WeRead Powered by ReaderPub
Zijn Excellentie Eugène Rougon cover

Zijn Excellentie Eugène Rougon

Chapter 3: III.
Open in WeRead

Explore more books like this:

About This Book

The novel chronicles the rise and exercise of power by an ambitious political figure, portraying strategic maneuvering, alliances, and compromises within formal institutions and social salons. It interweaves detailed scenes of parliamentary sessions, bureaucratic routine, and intimate gatherings to show how personal ambition, patronage, and public spectacle sustain authority. Through realistic depiction of procedural rituals, whispered intrigues, and the characters who orbit the central figure, the narrative examines themes of power, influence, corruption, and the intersection of private motives with public roles, yielding a clinical portrait of political life under a dominant regime.

III.

De stoet voor de doopplechtigheid zou om vijf uur van het paviljoen de l’Horloge vertrekken. De vastgestelde weg was door de groote laan van den tuin der Tuileriën, place de la Concorde, rue de Rivoli, place de l’Hôtel-de-Ville, pont d’Arcole, rue d’Arcole en place du Parvis.

Om vier uur was er reeds een ontzaglijke menigte op de pont d’Arcole. Daar, in die opening die de rivier in de stad maakte, kon een geheel volk post vatten. ’t Was een plotselinge verruiming van den horizon, met de spits van het eiland Saint-Louis in de verte, waarover de pont Louis-Philippe een zwarte streep trok; ter linkerzijde ging de kleine arm in een opeenhooping van lage gebouwtjes verloren; rechts opende de groote arm een verschiet, in een paarsachtig waas gehuld, waarin men de groene vlek der boomen van de Port-aux-Vins ontwaarde. Verder vormden aan weerszijden, van de quai Saint-Paul tot de quai de la Messagerie en van de quai Napoléon tot de quai de l’Horloge, de trottoirs lange wegen; terwijl de place de l’Hôtel-de-Ville, tegenover de brug, een groote vlakte aanbood. En boven die uitgestrekte ruimten spande de hemel, een warme, zuivere Juni-hemel, zijn oneindig blauw.

Toen het halfvijf sloeg, was het overal vol. Langs de trottoirs stonden onafzienbare rijen nieuwsgierigen tegen de borstweringen aangedrukt. Een zee van menschenhoofden, die steeds meer kwam aangolven, vulde het plein voor het stadhuis. Voor de wijdgeopende vensters van de oude huizen op de quai Napoléon stapelden de gezichten zich op; en zelfs achter uit de donkere steegjes, die op de rivier uitkwamen, zag men vrouwenmutsen, waarvan de linten in den wind fladderden. De pont Notre-Dame vertoonde een rij toeschouwers, die met de ellebogen op de steenen ballustrade leunden, als op het fluweel van een kolossale tribune. Aan het andere einde, heel in de verte, was het op de pont Louis-Philippe een gewriemel van zwarte stippen; terwijl nu en dan een licht kleedje verscheen in de meest verwijderde vensteropeningen der gele en grijze gevels van de huizen, op de spits van het eiland. Er stonden menschen op de daken, tusschen de schoorsteenen. Op de quai de la Tournelle stond men, met verrekijkers gewapend, boven op de terrassen.

Maar wat men overal zien kon, van af de kaden, de bruggen, van uit de vensters, dat was aan den horizon, op den kalen muur van een huis van zes verdiepingen, op het eiland Saint-Louis, het profiel van een reusachtige grijze overjas, in fresco geschilderd, met haar linkermouw aan den elleboog omgevouwen, alsof het kleedingstuk de houding en de ronding van een verdwenen lichaam behouden had. Die monumentale reclame kreeg in de zon, boven dat gewemel der wandelaars, een buitengewone belangrijkheid.

Intusschen had een dubbel gelid den weg voor den stoet afgezet. Rechts stonden de nationale gardes; links de liniesoldaten. Het einde van dat dubbele gelid kwam uit in de rue d’Arcole, waarvan bijna alle woningen met vlaggen versierd waren. De brug vormde de eenige leege ruimte tusschen die dicht bezette straten en pleinen, en zij maakte een zonderling effect, met haar éenen, ijzeren boog. Maar beneden op de rivieroevers begon het gedrang weer; burgermannetjes in hun zondagsche kleeren hadden hun zakdoeken uitgespreid en zaten daar naast hun vrouwen van het lange rondslenteren uit te rusten. Midden op het blauwe water, dat bij de samenkomst der beide armen groen getint leek, werd een boot voortgeroeid door eenige roeiers in roode kielen, met de bedoeling om ter hoogte van de Port aux-Fruits te blijven liggen. Tegen de quai de Gèvres stond een groote waschinrichting, waarin men het lachen en het stampen der waschvrouwen hoorde. En die opeengedrongen menigte, die drie à vier honderdduizend menschen keken nu en dan op naar de torens van de Notre-Dame, die hun vierkante massa boven de huizen van de quai Napoléon uitstaken. Door de ondergaande zon verguld, roestkleurig tegen den helderen hemel, trilden zij in de lucht, door een welluidend, krachtig klokkenspel.

Een paar malen had een valsch alarm een groote opschudding onder de menigte veroorzaakt.

—Ik verzeker u, dat ze niet voor halfzes voorbijkomen, zei een lange snuiter, die in gezelschap van mijnheer en mevrouw Charbonnel voor een koffiehuis van de quai de Gèvres zat.

Het was Gilquin, Théodore Gilquin, de vroegere huurder van mevrouw Mélanie Correur, Rougon’s lastige vriend. Dien dag droeg hij een geel linnen kostuum van negen en twintig francs, versleten en vol vlekken, en aan de naden opengescheurd; hij had schoenen met gaten, havanakleurige handschoenen, een breeden strooien hoed zonder lint. Wanneer Gilquin handschoenen aantrok, was hij gekleed. Sedert twaalf uur diende hij den Charbonnels tot gids, met wie hij op een avond bij Rougon in de keuken kennis had gemaakt.

—Ge zult alles zien, kinderen, herhaalde hij, met zijn hand over de lange knevels strijkende, die als twee zwarte sabelhouwen over zijn dronkemansgezicht liepen. Ge hebt je aan mijn zorgen toevertrouwd, niet waar? Nu, laat de regeling van het feestje dan ook aan mij over.

Gilquin had drie glaasjes cognac en vijf glazen bier gedronken. Hij hield de Charbonnels daar al een paar uren onder voorwendsel, dat zij er op die manier het eerste bij zouden zijn. Het was een klein koffiehuis, waar men heel netjes zat, zei hij, en hij was heel gemeenzaam met den kellner. De Charbonnels hoorden hem geduldig aan en verbaasden zich over zijn woordenrijkdom en de afwisseling in zijn onderwerpen; mevrouw Charbonnel had niets dan een glas suikerwater verlangd, mijnheer Charbonnel nam een glas anisette, zooals hij meermalen deed, in de club te Plassans. Intusschen sprak Gilquin over de doopplechtigheid, alsof hij dien morgen op de Tuileriën geweest was om inlichtingen in te winnen.

—De keizerin is erg in haar schik, zei hij. Ze heeft een prachtige bevalling gehad. O, ’t is zoo’n flinke vrouw! Je zult eens zien hoe statig ze er uitziet …. De keizer is eergisteren uit Nantes teruggekomen, waar hij heengegaan was voor de overstroomingen …. Wat een ramp hè, die overstroomingen!

Mevrouw Charbonnel schoof haar stoel terug. Ze was eenigszins angstig voor de dichte menigte, die langs haar heen stroomde.

—Wat een menschen! mompelde zij.

—Te deksel, riep Gilquin, er zijn meer dan driehonderdduizend vreemdelingen in Parijs. Sedert acht dagen komen er dagelijks pleiziertreinen aan. Kijk daar heb je Normandiërs, en daar Gasconjers en die zijn uit Franche-Comté. O, ik haal ze er dadelijk uit! Ik heb zoowat overal rondgezworven.

Toen vertelde hij dat de gerechtshoven vakantie hielden, dat de Beurs gesloten was, dat alle kantoren hun bedienden vrijaf hadden gegeven. De heele stad vierde het doopfeest mee. En hij noemde cijfers, hij berekende wat de plechtigheid en de feesten wel zouden kosten. Het Wetgevende lichaam had vierhonderdduizend francs toegestaan; maar dat beteekende niets, want een palfrenier van de Tuileriën had hem den vorigen avond verzekerd dat de stoet alleen bijna tweehonderdduizend francs zou kosten. Als de keizer er maar een millioen van zijn civiele lijst bij hoefde te leggen, mocht hij van geluk spreken. De luiermand alleen kostte honderdduizend francs.

—Honderdduizend francs! herhaalde mevrouw Charbonnel verbluft. Maar waaruit bestaat ze dan? Wat heeft men er dan in gedaan?

Gilquin lachte toegevend. Er waren zulke dure kanten bij! Hij was vroeger reiziger in kanten geweest. En hij zette zijn berekening voort: vijftigduizend francs waren uitgeloofd ten behoeve der ouders van de wettige kinderen, die op denzelfden dag als de jonge prins geboren waren, en waarover de keizer en de keizerin peter en meter hadden willen zijn; vijf en tachtigduizend francs moesten besteed worden voor den aankoop van medailles voor de auteurs der cantates, die in de schouwburgen gezongen werden. Eindelijk vertelde hij nog breedvoerig hoe er nog honderdtwintigduizend herinneringsmedailles uitgedeeld werden aan de leerlingen van de lagere en de bewaarscholen, aan de onder-officieren en minderen van het Parijsche garnizoen. Hij had er een bij zich die hij liet zien. ’t Was een medaille ter grootte van een halven franc, aan de eene zijde de beeltenissen van den keizer en de keizerin dragend, op de andere die van den keizerlijken prins, met den datum van de doopplechtigheid: 14 Juni 1856.

—Mag ik het van u hebben? vroeg mijnheer Charbonnel.

Gilquin stemde toe. Maar toen de goede man hem er een franc voor gaf, weigerde hij hooghartig, zeggende dat het hoogstens een halven franc waard was.

Intusschen beschouwde mevrouw Charbonnel de beeltenissen van het keizerlijk echtpaar. Ze werd verteederd.

—Ze zien er goedhartig uit, zei ze. Ze staan daar zoo naast elkaar, als brave menschen …. Zie eens, mijnheer Charbonnel, net twee hoofden op hetzelfde kussen, als men er zoo naar kijkt.

Toen kwam Gilquin weer op de keizerin terug, wier liefdadigheid hij uitbundig prees. In de negende maand van haar zwangerschap had zij heele namiddagen besteed met de oprichting van een opvoedingsgesticht voor arme jonge meisjes in de faubourg Saint-Antoine. Zij had tachtigduizend francs geweigerd, die bij vijf sous tegelijk onder het volk waren ingezameld, om den jongen prins een geschenk aan te bieden; die som gelds moest volgens haar wensch dienen voor den leertijd van een honderdtal weezen. Gilquin, die al licht aangeschoten was, zette vervaarlijk groote oogen, terwijl hij naar zachte stembuigingen en teedere woorden zocht, die den eerbied van den onderdaan met de hartstochtelijke bewondering van den man vereenigden. Hij verklaarde dat hij gaarne zijn leven zou opofferen voor die edele vrouw. Maar niemand sprak hem tegen. Het gedruis van de menigte in de verte scheen de echo van zijn loftuitingen. En de klokken van de Notre-Dame verkondigden hoog boven de huizen haar uitbundige vreugde.

—Het zal nu wel tijd worden om een plaatsje te zoeken, zei mijnheer Charbonnel beschroomd.

Mevrouw Charbonnel was reeds opgestaan en trok haar gele sjaal wat dichter om haar schouders.

—Zeker, mompelde zij. U wou een van de eersten zijn en nu blijven we hier zitten, zoodat al die menschen ons voor zijn.

Maar Gilquin werd boos. Hij sloeg met zijn vuist op het zinken blad van het tafeltje. Zou hij zijn Parijs soms niet kennen? En terwijl mevrouw Charbonnel zich verschrikt op haar stoel liet neervallen, riep hij den kellner toe:

—Jules, een absinth en sigaren!

Toen hij zijn groote knevels in zijn absinth gedoopt had, riep hij hem woedend terug.

—Hou je me voor den gek? Wil je dat bocht eens dadelijk meenemen en me die andere flesch geven, van Vrijdag!…. Ik ben reiziger in likeuren geweest, oude jongen. Je kan Théodore niet beetnemen!

Hij kwam weer tot kalmte, toen de kellner, die bang voor hem scheen te zijn, hem de verlangde flesch gebracht had. Toen klopte hij het echtpaar Charbonnel vriendschappelijk op den schouder en noemde ze papa en mama.

—Zoo, zoo, mamaatje, beginnen de voetjes u te jeuken? Nu, ze zullen nog genoeg te doen krijgen tot van avond! Nu, hoe is het, vadertje, zitten we hier niet opperbest, voor dit café? We zitten, we zien de menschen voorbijtrekken. Ik zeg u dat we den tijd hebben. Bestel intusschen wat.

—Dank u, we hebben genoeg gehad, verklaarde mijnheer Charbonnel.

Gilquin had een sigaar aangestoken. Hij leunde achterover, met de duimen in de armsgaten van zijn vest, zijn borst opzettende en wiegelend op zijn stoel. Een zalige uitdrukking kwam in zijn oogen. Plotseling kreeg hij een inval.

—Weet u wat? riep hij, morgen ochtend om zeven uur kom ik u afhalen, dan laat ik u alle feestelijkheden zien. Vindt u dat niet aardig?

De Charbonnels keken elkander ongerust aan. Maar hij zette zijn programma uitvoerig uiteen, met een stem als een dierentemmer. ’s Morgens ontbijten in het Palais Royal en wandeling door de stad. ’s Middags naar de esplanade des Invalides, militaire vertooningen, mastklimmen, driehonderd opgelaten ballons met peperhuisjes suikergoed, een groote ballon met een regen van bruidsuikers. ’s Avonds, dineeren bij een wijnkoopman aan de quai de Billy dien hij kende, vuurwerk waarvan het hoofdnummer een doopkapel zou voorstellen, wandeling door de geïllumineerde straten. En hij vertelde hun van het vurige kruis dat men op het gebouw van het Legioen van eer zou ophijschen, van het tooverpaleis op de place de la Concorde, waarvoor negenhonderd vijftigduizend gekleurde glazen noodig waren, van den toren Saint-Jacques, waarvan het standbeeld hoog in de lucht een brandende fakkel zou schijnen. Daar de Charbonnels nog weifelden, boog hij zich naar hen over en ging hij op zachten toon voort:

—En bij het naar huis gaan loopen we even een melksalon in de rue de Seine binnen, waar men heerlijke kaassoep kan krijgen.

Toen durfden de Charbonnels niet langer weigeren. Hun ronde oogen drukten te gelijk nieuwsgierigheid en kinderlijke vreesachtigheid uit. Zij voelden zich aan de willekeur van dien verschrikkelijken man overgeleverd. Mevrouw Charbonnel mompelde:

—Ach, dat Parijs, dat Parijs!… Enfin, nu we er toch eenmaal zijn, moeten we alles zien. Maar als u eens wist, mijnheer Gilquin, hoe rustig we het in Plassans hadden! Ik heb daar ingemaakte groenten die staan te bederven, confituren, kersen op brandewijn, augurkjes …

—Wees maar niet bang, mamaatje, zei Gilquin, die hoe langer hoe vroolijker en gemeenzamer werd. Je wint je proces en dan vraag je mij te logeeren, hè? We zullen met ons allen dat ingemaakte goed wel opkrijgen.

Hij schonk zich weer een glas absinth in. Hij was nu geheel dronken. Een oogenblik lang keek hij de Charbonnels met een teederen blik aan. Hij ging graag openhartig met iemand om. Opeens rees hij overeind en met zijn armen zwaaiende, riep hij pst! pst! ’t Was mevrouw Mélanie Correur, die in een zijden japon aan de overzijde op het trottoir liep. Zij keerde zich om en scheen het zeer onaangenaam te vinden, toen zij Gilquin zag. Maar zij stak toch de straat over, trotsch voortstappende als een prinses. En toen zij voor het tafeltje stond, liet zij zich lang bidden eer zij iets aannam.

—Kom, een glaasje likeur, zei Gilquin. Daar houdt u wel van … Weet u nog, in de rue Vanneau? Wat een schik hebben we toen gehad! O, die dikzak van een Correur!

Ze ging eindelijk zitten, toen er een luid gejuich door de menigte liep. Als door een stormwind opgeheven, vlogen de wandelaars vooruit, trappelend, als een losgebroken kudde. De Charbonnels waren werktuigelijk opgestaan om den stroom te volgen. Maar de zware hand van Gilquin drukte hen weer op hun stoelen neer. Hij was rood van kwaadheid.

—Stilzitten, voor den drommel! Wacht tot ik het zeg … Je ziet wel dat ze zich druk maken voor niets. Het is pas vijf uur, niet waar? ’t Is de kardinaal-legaat, daar geven we niets om, hè? Ik vind het een beleediging dat de paus niet zelf gekomen is. Men is peetvader of men is het niet, zou ik denken!… Ik zweer je dat het kereltje het eerste halfuur nog niet voorbijkomt.

De dronkenschap maakte hem oneerbiedig. Hij had zijn stoel omgekeerd, blies den voorbijgangers den rook van zijn sigaar in het gezicht, lonkte de vrouwen toe en keek de mannen uitdagend aan. Op de pont Notre-Dame was er een verstopping van rijtuigen ontstaan; de paarden trappelden van ongeduld, uniformen van hooge ambtenaren en hoofdofficieren, met goud geborduurd en met ridderorden bezaaid, vertoonden zich aan de portieren.

—Allemaal klatergoud! mompelde Gilquin, met een minachtend lachje.

Maar toen een coupé de quai de la Mégisserie afkwam, sprong hij het tafeltje bijna omver, terwijl hij riep:

—Kijk, Rougon!

En staande wuifde hij met zijn gehandschoende hand. Toen, vreezende dat hij niet opgemerkt was, begon hij met zijn strooien hoed te wuiven. Rougon, wiens senatorskostuum veel bekijks had, dook snel in een hoekje van de coupé. Toen riep Gilquin hem door zijn halfgesloten vuist, bij wijze van roeper.

Op het trottoir bleven de menschen stil staan om te zien tegen wien die lange kerel in zijn geel linnen pakje het had. Eindelijk kon de koetsier de zweep over zijn paard leggen en de coupé reed de pont Notre-Dame op.

—Houd je toch stil! zei mevrouw Correur met gesmoorde stem, terwijl ze Gilquin bij een arm greep.

Hij wou niet dadelijk gaan zitten. Hij rekte zijn hals uit om de coupé te midden der andere rijtuigen te volgen. En hij gaf zijn hart lucht, achter de voortrollende wielen.

—Ha, omdat hij goud op zijn jas draagt, kent hij niemand, hè? Dat neemt toch niet weg, dikkerd, dat je meer dan eens de laarzen van Théodore hebt te leen gehad.

De menschen aan de tafeltjes om hem heen zetten groote oogen op; vooral aan het naaste tafeltje werd hij met groote belangstelling aangehoord door een familie, uit vader, moeder en drie kinderen bestaande. Hij was er trotsch op dat hij een aandachtig publiek had. Langzaam liet hij zijn blik over de bezoekers gaan en zeer luid zei hij, terwijl hij weer ging zitten:

—Rougon, dien heb ik gemaakt wat hij is!

Hij riep mevrouw Correur tot getuige. Zij wist er alles van. Het was in haar hôtel, in de rue Vanneau, gebeurd. Ze kon niet tegenspreken dat hij hem wel twintigmaal zijn laarzen geleend had, om zich naar deftige lui te begeven met wie hij zaken behandelde, waarvan niemand iets begrijpen kon. Rougon bezat toen ter tijd slechts een paar oude, versleten schoenen, waarvoor een uitdrager niets gegeven zou hebben. En met een zegevierend gezicht naar het naaste tafeltje, de familie in het gesprek halende, riep hij uit:

—Dat kan ze zeker niet tegenspreken. Ze heeft zelf zijn eerste paar nieuwe laarzen in Parijs betaald.

Mevrouw Correur draaide haar stoel wat om, ten einde den schijn te geven, alsof ze niet tot het gezelschap van Gilquin behoorde. De Charbonnels waren er bleek van geworden, toen zij op zoo’n manier over een man hoorden spreken, die hun vijfhonderd duizend francs bezorgen moest. Maar Gilquin was eenmaal op dreef; hij vertelde van a tot z hoe Rougon begonnen was. Hij zei, dat hij het heel wijsgeerig opvatte; hij lachte om de ondankbaarheid der menschen, hij was blij dat hij zichzelf kon achten. En nogmaals verzekerde hij dat Rougon zijn opkomst aan hem te danken had. Beiden leden zij honger op dezelfde verdieping. Toen was hij op den inval gekomen Rougon aan te sporen olijfolie te laten komen van een eigenaar in Plassans; en ze waren er beiden op uit gegaan, ieder een anderen kant, tot ’s avonds tien uur toe, met proefjes olie in hun zakken. Rougon was geen handige verkooper; toch bracht hij soms mooie bestellingen thuis, die hij opdeed bij de deftige lui waar hij ’s avonds kwam. O, die weergasche Rougon, zoo dom als een eend in allerlei zaken, en toch zoo slim! Wat had hij Théodore laten sloven, voor zijn politiek! Hier sprak Gilquin een toontje zachter en knipte daarbij met de oogen; hij had immers ook tot dat troepje behoord. Hij liep de kroegen van de barrière af, waar hij uit alle macht riep: Leve de republiek! Men moest ook wel republikein zijn, om menschen te werven. Het keizerrijk was hem een mooie kaars schuldig. Maar jawel, het keizerrijk bedankte hem niet eens. Terwijl Rougon en zijn kliek de taart deelden, gooide men hem de deur uit, als een schurftigen hond. Maar eigenlijk had hij dat ook liever, op die manier bleef hij onafhankelijk. Toch speet het hem nog altijd dat hij niet tot het laatste toe met de republikeinen was meegegaan, om al dat gespuis neer te schieten.

—Daar heb je den kleinen Du Poizat, die net doet of hij me niet meer kent! zei hij ten slotte. Een nieteling, wiens pijp ik meer dan eens gestopt heb!…. Du Poizat! Onder-prefect! Ik heb hem in zijn hemd gezien met de groote Amélie, die hem met éen klap de deur uitgooide, als hij lastig was.

Hij zweeg een oogenblik, plotseling verteederd, met de waterige oogen van een dronkaard. Toen hernam hij, zich tot de bezoekers om hem heen wendend:

— Enfin, u hebt Rougon gezien. Ik ben even groot als hij en even oud. Ik vlei me dat mijn hoofd er een beetje minder gemeen uit ziet dan het zijne. Nu, zou ik niet beter passen in een rijtuig, dan dat groote zwijn, met al dat verguld op zijn lijf?

Maar op dit oogenblik verhief zich zoo’n gejuich op het plein voor het Stadhuis, dat de bezoekers er niet aan dachten hem te antwoorden. De menschen gingen weer aan het draven; men zag niets dan menschenbeenen in de lucht, terwijl de vrouwen haar rokken tot boven de knieën opnamen om harder te kunnen loopen. En toen het gejuich naderbij kwam, tot een gillend geschreeuw aangroeide, riep Gilquin:

—Hoep, daar is de dreumes! Betaal gauw, papa Charbonnel, en volgt me allen.

Mevrouw Correur hield een slip van zijn geel katoenen jas vast om hem niet kwijt te raken. Achter haar kwam mevrouw Charbonnel hijgend aan. Het scheelde weinig of men had mijnheer Charbonnel in den steek gelaten. Gilquin had zich vastberaden in de menigte geworpen, zich met zijn ellebogen een weg banende; en hij manoeuvreerde met zoo’n gezag dat de dichtste rijen zich voor hem openden. Toen hij aan de borstwering van de kade gekomen was, wees hij zijn gezelschap hun plaatsen aan. Hij tilde de dames op en zette ze op de borstwering neer, met de beenen naar de rivierzijde, ondanks de angstige gilletjes die zij uitstieten. Hij en mijnheer Charbonnel bleven achter ze staan.

—Zie zoo, poesjes, nu zit je op den eersten rang, zei hij om ze te kalmeeren. Weest maar niet bang! We zullen je vasthouden.

Hij sloeg beide armen om de gevulde gestalte van mevrouw Correur, die hem toelachte. Men kon niet boos worden op dien snaak. Intusschen zag men niets. In de richting van het plein voor het stadhuis was het een deining van hoofden, een onstuimig hoera-geroep; hoeden werden wuivend op en neer bewogen door onzichtbare handen; zij vormden boven de menigte een groote zwarte golf, die langzamerhand naderbij kwam rollen. Toen kwam er leven in de huizen op de quai Napoléon, tegenover het plein, aan de vensters verdrongen zich de toeschouwers met verrukte gezichten, met uitgestrekte armen wees men naar iets dat links bij de rue de Rivoli in aantocht was. Drie eindelooze minuten bleef de brug nog ledig. De klokken aan de Notre-Dame, als door een razende vreugde aangegrepen, luidden harder. Plotseling verschenen er trompetters op de ledige brug. Een zucht van voldoening ging door de opeengepakte menigte. Achter de trompetters en het muziekkorps dat op hen volgde, reed een generaal, vergezeld van zijn staf. Daarop volgden escadrons karabiniers, dragonders en guides; toen eerst kwamen de galarijtuigen. Er waren er eerst acht, ieder met zes paarden bespannen. In de eerste zaten hofdames, kamerheeren, officieren van het huis hunner keizerlijke majesteiten, eeredames van de groothertogin van Baden, die de peetmoeder vertegenwoordigde. En Gilquin, zonder mevrouw Correur los te laten, verklaarde haar dat de peetmoeder, de koningin van Zweden, zich al evenmin als de peetvader verwaardigd had zelf te komen. Toen het zevende en het achtste rijtuig voorbijkwamen, noemde hij de personen die er in zaten, met een gemeenzaamheid die aantoonde hoezeer hij met het hof bekend was. Die twee dames waren prinses Mathilda en prinses Marie. Die drie heeren waren koning Jérôme, prins Napoléon en de prins van Zweden, zij hadden de groothertogin van Baden bij zich. De stoet ging langzaam vooruit. Naast de portieren gingen lakeien, adjudanten, eereridders, die de teugels kort hielden om de paarden stapvoets te laten gaan.

—Waar is de kleine nu? vroeg mevrouw Charbonnel ongeduldig.

—Wel, ze hebben hem niet onder een bankje verstopt, zei Gilquin lachend. Hij komt zoo dadelijk.

Hij drukte mevrouw Correur nog wat vaster tegen zich aan, en zij liet hem begaan, omdat zij bang was dat zij vallen zou, zei ze. En de bewondering werkte aanstekelijk op hem; met schitterende oogen mompelde hij:

—Ik moet toch zeggen, ’t is mooi! Wat zitten ze daar op hun gemak, in hun satijnen doozen!…. Als je nagaat dat ik daaraan meegewerkt heb!

Hij blies zich op; de stoet, de menigte, de heele horizon behoorde hem toe. Maar na de korte stilte die door de verschijning der eerste rijtuigen teweeggebracht was, brak weer een joelend geluid los; nu wuifden de hoeden op de kade zelf boven de golvende hoofden. Midden op de brug verschenen zes pikeurs van den keizer, met hun groene livrei, hun ronde mutsjes waaromheen de gouden franje van een grooten eikel afhingen. Eindelijk verscheen het rijtuig der keizerin, door acht paarden getrokken; het had vier lantaarns, op de vier hoeken; geheel van glas, groot, afgerond, geleek het op een grooten kristallen koffer, die op gouden wielen rustte. Binnenin onderscheidde men duidelijk in een wolk van witte kant, den keizerlijken prins op den schoot van de gouvernante der Kinderen van Frankrijk; naast haar zat de min, een mooie, zwaar gebouwde Bourgondische. Op eenigen afstand, na een groep stalknechten te voet en stalmeesters te paard, kwam het rijtuig des keizers, eveneens getrokken door acht paarden, even rijk als het vorige, waarin de keizer en de keizerin zaten te groeten. Naast de portieren van beide rijtuigen kregen de maarschalken, met onverstoorbare kalmte, het stof der wielen op hun rijkgeborduurde uniformen.

—Als de brug nu eens inzakte! zei Gilquin grinnikend, die pleizier vond in vreeselijke veronderstellingen.

Mevrouw Correur legde hem verschrikt het zwijgen op. Maar hij hield vol dat die ijzeren bruggen nooit erg stevig zijn; en toen de beide rijtuigen midden op de brug waren, beweerde hij dat hij haar zag doorbuigen. Wat een duikeling, potstausend! papa, mama en het kind zouden daar een aardig slokje water naar binnen krijgen! De rijtuigen rolden langzaam en zachtjes voort, de brug was zoo licht, met haar zachte buiging, dat het scheen alsof zij boven de rivier zweefden, in het blauwe water spiegelde zij zich af, als vreemdsoortige goudvisschen. De keizer en de keizerin leunden ietwat vermoeid tegen het gecapitonneerde satijn, blij dat ze een oogenblik uit de drukte waren en niet behoefden te groeten. De gouvernante der Kinderen van Frankrijk maakte ook gebruik van de gelegenheid om den kleinen prins, die van haar schoot gegleden was, wat op te richten, terwijl de min, voorovergebogen, hem door haar glimlach vroolijk hield. En de geheele stoet baadde in het zonlicht, de uniformen, de toiletten, de tuigen schitterden; de rijtuigen wierpen een dansenden weerschijn op de donkere huizen van de quai Napoléon. Heel in de verte, boven de brug verhief zich als de achtergrond van dit schilderij, de monumentale reclame, op den muur van het hooge huis op het eiland Saint-Louis, de groote grijze overjas, waaruit het lichaam verdwenen was, waarvan de zon een schitterende apotheose maakte.

Gilquin merkte de jas op, juist toen zij boven de beide rijtuigen uitstak. Hij riep:

—Kijk, daar heb je den oom ook!

De omstanders lachten. Mijnheer de Charbonnel, die het niet begrepen had, vroeg wat die uitroep beteekende, maar zijn stem ging verloren in het oorverdoovend gejuich en het handgeklap van de driehonderd duizend menschen, die daar dicht opeengepakt stonden. Toen de kleine prins op het midden van de brug gekomen was, en men den keizer en de keizerin achter hem had zien verschijnen, in die open ruimte waar niets het uitzicht belemmerde, maakte een buitengewone ontroering zich van de nieuwsgierigen meester. De mannen gingen op de teenen staan en heschen beteuterde kleuters op hun schouders; de vrouwen schreiden en stamelden teedere woordjes voor „dien lieven kleine.” Een stormachtig gejuich bleef aanhouden op het plein voor het stadhuis; op de kaden, aan weerszijden van de rivier, zoover het oog kon reiken, ontwaarde men een woud van zwaaiende, groetende armen. Aan de vensters zag men met zakdoeken wuiven, geestdriftige gezichten met wijdgeopende monden zich voorover buigen. En heel aan het einde werden de smalle vensters van het eiland St. Louis levendig door een geschitter van witte plekken, die men niet duidelijk onderscheiden kon. De roeiers in hun roode kielen, staande in hun boot, die op de Seine voortdreef, schreeuwden uit alle macht; terwijl de waschvrouwen, met bloote armen en verward haar uit de ramen van het waschhuis hingen en zoo hard met haar stampers sloegen, dat zij dreigden te breken.

—’t Is gedaan, we kunnen wel heengaan, zei Gilquin.

Maar de Charbonnels wilden tot het laatste zien blijven. De achterhoede van den stoet, de escadrons van de gardes, de kurassiers en de karabiniers, trokken de rue d’Arcole in. Daarop ontstond er een vreeselijk gedrang; het dubbele gelid van de nationale gardes en de liniesoldaten werd op verscheidene plaatsen verbroken; vrouwen gilden.

—Laten we heengaan, herhaalde Gilquin. Men dringt elkander dood.

En toen hij de dames op het trottoir gezet had, liet hij ze den straatweg oversteken, ondanks de drukte. Mevrouw Correur en de Charbonnels vonden het beter langs de borstwering te loopen om zoodoende op de pont Notre-Dame te komen en te gaan zien, wat er op de place du Parvis gebeurde. Maar hij luisterde niet naar ze, hij trok ze mee. Toen ze zich weer voor het kleine koffiehuis bevonden, duwde hij ze plotseling neer op de stoelen rondom het tafeltje, dat zij zoo pas verlaten hadden.

—Jelui denkt zeker dat ik lust heb mijn voeten af te laten trappen door dien hoop leegloopers?…. We gaan wat drinken, wat drommel? We zijn daar beter dan in het gedrang. We hebben nu genoeg van het feest, hè? ’t Begint eindelijk te vervelen …. Komaan, wat zult u gebruiken, mama?

De Charbonnels, op wie hij zijn verschrikkelijke oogen richtte, maakten eenige verlegen bedenkingen. Ze hadden den stoet graag uit de kerk zien komen. Toen bracht hij hun aan het verstand dat zij moesten wachten tot het wat minder druk werd; over een kwartiertje zou hij ze er heen brengen, als het dan niet al te druk was. Mevrouw Correur maakte stil dat zij wegkwam, terwijl hij aan Jules sigaren en bier ging bestellen.

—Wel ja, rust een beetje uit, zei ze tot de Charbonnels. U vindt me daar wel.

Zij ging de pont Notre-Dame over en de rue de la Cité in. Maar de opstopping was daar zoo groot, dat zij een vol kwartier noodig had om de rue de Constantine te bereiken. Ze besloot haar weg te bekorten door de rue de la Licorne en de rue des Trois-Canettes in te slaan. Eindelijk kwam zij op de place du Parvis, nadat zij aan een kelderraam van een verdacht huis een heelen volant van haar zijden japon had laten zitten. Het plein, met zand en met bloemen bestrooid, was beplant met palen die banieren met het koninklijke wapen droegen. Voor de kerk bevond zich een kolossaal voorportaal, in den vorm van een tent, dat de kale muursteenen aan het oog onttrok door roodfluweelen gordijnen met gouden franjes in eikels.

Daar stuitte mevrouw Correur op een rij soldaten, die de menigte in bedwang hielden. Te midden van de opengelaten ruimte liepen lakeien langzaam op en neer, naast de rijtuigen die in vijf rijen geschaard stonden; terwijl de koetsiers deftig op hun bok zaten, met de leidsels in de hand. En toen zij den hals uitrekte om een opening te zoeken, waardoor zij heen kon dringen, bemerkte zij Du Poizat die kalm een sigaar rookte, in een hoek van het plein, te midden der lakeien.

—Kunt u me daar niet binnen laten komen? vroeg zij hem, nadat zij door roepen en wuiven zijn aandacht had getrokken.

Hij sprak met een officier en bracht haar vóor de kerk.

—Ik zou u raden hier te blijven, zei hij. ’t Is daarbinnen niet uit te houden. Ik kreeg het zoo benauwd, dat ik er uit ben gegaan …. Kijk, daar zijn de kolonel en mijnheer Bouchard, die ook al tevergeefs een plaats gezocht hebben.

De heeren stonden daar inderdaad, links, aan den kant van de rue du Cloître Notre-Dame. Mijnheer Bouchard vertelde dat hij zijn vrouw had toevertrouwd aan de hoede van mijnheer d’Escorailles, die een uitmuntenden fauteuil voor een dame had. Wat den kolonel aangaat, het speet hem zeer, dat hij de plechtigheid niet aan zijn zoon Auguste kon verklaren.

—Ik had hem de beroemde vaas willen toonen, zei hij. ’t Is zooals u weet, de vaas die Lodewijk den Vromen heeft toebehoord, een vaas van vernikkeld, ingelegd koper, in den mooisten Perzischen stijl, een gedenkstuk uit den tijd der kruistochten, die bij den doop van al onze koningen dienst heeft gedaan.

—Hebt u de honneurs gezien? vroeg mijnheer Bouchard aan Du Poizat.

—Ja, antwoordde deze. Mevrouw de Lorentz droeg de chrémeau.

Hij moest een nadere uitlegging geven. De chrémeau was de doopmuts. Geen van beide heeren wist dat; daar keken zij vreemd van op. Du Poizat somde toen al de honneurs van den keizerlijken prins op, de doopmuts, de gewijde kaars, het zoutvat, en de honneurs van den peter en de meter, het bekken, de waterkan, de handdoek; al die voorwerpen werden door hofdames gedragen. Dan was er nog de mantel van den kleinen prins, een buitengewoon prachtige mantel, op een fauteuil bij het doopvont uitgespreid.

—Is er heusch geen plaatsje over? riep mevrouw Correur, wier nieuwsgierigheid door al die bijzonderheden opgewekt werd.

Toen vertelden zij haar van al de groote staatslichamen, alle autoriteiten, alle delegaties die zij hadden zien voorbijtrekken. Het was een eindelooze optocht; het Corps diplomatique, de Senaat, het Wetgevend lichaam, de Staatsraad, de Hooge Raad, de hofhouding, de rechters, zonder nog te spreken van de ministers, de prefecten, de burgemeesters en hun adjuncten, de leden van de Academie, de hoofdofficieren, tot zelfs de afgevaardigden van het Israëlitische en het Protestantsche consistorie. En er kwam nog geen einde aan.

—Goede hemel, wat moet dat mooi zijn! zuchtte mevrouw Correur.

Du Poizat haalde de schouders op. Hij was vreeselijk uit zijn humeur. Al die drukte „verveelde hem”. En hij scheen ontstemd door den langen duur der plechtigheid. Was het nu nog haast niet gedaan? Ze hadden het Veni Creator gezongen; zij hadden elkander bewierookt en gegroet. De kleine zou nu toch wel gedoopt zijn. Mijnheer Bouchard en de kolonel, die geduldiger waren, keken naar de met vlaggen versierde vensters van het plein; daarop keken zij eensklaps op, bij een plotselinge losbarsting van het klokkenspel, dat de torens deed schudden, en een lichte huivering beving hen bij de gedachte aan de nabijheid van die ontzaglijke kerk, waarvan zij het einde niet konden bespeuren, hoog in de lucht. Intusschen was Auguste naar het voorportaal geslopen, Mevrouw Correur volgde hem. Maar toen zij tegenover de hoofddeur kwam, waarvan de beide vleugels open stonden, deed een buitengewoon schouwspel haar plotseling stilstaan.

Tusschen de twee groote gordijnen vertoonde zich de kerk als een ontzaglijke, kostbaar versierde tabernakel. De zachtblauwe gewelven waren met sterren bezaaid. De vensters vormden rondom dit uitspansel mystieke gesternten, die de kleine, levendige vlammetjes van een gloed van edelgesteenten levendig hielden. Overal daalde van de hooge pilaren een rood fluweelen draperie, die het weinige daglicht dat onder het schip bleef hangen, nog meer wegnam; en in dien rooden nacht brandde enkel, in het midden, een gloeiende haard van kaarsen, duizenden kaarsen, zoo dicht bij elkander geplaatst, dat het een enkele zon geleek, schitterende in een regen van vonken. Het was in het midden van het kruisraam, op een verhevenheid, het altaar dat in gloed stond. Links en rechts verhieven zich kronen. Een breede hemel van met hermelijn gevoerd fluweel, vormde boven den hoogsten troon een reusachtigen vogel met sneeuwwitten buik en purperen vleugels. Een van goud en edelgesteenten schitterende menigte vulde de kerk; bij het altaar vormden de bisschoppen met staf en myter, een glorie, een van die schitterende voorstellingen die aan een geopenden hemel doen denken; rondom de estrade zaten prinsen, prinsessen, grootwaardigheidsbekleeders in luisterrijke praal; aan weerszijden zaten in oploopende banken het diplomatieke Corps en de Senaat ter rechter-, het Wetgevend lichaam en de Raad van State ter linkerzijde; terwijl allerhande delegaties de overige ruimte van het schip vulden en de dames, boven op de tribunes, de bonte kleurenmengeling van haar lichte toiletjes ten toon spreidden. Een bloedroode nevel hing in de kerk. De hoofden, die rechts en links achter in de kerk opeengehoopt waren, hadden den rose tint van beschilderd porselein. De kostuums, het satijn, de zijde, het fluweel, werden met een dieprooden gloed overtogen, alsof zij op het punt waren te ontvlammen. Geheele rijen werden opeens in een vurigheid gehuld. De diepe kerk geleek een ontzaglijke smeltoven.

Toen zag mevrouw Correur een ceremoniemeester op het koor voorwaarts treden, die driemaal met een forsche stem riep:

—Leve de kroonprins! leve de kroonprins! leve de kroonprins!

En te midden der daverende toejuichingen bemerkte mevrouw Correur aan den rand van de verhevenheid den keizer, over de menigte heenziende. Zijn zwarte jas stak scherp af tegen de flonkerende gewaden der bisschoppen achter hem. Hij hield het volk den kroonprins voor, een pakje witte kant, dat hij met opgeheven armen omhoog hield.

Maar plotseling gaf een suisse mevrouw Correur een wenk, dat zij terzijde moest gaan. Zij ging twee passen achteruit en zag nog slechts een der gordijnen voor zich. Het vizioen was verdwenen. Ze stond daar opeens in het volle daglicht en onthutst bleef zij staan, meenende dat zij een oud schilderij gezien had, zooals er in het Louvre waren, met ouderwetsch gekleede personen, die men nooit op straat ontmoet.

—Blijf daar niet staan, zei mijnheer Du Poizat, terwijl hij haar weer bij den kolonel mijnheer Bouchard bracht.

De heeren spraken nu over de overstroomingen. Er waren verschrikkelijke verwoestingen in de dalen der Rhône en Loire aangericht. Duizenden gezinnen waren zonder onderkomen. De inschrijvingen, die overal geopend werden, waren niet bij machte om zooveel ellende te verlichten. Maar de keizer toonde een bewonderenswaardige mildheid en moed: te Lyon had men hem de overstroomde wijken der stad zien doorwaden; te Tours had hij bijna drie uur lang in een bootje rondgevaren en overal met milde hand aalmoezen uitgedeeld.

—Hoor eens! viel de kolonel hier in.

Het orgel bromde in de kerk. Een plechtig gezang klonk door de opening van het voorportaal, waarvan de gordijnen zich heen en weer bewogen onder dien ontzaglijken adem.

—’t Is het Te Deum, zei mijnheer Bouchard.

Du Poizat slaakte een zucht van verlichting. Eindelijk zou het dan gedaan zijn! Maar mijnheer Bouchard legde hem uit, dat de acten nog niet geteekend waren. Daarop moest de kardinaal-legaat den priesterlijken zegen uitspreken. Toch begonnen er al menschen uit de kerk te komen. Een van de eersten was Rougon, met een magere allereenvoudigst gekleede vrouw, met een tanig gezicht, aan den arm. Een magistraat, in het kostuum van president van het hof van appèl, vergezelde hem.

—Wie is dat? vroeg mevrouw Correur.

Du Poizat noemde hem de twee personen. Mijnheer Beulin d’Orchère was met Rougon in kennis gekomen een poosje vóór den Staatsgreep, en hij betoonde hem sinds dien tijd een bijzondere achting, zonder echter vriendschapsbetrekkingen met hem aan te knoopen. Mejuffrouw Véronique, zijn zuster, bewoonde met hem een hôtel in de rue Garancière, dat zij bijna alleen verliet om de missen in Saint-Sulpice bij te wonen.

—Kijk, zei de kolonel zachtjes, dat is nu juist een vrouw voor Rougon.

—Uitstekend, bevestigde mijnheer Bouchard. Een tamelijk fortuin, goede familie, een vrouw van orde en ondervinding. Hij zou geen betere kunnen vinden.

Maar Du Poizat sprak dit tegen. De juffrouw was zoo rijp als een mispel, die men op het stroo heeft laten liggen. Ze was minstens zes en dertig jaar en ze leek wel veertig. Een mooie bezemsteel om mee in bed te liggen! Een vrome zus die platgestreken haar droeg! Een hoofd met zulke flauwe trekken, dat het wel scheen alsof het een half jaar lang in wijwater te weeken had gelegen!

—U is nog jong, verklaarde de chef de bureau ernstig. Rougon moet bij het sluiten van een huwelijk met zijn verstand te rade gaan …. Ik ben uit liefde getrouwd, maar dat is niet voor iedereen weggelegd.

—Och, wat kan mij dat meisje ook schelen, bekende Du Poizat eindelijk. Maar dat gezicht van Beulin-d’Orchère bevalt me niet. Hij heeft een kop als een bulhond. Zie maar eens naar zijn breeden snoet en dien gekrulden haarbos, waarin zich geen enkel grijs haartje vertoont, ofschoon hij al vijftig jaar is! Wie kan achter zijn plannen komen? Vertel me eens waarom hij voort blijft gaan zijn zuster in Rougon’s armen te voeren, nu Rougon toch gevallen is?

Mijnheer Bouchard en de kolonel zwegen en wisselden een angstigen blik. Zou de „bulhond,” zooals de gewezen onder-prefect hem noemde, Rougon geheel alleen opslokken? Maar mevrouw Correur zei langzaam:

—’t Is altijd goed magistraatspersonen op zijn hand te hebben.

Rougon had intusschen juffrouw Véronique naar haar rijtuig geleid; voordat zij instapte, groette hij haar. Juist op dat oogenblik kwam de mooie Clorinde aan den arm van Delestang uit de kerk. Zij keek ernstig en wierp een vlammenden blik op dat gele meisje, tegenover wie Rougon zich zoo galant toonde, dat hij ondanks zijn senatorsrok het portier eigenhandig achter haar dichtsloot. Terwijl het rijtuig wegreed, trad zij regelrecht op hem toe, den arm van Delestang loslatend en haar kinderlijk lachje terugvindend. Het geheele gezelschap volgde haar.

—Ik ben ma kwijt geraakt! riep ze vroolijk uit. Men heeft mama in de drukte ontvoerd …. U hebt zeker wel een hoekje in uw coupé voor me over, nietwaar?

Delestang, die haar thuis had willen brengen, scheen zeer ontstemd. Zij droeg een oranjekleurige zijden japon, met zulke opzichtige bloemen geborduurd, dat de lakeien naar haar keken. Rougon maakte een buiging, maar het duurde wel tien minuten eer de coupé verscheen. Allen bleven daar staan, ook Delestang, ofschoon zijn rijtuig in de onmiddellijke nabijheid op hem wachtte. De kerk liep langzamerhand ledig. Mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin voegden zich bij het gezelschap. En daar de groote man met een gemelijk gezicht zijn handdruk flauwtjes beantwoordde, vroeg hij ongerust:

—Voelt ge u niet goed?

—Neen, antwoordde hij. Al dat licht daarbinnen heeft me vermoeid.

Hij zweeg, en hernam daarna zachter:

—Het was een grootsch gezicht. Ik heb nog nooit een man zoo gelukkig zien kijken.

Hij sprak van den keizer. Hij had de armen uiteengestrekt, met een breed gebaar, langzaam en plechtig alsof hij hen aan het tooneel en de kerk wilde herinneren; overigens zei hij niets meer. Zijn vrienden zwegen insgelijks. Zij vormden in een hoek van het plein een klein groepje. Voor hen trok een dichte drom van magistraatspersonen in toga, officieren in groot tenue, ambtenaren in uniform, een gegalonneerde, opgeschikte, gedecoreerde menigte, die de bloemen, waarmee het plein bestrooid was, vertrad, te midden van het geroep der lakeien en het geratel der wegrijdende rijtuigen. De roem van het keizerrijk, op zijn toppunt gekomen, zweefde in het purper van de ondergaande zon, terwijl de torens van de Notre-Dame, zachtrood en welluidend, de toekomstige regeering van het kind, dat onder haar gewelven gedoopt was, zeer hoog naar een toppunt van vrede en grootheid, schenen te dragen. Maar zij voelden in hun ontevredenheid slechts een onmatige begeerigheid in zich opkomen bij al de pracht van de plechtigheid, het klokkengelui, de ontplooide banieren, de geestdrift in de stad, de verrukking van die officiëele wereld. Rougon die voor de eerste maal het onaangename van zijn ongenade gevoelde, was zeer bleek, en in gedachte benijdde hij den keizer.

—Bonsoir, ik ga heen, ’t is doodelijk vervelend, zei Du Poizat en nam met een handdruk van de anderen afscheid.

—Wat scheelt u toch vandaag? vroeg de kolonel. U is zoo boos.

En de onder-prefect antwoordde bedaard, terwijl hij heenging:

—Wel, waarom zou ik vroolijk zijn?…. Van morgen las ik in den Moniteur dat die ezel van een Champenon de prefectuur gekregen heeft, die mij beloofd was.

De anderen keken elkander aan. Du Poizat had gelijk, zij kregen niet van de taart. Rougon had hun bij de geboorte van den kroonprins een regen van geschenken beloofd op den doopdag: mijnheer Kahn zou zijn concessie krijgen, de kolonel het kommandeurskruis, mevrouw Correur de vijf of zes tabaksdépots waarom zij zoo dikwijls gevraagd had. En daar stonden zij nu met hun allen, op een hoopje, in een hoek van het plein, met leege handen. Toen keken zij Rougon aan met zoo’n troosteloozen, verwijtenden blik, dat deze woedend de schouders ophaalde. Toen zijn coupé eindelijk voorreed, duwde hij Clorinde snel naar binnen, en zonder een woord te spreken sloeg hij het portier met een harden klap achter zich dicht.

—Daar staat Marsy in het portaal, mompelde mijnheer Kahn, terwijl hij mijnheer Béjuin meetrok. Wat ziet die ploert er trotsch uit!…. Draai je om. ’t Ontbrak er nog maar aan dat hij ons niet terug groette!

Delestang had zich gehaast in zijn rijtuig te stappen, ten einde de coupé te volgen. Mijnheer Bouchard wachtte op zijn vrouw; toen hij zag dat de kerk leeg was, keek hij heel verbaasd en ging hij eindelijk heen met den kolonel, die ook genoeg had van het rondkijken naar zijn zoon Auguste.

Mevrouw Correur had intusschen het geleide aanvaard van een dragonder-luitenant, een landgenoot van haar, die zijn epauletten eenigszins aan haar te danken had.

In de coupé praatte Clorinde opgetogen over de plechtigheid, terwijl Rougon, achterover geleund, met een slaperig gezicht naar haar luisterde. Zij had de Paaschfeesten te Rome bijgewoond, maar die waren niets indrukwekkender. En zij legde hem uit dat de godsdienst voor haar als het ware een hoekje van den hemel opende, met God den Vader als een zon op zijn troon gezeten, te midden van de schitterende pracht der engelen om hem heen geschaard, als een breede kring van schoone, in goud gekleede jongelieden. Toen liet zij plotseling haar onderwerp varen en vroeg:

—Komt u van avond op het feest, dat de stad aan Hunne Majesteiten aanbiedt? Dat zal prachtig zijn.

Zij was uitgenoodigd. Ze zou een rose kleedje dragen, dicht bezaaid met vergeetmijnietjes. Mijnheer de Plouguern zou haar geleider zijn, omdat haar moeder ’s avonds niet meer uitging wegens haar hoofdpijnen. Daarop weer tot een ander onderwerp overgaande, vroeg zij op nieuw:

—Wie is toch die magistraat, die u zooeven bij u hadt?

Rougon hief het hoofd op en zei in éen adem door:

—Mijnheer Beulin-d’Orchère, vijftig jaar, uit een familie van rechtsgeleerden, is substituut geweest te Montbrison, procureur des konings te Orléans, advokaat-generaal te Rouen, heeft deel uitgemaakt van een gemengde commissie in 52, is vervolgens te Parijs gekomen als raadsheer van den Hoogen Raad, en is er nu president van …. O ja, hij heeft het decreet van den 22en Januari 1852 goedgekeurd, waarbij de goederen van de familie Orléans verbeurd verklaard werden …. Is u daarmee tevreden?

Clorinde lachte. Hij hield haar voor den gek, omdat zij weetgierig was; men mocht de menschen toch wel kennen, aan wie men allicht kon voorgesteld worden. En zij repte niet van mejuffrouw Beulin-d’Orchère. Zij sprak weer over het feest op het Stadhuis: de feestgalerij zou met ongekenden luister versierd worden; gedurende het diner zou een orkest zonder tusschenpoozen spelen. Ja, Frankrijk was een groot land! Nergens, noch in Engeland, noch in Duitschland, noch in Spanje, noch in Italië, had zij schitterender bals gezien. Haar keus was dan ook al gemaakt, zei ze met een gezicht dat straalde van bewondering, zij wou een Française zijn.

—O, soldaten, riep ze, zie eens, soldaten!

De coupé, die de rue de la Cité doorgereden was, moest aan het einde van de pont Notre-Dame stilhouden voor een regiment, dat op de kade voorbijtrok. Het waren liniesoldaten, soldaatjes die als schapen voortliepen, een beetje uit den pas door de boomen van de trottoirs. Zij kwamen terug van het afzetten. De volle namiddagzon schitterde hun juist in het gelaat, hun laarzen waren wit bestoft, hun rug gebogen onder het gewicht van ransel en geweer. En zij hadden zich zoo verveeld, onder al dat gedrang van de menigte, dat zij er nog versuft uitzagen.

—Ik dweep met het Fransche leger, zei Clorinde verrukt, zich voorover buigend om beter te kunnen zien.

Rougon scheen wakker te worden en keek nu ook. Het was de kracht van het keizerrijk, die daar voorbijtrok, in het stof van den weg. Langzamerhand was er een opstopping van rijtuigen op de brug ontstaan; maar de koetsiers wachtten eerbiedig; terwijl personages in galakostuum uit de portieren lagen en met een flauwen glimlach op het gelaat naar die soldaatjes keken, die door het lange staan versuft waren.

—En die laatsten daar, ziet u die? hernam Clorinde. Daar is een heele rij, die nog geen baard hebben. Zien ze er niet aardig uit?

En in een onstuimige opwelling van teederheid wierp zij den soldaten kushandjes toe. Ze hield zich een beetje verborgen, om niet gezien te worden. Het was een genot, die liefde voor de gewapende macht, waarop zij zichzelve onthaalde.

Rougon glimlachte toegevend; hij had dien dag ook pas zijn eerste genoegen gesmaakt.

—Wat is er nu weer aan de hand? vroeg hij, toen de coupé de kade op kon rijden.

Een menigte menschen verdrong zich op de trottoirs en de straat. Het rijtuig moest alweer stilhouden. Een stem uit de menigte zei:

—’t Is een dronkaard, die de soldaten uitgescholden heeft. De politie heeft hem al bij den kraag gepakt.

Toen de menigte uiteenging, bemerkte Rougon Gilquin die stomdronken door twee politieagenten vastgehouden werd. Hier en daar kwam zijn bloote huid door zijn gescheurde linnen pakje te voorschijn. Maar hij was niet lastig, met zijn afhangenden knevel op zijn rood gezicht. Hij sprak heel vertrouwelijk met de politieagenten, hij noemde ze „kindertjes”. En hij vertelde hun dat hij den heelen middag heel rustig in een koffiehuis had gezeten, vlak bij, in gezelschap van heel voorname lui. Men kon informeeren aan het theater du Palais-Royal, waar mijnheer en mevrouw Charbonnels heengegaan waren om de opvoering van les Dragées du Captême te zien; ze zouden het stellig niet tegenspreken.

—Laat me toch los, grappenmakers! riep hij, zich plotseling schrap zettende. Het koffiehuis is hier vlak bij, wat donder! Kom maar mee, als je me niet gelooft!…. De soldaten waren onbeleefd, begrijp je, er was een klein ventje bij dat lachte. Toen heb ik hem op zijn voorman gezet. Maar het Fransche leger beleedigen, dat nooit! Noem den naam Théodore eens bij den keizer, dan zal je eens zien wat hij zegt …. Sakkerloot, je zou er leelijk inloopen!

Het volk lachte het uit van de pret. De twee agenten hielden hem stevig vast en duwden hem langzaam naar de rue Saint-Martin, waar men in de verte de roode lantaarn van een politiepost zag. Rougon was snel in zijn rijtuig weggedoken. Maar plotseling kreeg Gilquin hem in het oog. Toen, werd hij spotachtig en voorzichtig. Hij keek naar hem, knipoogde en zei als tot zichzelf:

—Genoeg, kindertjes, ik zou schandaal kunnen maken, maar ik doe het niet, omdat ik te veel eergevoel heb …. Zeg, jelui zou de hand niet op Théodore leggen, als hij met prinsessen uit rijden ging, zooals een zeker iemand van mijn kennis. Ik heb toch ook met de groote lui gewerkt, en netjes ook, daar durf ik me op beroemen, zonder duizenden en honderden te vragen. Men kent zijn waarde. Dat is een troost bij al die kleingeestigheden.—Alle donders! zijn vrienden dan geen vrienden meer?

Hij werd aandoenlijk, en begon te hikken. Rougon wenkte stilletjes een man in een groote overjas, dien hij toevallig herkende; en na hem iets in het oor gefluisterd te hebben, gaf hij hem het adres van Gilquin, rue Virginie no. 17, te Grenelle. De man naderde de politieagenten, als om ze een handje te helpen. De menigte keek heel verbaasd toen zij zag, dat de agenten links afsloegen en Gilquin in een vigelante wierpen, waarna de koetsier op hun bevel de quai de la Mégisserie opreed. Maar Gilquin’s groot, verward hoofd verscheen nog eens met een zegevierenden lach buiten het portier en hij brulde:

—Leve de republiek!

Toen de menigte uiteengegaan was, keerden de kaden tot haar gewone rust weer. Parijs, moe van geestdrift, zat aan tafel, de drie honderdduizend nieuwsgierigen, die zich daar verdrongen hadden, hadden de restauraties aan de Seineoevers bestormd. Op de ledige trottoirs slenterden langzaam enkele buitenlui rond, doodmoe, niet wetende waar zij zouden eten. Beneden, aan beide zijden van de waschinrichting, stonden de vrouwen haar wasch te stampen. Een zonnestraal verguldde nog de torens van de Notre-Dame, die nu zwegen, boven de huizen in de duisternis gehuld. En in den nevel die uit de Seine opsteeg, ginds, op de spits van het eiland Saint-Louis, onderscheidde men nog slechts, op het doffe grijs van de gevels, de reusachtige jas, de monumentale reclame, als ware er aan een spijker in den horizon de plunje van een Titan vastgehaakt, wiens ledematen door den bliksem verpletterd waren.