WeRead Powered by ReaderPub
Zijn Excellentie Eugène Rougon cover

Zijn Excellentie Eugène Rougon

Chapter 13: XIII.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel chronicles the rise and exercise of power by an ambitious political figure, portraying strategic maneuvering, alliances, and compromises within formal institutions and social salons. It interweaves detailed scenes of parliamentary sessions, bureaucratic routine, and intimate gatherings to show how personal ambition, patronage, and public spectacle sustain authority. Through realistic depiction of procedural rituals, whispered intrigues, and the characters who orbit the central figure, the narrative examines themes of power, influence, corruption, and the intersection of private motives with public roles, yielding a clinical portrait of political life under a dominant regime.

XIII.

Drie jaar later, in de maand Maart, ging het stormachtig toe in een zitting van het Wetgevend lichaam. Men voerde er de eerste discussies over het adres. Mijnheer La Rouquette en een oude afgevaardigde, mijnheer de Lamberthon, de echtgenoot van een allerliefste vrouw, zaten bedaard tegenover elkander in de koffiekamer een grogje te drinken.

—Zouden we niet naar de zaal teruggaan? vroeg mijnheer de Lamberthon, ik geloof dat het daar spant.

Nu en dan hoorde men een verwijderd geluid, een storm van stemmen, als door een windvlaag overgebracht; daarop werd alles weer doodstil. Maar mijnheer La Rouquette bleef zorgeloos voortrooken en antwoordde:

—Och neen, ik rook liever mijn sigaar op …. We zullen wel gewaarschuwd worden, wanneer men ons noodig heeft. Ik heb gezegd dat ze ons moesten waarschuwen.

Zij zaten alleen in de koffiekamer, een koket zaaltje achter in het tuintje op den hoek van de kade en de rue de Bourgogne. Licht groen geschilderd en met een bamboe traliewerk bedekt, met groote ramen die uitzicht gaven op de dichte boomgroepen van den tuin, geleek het zaaltje met zijn paneelen van spiegelglas, zijn tafeltjes, zijn roodmarmeren toonbank en zijn zitbanken van gecapitonneerde groene rips, op een serre die in een gala-koffiekamer herschapen was. Door een geopend venster stroomde de zoele lentelucht naar binnen, verfrischt door de windjes die over de Seine streken.

—De oorlog met Italië heeft hem het toppunt van zijn roem doen bereiken, hernam mijnheer La Rouquette, zijn afgebroken gesprek voortzettende. En nu toont hij de geheele kracht van zijn genie door aan het land zijn vrijheid terug te geven ….

Hij sprak van den keizer. Hij was al een poosje bezig om met de grootste ingenomenheid over de besluiten van November te spreken, namelijk de meer directe deelneming der groote staatslichamen aan de politiek van den souverein, de benoeming van ministers zonder portefeuille, belast met de vertegenwoordiging van de regeering in Kamers. Het was de terugkeer tot het constitutionneele stelsel, in al wat daarin heilzaam en billijk was. Een nieuw tijdvak begon, het liberale keizerrijk. En opgetogen schudde hij de asch van zijn sigaar.

Mijnheer de Lamberthon schudde het hoofd.

—Hij is er wel wat vlug mee geweest, mompelde hij. Men had nog kunnen wachten, er was geen haast hij.

—Ja, zeker wel, er moest iets gedaan worden, zei de jonge afgevaardigde met overtuiging. Dat was juist het geniale ….

Hij liet de stem dalen en trad in een verklaring van den politieken toestand.

De mandementen der bisschoppen betreffende het wereldlijk gezag, dat door Turijn bedreigd werd, verontrustten den keizer zeer. En daarbij kwam, dat er een oppositiegeest in het land ontwaakte. Het oogenblik was aangebroken om de verzoening der partijen te beproeven, de politieke ontevredenen tot zich te trekken door hun eenige concessies te doen. Nu vond hij dat het autoritair keizerrijk te veel gebreken aankleefden, en herschiep hij het liberale keizerrijk in een apotheose, waardoor geheel Europa zou verlicht worden.

Intusschen had mijnheer de Lamberthon onrustig omgekeken. Eindelijk vroeg hij:

—Rougon moet antwoorden, niet waar?

—Ja, ik geloof het wel, antwoordde mijnheer La Rouquette, met een geheimzinnig gezicht.

—Hij had zich erg gecompromitteerd, mompelde de oude afgevaardigde. De keizer heeft een zonderlinge keus gedaan, toen hij hem tot minister zonder portefeuille benoemde en hem de taak opdroeg zijn nieuwe politiek te verdedigen.

Mijnheer La Rouquette gaf niet dadelijk zijn oordeel te kennen. Hij streek langzaam over zijn blonden knevel en zei eindelijk:

—De keizer kent Rougon.

Daarop riep hij op een geheel anderen toon:

—Zeg, die grogjes waren niet veel bijzonders. Ik heb een verduivelden dorst, ik zal een glas limonade nemen.

Hij bestelde een glas limonade. Mijnheer de Lamberthon weifelde, en nam ten slotte een glas madera. En zij spraken over mevrouw de Lamberthon; de man verweet zijn jongen collega dat hij zoo zelden kwam. Deze leunde achterover op de gecapitonneerde bank en wierp van tijd tot tijd een zijdelingschen blik in de spiegels; hij genoot van het zachtgroen der muren, van dat kokette zaaltje, à la Pompadour, dat er uitzag alsof het op een kruispunt in een vorstelijk bosch thuis behoorde, als een plaats van bijeenkomst voor verliefden.

Daar kwam een bode hijgend aanloopen.

—Mijnheer La Rouquette, men heeft gevraagd of u dadelijk wil komen.

En daar de jonge afgevaardigde er niet veel lust in toonde, fluisterde de bode hem in dat hij door mijnheer de Marsy, den president der Kamer, gezonden was. En luider voegde hij er bij:

—Niemand kan gemist worden, komt u maar gauw.

Mijnheer de Lamberthon was al op weg naar de vergaderzaal. Mijnheer La Rouquette volgde hem reeds, toen hij zich onderweg bedacht. Hij kwam op den inval de afgevaardigden, die hier en daar rondliepen, naar de zaal mee te troonen. Hij ging allereerst naar de „salle des Conférences”, een mooie zaal, door een lantaarn in het plafond verlicht, waarin een reusachtig groote, groen marmeren schoorsteen, versierd met twee wit marmeren, liggende vrouwenbeelden. Ondanks het zachte weer brandde er een houtvuur. Om de kolossale tafel zaten drie afgevaardigden met open oogen te dutten; zij keken naar de schilderijen aan de muren en de fameuse pendule, die maar eens in het jaar opgewonden werd; een vierde stond zich te warmen voor den schoorsteen en keek aangedaan naar een pleisterbeeldje van Henri IV, dat aan het andere einde der zaal voor een tropee van vaandels stond, die te Marengo, Austerlitz en Jena veroverd waren. Toen hun collega ze een voor een toeriep „gauw, naar de zitting!” schrikten de heeren op en verdwenen achtereenvolgens.

Intusschen ging mijnheer La Rouquette, eenmaal op dreef, naar de bibliotheek, maar keek eerst even in de toiletkamer. Daar stond mynheer de Combelot, hij had zijn handen in een groote waschkom gestoken en wreef ze langzaam, glimlachend over haar blankheid. Hij maakte zich niet druk, hij zou wel dadelijk naar zijn plaats terugkeeren. En hij nam er nog den tijd af zijn handen langzaam met een warmen handdoek af te vegen, dien hij vervolgens op de badstoof met koperen deuren te drogen hing. Hij ging zelfs op zijn gemak voor een hoogen spiegel staan om zijn mooien zwarten baard met een zakkammetje uit te kammen.

De bibliotheek was leeg. De boeken rustten in de eikenhouten vakken; de twee groote tafels, met groen laken bedekt, waren geheel ledig; de stoelen stonden ordelijk in een rij en op de lezenaars, die aan de armen bevestigd waren, lag een dikke laag stof. En in die rustige ruimte, waar een duffe papierlucht heersehte, zei mijnheer La Rouquette hardop, terwijl hij de deur dichtsloeg:

—Daar is nooit iemand in!

Toen ging hij de gangen en zalen door. Eerst door de „salle de distribution” met Pyreneesch marmer bevloerd, waar zijn stap weerklonk als onder een kerkgewelf. Hij had van een bode gehoord dat een afgevaardigde dien hij kende, mijnheer La Villardière, het gebouw aan een heer en een dame liet bezichtigen, en nu trachtte hij ook hem op te sporen. Hij ging naar de zaal van generaal Foy, die indrukwekkende vestibule, waarin de vier standbeelden, Mirabeau, generaal Foy, Bailly en Casimir Périer de eerbiedige bewondering der buitenlui opwekken. Daarnaast, in de troonzaal, bemerkte hij eindelijk mijnheer de La Villardière tusschen een dikke dame en een dikken heer, een notaris uit Dijon.

—Er is naar u gevraagd, zei mijnheer La Rouquette. Vlug op uw post, hoor!

—Ja, dadelijk, antwoordde de afgevaardigde.

Maar hij kon niet wegkomen. De dikke heer had uit eerbied voor de weelde die hem hier tegenblonk, den hoed afgenomen, en hij vroeg „zijn waarden afgevaardigde” allerlei inlichtingen betreffende de schilderstukken van Delacroix. Zijn vrouw keek intusschen vol aandacht naar den troon, een fauteuil die zich van de andere alleen onderscheidde door een gering verschil in hoogte. Zij bleef op een afstand staan, vol dwepende vereering. Eindelijk verstoutte zij zich naderbij te treden; ze lichtte heimelijk de hoes op, betastte het vergulde hout en het rood fluweel.

Intusschen was mijnheer La Rouquette in den rechtervleugel van het gebouw door eindelooze gangen en kamers gegaan. Hij kwam terug door de zaal met de vier zuilen, waar jonge afgevaardigden tegenover de standbeelden van Brutus, Solon en Lycurgus van redenaarsroem droomen; hij ging de zaal „des Pas perdus” dwars door, liep vlug langs de halfcirkelvormige galerij, een laag gewelf dat dag en nacht door gas verlicht werd, en buiten adem, met het troepje afgevaardigden dat hij onderweg had opgepikt, achter zich aan, deed hij een breede mahoniehouten deur open. Mijnheer de Combelot volgde hem, met zijn blanke handen en zijn goed verzorgden baard. Mijnheer La Villardière, die zich van zijn gasten had weten te bevrijden, kwam daarna. Allen stormden de zaal in, waar de afgevaardigden met woedende gebaren een redenaar stonden te dreigen, terwijl het van alle kanten klonk:

—Tot de orde! Tot de orde!

—Tot de orde! Tot de orde! riepen mijnheer La Rouquette en zijn vrienden nog luider, ofschoon zij niet wisten wat er gaande was.

Het was een vreeselijk geweld. Men trapte als razenden met de voeten, een donderend geraas werd verkregen door het klepperen met de plankjes der lessenaars. Schrille, krijschende stemmen klonken als de tonen eener dwarsfluit tusschen het basgeluid van andere stemmen, dat als het accompagnement van een orgel daarbij klonk. Nu en dan scheen er een gaping in het tumult te komen, en dan hoorde men boven het wegstervende geraas woorden als:

—’t Is schandelijk! ’t Is onverdragelijk!

—Hij moet dat woord terugtrekken!

—Ja, ja, trek dat woord terug!

Maar de kreet, die zonder tusschenpoos terugkeerde, als op de maat van het voetgetrappel, dat was het geroep: „Tot de orde! tot de orde! tot de orde!”, dat zich eindelijk met een heesch geluid aan de droge kelen ontwrong.

Op de tribune stond de redenaar met de armen op de borst gekruist. Hij keek onvervaard naar de woedende Kamer, die brullende kelen, die dreigende vuisten. Tweemaal achtereen had hij den mond geopend om zijn rede te hervatten, maar telkens brak de storm met verdubbelde woede los. De zaal daverde.

Mijnheer de Marsy, voor zijn presidentszetel staande, hield den knop van de schel in de hand en schelde aanhoudend, als een alarmgeklep te midden van een orkaan. Zijn hooge gestalte drukte een volmaakte kalmte uit. Hij liet de schel een oogenblik los, schoof zijn manchetten een beetje terug, en begon toen weer zijn carillon. Om zijn dunne lippen speelde zijn gewone sceptische glimlach. Toen men uitgeput raakte, riep hij:

—Heeren, met uw verlof ….

Eindelijk verkreeg hij een betrekkelijke stilte.

—Ik verzoek den geachten spreker, zei hij, om een nadere verklaring van het woord dat hij zooeven uitsprak.

De redenaar boog zich over den rand van de tribune en herhaalde zijn volzin.

—Ik heb gezegd dat de 2e December een misdaad was ….

Hij kon niet verder spreken. De storm brak weer los. Een afgevaardigde met een vuurrood gezicht maakte hem uit voor moordenaar; een ander wierp hem zoo’n gemeen scheldwoord naar het hoofd, dat de stenografen glimlachten, doch zich wel wachtten het woord op te schrijven. Allerlei uitroepen kruisten zich, verdoofden elkander. Toch onderscheidde men duidelijk de hooge stem van mijnheer La Rouquette, die herhaalde:

—Hij beleedigt den keizer, hij beleedigt Frankrijk!

Mijnheer de Marsy maakte een waardig gebaar. Hij nam weer plaats, terwijl hij zeide:

—Ik roep den geachten spreker tot de orde.

Een langdurige opgewondenheid volgde op deze woorden. Het was niet meer het half ingedommelde Wetgevend lichaam van vijf jaar geleden, dat een krediet van vierhonderd duizend francs voor de doopplechtigheid van den kroonprins had toegestaan. Op een bank ter linkerzijde juichten vier afgevaardigden de woorden van den redenaar toe. Zij waren nu met hun vijven om het keizerrijk aan te vallen. Zij brachten het door hun volhardende pogingen aan het wankelen, zij wilden het niet erkennen, weigerden het hun stem, met een stijfhoofdig protest, dat zijn uitwerking in het geheele land zou doen gevoelen. Die afgevaardigden stonden als een nietig groepje tusschen een verpletterende meerderheid; en zij beantwoordden de bedreigingen, de uitgestoken vuisten, de luidruchtige pressie van de Kamer, zonder zich te laten ontmoedigen, onbewegelijk en volijverig in hun revanche.

De zaal zelve scheen veranderd, trillend, galmend van opgewondenheid. Men had de tribune weer aan den voet van het bureau hersteld. Het koude marmer werd warm door den vurigen gloed der sprekers. Op de trappen, langs de roodfluweelen zitbanken, scheen het licht dat loodrecht uit het dakraam neerviel, alles in lichte laaie te zetten, in de groote, stormachtige vergaderingen. Het monumentale bureau, met zijn indrukwekkende paneelen, werd verlevendigd door de ironische onbeschaamdheden van mijnheer de Marsy, wiens nauwsluitende jas en smal, uitgeput lichaam slechts een dunne streep wierp op de antieke beelden van het bas-relief achter zijn rug. De allegorische beelden, de „Publieke orde” en de „Vrijheid”, ieder tusschen een paar zuilen, behielden alleen hun ziellooze uitdrukking van steenen godheden. Maar wat vooral bezieling gaf, dat was het talrijke publiek, dat over den rand der tribunes heengebogen, in hartstochtelijke spanning de debatten volgde. De tweede rij tribunes was weer op haar vroegere plaats hersteld. De verslaggevers der dagbladen hadden een afzonderlijke tribune. Heel in de hoogte, aan den rand van de rijk vergulde kroonlijst, staken hoofden naar voren, verdrong zich een dichte menigte, die de afgevaardigden somtijds ongerust deed opkijken, alsof zij meenden dat er plotseling een oproer was uitgebarsten.

De spreker wachtte intusschen het oogenblik af, dat hij aan het woord kon komen. Te midden van het wegstervend gerommel, begon hij:

—Mijne heeren, ik hervat ….

Maar hij hield even op, om zijn stem boven het geraas uit te doen klinken:

—Indien de Kamer weigert naar mij te luisteren, protesteer ik en verlaat ik de tribune.

—Spreek, spreek! klonk het van verscheidene banken.

En een heesche stem riep:

—Spreek, men zal u weten te antwoorden.

Plotseling heerschte er stilte. In de banken en op de tribunes rekte men den hals uit om Rougon te zien, die daar gesproken had. Hij zat in de eerste bank, met de ellebogen op het marmeren blad geleund. Nu en dan zag men zijn dikken gebogen rug bewegen; dan haalde hij even de schouders op. Zijn gezicht hield hij achter zijn breede handen verborgen. Hij luisterde. Men was er nieuwsgierig naar hoe hij debuteeren zou; want sedert zijn benoeming tot minister zonder portefeuille had hij het woord nog niet gevoerd. Hij was zich zeker bewust dat aller blikken op hem gevestigd waren. Hij keerde het hoofd om en keek de zaal rond. Tegenover hem, op de ministerstribune, leunde Clorinde in een paars kostuum, tegen de roodfluweelen balustrade; zij keek hem met haar kalme vrijmoedigheid vlak in het gelaat. Zoo keken zij elkander twee seconden aan, zonder te glimlachen, als vreemden. Daarop hernam Rougon zijn vroegere houding; hij luisterde weer met de handen voor het gelaat.

—Mijne heeren, ik herhaal nog eens, zei de redenaar. Het besluit van 24 November verleent zuiver denkbeeldige vrijheden. We zijn nog ver van de beginselen van 89, die met zooveel vertoon aan het hoofd van de keizerlijke constitutie geschreven staan. Indien het gouvernement gewapend blijft met uitzonderingswetten, indien het voortgaat zijn candidaten aan het land op te dringen, wanneer het de drukpers niet vrij laat, kortom, wanneer Frankrijk aan zijn genade of ongenade blijft overgeleverd, zijn al de schijnbare concessies die het doet, leugenachtig en bedriegelijk ….

De president viel hem in de rede.

—Ik mag den geachten spreker niet toestaan dergelijke termen te gebruiken.

—Zeer goed, zeer goed! riep men rechts.

De redenaar verzachtte zijn uitdrukking eenigszins. Hij spande zich nu in om heel gematigd te zijn, hij sprak mooie afgeronde zinnen, in een gekuischten stijl. Maar mijnheer de Marsy bestreed hardnekkig alles wat hij zeide. Toen namen zijn gedachten op eens zoo’n hooge vlucht, gebruikte hij zulke vage bewoordingen, dat de president hem moest laten begaan. Toen kwam hij plotseling op zijn uitgangspunt terug.

—Ik herhaal nogmaals, mijn vrienden en ik zullen niet stemmen voor de eerste paragraaf van het adres in antwoord op de troonrede ….

—Dan zal men het zonder u moeten doen, zei een stem.

Groote hilariteit onder de afgevaardigden.

—Wij zullen niet stemmen voor de eerste paragraaf van het adres, hernam de redenaar rustig, wanneer ons amendement niet wordt aangenomen. Wij kunnen ons niet aansluiten bij die overdreven dankbetuigingen, wanneer de denkbeelden van het Hoofd van den Staat ons vol restricties toeschijnen. De vrijheid is ondeelbaar; wij kunnen haar niet in stukken snijden en als een aalmoes bij porties uitdeelen.

Hier verhieven zich van alle kanten uitroepen.

—Uw vrijheid is losbandigheid!

—Spreek niet van aalmoezen, gij bedelt om de volksgunst!

—En gij, gij snijdt de hoofden af!

—Ons amendement, ging hij voort alsof hij niets gehoord had, eischt afschaffing van de wet op de algemeene veiligheid, vrijheid van drukpers, eerlijkheid van de verkiezingen ….

Het gelach begon weer. Een afgevaardigde had luid genoeg om door zijn buren gehoord te worden, gezegd: „Daar krijg je niets van, mannetje!” Een ander voegde grappige woorden bij iederen zin dien de redenaar sprak. Maar het meerendeel amuseerde zich door tegen den onderkant van hun lessenaars de maat te slaan met hun vouwbeenen, hetgeen een soort van tromgeroffel teweeg bracht, dat de spreker onmogelijk met zijn stem kon beheerschen. Toch streed hij onverzwakt voort. Hij had zich hoog opgericht en met een vervaarlijke stem riep hij boven het tumult uit:

—Ja, wij zijn revolutionnair, indien gij daaronder verstaat mannen van den vooruitgang, vastbesloten om de vrijheid te verkrijgen! Weiger het volk de vrijheid, en de dag zal komen waarop het volk de vrijheid met geweld herneemt.

En hij ging de tribune af, onder een oorverdoovend geschreeuw. De afgevaardigden lachten niet meer als een troep losgelaten schoolknapen; zij waren opgestaan, wendden zich naar de linkerzijde en stieten nogmaals hun kreet uit: „Tot de orde, tot de orde!” De spreker had zich naar zijn bank begeven en bleef daar in den kring van zijn vrienden staan. Er ontstond een dringen en duwen. De meerderheid scheen zich op die vijf mannen te willen werpen, wier bleeke gezichten hen uitdaagden. Maar mijnheer de Marsy werd boos en schelde driftig, met het oog op de tribunes waar de dames angstig achteruit weken.

—Mijne heeren, zei hij, ’t is een schandaal ….

En toen het stil was geworden, ging hij op luiden, bijtenden toon voort:

—Ik wil niet genoodzaakt worden voor de tweede maal tot de orde te roepen. Ik wil alleen zeggen dat het werkelijk schandelijk is, op deze tribune bedreigingen te uiten, die haar tot oneer strekken.

Een drievoudig salvo van toejuichingen begroette de woorden van den president. Er werd bravo geroepen en de vouwbeenen sloegen weer hun roffels, ditmaal ten teeken van instemming. De spreker van de linkerzij wou antwoorden, maar zijn vrienden weerhielden hem. Het tumult bedaarde allengs, loste zich op in het gegons der afzonderlijke gesprekken.

—Het woord is aan Zijn Excellentie, mijnheer Rougon, hernam mijnheer de Marsy op kalmer toon.

Een rilling doorliep de zaal, een zucht van voldane nieuwsgierigheid, die plaats maakte voor eerbiedige aandacht. Rougon was met opgetrokken schouders en zwaren tred de tribune opgestegen. Hij legde een bundel notities voor zich neer, schoof het glas suikerwater op zijde en bewoog zijn handen alsof hij bezit wilde nemen van het nauwe mahoniehouten kastje. Eindelijk hief hij het hoofd op. Hij was niet verouderd. Zijn vierkant voorhoofd, zijn groote welgevormde neus, zijn langwerpige wangen zonder rimpels zagen er nog blozend en frisch uit. Zijn grijzende haren alleen werden dunner aan de slapen en lieten zijn groote ooren meer zichtbaar. Door zijn halfgesloten oogleden wierp hij een blik door de zaal; een oogenblik zocht hij naar iets, hij ontmoette Clorinde’s aandachtig voorovergebogen gelaat, toen begon hij, met zijn zware, lijmerige stem:

—Ook wij zijn revolutionnairen, indien men daaronder verstaat mannen van den vooruitgang, vastbesloten om aan het land een voor een alle verstandige vrijheden terug te geven ….

—Zeer goed! Zeer goed!

—En mijne heeren, welke regeering heeft beter dan het keizerrijk de liberale hervormingen verwezenlijkt, waarvan gij zoo even het verleidelijk programma hebt hooren schetsen? Ik zal de rede van den vorigen spreker niet weerleggen. Ik kan volstaan met het bewijs dat de vooruitziende blik en het edelmoedige hart des keizers de eischen van de hardnekkigste tegenstanders zijner regeering heeft voorkomen. Ja, mijne heeren, uit eigen beweging heeft de keizer de macht, waarmee hij in de dagen van het gevaar door de natie bekleed was, aan haar teruggegeven. Heerlijk schouwspel, eenig in de geschiedenis! Ja, wij kunnen ons de spijt voorstellen van hen, die een verstoring der orde beoogen. Zij kunnen nu nog slechts de bedoelingen aanvallen, over de hoeveelheid der geschonken vrijheden twisten …. Gij hebt het groote besluit van den 24en November begrepen. Gij hebt in de eerste paragraaf van uw adres den keizer uw diepe erkentelijkheid willen betuigen voor zijn grootmoedigheid en zijn vertrouwen in de wijsheid van het Wetgevend lichaam. De aanneming van het amendement zou een onverdiende beleediging, ja een slechte daad zijn. Onderzoekt uw geweten, heeren, vraagt uzelven af of gij u vrij gevoelt. De vrijheid is nu volkomen, daar sta ik borg voor ….

Langdurige toejuichingen weerklonken. Hij was langzamerhand den rand van het spreekgestoelte genaderd; het lichaam vooroverbuigend en den rechterarm uitstrekkend, verhief hij de stem, die buitengewoon krachtig door de zaal klonk. Mijnheer de Marsy, gemakkelijk in zijn fauteuil uitgestrekt, luisterde met een half glimlachend gelaat, als een liefhebber die verbaasd staat over de meesterlijke uitvoering van den een of anderen stouten toer. In de zaal bogen de kamerleden, te midden van een daverend bravogeroep zich naar elkander over en fluisterden met een verbaasd gezicht. Clorinde liet haar armen op de roodfluweelen leuning rusten; zij luisterde ernstig toe.

Rougon ging voort:

—Heden is de dag, door ons allen met ongeduld verwacht, eindelijk aangebroken. Er is geen gevaar meer bij om van het voorspoedige Frankrijk een vrij Frankrijk te maken. De anarchistische hartstochten zijn dood. De geestkracht van den souverein en de heilige wil des volks hebben voor altijd de afschuwelijke tijden van openbaar zedebederf in het niet doen verzinken. De vrijheid is mogelijk geworden zoodra die partij overwonnen was, die de grondslagen van de regeering halsstarrig miskende …. Daarom heeft de keizer de overtollige prerogatieven van zijn macht als een nutteloozen last geweigerd, oordeelende dat zijn gezag zoo onbetwistbaar vast stond, dat hij het kon laten betwisten. En hij is niet teruggedeinsd voor de gedachte om zich ook voor de toekomst te verbinden; hij zal zijn bevrijdingswerk tot het einde volbrengen, hij zal de vrijheden een voor een verleenen, op de tijdstippen die hij in zijn hooge wijsheid bepalen zal. Voortaan is het dat programma van gestadigen vooruitgang dat wij in opdracht hebben in deze vergadering te verdedigen ….

Een der vijf afgevaardigden van de linkerzijde stond verontwaardigd op en zei:

—Gij zijt de minister van de uiterste verdrukking geweest!

En een ander voegde er hartstochtelijk bij:

—De proviandmeesters van Cayenne en Lambessa hebben het recht niet in naam der vrijheid te spreken!

Een gemompel verhief zich. Vele afgevaardigden begrepen dit niet, bogen zich vragend naar hun buren over. Mijnheer de Marsy deed alsof hij niets gehoord had; hij dreigde alleen de rustverstoorders tot de orde te zullen roepen.

—Men heeft mij daar verweten …. hernam Rougon.

Maar kreten van de rechterzijde beletten hem voort te gaan.

—Niet antwoorden!

—Zulke beleedigingen kunnen u niet treffen!

Toen bracht hij de Kamer met een gebaar tot kalmte; en met de vuisten op den rand der tribune steunend, keerde hij zich naar de linkerzijde, als een wild zwijn dat in de engte gedreven is.

—Ik zal niet antwoorden, verklaarde hij bedaard.

Dat was slechts de inleiding. Ofschoon hij beloofd had de rede van den afgevaardigde der linkerzijde onbeantwoord te laten, trad hij in een uitvoerige weerlegging. Eerst somde hij de argumenten van zijn tegenstanders op; hij deed dat met een koketterie, een onpartijdigheid die een uitbundigen bijval verwierf, alsof hij al die argumenten zeer gering achtte en ze in eens kon weg blazen. Toen scheen het alsof hij vergat ze te bestrijden, hij beantwoordde alleen het zwakste, dat hij met een vloed van heftige woorden aanviel. Men juichte hem toe, hij triomfeerde. Zijn groot lichaam besloeg de geheele ruimte van het spreekgestoelte. Zijn schouderbewegingen begeleidden het rollen van zijn volzinnen. Zijn welsprekendheid was overigens zeer banaal, gemeenplaatsen en rechtskwesties werden door hem uitgegalmd. Zijn eenige superioriteit als redenaar was zijn onvermoeibare adem, die hem in staat stelde uren achtereen zijn volzinnen te wiegen, zonder zich te bekommeren om hetgeen zij inhielden.

Nadat hij een uur zonder ophouden gesproken had, dronk hij een teug water, haalde diep adem en rangschikte zijn aanteekeningen.

—Rust wat uit! riepen verscheidene afgevaardigden.

Maar hij voelde zich niet vermoeid. Hij wou voortgaan.

—Wat vraagt men u, heeren?

—Luistert! Luistert!

Een diepe aandacht hield aller blikken wederom op hem gevestigd. Nu en dan, wanneer hij de stem verhief, kwam er een beroering door de Kamer, alsof er een groote windvlaag over streek.

—Men vraagt u mijne heeren, de afschaffing van de wet op de algemeene veiligheid. Ik zal dat eeuwig gevloekte uur, waarop die wet noodzakelijk werd, niet in herinnering brengen; het gold toen het land gerust te stellen, Frankrijk voor een nieuwe ramp te behoeden. Nu rust het wapen in de scheede. De regeering, die het altijd met de grootste voorzichtigheid, ik mag zeggen met de grootste gematigdheid gebruikt heeft ….

—Dat is waar!

—De regeering bedient er zich slechts van in zeer buitengewone omstandigheden. Zij hindert niemand, behalve misschien nog een zekere partij, die de schuldige dwaasheid heeft weer tot de slechtste tijden in onze geschiedenis te willen terugkeeren. Gaat door onze steden, trekt het land door, gij zult er overal vrede en voorspoed vinden; ondervraagt de ordelievende burgers, geen hunner zal den druk gevoelen van die uitzonderingswetten, waarvan men ons zulk een heftig verwijt maakt. Ik herhaal het, in de vaderlijke handen der regeering beveiligen zij de maatschappij tegen laaghartige ondernemingen, die trouwens voortaan geen kans op welslagen zullen hebben. Brave lieden behoeven zich om het bestaan dier wetten niet te bekommeren. Wij kunnen ze rustig laten waar ze zijn, totdat het den vorst behagen zal ze uit eigen beweging te vernietigen. Wat vraagt men u nog meer, mijne heeren? Eerlijke verkiezingen, vrijheid van drukpers, alle denkbare vrijheden. Ach, laat het mij gegund zijn hier een oogenblik stil te staan bij de groote dingen die het keizerrijk reeds tot stand heeft gebracht. Rondom mij, waarheen ik ook de oogen richt, zie ik de openbare vrijheden toenemen en heerlijke vruchten opleveren. Met innerlijke ontroering sla ik het vernederde Frankrijk gade; het heft zich op en biedt de wereld het voorbeeld aan van een volk, dat zich door zijn goed gedrag de vrijheid verwerft. De dagen van beproevingen zijn voorbij. Er is geen kwestie meer van dictatuur, van een autoritaire regeering. We werken allen aan de vrijheid mede ….

—Bravo! bravo!

—Men vraagt eerlijke verkiezingen. Is dan algemeen stemrecht, in zijn ruimsten omvang toegepast, niet een levensvoorwaarde voor het keizerrijk? Zeker, de regeering beveelt haar candidaten aan. Maar steunt de revolutionnaire partij de hare ook niet met een onbeschaamde stoutmoedigheid? Men valt ons aan, wij verdedigen ons, niets is billijker. Men zou ons de handen willen binden, ons den mond willen snoeren, maar dat zullen wij nooit toelaten. Uit liefde voor het land zullen wij altijd op onzen post staan om het te raden, het zijn ware belangen te wijzen. Het blijft trouwens altijd meester van zijn lot. Het stemt, en wij buigen het hoofd. De leden der oppositie die deel uitmaken van deze vergadering, waarin zij volkomen vrijheid van spreken hebben, zijn een bewijs van onzen eerbied voor den uitslag van de algemeene stemming. De revolutionnairen moeten het hun landgenooten zelf wijten, indien het keizerrijk met een verpletterende meerderheid toegejuicht wordt. In het parlement is nu alles, wat de vrije kritiek belemmerde, opgeheven. De souverein heeft den grooten staatslichamen een meer direct aandeel in zijn politiek en een schitterend getuigenis van zijn vertrouwen willen geven. Gij kunt voortaan discussiëeren over de daden der regeering, gij hebt het recht van amendement, gij kunt uw gemotiveerde wenschen kenbaar maken. Ieder jaar zal het adres als het ware een gedachtenwisseling zijn tusschen den keizer en de volksvertegenwoordigers, waarbij deze laatsten vrij hun meening kunnen zeggen. Uit de openbare beraadslagingen worden de groote staten geboren. De tribune is weer hersteld, die tribune waar zooveel redenaars hun naam voor altijd beroemd gemaakt hebben. Een parlement, waar wrijving van gedachten is, is een parlement dat werkt. En zal ik u geheel zeggen hoe ik er over denk? Ik ben werkelijk verheugd een groep van de oppositie in ons midden te zien. Er zullen onder ons steeds tegenstanders zijn, die zullen trachten onze gebreken te ontdekken, en die aldus onze eerlijke bedoelingen in het helderste daglicht zullen stellen. Wij eischen voor hen de onbeperktste vrijheden. Wij vreezen noch den hartstocht, noch het schandaal, noch het misbruik van de vrijheid van spreken, hoe gevaarlijk dit alles ook moge wezen. En wat de drukpers aangaat, mijne heeren, zij heeft nog nooit zoo’n groote vrijheid genoten onder een regeering, die besloten heeft zich te doen eerbiedigen. Alle groote kwesties, alle ernstige belangen hebben hun organen. De regeering bestrijdt alleen de verbreiding van gevaarlijke leerstellingen, de verspreiding van vergift. Maar, begrijpt mij wel, wij hebben de grootste achting voor de eerlijke pers, die de stem der publieke opinie is. Zij helpt ons bij onze taak; dat de regeering er beslag op heeft gelegd, geschiedde alleen om haar niet in de handen van onze vijanden te laten vallen.

Goedkeurende lachjes werden gehoord. Rougon naderde intusschen het slot van zijn rede. Hij hield den rand der tribune krampachtig omklemd, boog zijn lichaam naar voren en zwaaide zijn rechterarm door de ruimte. Plotseling scheen hij doldriftig te worden. Zijn uitgestoken vuist bedreigde een onzichtbaren vijand. Dat was het roode spook. In een paar dramatische volzinnen schilderde hij het roode spook, dat met zijn bebloed vaandel wuifde, zijn brandfakkel zwaaide, stroomen bloeds achter zich liet. De alarmklok uit de dagen van oproer klonk in zijn stem; men hoorde de kogels fluiten, men zag de brandkasten der Bank openbreken, het geld der burgers rooven en verdeelen. De afgevaardigden op de banken verbleekten. Daarop kwam Rougon weer tot kalmte en met loftuitingen, die klonken als het zwaaien van wierookvaten, zei hij ten slotte van den keizer:

—Goddank, wij zijn onder de hoede van dien vorst, dien de Voorzienigheid heeft uitverkoren om ons te redden. Wij kunnen ons gerust op zijn wijze inzichten verlaten. Hij heeft ons bij de hand gevat en hij brengt ons midden door de gevaren naar een veilige haven.

Donderende toejuichingen barstten los. De vergadering werd bijna tien minuten geschorst. Een aantal afgevaardigden snelden op den minister toe, die hijgend en bezweet naar zijn bank terugkeerde. Mijnheer La Rouquette, mijnheer Combelot, honderd anderen wenschten hem geluk, staken hun arm uit om een handdruk van hem op te vangen. Het was een geestdrift die zich aan de gansche zaal meedeelde. Zelfs op de galerijen werd druk gesproken en gegesticuleerd. Mijnheer de Marsy en Clorinde hadden elkander toegeknikt; zij moesten bekennen dat de groote man een overwinning behaald had. Rougon had door zijn redevoering den grond gelegd tot dat groote aanzien waartoe hij zou geraken.

Intusschen stond er weer een andere spreker op de tribune. Hij had een waskleurig, gladgeschoren gezicht, met lange gele haren, die in enkele krullen op zijn schouders afhingen. In een stijve houding, zonder een enkel gebaar te maken, begon hij de groote vellen papier voor te lezen, die hij voor zich had uitgespreid. De boden riepen:

—Stilte, heeren! Stilte, alsjeblieft!

De spreker wenschte de regeering eenige inlichtingen te vragen. Hij toonde zich zeer geërgerd over de afwachtende houding van Frankrijk tegenover den heiligen Stoel, die door Italië bedreigd werd. De wereldlijke macht was de heilige arke des verbonds, en het adres moest een stellig uitgedrukten wensch, een gebiedend verlangen zelfs, bevatten naar haar onverminderde handhaving. De redenaar verdiepte zich in historische herinneringen, hij toonde aan dat het christelijk recht, verscheidene eeuwen voor de verdragen van 1815, de politieke orde in Europa gevestigd had.

Daarop verklaarde de spreker dat hij met ontzetting waarnam hoe de oude Europeesche maatschappij zich langzamerhand oploste in de beroeringen der volkeren. Bij zekere al te directe zinspelingen op den koning van Italië ontstond er een rumoer in de zaal. Maar de dichte groep der clericalen, bijna honderd leden sterk, luisterde aandachtig toe, gaf bij iederen volzin teekenen van instemming en knikte devoot met het hoofd zoo dikwijls hun collega den naam van den paus uitsprak.

De spreker eindigde met een gezegde, dat een luid bravogeroep uitlokte.

—Het wekt mijn misnoegen, zei hij, dat het trotsche Venetië, de koningin der Adriatische zee, de nederige vazal van Turijn is geworden.

Rougon, wiens nek nog met zweet bedekt was, die schor en uitgeput van het spreken was, wou toch dadelijk antwoorden. Het was een mooi schouwspel. Hij stelde zijn vermoeidheid ten toon, sleepte zich naar de tribune, waar hij aanvankelijk slechts stamelende geluiden uitbracht. Hij uitte bittere klachten dat hij onder de tegenstanders der regeering mannen van aanzien vond, die tot dusver trouw gebleven waren aan de instellingen van het keizerrijk. Er heerschte zeker een misverstand; zij wilden toch niet de rijen der revolutionnairen versterken, een gezag aan het wankelen brengen, dat voortdurend de zegepraal van den godsdienst beoogde. En zich naar de rechterzijde wendend, sprak hij die aan met pathetische gebaren en een geveinsde nederigheid, als sprak hij tot machtige vijanden, de eenige die in staat waren hem te doen beven.

Maar langzamerhand had zijn stem al haar nadruk hernomen. De geheele zaal weerklonk van zijn bulderend geluid, hij sloeg zich met zijn vuisten op de borst.

—Men heeft ons van ongodsdienstigheid beschuldigd. Men heeft gelogen! Wij zijn vol eerbied voor de Kerk en wij zijn zoo gelukkig te gelooven …. Ja, mijne heeren, het geloof is onze gids en onze steun bij die dikwijls zoo moeielijke regeeringstaak. Wat zou er van ons worden, indien wij ons niet aan de hand der Voorzienigheid overgaven? Wij beweren slechts de nederige uitvoerder van haar plannen, het gehoorzame werktuig van Gods wil te zijn. En die overtuiging geeft ons het recht onze stem luid te doen hooren en een weinig goed te doen …. Mijne heeren, ik verblijd mij over de gelegenheid die mij hier geschonken is om hier met al den gloed van mijn katholiek hart voor den priestervorst neer te knielen, voor dien verheven grijsaard, waarvan Frankrijk steeds de waakzame, verknochte dochter zal blijven.

De toejuichingen barstten reeds voor het einde zijner rede los. De triomf werd een apotheose. De zaal daverde.

Bij het heengaan wachtte Clorinde Rougon op. In drie jaren hadden zij geen woord met elkander gewisseld. Toen hij verscheen, als verjongd, met veerkrachtiger tred, nadat hij in éen uur tijds zijn geheele politieke leven verloochend had, om onder den schijn van het parlementarisme zijn onstuimige begeerte naar macht te bevredigen, gaf zij aan een plotselinge opwelling gehoor, en met uitgestrekte hand en vochtigwarmen blik sprak zij:

—Ge zijt toch een kranige kerel!

Einde.