Waarin Passepartout wederom het bewijs geeft dat de fortuin op de hand is der stoutmoedigen.
Het plan was gewaagd en de volvoering zou met tallooze moeielijkheden gepaard gaan; misschien zou ze wel onmogelijk wezen. Bladzijde 68
De heer Fogg ging zijn leven wagen, of minstens zijne vrijheid en daardoor ook de kans op het winnen zijner weddenschap. Maar hij aarzelde niet. Bovendien vond hij in sir Francis Cromarty een bondgenoot, die ook voor geen klein gerucht vervaard was. Wat Passepartout betreft, deze was altijd gereed en men kon op hem rekenen. Het plan van zijn meester vervulde hem met hartstochtelijke bewondering. Hij erkende nu onder diens ijskoude bevroren oppervlakte een hart dat warm klopte, een gemoed, dat gevoelde. Hij begon van Phileas Fogg te houden. De vraag was nog slechts hoe de gids er over dacht en welke partij deze kiezen zou. Zoo hij al niet wilde medewerken, moest men zich ten minste van zijne onzijdigheid verzekeren. Maar zou hij niet geneigd zijn de Hindoes te helpen? Sir Francis Cromarty deed hem die vraag onbewimpeld.
“Generaal,” antwoordde de gids,” “ik ben een Parsi en de vrouw is eene Parsi. Gij kunt over mij beschikken.”
“Goed zoo, gids,” antwoordde de heer Fogg.
“Maar gij moet het wel weten,” zeide de Parsi, “niet alleen wagen wij er ons leven aan, maar ook den marteldood, wanneer wij gevat worden. Denk dus wel na vóór gij begint.
“Wij hebben nagedacht,” zeide Fogg. “Het komt me voor, dat wij den nacht moeten afwachten vóór wij iets ondernemen.”
“Dat is ook mijn idee,” antwoordde de gids.
De brave Hindoe deelde toen eenige bijzonderheden mede omtrent het slachtoffer. Zij was eene indische vrouw, wier schoonheid algemeen beroemd was, en behoorde tot het ras der Parsis. Haar vader was een parsisch koopman te Bombay geweest en in die stad had zij een geheel engelsche opleiding genoten. Naar hare manieren en de mate van hare kennis oordeelende, zou men haar voor eene europeesche hebben gehouden. Aouda, zoo heette zij, was reeds op jeugdigen leeftijd wees geworden en aan den ouden rajah van Bundelkund uitgehuwelijkt. Drie maanden later was zij weduwe. Daar zij wist welk lot haar te wachten stond, was zij gevlucht, maar men had haar achterhaald en de bloedverwanten van den rajah, die belang bij haren dood hadden, hadden besloten dat ook zij zich zou moeten opofferen; ontkomen scheen niet meer mogelijk.
Dit verhaal versterkte bij den heer Fogg en zijne metgezellen het besluit om haar te bevrijden. Men kwam overeen, dat de gids de richting naar de pagode van Pillaji zou inslaan en die zoo dicht mogelijk zou naderen. Een half uur later hield men halt in een dicht bosch, op vijfhonderd schreden van de pagode, welke men niet zien kon; maar het geschreeuw der dweepzieke menigte hoorde men duidelijk.
Passepartout was volstrekt niet verschrikt. Blz. 79.
Toen beraadslaagde men over de middelen om het slachtoffer Bladzijde 69te genaken. De gids kende de pagode van Pillaji, waarin hij verzekerde, dat de jeugdige vrouw zou worden opgesloten. De vraag was, of men er kon binnendringen door eene van de poorten, Bladzijde 70terwijl de gansche bende, zwijmeldronken, daaromheen was gelegerd; dan wel of men eene opening in den wand moest maken. Dit kon eerst beslist worden, wanneer men op de plek zelve zou zijn. Maar wat niet twijfelachtig kon wezen, was dat men dien nacht zelven het slachtoffer bevrijden moest, daar zij den anderen morgen ter dood gebracht zou worden. Op dat oogenblik zou geene menschelijke macht meer in staat zijn haar te redden.
Fogg en zijne metgezellen wachtten den nacht af. Zoodra het donker werd, tegen zes uur des avonds, besloten zij tot eene verkenning in den omtrek van de pagode. De laatste kreten der fakirs waren weggestorven. Volgens gewoonte moesten deze Indiërs bedwelmd zijn door den damp van opium en hennep en het was mogelijk tusschen hen door te sluipen tot den tempel.
De Parsi, gevolgd door Phileas Fogg, Francis Cromarty en Passepartout, baande zich een doortocht door het bosch. Na tien minuten onder de takken te zijn doorgekropen, kwamen zij aan den oever eener kleine rivier, en daar zagen zij, bij het licht van de vlammende harstakjes, die op het uiteinde van ijzeren staven gestoken waren, een hoogen stapel hout. Dat was de brandstapel van welriekend sandelhout, doortrokken van geurige oliën. Bovenop lag het gebalsemd lijk van den rajah, hetwelk verbrand moest worden te gelijk met dat zijner weduwe. Op honderd schreden van den brandstapel verhief zich de pagode, wier torentjes boven de kruinen der boomen uitstaken.
“Volg mij,” zeide de gids op fluisterenden toon.
Met verdubbelde behoedzaamheid en door zijne metgezellen gevolgd, gleed de gids onhoorbaar door het hooge gras langs den oever. Men hoorde niets dan het ruischen van den wind in het gebladerte. Weldra bleef de Parsi staan op eene opene plek in het bosch, verlicht door eenige brandende dennentakken. Op den grond lagen een aantal slapenden verstrooid, kennelijk in dronkenschap verkeerende. Men zou gezegd hebben, dat het een slagveld was met dooden bedekt. Mannen, vrouwen en kinderen lagen hier op en door elkander, terwijl men op korten afstand nog eenige beschonkenen hoorde ronken.
Op den achtergrond tusschen dicht geboomte zag men onduidelijk de omtrekken van de pagode. Maar tot groote teleurstelling van den gids onderscheidde men de lijfwachten van den rajah, die bij helder flikkerende boomstammen, de ontbloote sabels in de hand, op schildwacht stonden voor den tempel. Men moest dus onderstellen dat de priesters in den tempel eveneens waakten.
De Parsi waagde zich niet verder.
Hij besefte dat het onmogelijk was den ingang van den tempel te naderen en voerde zijne metgezellen in het bosch terug. Phileas Bladzijde 71Fogg en Cromarty hadden eveneens begrepen, dat van deze zijde niets was te beproeven. Zij hielden stand en overlegden met elkander op fluisterenden toon.
“Laat ons wachten,” zeide de generaal, “het is eerst acht ure en het is mogelijk, dat ook de lijfwachten in slaap vallen.”
“Dit is inderdaad mogelijk,” zeide de Parsi.
Phileas Fogg en de zijnen legden zich dus neder bij een boom en wachtten. De tijd viel hun zeer lang. Nu en dan verliet hen de gids om eens hoogte van de zaken te gaan nemen. Maar de lijfwachten van den rajah bleven waken bij hunne toortsen en door de openingen in de pagode drong een flauw licht naar buiten.
Men wachtte tot middernacht, maar de toestand bleef dezelfde.
Vóór den tempel hield men nog altijd de wacht. Blijkbaar kon men er dus niet op rekenen, dat ook de wachters zouden gaan slapen. Waarschijnlijk hadden zij geen opium mogen schuiven. Men moest dus op een ander middel bedacht zijn en trachten door eene opening in de achterzijde van den tempel daar binnen te dringen. Maar het bleef de vraag of daar de priesters niet even waakzaam zouden zijn als de soldaten er buiten.
Na een laatste overleg, verklaarde de gids zich bereid om op verkenning uit te gaan. Fogg, sir Francis en Passepartout volgden hem. Zij maakten een omweg groot genoeg om onbemerkt de achterzijde van den tempel te bereiken. Tegen half een kwamen zij hier aan zonder iemand ontmoet te hebben. Aan dien kant werd volstrekt geen wacht gehouden, maar er waren daar dan ook deuren noch vensters. De nacht was donker; de maan in haar laatste kwartier en bovendien was zij verborgen achter de zware wolken. De dikke boomen verhoogden nog de duisternis.
Het was echter niet genoeg dat men de achterzijde van den tempel bereikt had; men moest er nog eene opening in maken. Phileas Fogg en de zijnen hadden niets dan hunne zakmessen. Gelukkig bestonden de wanden slechts uit gemetselde steenen en hout, zoodat het niet moeielijk was er een gat in te boren. Als de eerste steen was weggenomen, volgden de andere van zelf. Men toog aan het werk, zoo weinig gedruisch mogelijk makende. De Parsi aan de eene zijde en Passepartout aan de andere lichtten de steenen er uit, zoodat men al spoedig eene spleet had van twee voet breedte. Het werk vorderde reeds goed, toen eensklaps een kreet uit den tempel weerklonk en onmiddellijk door andere kreten wed beantwoord.
Passepartout en de gids staakten hun arbeid. Had men hen ontdekt? Was er alarm gemaakt? De voorzichtigheid gebood hun zich te verwijderen, wat zij dan ook deden tegelijk met Phileas Fogg en sir Francis Cromarty. Zij verborgen zich opnieuw in het dichtst van het bosch, wachtende tot het alarm, wanneer het dit Bladzijde 72geweest was, zou zijn bedaard, ten einde dan weder hunne taak te hervatten. Maar, helaas! een gedeelte van de lijfwacht trok den tempel om en posteerde zich aan de achterzijde, zoodat ook van dien kant het niet meer mogelijk was de pagode te naderen.
Men kan zich de teleurstelling van de vier moedige mannen denken, aan wie thans elke poging tot redding belet was. Zij konden het slachtoffer niet naderen, hoe zouden zij het dus redden? Sir Francis beet zich de lippen aan bloed. Passepartout was buiten zich zelven van woede en met moeite kon de gids hem in bedwang houden. Fogg alleen bleef kalm en verborg zijne gewaarwordingen.
“Zou ons dus niets anders overblijven dan weder heen te gaan?” vroeg de generaal.
“Er blijft ons niets anders over,” erkende de gids.
“Laat ons wachten,” zeide Fogg, “ik behoef eerst morgen ten twaalf ure te Allahabad te zijn.”
“Maar wat hoopt gij dan nog?” vroeg Francis Cromarty. “Over een paar uur is het dag en....”
“De kans, die ons thans ontsnapt, kan zich op het laatste oogenblik aanbieden.”
De generaal trachtte op het gelaat van Phileas Fogg te lezen, wat er in dezen omging. Hij begreep niet waarop die koele Brit thans nog kon hopen. Zou hij misschien op het oogenblik, dat de vrouw op den brandstapel stond, haar met geweld aan hare beulen willen ontrukken? Dat zou krankzinnigheid wezen; maar was de man niet krankzinnig genoeg om het te beproeven? Nochtans stemde Cromarty er in toe, te blijven tot de ontknooping van deze vreeselijke gebeurtenis. De gids wilde echter niet, dat de heeren op de plek zouden blijven waar zij zich nu bevonden en geleidde hen naar eene andere plaats nabij het open gedeelte van het bosch. Daar waren zij onder het zware lommer der boomen en zagen zij de slapende groepen, flauw verlicht door de walmende toortsen.
Passepartout intusschen, op de onderste takken gezeten, peinsde over een plan, dat reeds terstond bij hem was opgerezen en telkens in zijn geest terugkeerde, zoodat hij het niet meer van zich kon zetten. Eerst had hij tot zich zelven gezegd, dat het eene dwaasheid zou zijn; toen vroeg hij zich af, waarom hij het niet zou wagen; het was in ieder geval een kans, misschien wel de eenige, en die wezens waren zoo dom.... Passepartout deelde zijn plan niet mede, maar weldra klauterde hij met de lenigheid van een slang in de onderste takken, welker uiteinden den grond raakten.
De Hindoes volbrachten hunne heilige afwasschingen. Blz. 80.
De uren verliepen en weldra zag men een lichten gloed in de verte. Het was de dageraad. In de omgeving bleef alles nog donker. Het gewichtige oogenblik was daar. De sluimerende menigte Bladzijde 73verrees plotseling van den grond. Er kwam leven en beweging in de groepen. De tam-tam werd geslagen en het zingen begon weder. Het uur was gekomen, waarop de ongelukkige sterven moest. Bladzijde 74
Weldra werden de poorten van den tempel geopend. Een fel licht straalde naar buiten. Fogg en Cromarty zagen het slachtoffer door het volle schijnsel der toortsen bestraald; twee priesters sleepten haar mede. Het scheen hun zelfs toe, dat door een laatste instinct van zelfbehoud, de rampzalige uit hare verdooving ontwaakte en trachtte te vluchten. Het hart van sir Francis dreigde te barsten en zenuwachtig greep hij de hand van Phileas Fogg; hij voelde dat die hand een mes omklemd hield.
Op dit oogenblik zette de stoet zich in beweging. De jeugdige vrouw was weder in een staat van verdooving geraakt, door den damp der hennep teweeggebracht. Zij werd tusschen de fakirs door gedragen, terwijl deze hunne godsdienstige liederen zongen. Phileas Fogg en zijne metgezellen sloten zich bij de laatste gelederen aan en volgden.
Twee minuten daarna kwamen zij aan den oever der rivier en hielden stand op vijftig schreden van den brandstapel, waarop het lijk van den rajah lag. In de schemering zagen zij het roerlooze slachtoffer neergelegd naast het zielloos overschot van haar echtgenoot.
Een der priesters naderde met eene toorts, en bijna onmiddellijk stond de met olie doortrokken houtstapel in volle vlam.
Op dat oogenblik hielden sir Francis Cromarty en de gids Phileas Fogg tegen, die in waanzinnigen moed zich op den brandstapel wilde werpen.
Reeds stootte hij hen van zich af, toen plotseling het tooneel een geheel ander aanzien kreeg. Een kreet van schrik steeg uit aller mond. De gansene menigte wierp zich, in de grootste ontzetting, ter aarde.
De oude rajah was dan niet dood? Men zag hoe hij plotseling overeind rees, zijne gade in de armen nam en als een schim van den brandstapel verdween, te midden van de vlammen en de rookwolken.
De fakirs, de lijfwachten, de priesters, aan vrees en schrik ter prooi, lagen met het gelaat op den grond en durfden niet opzien naar dit wonder. Het roerlooze slachtoffer werd weggedragen door een paar krachtige armen, die haar gewicht niet schenen te gevoelen. De heeren Fogg en Cromarty waren blijven staan. De Parsi had het hoofd gebogen en Passepartout was zeker niet minder verbaasd.
De uit den dood verrezene had de plaats bereikt waar de heeren Fogg en Cromarty zich bevonden en op stroeven toon zeide hij:
“Vooruit!”
Het was Passepartout zelf, die den brandstapel had bestegen te midden van den dikken rook en de vrouw ontrukt had aan een wissen dood. Bladzijde 75
Een oogenblik later waren alle vier in het bosch verdwenen en de olifant rende in snellen draf voort. Maar een luid geschreeuw en zelfs een kogel, die den hoed van Phileas Fogg doorboorde, getuigden, dat de list ontdekt was. Op den brandstapel lag nog altijd het lijk van den ouden rajah en de priesters, van hunne ontsteltenis bekomen, begrepen dat een onbeschaamde roof was gepleegd. Zij ijlden, gevolgd door de wachters, de vluchtenden na. Men schoot op hen, maar de europeanen reden te snel en in weinige oogenblikken waren zij buiten het bereik der pijlen en kogels.
Waarin Phileas Fogg het prachtige dal van den Ganges doortrekt, zonder er in het minst aan te denken om dit te bezichtigen.
Men was in de stoutmoedige schaking gelukkig geslaagd. Een uur lang juichte Passepartout nog over het gelukken van het plan. Sir Francis Cromarty had den onverschrokken knecht de hand gedrukt. Zijn meester had tot hem gezegd: “Goed,” wat in den mond van dezen gentleman gelijk stond met de vleiendste loftuiting. Passepartout had daarop geantwoord, dat al de eer van de onderneming aan zijn meester toekwam. Voor zich zelf had hij één “dwaze” gedachte gehad, en hij lachte er om als hij naging, dat hij, Passepartout, oud-sergeant bij de pompiers, een oogenblik de weduwnaar was geweest van eene schoone, jonge vrouw, de weduwe van een gebalsemden rajah.
Wat de jeugdige hindoesche aangaat, zij had zich volstrekt geen rekenschap kunnen geven van hetgeen er gebeurd was. In een paar reisdekens gewikkeld, lag zij nu in een der manden neder. De olifant met beleid door den Parsi bestuurd, draafde middelerwijl zoo snel mogelijk door het duistere bosch. Een uur na het verlaten van den afgodstempel van Pillaji rende hij over een onmetelijke vlakte. Ten zeven ure hield men halt. Aouda was nog altoos bewusteloos. De gids liet haar een teug water met brandewijn drinken, maar de staat van bedwelming duurde nog geruimen tijd voort. Sir Francis Cromarty, die de werking der inademing van hennep kende, was volstrekt niet ongerust. Maar zoo al het herstel der jeugdige hindoesche den generaal niet bezorgd maakte, minder gerust was hij omtrent hare toekomst. Hij deelde onbewimpeld Bladzijde 76aan Phileas Fogg mede, dat zoo mevrouw Aouda in Indië bleef, zij ongetwijfeld weder in de handen harer beulen zou vallen. Deze stonden over het geheele schiereiland met elkander in betrekking, en zeker zouden ze, ondanks de engelsche politie, zich weder van hun slachtoffer weten meester te maken, te Madras even goed als te Bombay of Calcutta. Tot staving van zijne bewering deelde Francis een feit van denzelfden aard mede, dat nog pas geleden had plaats gehad. Volgens hem zou de vrouw niet veilig zijn voor zij Indië had verlaten. Phileas Fogg antwoordde dat hij deze waarschuwing niet vergeten zou en over de zaak zou nadenken.
Ten tien ure verwittigde de gids de heeren, dat zij te Allahabad waren. Daar ving de spoorweg weder aan en van dit station kon men in minder dan een etmaal Calcutta bereiken. Phileas Fogg zou dus tijdig genoeg aankomen voor de mailboot die eerst des anderen daags, 25 October, des middags naar Hong-Kong vertrekt. Men bracht de indische dame in eene kamer van het station en Passepartout werd belast met den aankoop van al hetgeen zij voor haar toilet behoefde. Zijn meester verleende hem onbeperkt crediet.
Passepartout begaf zich aanstonds op weg en doorkruiste de stad. Allahabad, stad van God, is een der heiligste steden van Indië, omdat zij gebouwd is aan de samenvloeiing van de heilige stroomen, de Ganges en de Jumna, naar wier wateren de bewoners van het schiereiland ter bedevaart opgaan. Men weet bovendien, dat, volgens de legenden van de Ramayana, de Ganges zijn oorsprong neemt in den hemel, van waar de goedertierenheid van Brahma hem naar de aarde zendt.
De boodschappen, welke Passepartout te verrichten had, stelden hem in de gelegenheid de stad te zien, welke voorheen beschermd werd door een prachtig fort, dat nu tot staatsgevangenis dient. Thans is er nijverheid noch handel in deze stad, waar voorheen de eene zoowel als de andere bloeide. Passepartout, die te vergeefs een modemagazijn zocht alsof hij in Regent-street was, in de nabijheid van Farmer & Co. vond slechts bij een uitdrager, een ouden inhaligen Europeaan, de voorwerpen, welke hij noodig had, een schotsch rokje, een grooten mantel en een prachtigen pels van bevervel, waarvoor hij niet aarzelde vijf en zeventig pond te betalen. Toen keerde hij met de grootste voldoening naar het station terug.
Mevrouw Aouda kwam langzamerhand tot haar zelve. De invloed waaronder zij door de priesters van Pillaji gebracht was, verdween en haar schoone oogen kregen weer haar indische zachtheid terug.
Als de dichterlijke koning Ucaf Uddarel de bekoorlijkheden van koningin Ahmehnagara bezingt, drukt hij zich aldus uit:
“Mijne schoenen!” riep Passepartout uit. Blz. 86.
“Hare glanzende haren, in twee regelmatige deelen gescheiden, Bladzijde 77vormen een lijst om de volmaakt harmonische trekken van hare zachte, blanke wangen, schitterend van reinheid en frischheid. Hare effen zwarte wenkbrauwen hebben den vorm en de kracht van den Bladzijde 78boog van Kamas, den god der liefde, en onder hare lange zijden oogwimpers om den donkeren appel harer groote doorschijnende oogen, zwemmen als in de heilige muren van den Himalaya, de reinste beelden van het hemelsche licht. Fijn, effen en wit zijn hare tanden, die schitteren tusschen de glimlachende lippen als dauwdroppelen in de half ontloken kelk van de grenaatbloem. Hare kleine ooren met symetrische lijnen, hare roode handjes, hare kleine ronde voeten zijn als de knoppen van den lotus, en prijken met den gloed der schoonste paarlen van Ceylon, der prachtigste diamanten van Golconda. De tengere, buigzame gestalte, die eene hand omsluiten kan, verhoogt den edelen vorm van hare ronde heupen en den rijkdom van haar boezem waar de jeugd in vollen bloei haar hoogste schatten ten toon spreidt, en onder de zijden plooien harer tuniek schijnt zij uit zuiver zilver gedreven door de goddelijke hand van Vivcacarma, den eeuwigen beeldhouwer.” Met andere woorden en ontdaan van al deze dichterlijke beelden: Mevrouw Aouda, de weduwe van een rajah uit Bundelkund, was eene schoone vrouw in de volle beteekenis des woords en ook volgens europeesche begrippen. Zij sprak zeer goed engelsch en de gids had niet overdreven toen hij zeide dat deze jonge hindoesche door hare opvoeding geheel veranderd was.
Intusschen stond de trein gereed om het station van Allahabad te verlaten. De Parsi wachtte, Fogg rekende met hem af, en betaalde den overeengekomen prijs zonder hem een stuiver te veel te geven.
Dit verwonderde Passepartout een weinig, daar hij wist al wat zijn meester aan den gids te danken had. De Parsi had inderdaad vrijwillig zijn leven voor dat van Aouda opgeofferd, en zoo de hindoes dit later te weten kwamen, zou het hem zeer moeielijk zijn om hunne wraak te ontkomen. Ook bleef de vraag nog over wat men met Kiouni, een zoo duurgekochten olifant zou doen? Maar Phileas Fogg had te dien opzichte reeds een besluit genomen.
“Parsi,” zeide hij tot den gids, “gij hebt mij goed en trouw geholpen. Ik heb uwe diensten beloond maar niet uwe toewijding. Wilt gij den olifant hebben? Hij is voor u.”
De oogen van den gids glinsterden.
“Dat is een gansch vermogen, dat uwe edelheid mij geeft!” riep hij uit.
“Neem het aan,” antwoordde Fogg, “ik blijf toch altijd uw schuldenaar.”
“Mij is het wel!” riep Passepartout. “Neem hem, vriend Parsi! Kiouni is een dapper en moedig beest!”
En naar het dier toegaande gaf hij het eenige klontjes suiker, met de woorden:
“Daar Kiouni, pak maar aan.” Bladzijde 79
“De olifant liet eenig gebrom van goedkeuring hooren; toen nam hij Passepartout bij zijn gordel en hem met zijn snuit omvattende, lichtte hij hem tot aan zijn kop op. Passepartout was volstrekt niet verschrikt, liefkoosde het dier eens, dat hem zachtjes weder op den grond plaatste, greep de punt van den snuit van Kiouni met zijn hand en drukte die hartelijk om zijne omhelzing te beantwoorden.
Eenige oogenblikken later waren Phileas Fogg, Sir Francis Cromarty en Passepartout in een gemakkelijken waggon gezeten, waarvan mevrouw Aouda de beste plaats bezette, en spoorden met groote snelheid naar Benares, ongeveer tachtig mijlen van Allahabad verwijderd, welken afstand men in twee uur moest afleggen. Gedurende dezen tocht kwam de jonge vrouw geheel tot haar zelve. De bedwelmende dampen van den hennep waren vervlogen.
Hoe groot was haar verbazing toen zij bemerkte dat zij in een trein zat, in een waggon, omringd van personen in europeesche kleederdracht en die haar allen geheel onbekend waren.
Terstond overlaadden hare reisgezellen haar met allerlei voorkomendheden en kleine diensten en verkwikten haar met eenige druppels likeur. Daarop verhaalde de generaal haar al hetgeen met haar was voorgevallen. Hij prees vooral de toewijding van Phileas Fogg, die niet geaarzeld had zijn leven te wagen om het hare te redden, en zeide, dat zij de ontknooping van het avontuur aan den stouten inval van Passepartout te danken had.
Fogg liet hem dit alles vertellen, zonder een woord te zeggen. Passepartout was zeer verlegen en herhaalde onophoudelijk dat het de moeite niet waard was!
Mevrouw Aouda dankte hare redders met aandoening, meer nog door hare tranen dan door hare woorden. Hare schoone oogen, meer dan haar lippen, waren de tolken harer dankbaarheid. Toen, denkende aan hetgeen voorgevallen was met de sutty, zag zij in hare verbeelding Indië weder vóór zich, waar nog zoovele gevaren haar wachten, en zij werd door eene huivering van schrik bevangen.
Phileas Fog begreep wat er in de ziel van mevrouw Aouda omging, en bood haar, om haar gerust te stellen, op zeer eenvoudigen toon aan, haar naar Hong-Kong te brengen, waar zij kon blijven tot de zaak geheel uit de wereld zou zijn. Mevrouw Aouda nam dit aanbod met dankbaarheid aan. Te Hong-Kong woonde juist een harer bloedverwanten, een Parsi zooals zij, en een van de grootste handelaren van de stad, die geheel engelsch is, ofschoon zij op een uithoek van de chineesche kust is gelegen.
Te half een kwam de trein te Benares aan. De brahmaansche legenden zeggen dat deze stad de plaats van het oude Casi inneemt, Bladzijde 80dat vroeger in de lucht hing tusschen het zenith en den nadir, evenals het graf van Mahomed. Maar in dezen materiëelen tijd rust Benares, het Athene van Indië, zooals de Oosterschen het noemen, zeer prozaïsch op den grond, en Passepartout kon een oogenblik deze huizen van gebakken steen en kleihutten beschouwen, die het zulk een treurig aanzien schenken, zonder eenige locale kleur er aan te geven.
Hier moest Sir Francis Cromarty blijven. De troepen, waartoe hij behoorde, waren op eenige mijlen noordelijk van deze stad gekampeerd. De generaal nam van Phileas Fogg afscheid, hem in alle opzichten het beste toewenschende met de bede, dat, zoo hij deze reis weer eens ondernam, zij minder zonderling, maar daarentegen voordeeliger mocht wezen. Fogg drukte even de vingers van zijn reisgezel. Het afscheid van mevrouw Aouda ging teederder in zijn werk. Nooit zou zij vergeten wat zij aan sir Francis Cromarty te danken had.
Passepartout werd door den generaal vereerd met een stevigen handdruk. Zeer geroerd, vroeg hij zich af, waar en wanneer hij zich toch eens voor hem zou kunnen opofferen. Toen scheidde men.
Van Benares af volgt de spoorweg het dal van den Ganges. Door de raampjes van den waggon kon men, bij vrij helder weer, het afwisselend landschap van Behar gadeslaan, de begroeide bergen, de velden met maïs en tarwe en gerst bebouwd, de rivieren en meren met groene alligators, de goed onderhouden dorpen en de nog lommerrijke bosschen. Eenige olifanten en een aantal zebu's met hooge bulten baadden zich in de wateren van den heiligen stroom, en niettegenstaande het reeds ver gevorderde jaargetijde en de koude dagen, volbrachten de Hindoes van beide seksen hunne heilige afwasschingen. Deze geloovigen, verklaarde vijanden van het boedhisme, zijn ijverige aanhangers van den brahmaanschen godsdienst, die belichaamd is in drie personen: Vishnoe, den zonnegod, Shiva, de verpersoonlijking der natuurkrachten, en Brahma, den opperheer van priesters en wetgevers. Maar Brahma, Vishnoe en Shiva, met welk oog zullen zij dit geheel britsch geworden Indië beschouwen, wanneer een stoomboot dreunend de wateren van den heiligen Ganges beroert, de meeuwen, welke over hare oppervlakte vliegen, opjagende, en de schildpadden, die langs zijne oevers kruipen, verschrikkende, en even zoo de vromen, die aan weerszijden van zijne oevers verspreid zijn.
Zij betoonde hem de grootste dankbaarheid, Blz. 90.
Dit geheele panorama ging bliksemsnel voor hen voorbij, en dikwijls verborg een dikke witte rookwolk nog vele bijzonderheden van het landschap. Ter nauwernood konden de reizigers het fort van Chunar bespeuren, ongeveer twintig mijlen ten zuidoosten van Benares gelegen, een oude sterkte der rajahs van Behar; Chazepore met zijn belangrijke fabrieken van rozenwater, de graftombe van lord Bladzijde 81Cornwallis, die zich op den rechteroever van de Ganges verheft; de versterkte stad Buxar; Patna, een aanzienlijke fabrieks- en handelsstad, waar de grootste markt van opium uit geheel Indië wordt gehouden; Bladzijde 82Monghir, een geheel europeesche stad, engelsch als Birmingham en Manchester, beroemd om zijne ijzersmelterijen, zijn smidswerken en wapenen, en welks hooge schoorsteenen met hun zwarten rook den hemel van Brahma bezoedelen en aan het land der droomen al zijn poëzie ontnemen. Eindelijk kwam de nacht, en onder het gebrul der vluchtende tijgers en wolven, ging de trein in volle snelheid voort. Men zag niets meer van de wonderen van Bengalen, noch Golconda, noch het vervallen Gora, noch Murshedabad, dat de vroegere hoofdstad was, Burdwan, nog Hougly, noch Chandernagor, dat aan de Franschen behoort, en waarop Passepartout trotsch zou zijn geweest de Fransche vlag te zien wapperen. Te acht ure eindelijk had men Calcutta bereikt. De mailboot voor Hong-Kong lichtte het anker eerst ten twaalf uur. Phileas Fogg had dus nog vier uur voor zich. Volgens zijn reisboek moest hij den 25en October in de hoofdstad van Indië aankomen, drie en twintig dagen na het verlaten van Londen, en hij was er ook op den bepaalden dag. Hij was noch vóór, noch ten achteren. Ongelukkigerwijze waren de twee dagen, welke hij tusschen Londen en Bombay gewonnen had, verloren gegaan, men weet hoe, bij het doortrekken van het indische schiereiland, maar men mag aannemen dat Phileas Fogg daar geen spijt van had.
Waarin de zak met banknoten weder met eenige duizenden ponden sterling vermindert.
De trein had aan het station opgehouden. Passepartout stapte het eerst uit den waggon, en werd door Fogg gevolgd, die zijne jeugdige reisgezellin bij het uitstijgen behulpzaam was. Phileas Fogg was van plan om terstond naar de mailboot voor Hong-Kong te gaan, ten einde mevrouw Aouda daar zoo gemakkelijk mogelijk te installeeren, want hij wilde niet van haar scheiden, zoolang zij vertoefde in een land, dat zoo gevaarlijk voor haar was.
Op het oogenblik dat Fogg het station zou verlaten, naderde hem een agent van politie met de woorden:
“Mijnheer Phileas Fogg?”
“Die ben ik.”
“En deze man is uw bediende?” vroeg de agent verder, op Passepartout wijzende. Bladzijde 83
“Ja.”
“Wil mij dan beiden volgen.”
Fogg's houding liet niet de minste verbazing blijken. De agent was een vertegenwoordiger van de wet, en voor iederen engelschman is de wet heilig. Passepartout, met zijne fransche gewoonten, wilde er iets tegen inbrengen, maar de agent raakte hem even met zijn stokje aan, en Phileas Fogg wenkte hem dat hij zou gehoorzamen.
“Kan deze jonge dame ons vergezellen?” vroeg Fogg.
“Dat kan zij,” antwoordde de agent.
De agent geleidde Fogg, Aouda en Passepartout naar een palkighari, eene soort van rijtuig op vier wielen met twee paarden bespannen, waarin ruimte voor vier personen was. Men reed weg; niemand sprak gedurende den rit, welke twintig minuten duurde.
Het rijtuig reed eerst door de stad der inlanders met hare hooge nauwe straten en hutten, waarin eene cosmopolitische bevolking zoo vuil en haveloos mogelijk wemelde; vervolgens door de europeesche stad, met huizen van gebakken steen, beschaduwd door kokosboomen en omringd door een bosch van masten.
Ondanks den vroegen morgen doorkruisten reeds vele rijtuigen en voorname ruiters de straten.
De palkighari hield stil voor een gebouw met een onaanzienlijk voorkomen, maar dat toch blijkbaar geen particulier huis was. De agent deed hier zijne gevangenen uitstijgen—men kon hun inderdaad dezen naam wel geven—en bracht hen toen naar een kamer met getraliede vensters, terwijl hij hun toevoegde:
“Om half negen zult gij voor den rechter verschijnen.”
Daarop verwijderde hij zich en sloot de deur.
“Mooi zoo! Wij zijn gevangen!” riep Passepartout, zich op een stoel werpende. Mevrouw Aouda richtte zich terstond tot Fogg, en zeide met eene stem, waarin zij kwalijk hare aandoening kon verbergen:
“Mijnheer, gij moet mij aan mijn lot overlaten! Ik ben de oorzaak dat ge vervolgd wordt, omdat gij mij hebt willen redden!”
Phileas Fogg zeide slechts dat dit onmogelijk was. Vervolgd te worden wegens die zaak van de sutty was niet denkbaar. Hoe zouden de aanklagers zich kunnen aanmelden! Er had een vergissing plaats! Fogg voegde er bij, dat hij in geen geval de jonge vrouw zou verlaten, en dat hij haar naar Hong-Kong zou brengen.
“Maar de boot vertrekt ten twaalf ure!” merkte Passepartout op.
“Vóór twaalf ure zullen wij aan boord zijn,” antwoordde Fogg kalm.
Dit werd op zulk een beslissenden toon gezegd, dat Passepartout niet kon nalaten bij zich zelven te denken:
“Nu dat is dus zeker? Vóór twaalf uur zullen wij aan boord zijn!” Maar toch was hij nog maar half gerustgesteld.
Tegen half negen ging de deur der kamer open. De agent van Bladzijde 84politie trad weder binnen en bracht zijne gevangenen in een ander vertrek. Dit was de rechtszaal en een tamelijk groot publiek van Europeanen en inboorlingen was reeds tegenwoordig.
Fogg, Aouda en Passepartout zetten zich op een bank tegenover de zetels van den magistraat en den griffier.
De magistraat, de heer Obadiah, kwam terstond daarop binnen, gevolgd door den griffier. Hij was een groot, gezet man. Hij nam een pruik van een spijker aan den wand en zette die op.
“De eerste zaak,” begon hij. Maar zijne hand aan zijn hoofd brengende, riep hij terstond:
“Hé! Dat is mijn pruik niet!”
“Inderdaad, het is de mijne,” antwoordde de griffier.
“Waarde mijnheer Oysterpuf, hoe kunt gij meenen dat een rechter een goed vonnis zou kunnen vellen met de pruik van den griffier!”
Men verwisselde toen de pruiken. Onder deze voorbereidende maatregelen kookte het bloed van Passepartout, want het scheen hem toe, dat de wijzer der klok ontzaglijk snel ging.
“De eerste zaak,” sprak de rechter Obadiah weder.
“Phileas Fogg,” zeide de griffier Oysterpuf.
“Present,” antwoordde de heer Fogg.
“Passepartout?”
“Present,” herhaalde Passepartout.
“In orde,” zeide de rechter Obadiah. “Al twee dagen lang wordt op alle treinen, die van Bombay komen, naar u gezocht.”
“En waar beschuldigt men ons dan van?” vroeg Passepartout ongeduldig.
“Dat zult gij aanstonds vernemen,” antwoordde de rechter.
“Mijnheer,” zeide Fogg toen, “ik ben britsch onderdaan, en ik heb recht....”
“Zijn uwe rechten in eenig opzicht gekrenkt?” vroeg Obadiah.
“Volstrekt niet.”
“Goed. Laat dan de aanklagers binnen komen.”
Op een wenk van den rechter werd eene deur geopend en drie hindoesche priesters werden door den deurwaarder binnen geleid.
“Juist. Net zoo als ik dacht,” prevelde Passepartout, “dat zijn de kerels, welke de Indische dame wilden verbranden.”
De priesters plaatsten zich vóór den rechter en de griffier las met luider stem eene aanklacht wegens heiligschennis tegen Phileas Fogg en zijn bediende, beschuldigd een gebouw te hebben ontwijd, dat voor de eeredienst van Brahma bestemd was.
“Hebt gij het gehoord?” vroeg de rechter aan Phileas Fogg.
“Ja, mijnheer,” antwoordde Fogg, op zijn horloge ziende, “en ik beken.”
“O zoo! gij bekent?....”
“Ik beken en verwacht dat deze drie priesters op hunne beurt Bladzijde 89bekennen zullen, wat zij wilden doen in de pagode van Pillaji.”
Een- of tweemaal zag hij Fogg. Blz. 95.
De priesters keken elkander aan. Zij schenen niets te begrijpen van de woorden van den beschuldigde. Bladzijde 85
“Ongetwijfeld,” riep Passepartout driftig, “in die pagode van Pillaji, waar zij hun slachtoffer wilden verbranden!”
Nieuwe verbazing der priesters, en diepe verbazing van den rechter Obadiah.
“Welk slachtoffer?” vroeg hij. “Wie wilden zij verbranden in het hartje van Bombay?”
“Bombay!” riep Passepartout.
“Zeker. Er is hier geen sprake van de pagode van Pillaji, maar van de pagode van Malabarhill te Bombay.”
“En als bewijs zijn hier de schoenen van den heiligschenner,” zeide de griffier, terwijl hij een paar schoenen op zijn lessenaar zette.
“Mijne schoenen!” riep Passepartout uit, die in de hoogste mate verbaasd, dezen onwillekeurigen uitroep niet kon weerhouden.
Men kan de ontsteltenis begrijpen, die bij meester en knecht te weeg was gebracht. Het voorval in de pagode van Bombay hadden zij al lang vergeten, en dit was het toch dat hen voor den magistraat van Calcutta bracht.
De agent Fix had terstond al het voordeel begrepen, dat hij uit deze ongelukkige zaak kon trekken. Zijn vertrek twaalf uren uitstellende, had hij zich tot raadsman opgeworpen van de priesters van Malabarhill; hij had hun eene aanzienlijke schadeloosstelling beloofd, daar hij wel wist dat het engelsche gouvernement zulk eene overtreding zeer zwaar strafte; daarop had hij hen met den volgenden trein de heiligschenners nagezonden. Maar, daar deze veel tijd hadden besteed om de jonge weduwe te redden, waren Fix en de hindoes vóór Fogg en zijn bediende te Calcutta aangekomen, en de magistraten waren door telegrammen verzocht, om hen reeds bij het uitstijgen uit den trein in hechtenis te doen nemen. Men kan begrijpen, hoe groot de teleurstelling van Fix was, toen hij vernam dat Phileas Fogg nog niet in de hoofdstad van Indië was aangekomen. Hij moest wel gelooven dat zijn dief den Peninsular spoorweg had verlaten en zich verborgen hield in een van de noordelijke provinciën. Vier en twintig uren lang verkeerde Fix in doodelijken angst en bespiedde hij het station. Groot was zijne vreugde, toen hij dezen zelfden morgen hem uit den waggon zag stappen, in gezelschap bovendien van een jonge vrouw, van wier tegenwoordigheid hij zich geen rekenschap kon geven. Oogenblikkelijk zond hij een agent van politie op hem af, en dit was de oorzaak dat Fogg, Passepartout en de weduwe van den rajah van Bundelkund voor den rechter Obadiah gebracht werden.
Zoo Passepartout minder vervuld ware geweest met zijn eigene zaak, dan zou hij opgemerkt hebben, dat in een hoekje van de gerechtszaal de detective gezeten was, die het geding met een licht te begrijpen belangstelling volgde; want zoowel te Calcutta, als te Bombay en te Suez, had hij het bevel van inhechtenisneming nog niet ontvangen. Bladzijde 87
Intusschen had Obadiah akte genomen van de bekentenis van Passepartout, die wel alles wat hij bezat had willen geven, om zijne onvoorzichtige woorden terug te nemen.
“Is het feit erkend?” vroeg de rechter.
“Erkend,” antwoordde Fogg kalm.
“Overwegende,” hernam de rechter, “dat de engelsche wet alle godsdiensten in Indië even nauwgezet wil beschermen en het misdrijf door genoemden Passepartout erkend is en van dezen alzoo bewezen is dat hij den drempel van den afgodstempel van Malabarhill te Bombay met een heiligschennenden voet heeft betreden op den 20en October, wordt meergemelde Passepartout veroordeeld tot vijf dagen gevangenisstraf en een boete van driehonderd pond.”
“Drie honderd pond!” riep Passepartout uit, die slechts ooren had voor de boete.
“Stilte!” riep de deurwaarder met krijschende stem.
“En,” voegde de rechter Obadiah er bij, “overwegende dat het niet bewezen is, dat de meester niet medeplichtig was aan het misdrijf van den bediende, maar dat in allen gevalle deze aansprakelijk moet worden gesteld voor de daden en bewegingen van een bediende, welke van hem zijn loon ontvangt, wordt aan Phileas Fogg niet veroorloofd te vertrekken en wordt hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht dagen en een boete van honderd vijftig pond. Griffier de volgende zaak!”
Fix had, in zijn hoek gezeten, met een onuitsprekelijk genoegen Phileas Fogg hooren veroordeelen tot acht dagen gevangenisstraf te Calcutta. Dat was langer tijd dan noodig was om het bevel tot in hechtenisneming te ontvangen.
Passepartout was geheel verpletterd. De veroordeeling deed zijn meester diens geheele fortuin verliezen. Een weddenschap van twintig duizend pond verloren, alleen omdat hij als een echte slenteraar dien verwenschten afgodstempel van Malabarhill binnengetreden was!
Phileas Fogg bleef zoo geheel meester over zich zelven alsof hem de veroordeeling volstrekt niet aanging. Ja, hij fronste zelfs zijn wenkbrauwen niet. Maar op het oogenblik dat de griffier een andere zaak zou roepen, richtte hij zich op met de woorden:
“Ik bied borgtocht aan.”
“Dat is uw recht,” antwoordde de rechter.
Fix dacht dat hij door den grond zou zinken, maar hij herstelde zich weer spoedig, toen hij vernam wat de rechter zeide.
“Overwegende dat Phileas Fogg en zijn bediende vreemdelingen zijn, wordt borgtocht voor ieder gesteld op de aanzienlijke som van duizend pond.”
Twee duizend pond moest het Fogg kosten, zoo hij met zijne veroordeeling geen vrede nam.
“Ik betaal,” zeide de gentleman, en haalde uit den zak, dien Bladzijde 88Passepartout droeg, een pak banknoten, dat hij op den lessenaar van den griffier legde.
“Dit geld zal u in staat stellen om de gevangenis te ontloopen,” zeide de rechter. “Gij zijt intusschen vrij onder borgtocht.”
“Ga mee,” zeide Fogg tot zijn knecht.
“Als zij mij ten minste mijne schoenen maar teruggeven! zeide Passepartout woedend.
Men gaf hem zijne schoenen terug.
Een duur paar schoenen! mompelde hij. Elk meer dan duizend pond! En dan komt er nog bij dat zij mij klemmen! Toen volgde hij zeer neerslachtig Fogg, die mevrouw Aouda zijn arm had geboden. Fix hoopte altijd nog dat zijn dief nooit besluiten zou om die twee duizend pond te betalen, maar liever voor acht dagen in de gevangenis zou gaan. Hij volgde Fogg dus op den voet.
Deze, mevrouw Aouda en Passepartout, stegen terstond in een rijtuig. Fix liep het na en zag dat het weldra op de kade stilhield.
Op een halve mijl afstand van de kust lag de Rangoon voor anker; haar vlag was ten teeken van vertrek boven in den mast geheschen. Het sloeg elf uur, Fogg was dus nog een uur vóór. Fix zag hem uit het rijtuig stijgen en in een bootje gaan met mevrouw Aouda en zijn knecht. De detective stampvoette.
“De deugniet!” riep hij, “hij reist toch weg! Twee duizend pond opgeofferd! Hij is zoo verkwistend als een dief. Ik zal hem toch in mijn macht krijgen, al was het ook aan het einde van de wereld; maar als hij zoo voortgaat, zal ik al het geld van den diefstal er bij inschieten.”
De inspecteur van politie was geheel ter prooi aan deze gedachten. En waarlijk sedert hij Londen had verlaten, had Phileas Fogg, zoowel aan reiskosten als fooien, den koop van den olifant, de borgtochten en de boeten, reeds meer dan vijfduizend pond besteed en de zooveel percent van de teruggevonden som, welke toegekend wordt aan den detective, verminderde voortdurend.