou om zijn kracht te toonen. Nu en dan hief hij het hoofd op en keek naar de lucht. Het onweer scheen niet los te willen barsten. Rosachtige wolken vertoonden zich aan den gezichtseinder. In de avenue des Champs-Elysées, die als uitgestorven was, rommelde de donder, met een geraas alsof een regiment artillerie er doorheen draafde; de toppen der boomen trilden er van. De eerste regendruppels begonnen te vallen, toen hij den hoek van de rue Marbeuf omsloeg.

Een coupé stond voor de deur van zijn woning. Rougon trof er zijn vrouw aan, die de kamers opnam, de maat van de ramen nam en bevelen aan een behanger gaf. Hij keek verbaasd op, maar zij legde hem uit dat zij haar broer gesproken had, die al bekend scheen te zijn met Rougon’s val; hij had haar meteen gezegd, dat hij nu wel binnenkort minister van Justitie zou worden, kortom, hij had alweer getracht oneenigheid tusschen de twee echtelieden te stichten. Mevrouw Rougon had dadelijk laten inspannen om haar nieuwe woning weer op orde te brengen. Ze had als altijd een stemmig, devoot gelaat, en met haar onverstoorbare kalmte liep zij onhoorbaar zacht door de kamers, nam zij weer bezit van dat huis dat zij rustig en stil als een klooster gemaakt had. Haar eenige zorg was als een trouw rentmeester het fortuin te beheeren, dat haar was toevertrouwd.

Intusschen barstte het onweer met ongehoorde hevigheid los. De donder rommelde, het water viel bij stroomen neer. Rougon, die terug wou wandelen, moest drie kwartier wachten. De Champs-Elysées waren één modderpoel; een gele, vloeibare modder vormde van den Triomfboog tot de place de la Concorde als het ware de bedding van een plotseling leeggeloopen stroom. De avenue bleef verlaten; een enkele voetganger waagde zich op het plaveisel en trad voorzichtig op de uitstekende punten der steenen; van de druipnatte boomen drupte het water in de kalme, opgefrischte lucht. Aan den hemel had de donderbui een staart van koperkleurige lappen achtergelaten, een vuile lage wolkenmassa, waaruit een schemerachtig licht neerdaalde.

Rougon hervatte zijn mijmeringen over de toekomst. Enkele druppels, die nog neervielen, maakten zijn handen vochtig. Hij voelde weer die afmatting door al zijn leden, alsof hij zich gestooten had tegen een hinderpaal die den weg versperde. Eensklaps hoorde hij achter zich een luid getrappel, een regelmatigen draf, die den grond deed dreunen. Hij keerde zich om.

Het was een stoet die op den modderigen straatweg, onder het droefgeestige licht van den koperkleurigen hemel, uit het Bosch terugkwam. Huzaren openden en sloten den stoet. In het midden rolde een met vier paarden bespannen gesloten landauer; aan beide portieren reden stalmeesters, die op hun met goud geborduurd groot tenue, van hun kaplaarzen tot aan hun platten hoed, bedaard de modderspatten van de wielen opvingen, zoodat hun uniform ten slotte met een laag vloeibare slijk bedekt was. En in de gesloten landauer vertoonden zich de tien uitgespreide vingers en de platgedrukte neus van een kind, den kroonprins, voor het portierraampje.

—Kijk, die kikvorsch! zei een straatwerker lachend, terwijl hij zijn kruiwagen voortduwde.

Rougon bleef staan, in gedachten verdiept, en oogde den stoet na, die door de plassen reed, zoodat zelfs de onderste bladeren der boomen met slijk bespat werden.