Passepartout keerde 's avonds naar de inlandsche stad terug. Blz. 134.
Moest Passepartout het voorgevallene aan zijn meester vertellen? Zou het goed zijn dezen bekend te maken met de rol, welke Fix in deze zaak speelde? Was het niet beter te wachten tot zij in Bladzijde 129Londen waren, om hem dan mede te deelen dat een agent van politie uit de hoofdstad hem de geheele wereld gevolgd had, en daarover dan met hem eens hartelijk te lachen? Ja ongetwijfeld. Bladzijde 130In elk geval was dit eene zaak, die hij met zich zelven kon overleggen; voor het oogenblik moest hij zich haasten om naar Fogg te gaan en zich over zijn onbehoorlijk gedrag te verontschuldigen.
Passepartout stond dus op. De zee was onstuimig en de mailboot slingerde geweldig. Maar de trouwe knecht, hoe goed en hoe kwaad het ook op zijn nog onvaste beenen ging, kwam toch op het achterdek. Daar zag hij niemand, die op Fogg of op Aouda geleek.
“Och,” dacht hij, “mevrouw Aouda is nog niet op en mijn meester zal den een of anderen whistspeler gevonden hebben, en volgens zijne gewoonte....”
Zoo peinzende, daalde Passepartout in de kajuit af. Fogg was er niet: Passepartout schoot dus nog maar één ding over en wel om aan den hofmeester te vragen, welke hut mijnheer Fogg betrokken had. De hofmeester antwoordde hem, “dat hij geen passagier van dezen naam kende.”
“Wel zeker,” zeide Passepartout. “Een groot, kalm en weinig spraakzaam gentleman, vergezeld van eene jonge dame.”
“Er is geen enkele jonge vrouw aan boord,” antwoordde de hofmeester. “Maar, om u te overtuigen, hebt ge hier de lijst der passagiers. Gij kunt die raadplegen.”
Passepartout las de lijst door.... De naam van zijn meester was er niet op te vinden.
Eensklaps ging hem een licht op.
“Zeg eens,” vroeg hij, “ben ik wel op de Carnatic?”
“Ja,” antwoordde de hofmeester.
“Die naar Yokohama gaat!”
“Juist.”
Een oogenblik had Passepartout gevreesd op het verkeerde schip te zijn. Maar, zoo hij op de Carnatic was, dan was het zeker dat zijn meester er niet op was.
Hij zonk op een stoel neder. Hij was als door den bliksem getroffen. Plotseling werd het hem helder voor den geest. Hij herinnerde zich dat het uur van vertrek der Carnatic vervroegd was, dat hij zijn meester had moeten waarschuwen, en dat hij dit niet had gedaan: het was dus zijne schuld, zoo Fogg en Aouda niet bij tijds aan de mailboot waren gekomen.
Zijne schuld, ja, maar meer nog die van den verrader, welke, om hem van zijn meester te scheiden en dezen te Hong-Kong te kunnen houden, hem had dronken gemaakt. Nu begreep hij het gedrag van den inspecteur. Fogg was thans geruïneerd, had zijne weddenschap verloren en zat op dit oogenblik misschien in de gevangenis!... Bij deze gedachte, trok Passepartout zich de haren uit het hoofd. Zoo Fix hem ooit onder de oogen kwam, wat zou hij afrekening met hem houden!
Eindelijk herstelde Passepartout zich weder en ging zijn toestand Bladzijde 131eens na. Die was verre van benijdenswaardig. Hij bevond zich op weg naar Japan. Hij was wel zeker daar aan te komen, maar hoe weer te vertrekken? Hij had geen cent op zak.
Gelukkig waren zijn overtocht en vertering aan boord vooruit betaald. Hij had dus nog vijf of zes dagen tijd om te denken wat hij doen moest. Wat hij at en dronk gedurende dezen tocht, laat zich niet beschrijven. Hij at voor zijn meester, voor Aouda en voor zich zelven. Hij at alsof Japan, waar hij nu heen ging, een verlaten land was, verstoken van alle levensmiddelen. Den 13en, met den vloed, liep de Carnatic de haven van Yokohama binnen.
Dit punt is eene zeer belangrijke aanlegplaats in de Stille Zuidzee, welke alle schepen aandoen, die in dienst zijn van het brieven- en reizigers-vervoer tusschen Noord-Amerika, China, Japan en Nederlandsch Indië. Yokohama ligt aan dezelfde golf als Yeddo, niet ver verwijderd van deze stad, welke de tweede hoofdstad is van het japansche rijk, de residentie van den Taïkoen, den burgerlijken keizer, de mededingster van Miako, de groote stad, welke de verblijfplaats is van den Mikado, den geestelijken keizer, den afstammeling der goden.
De Carnatic wierp haar anker voor de kade van Yokohama, in de nabijheid van den havendam en de entrepôts, te midden van een aantal schepen van alle natiën.
Passepartout begaf zich zonder eenige geestdrift aan wal, en betrad het zoo zonderlinge land der zonen van de zon. Hij had niets beters te doen dan het toeval tot zijn gids te nemen, en met dezen de straten der stad te doorkruisen.
Fogg's bediende bevond zich eerst in een geheel europeesche stad, te midden van huizen met lage gevels en veranda's, waaronder zich bevallige voorhuizen vertoonden en die met hare straten, pleinen, dokken en entrepôts de ruimte besloeg tusschen het voorgebergte en de rivier. Daar, zoowel als te Hong-Kong en te Calcutta, wemelden alle natiën door elkander, Amerikanen, Engelschen, Chineezen, Hollanders, meest allen kooplieden, die alles wilden verkoopen en alles wilden koopen, en te midden van die menigte gevoelde zich de Franschman zoo vreemd als of hij zich in het land der Hottentotten bevond.
Passepartout had nog wel een redmiddel, namelijk zich te wenden tot de fransche of engelsche consulaire agenten te Yokohama, maar hij zag er tegen op zijne geschiedenis te verhalen, die zoo nauw verwant was aan die van zijn meester, en vóór hij daartoe overging, wilde hij alle andere redmiddelen beproefd hebben. Daarom, na het europeesche gedeelte van de stad doorkruist te hebben, waagde hij zich in het japansche gedeelte, voor zich zelven vast besloten, om, indien het noodig was, naar Yeddo door te wandelen. Bladzijde 132
Deze wijk, door de inboorlingen van Yokohama bewoond, heet Benten, naar den naam eener godin der zee, welke op de omliggende eilanden wordt aangebeden. Daar zijn prachtige lanen van denne- en cederboomen, heilige poorten van zonderlingen bouwstijl, bruggen verborgen onder bamboes en riet, tempels beveiligd door sombere honderdjarige ceders, waar voorheen priesters van Boeddha woonden en belijders van den godsdienst van Confucius, eindelooze straten waar men een ontelbare hoeveelheid aantreft van kinderen met roode wangen, wezentjes, die men meenen zou, dat uit een japansch kamerschut waren gesneden en die speelden te midden van honden met korte pooten en gele katten zonder staart, welke zich traag tusschen de spelers bewogen en zich gaarne lieten liefkoozen.
In de straten heerschte eene woelige drukte, een bestendig verkeer; bonzen die in optocht voortschreden, op hunne eentonige tamboerijnen slaande. Yakounines, ambtenaren der douane of politie, met puntige verlakte hoeden, die in hun gordel twee sabels droegen, soldaten van den Taikoen, gekleed in blauw katoen met witte strepen en gewapend met percussie-geweren, wapenknechten van den Mikado, die in hun zijden buis als in een zak gesloten waren, met ringkragen en maliënkolders, en een aantal andere militairen van elken rang; want in Japan is de soldatenstand even geacht als hij veracht is in China. Voorts bedelmonniken, pelgrims in lange gewaden, eenvoudige burgers met gevlochten pikzwart haar, groot hoofd, lange borst, magere beenen en klein van gestalte, wier kleur afwisselt tusschen koperrood en mat wit, maar die nooit de kleur hebben der Chineezen, waarvan de Japanners geheel en al verschillen. Eindelijk, tusschen de rijtuigen, de palankijns, de paarden, de dragers, de kruiwagens met zeilen, de norimons met verlakte wanden, de mollige cangos, de draagstoelen van bamboe, zag men enkele vrouwen zich bewegen, met hare kleine schoentjes van lijnwaad, sandalen van stroo of klompjes van gesneden hout. Zij waren niet schoon, hare oogen smal, haar borst gedrukt, hare tanden volgens gebruik zwart gemaakt, maar zij droegen zeer bevallig het nationaal gewaad, de kirimon, eene soort van kamerjapon, waarover zich een zijden sjerp kruist, waarvan de breede gordel van achteren eindigt in een reusachtigen strik, dien de moderne europeesche dames schijnen ontleend te hebben aan hare japansche zusters.
En spoedig was hij vermomd in een ouden japanschen rok. Blz. 135.
Passepartout wandelde eenige uren door deze bonte menigte, nu en dan blijvende staan voor de merkwaardige en rijke winkels, waarin het japansche goud, in allerlei vormen verwerkt, ten toon lag gespreid; voor de restauratie met vlaggen en banieren, waarvan voor hem echter de toegang versperd was; voor de theehuizen Bladzijde 133waar volle koppen geschonken worden van dien geurigen warmen drank, alsmede saki, een drank van rijst gestookt en eindelijk voor net ingerichte tabagies, waar men eene zeer fijne soort van tabak Bladzijde 134rookt, maar geen opium, waarvan het gebruik in Japan schier onbekend is.
Voortgaande kwam Passepartout aan onmetelijke rijstvelden. Daar bloeiden, met bloesems die hunne laatste kleuren en geuren verspreidden, schitterende camelia's, niet aan struiken, maar aan boomen. Omheind door bamboes zag hij de kersen-, pruimen- en appelboomen, die de Japanners meer voor hunne bloemen dan voor hunne vruchten teelen, en die door vogelverschrikkers van allerlei vorm en geraasmakende molentjes beschermd werden tegen musschen, duiven, kraaien en andere roofdieren. Elke ceder strekte tot nest van groote arenden, elke treurwilg verborg onder haar lommer een reiger, die melancholisch op zijn eenen poot stond te mijmeren; overal zag hij raven, eenden, sperwers, wilde ganzen en een groot aantal kraanvogels, die door de Japanners met eerbied worden behandeld en voor hen het zinnebeeld zijn van een lang en gelukkig leven.
Zoo ronddolende, ontdekte Passepartout eenige viooltjes tusschen het groen.
“Daar zal ik mijn soupé mede moeten doen,” dacht hij, maar toen hij er aan rook, bemerkte hij dat zij geen geur hadden.
“Het loopt mij niet mee,” prevelde Passepartout.
Gelukkig had hij uit voorzorg, alvorens hij de Carnatic verliet, zich zoo te goed gedaan aan het ontbijt, dat hij een middagmaal had kunnen missen; maar na een ganschen dag geslenterd te hebben, begon zijn maag hem toch te kwellen. Wel was het hem niet ontgaan, dat hij voor de winkels van de inlandsche vleeschhouwers schapen, geiten en varkens zag, en daar hij wist dat het dooden van runderen als heiligschennis beschouwd werd, omdat deze dieren uitsluitend voor den landbouw worden gebezigd, had hij hieruit afgeleid, dat vleesch eene zeldzaamheid was in Japan.
Hij vergiste zich hierin niet, maar bij gebrek aan rundvleesch, zou hij zich zeer gaarne eens vergast hebben aan varkens- of hertenvleesch, patrijzen of kwartels of visch, hetgeen met de opbrengst der rijstvelden bijna uitsluitend het voedsel der Japanners uitmaakt. Maar hij moest zich in zijn lot schikken en de zorg voor het onderhoud van zijn lichaam tot den anderen dag uitstellen.
Het werd avond. Passepartout keerde naar de inlandsche stad terug en dwaalde te midden van veelkleurige lantarens. Hij bleef staan bij de straatkunstenaars, die ongeloofelijke toeren verrichtten en astrologen in de open lucht, die het volk om hunne kijkers verzamelden. Daarop keerde hij naar de kade terug en zag op de zee duizenden lichtjes van visschers, welke door het toortslicht de visschen lokten.
Eindelijk werden de straten ledig en hij ontmoette slechts den Bladzijde 135nachtwacht der Yakounines, die in hunne prachtige kleederen en te midden van hun gevolg, het voorkomen hadden van ambassadeurs. Zoo dikwijls Passepartout zulk een schitterenden stoet ontmoette, mompelde hij lachend bij zich zelven:
“Al weder een japansch gezantschap, dat naar Europa vertrekt.”
Waarin de neus van Passepartout aanmerkelijk grooter wordt.
Den anderen morgen was Passepartout afgemat en uitgehongerd, zoodat hij bij zich zelven dacht, dat hij hoe eerder hoe beter moest eten, het mocht kosten wat het wilde. Hij kon altijd zijn toevlucht nog tot zijn horloge nemen, maar hij hongerde liever dood dan dat hij dit zou verkoopen. Het kwam er nu meer dan ooit op aan om van de krachtige, maar niet liefelijke stem gebruik te maken, waarmede de natuur hem begiftigd had. Gelukkig herinnerde hij zich nog eenige fransche en engelsche liedjes en besloot hiermede de proef eens te nemen.
De Japanners, dacht hij, houden zeker veel van muziek, daar zij alles doen op het gebied van cymbalen, tam-tams, trommen, en een europeesche virtuoos zal hun dus zeer welkom zijn.
Maar misschien was het voor een concert nog te vroeg in den morgen en zouden de liefhebbers, onverwachts in hun slaap gestoord, ongetwijfeld aan den zanger niets geven, waarop het beeld van den Mikado was afgedrukt. Passepartout besloot dus nog eenige uren te wachten, maar al voortwandelende bedacht hij zich, dat hij toch voor een zwervenden zanger te goed gekleed was, en op eenmaal kwam het plan in hem op om zijne kleeding te verwisselen tegen een gewaad, dat beter met zijn toestand overeenkwam. Deze verandering moest hem natuurlijk nog eenig voordeel opleveren, waarmede hij dan terstond zijn honger kon stillen.
Toen hij dit besluit genomen had, behoefde hij het nog slechts ten uitvoer te brengen. Eerst na lang zoeken ontdekte Passepartout een inlandschen uitdrager, tot wien hij zijn verzoek richtte. Zijn europeesche jas beviel den uitdrager wel en spoedig was hij vermomd in een ouden japanschen rok en gedekt met een soort van verschoten tulband. Maar hij kreeg ook nog eenige geldstukken, welke in zijne zakken rammelden. Bladzijde 136
“Zie zoo,” dacht hij, “ik zal mij maar verbeelden dat het vastenavond is.”
Het eerste wat de “verjapanschte” Passepartout nu ging doen, was een onaanzienlijk theehuis binnen treden. Hij ontbeet daar met het overschotje van een vogel, maar at rijst zooveel hij verlangde, als een man voor wien het middagmaal nog een onuitgemaakte zaak was.
“Thans,” dacht hij, toen hij zijn honger een weinig gestild had, “is het maar zaak om mijn hoofd bij elkaar te houden. Ik heb nu geen gelegenheid meer om deze monnikspij tegen een nog meer japansch kleed te verwisselen en ik moet dus zorgen hoe eer hoe beter uit dit land der zon te komen, waarvan ik slechts een onaangename herinnering medeneem.”
Passepartout ging nu de mailbooten naar Amerika eens na. Hij besloot zich daar als kok of als knecht aan te bieden, niets tot loon vragende als overtocht en kost. Zoo hij maar eens te San Francisco was, dan zou hij ook wel verder komen. Het belangrijkste was voor het oogenblik maar om de vierduizend zevenhonderd mijlen van de Stille Zuidzee over te steken, welke Japan van de Nieuwe Wereld scheiden.
Passepartout was er de man niet naar om er gras over te laten groeien. Hij begaf zich dus terstond naar de haven van Yokohama. Maar hoe meer hij de dokken naderde, des te onuitvoerbaarder scheen hem zijn eenmaal opgevat voornemen. Waarom zou men aan boord van eene amerikaansche mailboot een kok of knecht noodig hebben, en hoe zou hij in zulk eene kleeding vertrouwen kunnen inboezemen? Op wien zou hij zich beroepen?
Toen hij zoo liep te peinzen, viel zijn oog op een groot aanplakbiljet, waarmede een soort clown door de straten liep. Dit biljet bevatte in het engelsch als volgt:
Het Japanneesche Acrobatische Gezelschap
van
William Batulcar.
Laatste voorstellingen,
vóór hun vertrek naar de Vereenigde Staten,
van
Long-noses-long-noses.
Onder rechtstreeksche hoede van den god Tingoe.
Zeer vermakelijk.
“De Vereenigde Staten van Amerika! Ziedaar juist wat ik hebben moet.”
Hij volgde den man met zijn biljet en kwam weldra weder in de japansche stad. Bladzijde 137
Gevolgd door Passepartout, die nog gevleugeld was. Blz. 142.
Een kwartier later hield hij stil voor eene groote loods, versierd met vele aanplakbiljetten, waarvan de randen wel perspectief, maar met schitterende kleuren een aantal kunstenmakers voorstelden. Bladzijde 138
Dit was het spel van Batulcar, een soort van amerikaanschen Barnum, directeur van een gezelschap kunstenmakers, goochelaars, clowns, acrobaten, koorddansers, athleten, welke, volgens het affiche, hunne laatste voorstellingen in het rijk der zon gaven, voor zij naar de Vereenigde Staten vertrokken.
Passepartout trad onder eene gaanderij vóór de hut en vroeg om den heer Batulcar te spreken. Batalcur verscheen in eigen persoon.
“Wat gij?” vroeg hij aan Passepartout, dien hij eerst voor een inboorling aanzag.
“Hebt gij ook een bediende noodig?” vroeg Passepartout.
“Een bediende,” riep de Barnum, zijn dichten grijzen baard strijkende, “ik heb er twee, die mij trouw en eerlijk dienen en die geen loon krijgen, op voorwaarde dat ik hun den kost geef. Zie, hier zijn ze,” voegde hij er bij, op zijn twee krachtige armen wijzende, met aderen zoo dik als de snaren van een contra-bas.
“Dus kan ik u niet van dienst zijn?”
“In niets.”
“Sakkerloot, ik zou toch gaarne met u vertrekken.”
“O, zoo,” zeide Batulcar, “gij zijt een Japanner zooals ik een aap ben! Waarom hebt ge u dan zoo gekleed?”
“Men kleedt zich zooals men kan.”
“Dat is waar. Gij zijt een Franschman?”
“Ja, een Parijzenaar uit Parijs.”
“Wel, dan kunt ge ook zeker wel grappen maken?”
“Och”, antwoordde Passepartout, wien het een weinig hinderde dat zijne nationaliteit zoo beschimpt werd, “och, wij Franschen kunnen wel grappen maken, maar toch niet beter dan de Amerikanen.”
“Juist. Zoo ik u niet als knecht kan nemen, kan ik je toch wel voor clown gebruiken. Gij begrijpt, vriendlief, in Frankrijk vertoont men vreemde paljassen en in vreemde landen heeft men gaarne fransche paljassen.”
“Dat is zoo.”
“Zijt gij bovendien nog al sterk?”
“Ja, vooral als ik gegeten heb.”
“En kunt ge zingen?”
“Zeker,” antwoordde Passepartout, die vroeger wel eens met straatmuzikanten had medegezongen.
“Maar kunt gij zingen met het hoofd naar beneden, met een draaiende tol op uw linker voetzool en een sabel in evenwicht op uw rechter?”
“Gemakkelijk!” riep Passepartout, die zich de eerste oefeningen uit zijn jeugd nog herinnerde.
“Daar komt alles op aan,” antwoordde Batulcar en de overeenkomst werd op staanden voet gesloten.
Eindelijk had Passepartout dan toch eene betrekking gevonden. Bladzijde 139Hij was gehuurd om alles te doen in dit beroemde japansche gezelschap. Het was weinig vereerend, maar binnen acht dagen zou hij op weg naar San-Francisco zijn.
De voorstelling, welke Batulcar met groot marktgeschreeuw had aangekondigd, zou ten drie ure beginnen en spoedig hoorde men de geduchte instrumenten van het japansch orkest; de trommen en tam-tams maakten een oorverdoovend geraas voor de deur. Men kan licht denken, dat Passepartout zijne rol nog niet bestudeerd had, maar hij behoefde vooreerst slechts zijne krachtige schouders tot steun te geven om de menschelijke pyramide te helpen vormen, uitgevoerd door de Long-noses onder den god Tingoe. Deze prachtige toer zou alle andere kunsten overtreffen.
Vóór drie uur was de geheele tent reeds bezet. Europeanen en inboorlingen, Chineezen en Japanners, mannen, vrouwen en kinderen, haastten zich om maar plaats te bekomen op de kleine bankjes of in de loges, welke recht tegenover het tooneel waren aangebracht. De muzikanten waren naar binnen gekomen en het orkest, ten volle compleet, begon met zijne vreeselijke instrumenten, zooals gongs, tam-tams, kleppers, fluiten, tamboerijnen en groote trommen te werken. Deze voorstelling was als alle acrobatische vertooningen. Maar men moet toch bekennen, dat de Japanners de eerste equilibristen der wereld zijn. Een, voorzien van zijn waaier en kleine stukjes papier, voerde zeer bevallig zijn toer met de kapellen en bloemen uit. Een ander wierp vlug met den geurigen rook van zijn pijp een aantal blauwachtige woorden in de lucht, welke dan een compliment aan de toeschouwers vormden. Gene goochelde met aangestoken kaarsen, die hij achtervolgens uitblies, wanneer zij voorbij zijne lippen kwamen en die hij, de eene na de andere, weder aanstak, zonder een oogenblik op te houden met jongleeren. Deze weer maakte met draaiende tollen de onmogelijkste bewegingen. Onder zijn hand schenen die brommende toestellen in hun eindelooze omwentelingen bezield te worden met een eigen leven, zij stonden op pijpen, op het scherp van een sabel, op ijzerdraad, op wezenlijke haartjes, welke van de eene zijde van het tooneel naar de andere gespannen waren; zij liepen om een groote kristallen vaas; zij bestegen een ladder van bamboes, verspreidden zich in alle hoeken en maakten eene welluidende muziek, van zeer vreemdsoortigen aard, door hare verschillende tonen te vermengen. De jongleurs jongleerden er mede, en zij draaiden zelfs in de lucht; zij wierpen ze als volants met houten raketten en toch draaiden zij maar door; zij staken ze in hunne zakken, en als zij ze er uit haalden, draaiden zij nog, tot op het oogenblik dat een veer lossprong en haar in vuurwerk deed verdwijnen.
Het is onnoodig de kunsten der acrobaten en athleten hier te Bladzijde 140beschrijven. De toeren met de ladder, den stok, de bal, de tonnen, werden allen met een groote juistheid uitgevoerd. Maar het mooiste van de voorstelling was de vertooning der Long-noses, verbazend geoefende balanceurs, welke in Europa nog niet bekend waren.
De Long-noses vormden een gezelschap dat onder de rechtstreeksche bescherming stond van den god Tingoe. Zij waren gekleed als helden uit de middeneeuwen, en aan hunne schouders waren prachtige vleugels bevestigd. Maar wat nog het meest de aandacht trok, was de lange neus, waarmede hun aangezicht versierd was en waarmede zij grootendeels hunne toeren verrichten. Deze neuzen bestonden uit niet meer of minder dan bamboes, welker lengte tusschen de vijf, zes a tien voeten bedroeg. Van den een was hij recht, van den ander gebogen, van genen weer glad, van een vierde hobbelig. Op dit uitstekende lichaamsdeel nu, dat zeer stevig bevestigd was, werden alle toeren van evenwicht verricht. Een dozijn van deze volgelingen van Tingoe legden zich op hun rug, en hunne makkers kwamen zich vermaken op hunne neuzen, die zoo recht als een kaars stonden, en voerden, al springende en voltigeerende van den een op den ander, de onmogelijkste toeren uit.
Ten slotte zou men de menschelijke pyramide nog geven, waarbij een vijftigtal Long-Noses de kar van Jagernaut zouden voorstellen. Maar in plaats dat zij voor deze pyramide hunne schouders tot steun gaven, moesten de artisten van Batulcar hunne neuzen er voor afstaan. Een van hen nu, welke juist het onderste gedeelte van den wagen moest uitmaken, had het gezelschap verlaten, en daar men nog behoefte had aan een krachtig, behendig man, was Passepartout voor hem in plaats genomen.
De arme knecht gevoelde zich zeker zeer ongelukkig, toen hij—droevige herinnering aan het verleden!—zijn prachtig midden-eeuwsch gewaad aantrok, versierd met veelkleurige vlerken en toen er een neus van zes voet op zijn aangezicht werd vastgezet. Maar deze neus was zijne broodwinning en hij onderwierp zich dus aan zijn lot. Passepartout trad op en nam plaats tusschen zijn collega's om de onderste laag van Jagernaut's wagen te helpen vormen. Allen wierpen zich op den grond met den neus naar omhoog. Een tweede rij balanceurs plaatste zich daarboven op, dan volgde eene derde en eindelijk eene vierde, en op deze neuzen, die elkaar slechts aan de punt raakten, vormde zich de menschelijke pyramide, die tot aan de balken reikte.
Het applaudisseeren werd al sterker en sterker en de muziek maakte een oorverdoovend geraas toen de pyramide eensklaps wankelde en allen het evenwicht verloren; een der onderste Bladzijde 141steunpunten der laag verdween onderuit en de geheele pyramide stortte als een kaartenhuis naar beneden.
Ging hij er bijna doorheen. Blz. 148.
Het was Passepartout, die zijn post verlaten had; hij klom zonder Bladzijde 142behulp van zijn vleugels, over de omheining, kwam in de rechter galerij en wierp zich voor de voeten van een der toeschouwers, met den uitroep:
“O, mijn meester! mijn meester!”
“Gij hier?”
“Ja, ik.”
“Welnu, laten wij dan spoedig naar de mailboot gaan.”
Fogg, Aouda, welke hem vergezelde, en Passepartout haastten zich door de smalle gangen en kwamen buiten de tent. Maar daar ontmoetten zij Batulcar, die woedend was en schadevergoeding eischte. Phileas Fogg stilde zijn toorn, door hem eenige banknoten toe te werpen. En ten half zeven scheepten zich Aouda en Fogg op de amerikaansche mailboot, gevolgd door Passepartout, die nog gevleugeld was en zijn neus van zes voet droeg, daar hij hem nog niet had kunnen afleggen.
Waarin de overtocht van de Stille Zuidzee eindelijk ten einde wordt gebracht.
Wat er in het gezicht van Shangaï gebeurd was, begrijpt men. De signalen, door de Tankadère gegeven, werden door de mailboot naar Yokohama bemerkt. Toen de kapitein de noodvlag geheschen zag, had hij naar den schoener koers gezet. Eenige oogenblikken later betaalde Phileas Fogg den overeengekomen prijs en gaf nog aan John Bunsby vijf honderd vijftig pond. Daarop waren de gentleman, Aouda en Fix aan boord van de stoomboot gegaan, welke terstond haar weg naar Yokohama vervolgde. Denzelfden morgen, 14 November, op het door het reglement vastgestelde uur, kwam zij te Yokohama aan. Fix ging zijne zaken regelen. Fogg begaf zich aan boord van de Carnatic en daar vernam hij, tot groot genoegen van Aouda en misschien ook tot zijn eigen genoegen—maar hij liet er niets van blijken—dat de Franschman Passepartout den vorigen avond reeds te Yokohama was aangekomen.
Phileas Fogg, die nog dezen avond naar San-Francisco vertrekken moest, ging terstond Passepartout opzoeken. Hij had zich reeds tot de engelsche en fransche consuls gewend, maar alles Bladzijde 143zonder gevolg, en na nog eenigen tijd te vergeefs de straten doorkruist te hebben, wanhoopte hij er aan Passepartout terug te vinden, toen hem het toeval, of liever zeker voorgevoel, de tent van Batulcar deed binnentreden. Hij had zeker zijn bediende niet onder diens zonderlinge vermomming herkend; maar deze in zijne liggende houding had zijn meester in de galerij opgemerkt. Hij kon een beweging niet weerhouden. Daardoor werd het evenwicht verbroken, en men weet wat er volgde.
Ziedaar wat Passepartout uit den mond zelven van mevrouw Aouda vernam, die hem den overtocht van Hong-Kong naar Yokohama vertelde, in gezelschap van een zekeren heer Fix, op den schoener de Tankadère.
Op den naam van Fix vertrok Passepartout zijn gelaat niet. Hij begreep, dat het oogenblik nog niet gekomen was om aan zijn meester te vertellen hetgeen tusschen hem en Fix had plaats gehad. Ook toen Passepartout zijne avonturen verhaalde, beschuldigde en verontschuldigde hij zich slechts over het gebruik van opium in een tabagie te Yokohama.
Fogg hoorde alles aan zonder hem in de rede te vallen; daarop gaf hij zijn bediende het noodige geld, om zich aan boord eenige betere kleederen aan te schaffen. En een uur later, toen de bediende zijn neus had afgelegd en zijne vleugels had geknipt, geleek hij niets meer op een der volgelingen van den god Tingoe.
De mailboot, welke de gemeenschap onderhoudt tusschen Yokohama en San-Francisco, behoort aan de Pacific Mail-Steam-Company, en heette General Grant. Het was een groote stoomboot, metende twee duizend vijf honderd ton, goed ingericht en zeer snelloopend. Een ontzaglijke zuiger rees en daalde onophoudelijk boven het dek; aan een der uiteinden was de stang van een zuiger; aan de andere die van een hefboom, die de loodrechte beweging in eene excentrische veranderde en op de as der raderen werkte. De General Grant was getuigd als driemast-schoener met een aanzienlijk zeilvermogen, waardoor de stoom krachtig werd ondersteund. Zij legde twaalf mijlen in het uur af; de mailboot had dus niet meer noodig dan een en twintig dagen om de Stille Zuidzee over te steken. Phileas Fogg kon alzoo rekenen op den 2en December te San-Francisco te zijn, den l0en te New-York en den 20en te Londen. Hij won zoodoende nog eenige uren op den uitersten dag, die den 21en December zou aanbreken.
Er waren een aantal passagiers aan boord; Engelschen, Amerikanen, eene ware landverhuizing van koelies naar Amerika, en eenige officieren in dienst van het indische leger, die van hun verlof gebruik maakten om een reis om de wereld te doen. Gedurende dezen overtocht had er niets merkwaardigs plaats. De mailboot, voorgestuwd door hare groote raderen en bijgestaan Bladzijde 144door haar zeilvermogen, schommelde weinig. De Stille Zuidzee rechtvaardigt tamelijk wel haar naam. Fogg was ook zeer kalm, en, zooals gewoonlijk, weinig spraakzaam. De jonge vrouw voelde zich al meer en meer aan hem gehecht, nog door andere banden dan die der erkentelijkheid. Deze kalme natuur, altijd zich zelve meester, boeide haar meer dan zij zelve wel wist en het was schier buiten haar weten dat zich een gevoel van haar meester maakte, waarvan de ondoordringbare Fogg intusschen niet den minsten invloed ondervond. Bovendien stelde Aouda in de plannen van den gentleman veel belang en zij was zeer bezorgd dat er eenig voorval mocht plaats grijpen, waardoor de reis van den gentleman kon vertraagd worden.
Dikwijls sprak zij er met Passepartout over, die zeer goed begreep wat er in het hart van de dame omging. De goede knecht had voor den Brit een onbegrensden eerbied, hij kon niet genoeg spreken over zijns meesters edelmoedigheid, eerlijkheid en genegenheid. Altijd stelde hij Aouda gerust omtrent den goeden uitslag der reis, bij herhaling verzekerende, dat het moeielijkste reeds voorbij was, daar men de minder bereisde landen van China en Japan achter den rug had en nu weder op meer bekend grondgebied kwam, en dat eindelijk een trein van San-Francisco naar New-York en een transatlantische boot van New-York naar Londen zonder twijfel voldoende zouden zijn om deze onmogelijke reis om de wereld binnen den overeengekomen tijd te volbrengen.
Negen dagen na het verlaten van Yokohama, had Phileas Fogg precies de helft der aarde omgereisd. Werkelijk was de General Grant den 23en November den honderd tachtigsten meridiaan gepasseerd, waarin, op het zuidelijk halfrond, de Londensche tegenvoeters wonen. Van de tachtig dagen, die tot Fogg's beschikking waren gesteld, had hij er twee en vijftig gebruikt; er bleven hem dus nog maar acht en twintig over. Maar men moet in aanmerking nemen dat, zoo deze gentleman de helft van zijn weg reeds had afgelegd, dat is de helft der meridianen, hij in werkelijkheid meer dan twee derden van de geheele reis had volbracht. Welke gedwongen omwegen toch moet men maken, om van Londen naar Aden, van Aden naar Bombay, van Calcutta naar Singapore, en van Singapore naar Yokohama te komen! Als hij de vijftigste paralel gevolgd had—dat is die, welke over Londen loopt—zou de afstand slechts ongeveer twaalf duizend mijlen geweest zijn, maar nu was Phileas Fogg genoodzaakt geweest, dank zij de middelen van vervoer, om zes en twintig duizend mijlen af te leggen, waarvan hij ongeveer zeventien duizend vijf honderd op den 23en November achter den rug had. Maar nu had men met geen omwegen meer te maken, en was Fix er gelukkig niet meer om den eenen hinderpaal na den anderen in den weg te leggen. Bladzijde 145
Zoo Fix niet uit zelfopoffering den vuistslag had opgevangen. Blz. 154.
Passepartout was op den 23sten November zeer in zijn schik. Men herinnert zich dat hij eigenzinnig genoeg was geweest, om zijn horloge niet te verzetten, en beweerd had, dat alle klokken Bladzijde 146in de landen, welke hij doorreisd had, verkeerd liepen. Op dien dag nu, ging zijn horloge, ofschoon hij het noch vóór- noch achteruit gezet had, volkomen gelijk met de klokken aan boord.
Dat Passepartout zegevierde, begrijpt men zeer goed; maar hij zou wel eens willen weten, wat Fix, als hij er was, zou gezegd hebben.
“Die schurk, welke mij een menigte dingen vertelde over de meridianen, de zon en de maan!” sprak Passepartout bij zich zelven. “Ha, ha! zoo men naar die lui eens hoorde, wat zou men mooie horloges kunnen maken. Ik was er wel zeker van dat den een of anderen dag de zon zich naar mijn horloge zou regelen.”
Maar Passepartout wist niet, dat, zoo de wijzerplaat van zijn uurwerk ingericht ware geweest op italiaansche wijze, namelijk in vier en twintig uren verdeeld, hij volstrekt geene reden zou hebben om zich zelven geluk te wenschen, want als de wijzers van zijn horloge op negen uur 's morgens stonden, zou men op deze negen uur 's avonds hebben, dat is te zeggen het een en twintigste uur na middernacht, dus het juiste verschil, dat er tusschen Londen en den honderdtachtigsten meridiaan bestaat.
Maar al had Fix hem dit zeer duidelijk kunnen uitleggen, dan ware Passepartout toch niet in staat geweest om het te begrijpen, of ten minste om het te willen begrijpen. En, in elk geval, zoo—wat ondenkbaar was—de inspecteur plotseling te voorschijn ware gekomen, zou Passepartout, die natuurlijk nog eenigen wrok tegen hem koesterde, een geheel ander voorwerp met hem behandeld hebben.
Waar was Fix op dat oogenblik?....
Fix was aan boord van de General Grant.
Toen namelijk de inspecteur te Yokohama was aangekomen en Fogg verlaten had, dien hij in den loop van den dag weder hoopte terug te vinden, had hij zich terstond naar den engelschen consul begeven. Daar had hij eindelijk het mandaat gevonden, hetwelk hem reeds van Bombay af volgde: en dus al veertig dagen oud was; dit bevel tot inhechtenisneming was te Hong-Kong met de Carnatic afgezonden, waarop men meende dat hij zich bevond. Men kan dus denken hoe groot de teleurstelling van den inspecteur was. Het bevel had nu geen waarde meer! Fogg had het engelsche grondgebied verlaten! Er was thans een akte van uitlevering noodig, om hem te kunnen arresteeren.
“Goed!” dacht Fix, toen hij weder tot kalmte was gekomen. “Mijn mandaat kan hier niet meer dienen, maar dan toch wel weder in Engeland. Deze schelm schijnt alle plan te hebben om weder in Engeland terug te keeren, nadat hij de politie van het spoor heeft geleid. Welnu, ik zal hem daarheen volgen! Wat het geld betreft, de hemel geve, dat er nog wat mag overschieten. Bladzijde 147Maar hij heeft reeds voor reiskosten, premiën, processen, boeten, olifanten en allerlei andere onkosten meer dan vijf duizend pond uitgegeven. Maar wat doet er toe? de bank is rijk!”
Dit overlegd hebbende, begaf hij zich op de General Grant. Hij was reeds aan boord, toen Fogg en Aouda daar aankwamen. Tot zijne groote verwondering, herkende hij Passepartout in zijn heldencostuum. Hij verborg zich terstond in zijne hut, om alle mogelijke verklaringen te ontloopen, die zijne plannen soms mochten schaden, en dank zij het aantal passagiers, welke zich aan boord bevonden, rekende hij er op van zijn vijand ontslagen te zijn, toen hij hem op dien morgen op het voordek juist onder de oogen kwam. Passepartout greep hem bij de keel, zonder eenige opheldering, tot groot genoegen van eenige Amerikanen, die terstond voor hem eene weddenschap aangingen; hij gaf den ongelukkige een geducht pak slaag, hetwelk de voortreffelijkheid van het fransche boven het engelsche boksen ten volle bewees. Toen Passepartout dit gedaan had, gevoelde hij zich veel kalmer en rustiger. Fix richtte zich op in niet zeer benijdenswaardigen toestand, keek zijn tegenpartij eens aan, en vroeg op kalmen toon:
“Is het klaar?”
“Ja, voor het oogenblik.”
“Dan heb ik je wat te zeggen.”
“Dat ik....”
“In het belang van uw meester.”
De koelbloedigheid van den inspecteur maakte zulk een indruk op Passepartout, dat hij dezen naar het voordek volgde.
“Gij hebt mij afgeranseld,” zeide Fix: “goed, ik was er op voorbereid. Maar luister nu ook naar mij. Tot nog toe was ik Fogg's tegenstander, maar nu verlang ik hem in alles te helpen.”
“Dus dan gelooft gij toch eindelijk dat hij een eerlijk man is?”
“Neen,” antwoordde Fix kalm, “ik geloof nog dat hij een schelm is.... Stil, val mij niet in de rede. Zoolang Fogg op engelsch grondgebied was, had ik er belang bij hem terug te houden om het bevel tot inhechtenisneming te kunnen bekomen. Ik heb mijn best daarvoor gedaan. Ik heb de priesters van Bombay op hem afgestuurd, ik heb u te Hong-Kong dronken gemaakt, ik heb u van uw meester zoeken te scheiden, ik heb hem de mailboot te Yokohama doen misloopen....”
Passepartout luisterde met gebalde vuisten.
“Fogg schijnt nu weder naar Engeland terug te keeren,” vervolgde Fix. “Het zij zoo! Ik zal hem tot daar volgen. Maar voortaan zal ik trachten alle zwarigheden uit den weg te ruimen, zooals ik die vroeger zocht op te werpen. Gij ziet, mijn rol is veranderd en zij is veranderd omdat mijn belang het medebrengt. Ik voeg er bij, dat uw belang hetzelfde is als het mijne, want Bladzijde 148het is eerst in Engeland dat gij weten zult of gij in dienst zijt van een dief of van een eerlijk man.”
Passepartout had zeer goed geluisterd en hij was overtuigd, dar Fix ter goeder trouw sprak.
“Wij zijn dus goede vrienden?” vroeg Fix.
“Vrienden niet,” zeide Passepartout, “maar wel bondgenooten, en voorwaardelijk, want bij het minste verraad, draai ik je den nek om.”
“Dat is goed,” antwoordde de inspecteur kalm.
Elf dagen na den 3den December liep de General Grant de haven Porto-d'Oro binnen en kwam zij te San-Francisco aan.
Fogg had geen dag verloren noch gewonnen.
Waarin men een klein idee van San-Francisco bekomt, op een dag dat er eene meeting plaats heeft.
Het was zeven uur 's morgens, toen Fogg, Aouda en Passepartout den voet op amerikaansch grondgebied zetten—zoo men althans dezen naam mag geven aan de drijvende kade, waarop zij landden. Deze kade daalde en rees met eb en vloed, en bracht zoodoende veel bij om het laden en ontladen der schepen gemakkelijker te maken. Daar liggen een aantal klipperschepen van allerlei afmeting, stoombooten van alle landen, en daaronder de stoombooten met verschillende verdiepingen, welke dienst doen op de Sacramento en daarin uitloopende stroomen. Daar zijn de magazijnen van alle voortbrengselen van den handel, die zich uitstrekt over Mexiko, Peru, Chili, Brazilië, Europa, Azië en alle eilanden der Stille Zuidzee.
Passepartout voelde zich zoo gelukkig toen hij eindelijk den amerikaanschen bodem bereikte, dat hij een saut périlleux van bewonderenswaardige kracht maakte, ten teeken van zijne blijdschap.
Maar toen hij op de kade terecht kwam, waarvan de planken vermolmd waren, ging hij er bijna doorheen.
Onthutst over de manier, waarop hij voet aan wal had gezet, gaf de arme kerel een verschrikkelijken gil, die een aantal waterraven en pelikanen deed opvliegen, welke gewoonlijk op de beweegbare kade hunne nesten maakten.
De lakens waren helder wit. Blz. 159.
Fogg was nu ook aan wal gekomen en ging terstond onderzoeken Bladzijde 149hoe laat de eerste trein naar New-York vertrok. Eerst ten zes ure 's avonds. Hij kon dus den geheelen dag doorbrengen in de hoofdstad van Californië. Hij bestelde een rijtuig voor Aouda en Bladzijde 150voor zich zelven. Passepartout plaatste zich op den bok en het rijtuig, dat drie dollars per rit kostte, reed naar het International Hotel.
Passepartout kon van zijne hooge zitplaats alle bijzonderheden van deze groote amerikaansche stad opnemen: breede straten, lage, maar allen in rijen geschaarde huizen, kerken en tempels, allen in gothisch anglo-saxischen stijl gebouwd, onmetelijke dokken, entrepôts zoo groot als paleizen, sommigen van hout, anderen van steen. In de straten wemelde het van rijtuigen, omnibussen, tramways, en op de trottoirs versperden niet alleen Amerikanen elkander den weg, maar ook Europeanen, Chineezen, en Indiërs—in één woord er waren genoeg menschen om eene bevolking van meer dan tweemaal honderd duizend inwoners eer aan te doen. Passepartout was over alles wat hij zag zeer verbaasd. Hij had zich nog altijd de stad van 1849 voorgesteld, de stad der roovers, brandstichters en moordenaars, die waren afgekomen op de ontdekte goudmijnen, naar dat onmetelijke pelgrimsoord voor allen, die niets in de wereld te verliezen hebben, waar men met goudpoeder speelde, met een revolver in de eene hand en een mes in de andere. Die goede tijd echter was voorbij. San-Francisco heeft geheel het voorkomen van eene handeldrijvende stad. De hooge toren van het stadhuis, bestemd om alle wijken te bespieden en te beheerschen, strekte tot verblijfplaats van wachters, die den blik lieten gaan over deze menigte van straten en avenues, zich verdeelend in rechte hoeken tusschen welke een aantal lommerrijke pleinen zich vertoonen. In de nabijheid strekte zich een Chineesche stad uit, die zoo mooi was, alsof zij zoo pas uit het Hemelsche Rijk in een speelgoeddoos was overgebracht. Geen sombrero's, geen roode hemden, geen Indianen met veeren, maar zijden hoeden en zwarte rokken door heeren gedragen, welke allen even groote haast hadden. Eenige straten, zooals Montgommery-street, de Regent-street van Londen, de Boulevard des Italiens van Parijs, de Broadway van New-York, waren versierd met prachtige winkels, die alle voortbrengselen, welke de wereld oplevert, ten toon spreidden.
Toen Passepartout het International Hotel binnentrad scheen het hem toe of hij Engeland niet had verlaten. De rez-de-chaussée werd ingenomen door een groote bar, eene soort van buffet waar elke voorbijganger gratis iets kon gebruiken. Gedroogd vleesch, oestersoep, beschuit en kaas, werden er verkocht zonder dat de gebruiker er ooit zijn beurs voor uit den zak behoefde te halen. Hij betaalde slechts hetgeen hij dronk, als porto, ale of sherry, zoo hij lust had zich te verfrisschen. Dit vond Passepartout echt amerikaansch. De restauratie van het hotel was zeer goed. Fogg en Aouda zetten zich aan tafel en werden in schotels, waarschijnlijk afkomstig uit Lilliput, door pikzwarte negers bediend. Bladzijde 151
Na dit ontbijt begaf Fogg zich, vergezeld van Aouda; naar het bureel van den engelschen consul om daar zijn paspoort te laten viseeren. Op de stoep vond hij zijn bediende, die hem vroeg of het niet voorzichtig zou zijn, vóór zij met den zuider-spoorweg vertrokken, een dozijn Enfield-karabijnen of Colt-revolvers op te doen. Passepartout had gehoord van Sioux en Pawnies, die, evenals de spaansche roovers, de treinen aanhielden. Fogg antwoordde, dat dit eene noodelooze voorzorg zou zijn, maar hij liet hem vrij om hierin te handelen zooals hij zelf goeddacht. Daarop vervolgde hij zijn weg naar den engelschen consul.
Phileas Fogg had nauwelijks tweehonderd schreden gedaan, of heel toevallig ontmoette hij Fix. De inspecteur toonde zich zeer verwonderd. Fogg en hij hadden te zamen den tocht over de Stille Zuidzee gemaakt, zonder elkander slechts eene enkele maal te ontmoeten. In elk geval was Fix zeer vereerd den gentleman weder te zien, aan wien hij zooveel te danken had, en daar zijn zaken hem naar Europa terugriepen, zou hij zich in de hoogste mate gelukkig achten zijne reis in zulk aangenaam gezelschap te vervolgen.
Fogg antwoordde, dat de eer geheel aan hem zou zijn en Fix—die er prijs op stelde hem niet uit het oog te verliezen—vroeg of hij met hem de merkwaardige stad San-Francisco mocht bezoeken. Dit werd hem toegestaan.
Dit had ten gevolge dat Aouda, Fix en Fogg door de straten slenterden. Zij bevonden zich weldra in Montgommery-street, waar ontzaglijk veel menschen waren. Op de trottoirs, op den rijweg, tusschen de rails der tramways, niettegenstaande het onophoudelijk gerij der wagens en omnibussen, op de drempels der winkels, uit de vensters van alle huizen, ja zelfs op de daken was eene ontelbare menigte te zien. Mannen met biljetten liepen tusschen deze groepen door. Vlaggen en wimpels wapperden in den wind. Men hoorde van alle kanten een vreeselijk geschreeuw.
“Hoezee voor Kamerfield!”
“Hoezee voor Mandiboy!”
Het was eene meeting. Zoo dacht Fix ten minste, en hij deelde zijne gedachte aan Fogg mede, er bijvoegende:
“Zouden wij niet beter doen ons niet tusschen dit gedrang te begeven, mijnheer? wij zullen er slechts gevaar loopen vuistslagen op te doen.”
“Inderdaad,” zeide Fogg, “en de vuistslagen, al zijn het ook politieke, zijn en blijven toch vuistslagen.”
Fix meende om deze opmerking te moeten lachen, en ten einde te zien, zonder tusschen het gedrang te geraken, namen Aouda Fogg en hij plaats op de bovenste trede van een trap, die naar Bladzijde 152het terras leidde, dat naast de Montgommery-street lag. Voor hen, aan de andere zijde der straat, tusschen een kolenmagazijn en een petroleumpakhuis, zag men een groot bureel, in de open lucht opgeslagen, waarheen de verschillende menschenstroomen zich richtten.
Waartoe strekte deze meeting? Voor welke gelegenheid werd zij gehouden? Phileas Fogg wist het volstrekt niet. Gold het de verkiezing van een burgerlijk of een militair ambtenaar, van een gouverneur of van een lid van het Congres? Deze gissing was veroorloofd met het oog op de buitengewone geestdrift, die de geheele stad bezielde.
Op dit oogenblik had er eene vreeselijke opschudding plaats. Alle handen werden omhoog gestoken. Eenigen, die goed gesloten waren, schenen snel op en neer te gaan te midden van allerlei kreten—zonder twijfel een krachtige manier om zijne stem uit te brengen. Nu en dan werd de menigte opgestuwd. De banieren slingerden, verdwenen nu eens en kwamen dan weder in flarden gescheurd te voorschijn. De golvingen der menigte strekten zich uit tot aan de trap, terwijl alle hoofden zich op de oppervlakte bewogen als een zee, welke plotseling door een stormwind onstuimig was geworden. Het getal der zwarte hoeden verminderde zichtbaar en de meesten schenen hunne gewone hoogte verloren te hebben.
“Het is blijkbaar eene meeting,” zeide Fix, “en het punt in quaestie moet van overwegend gewicht zijn. Het zou mij niet verwonderen als er sprake was van de Alabama-quaestie, niettegenstaande deze reeds lang is beslist.”
“Misschien,” antwoordde Fogg kalm.
“In elk geval,” hernam Fix, “twee kampioenen staan tegenover elkander: Kamerfield en Mandiboy.”
Aouda, die Fogg een arm had gegeven, keek met verbazing naar dit woelige tooneel, en Fix wilde juist aan zijn buurman de oorzaak van deze opgewondenheid vragen, toen eene krachtige beweging zich openbaarde. Het hoezee roepen ging van vuistslagen vergezeld en werd al sterker en sterker. De stokken der vlaggen werden als waaiers gebruikt. Nergens zag men handen meer, maar overal vuisten. Van boven de rijtuigen, die stil stonden, en de omnibussen, welke in hun loop gestuit werden, deelde men elkander duchtige slagen toe. Alles diende tot werptuig. Schoenen en laarzen beschreven lange banen, en het scheen zelfs, dat te midden van de scheldwoorden der menigte, eenige revolvers hunne vader-landlievende tonen deden hooren.
De woelige menigte naderde al meer en meer de trap en besteeg de onderste treden. Een der partijen werd blijkbaar terug gedrongen, zonder dat de eenvoudige toeschouwers bemerken Bladzijde 153konden of Mandiboy dan wel Kamerfield de overhand behaald had.