Versperden tien- à twaalfduizend bisons den weg. Blz. 160.
“Ik geloof dat het veiliger zou zijn, als wij hier vandaan gingen,” zeide Fix, die niet gaarne gezien had dat Fogg misschien in Bladzijde 154een moeielijke zaak werd gewikkeld.—“Zoo er in dit alles quaestie is van Engeland, en men ons soms herkent, dan zouden wij tusschen die menigte niet licht een uitweg kunnen vinden.”
“Een engelsch burger....” antwoordde Fogg.
Maar de gentleman kon zijn volzin niet voleinden. Van het terras dat achter hem was hoorde hij roepen: “Hoezee! hoezee! hoezee! hip hip! hoezee! voor Mandiboy!” Het waren eenige kiezers, die nog ter hulp snelden, en de voorstanders van Kamerfield in de flank aantastten. Fogg, Aouda en Fix bevonden zich tusschen twee vuren. Het was te laat om te ontsnappen. Die vloed van menschen, gewapend met stokken met looden knoppen, was niet te weerstaan. Fogg en Fix, die Aouda trachtten te beveiligen, werden geducht gestompt. Fogg, die als altijd zeer kalm bleef, wilde zich verdedigen met de wapens, waarmede de natuur hem begiftigd had en die, zooals bij elken Engelschman, aan het uiteinde der armen bevestigd zijn. Maar het was te vergeefs. Een ontzaglijk groote kerel met rooden baard, bruine gelaatskleur, breed geschouderd, en die de hoofdman der troep scheen, richtte zijne vuisten naar Fogg, en zonder twijfel zou hij den gentleman op verschrikkelijke wijze hebben toegetakeld, zoo Fix niet uit zelfopoffering den vuistslag had opgevangen. Een groote buil kwam oogenblikkelijk te voorschijn onder den zijden hoed van den detective welke in een pet veranderd was.
“Yankee!” zeide Fogg, een verachtelijken blik op zijn tegenpartij werpende.
“Engelschman!” antwoordde de ander.
“Wij zullen elkaar weervinden!”
“Wanneer het u goeddunkt. Uw naam?”
“Phileas Fogg; en de uwe?”
“Kolonel Stamp Proctor.”
Daarop trok de menigte voorbij. Fix, die nog op den grond lag, richtte zich op, met gescheurde kleederen, maar zonder een ernstige wond bekomen te hebben. Zijn reisjas was in twee ongelijke stukken verdeeld en zijn pantalon geleek op die onderbroeken, welke sommige Indiërs—ter wille van de mode,—niet aantrekken, vóór zij er eerst een gedeelte van weg gesneden hebben. Maar het voornaamste was dat Aouda gespaard was gebleven en Fix slechts één vuistslag had opgedaan.
“Ik ben u recht dankbaar,” zeide Fogg tot den inspecteur, toen zij uit het gedrang waren.
“Het is de moeite niet waard om er over te spreken,” antwoordde Fix, “maar ga nu mede.”
“Waarheen?”
“Naar een kleedermaker.”
En waarlijk dit bezoek was niet overbodig. De kleederen van Bladzijde 155Fogg en Fix waren geheel in flarden gescheurd, alsof deze twee gentlemen elkander voor Kamerfield en Mandiboy eens afgeranseld hadden. Een uur later, toen zij weer goed gekleed en gekapt waren, keerden zij naar het International Hotel terug. Daar wachtte Passepartout reeds zijn meester met een half dozijn dolken en revolvers met zes loopen. Toen hij Fix in gezelschap van Fogg bemerkte, fronste hij zijne wenkbrauwen. Maar Aouda vertelde in weinige woorden het voorgevallene en Passepartout werd nu weder kalm. Fix was blijkbaar geen vijand meer, maar een bondgenoot. Hij hield zijn woord.
Toen het diner geëindigd was, kwam er een rijtuig voor, dat de reizigers en hunne koffers naar den trein zou brengen. Toen Fogg in het rijtuig zou stappen, vroeg hij aan Fix:
“Hebt gij kolonel Proctor niet meer gezien?”
“Neen,” antwoordde Fix.
“Ik zal naar Amerika terugkeeren, om hem daar dan te ontmoeten,” hernam Fogg kalm. “Het is niet goed, dat een engelsch burger zich op zulk een wijze laat bejegenen.”
De inspecteur glimlachte, maar zeide niets. Men ziet dat Fogg tot dat slag van Engelschen behoort, die, zoo een duel bij hen al niet inheemsch is, in den vreemde toch vechten, wanneer hunne eer er mede gemoeid is.
Om kwart voor zessen bereikten de reizigers het station en vonden een trein gereed om te vertrekken.
Op het oogenblik dat Fogg in zou stijgen, wendde hij zich tot een conducteur, en naar hem toe gaande, zeide hij:
“Vriend, is er van daag niet een oproer te San-Francisco geweest?”
“Neen, mijnheer,” antwoordde de conducteur. “Er had een meeting plaats voor de verkiezing.”
“De verkiezing van den opperbevelhebber van het leger ongetwijfeld?” vroeg Fogg.
“Neen mijnheer,—van een vrederechter.”
Na dit antwoord stapte Fogg in den waggon en vertrok de trein. Bladzijde 156
Waarin men in een expres-trein van den Stille Zuidzee-spoorweg eene reis maakt.
—Van Oceaan tot Oceaan—zeggen de Amerikanen en deze vier woorden maken de algemeene benaming uit voor den grooten trunk, dien spoorweg, welke de Vereenigde Staten van Amerika in hunne grootste breedte doorsnijdt. Maar in werkelijkheid verdeelt de Stille Zuidzee-spoorweg zich in twee hoofddeelen: de Central-Pacific, welke van San-Francisco tot Ogden loopt en de Union Pacific tusschen Ogden en Omaha. Daar komen weder vijf lijnen bijeen, die Omaha in voortdurende verbinding brengen met New-York.
New-York en San-Francisco zijn dus verbonden door eene nergens afgebroken ijzeren lijn, welke niet minder dan drie duizend zeven honderd zes en tachtig mijlen lang is. Tusschen Omaha en de Stille Zuidzee doorsnijdt de spoorweg nog een land, dat gedeeltelijk bewoond is door Indianen en wilden—eene groote uitgestrektheid grond, die de Mormonen in 1845 zijn begonnen te koloniseeren, nadat zij door de inwoners van Illinois waren verjaagd.
Vroeger had men in de gunstigste omstandigheden zes maanden noodig om van New-York naar San-Francisco te komen. Nu doet men de reis in zeven dagen.
Het was in 1862, ondanks de tegenkantingen der zuidelijke vertegenwoordigers, welke een zuidelijker lijn wilden hebben, dat deze spoorweg tusschen de een en veertigste en twee en veertigste parallel aangelegd werd. President Lincoln, die nog altijd betreurd wordt, bevestigde zelf in den straat Nebraska, nabij de stad Ohama, de eerste rail van het nieuwe net. Terstond nam het werk een aanvang en er werd voortgearbeid met amerikaanschen ijver, die niet belemmerd wordt door administratieven omslag. De vlugheid van het werk mocht in geene deele schade doen aan de goede voltooiing van den spoorweg. In de prairiën vorderde men anderhalve mijl daags. Een locomotief, die op de rails van den vorigen dag reed, bracht de rails voor den volgenden dag, en liep er over heen naarmate zij gelegd waren.
En gij mijn getrouwe.... Bladz. 165.
De Pacific-rail-road heeft nog vele zijtakken, in de Staten Iowa, Kansas, Colorado en Oregon. Als hij Omaha verlaat, volgt hij den linker oever der Platte-rivier tot aan den mond van den noordelijken tak, loopt dan langs den zuidelijken arm, doorsnijdt het Bladzijde 157grondgebied van Laramie en de bergen Wahsatch, buigt zich dan om het zoutmeer, komt te Salt-Lake-City, de hoofdstad der Mormonen, doorsnijdt vervolgens het Tuilladal, loopt door de amerikaansche Bladzijde 158woestijn, over de Cedar- en Humboldtbergen, langs de Humboldt-rivier en over de Sierra-Nevada, daalt dan weder naar de Sacramento tot aan de Stille Zuidzee zonder dat de helling op eenig punt veertig el per mijl te boven gaat, zelfs niet in het Rotsgebergte.
Dit is de groote slagader, dien de trein in zeven dagen aflegt en die Phileas Fogg zou in staat stellen—hij hoopte het ten minste—om den 11en te New-York de mailboot naar Liverpool te bereiken. De waggon, waarin Phileas Fogg plaats had genomen, was een soort van omnibus, die op twee onderstellen rustte, elk op vier wielen, door welke inrichting de kleinste bochten konden worden gemaakt. Het rijtuig was niet in afdeelingen verdeeld: twee rijen zitplaatsen waren aan beide kanten recht op de assen en daar tusschen was een open ruimte gehouden, die naar de kleedkamers en andere kabinetten geleidde, waarvan iedere waggon voorzien was. Over de geheele lengte van den trein stonden de waggons met elkander in verbinding door losse bruggen, waarmede de reizigers van het eene uiteinde naar het andere konden komen. Op die wijze kwamen zij in de salon-wagens, de terras-wagens, de restauratie-wagens en de koffiehuis-wagens. Slechts een schouwburg-wagen ontbreekt, maar ook deze zal eenmaal komen. Door de verschillende rijtuigen liepen voortdurend de boek- en courantenverkoopers, die onderweg hunne koopwaar aanboden, als ook de slijters van sterke dranken, eetwaren en sigaren, waarvoor het niet aan koopers ontbrak.
De reizigers hadden het station van Oakland ten zes ure des avonds verlaten. Het was reeds nacht, een kille, sombere nacht, met een donkeren hemel, waarvan de wolken dreigden zich in sneeuw te ontlasten.
De trein ging niet zeer snel. Het oponthoud er bij rekenende, legde hij niet meer dan twintig mijlen in het uur af, eene snelheid, die hem toch binnen den bepaalden tijd van het eene uiteinde der Vereenigde Staten naar het andere moest brengen. Men sprak weinig in den waggon. Bovendien vielen alle reizigers weldra in slaap. Passepartout was in de nabijheid van den inspecteur gezeten, maar hij sprak niet tot hem. Sedert de laatste gebeurtenissen was hunne vriendschap zeer verflauwd. Er bestond geen sympathie en geen vertrouwelijkheid meer. Fix was in zijn manier van zijn niets veranderd, maar Passepartout was uitermate terughoudend en gereed om bij de eerste gelegenheid de beste zijn voormaligen vriend te worgen.
Een uur na het vertrek van den trein begon het te sneeuwen—een fijne sneeuw, maar die den trein gelukkig in zijne vaart niet terughield. Men zag door de vensters niets anders dan sneeuwvelden, waarbij de rookwolken, die uit de locomotief vlogen, grijs schenen. Bladzijde 159
Ten acht uur kwam een steward den waggon binnen en zeide dat het rustuur aangebroken was. Deze waggon was een slaapwaggon en in weinige minuten was hij in een slaapvertrek veranderd; de ruggen der banken werden omgeslagen en door een zeer vernuftige vinding werden zij in slaapbanken herschapen. In weinige oogenblikken had ieder reiziger een zeer gemakkelijk bed tot zijne beschikking met dikke gordijnen, die tegen alle onbescheiden blikken beschermden. De lakens waren helder wit en de kussens zacht. Men had slechts te gaan liggen om in te slapen—hetgeen dan ook ieder deed, alsof hij zich in zijne gemakkelijke hut op eene mailboot bevond—en intusschen stoomde de trein met alle kracht door den staat Californië.
In dit gedeelte van het land, dat zich tusschen San-Francisco en Sacramento uitstrekt, is de grond niet zeer heuvelachtig. Uit gedeelte van den spoorweg is bekend onder den naam van Central-Pacific-road; het neemt eerst Sacramento tot uitgangspunt, richt zich vervolgens naar het oosten en de lijn, die van Omaha uitgaat, te gemoet. Van San-Francisco naar de hoofdstad van Californië loopt de lijn terstond naar het noordoosten, langs de kust van de Amerikaansche rivier, die zich in de golf van San-Pablo uitstort. De honderd twintig mijlen tusschen deze twee groote steden werden in drie uur afgelegd, en tegen negen uur, terwijl de reizigers nog in hun eersten slaap waren, reden zij Sacramento voorbij. Zij zagen dus niets van deze belangrijke stad, waar de wetgevende macht van Californië haar zetel heeft, noch hare prachtige kaden, noch hare breede straten, noch hare sierlijke hotels, noch hare squares, en hare tempels.
Toen de trein Sacramento verlaten en Junction, Roclin, Auburn en Colifax gepasseerd was, kwam hij in het dichtste gedeelte van de Sierra-Nevada. Het was negen uur 's morgens toen zij Cisco voorbij snelden. Een uur later was het slaapvertrek weder als een gewone waggon ingericht; en de reizigers konden door de raampjes het schilderachtige panorama zien van deze bergachtige landstreek. De spoorweg volgt geheel de bochten van den berg; hier is hij tegen de helling van de rots uitgehouwen; daar hangt hij over afgronden; de scherpe hoeken vermijdende door stoute krommingen, en zich in de engste kloven werpende, die men zou meenen dat geen uitweg aanboden. De blinkende locomotief met hare vurige lantarens, die een spookachtig licht verspreidden, hare zilveren klok, haar toestel om buffels te verdrijven, dat uitstak als een spoor, paarde haar schel gefluit en haar dreunend zuchten aan het bruisen der stortvloeden en watervallen en haar rook slingerde zich om het sombere loof der pijnboomen.
Weinig of geen tunnels en bruggen ontmoette men op den weg. De spoorweg boog zich om de bergen heen en trachtte niet Bladzijde 160door rechte lijnen den naasten weg van het eene punt naar het andere te vinden door de natuur geweld aan te doen.
Tegen negen uur bereikte men door het dal van Carson den Staat Nevada, altijd nog de noord-oostelijke richting volgende. Ten twaalf ure verliet men Reno, waar de reizigers twintig minuten tijd hadden om te ontbijten.
Van dat punt af ging de weg langs de Humboldt-rivier eenige mijlen noordwaarts. Toen boog hij zich een weinig naar het oosten en verliet den loop der rivier niet vóór hij de Humboldt-keten bereikt had, die haar oorsprong eerst neemt aan het oostelijk uiteinde van den Staat Nevada.
Nadat Fogg, Aouda en hun reisgezellen ontbeten hadden, keerden zij naar den waggon terug. Toen Phileas Fogg, de jonge vrouw, Fix en Passepartout weder op hun gemak waren gezeten, zagen zij naar het afwisselende landschap, dat zich voor hunne oogen ontrolde; onmetelijke prairiën, bergen, die zich tegen den horizon teekenden, rivieren, die hare schuimende golven voortduwden.
Somtijds zag men een groot aantal bisons, die, zich in de verte samenpakkende, het voorkomen hadden van beweegbare dijken. Die ontelbare legers van herkauwende dieren veroorzaken menigmaal onoverkomelijke hinderpalen voor het voortgaan der treinen. Men heeft dikwijls duizenden van deze dieren gezien, welke in dichte drommen uren achtereen over de rails trokken. De locomotief is dan genoodzaakt om stil te staan totdat de weg weder vrij is.
Ook bij deze gelegenheid had dit plaats. Tegen drie uren 's nachts versperde een kudde, bestaande uit tien à twaalf duizend van deze dieren, den weg. De locomotief beproefde, nadat zij hare snelheid reeds aanmerkelijk had verminderd, hare spoor in de flank der ontzaglijke colonne te drukken, maar eindelijk moest zij toch stilstaan voor de ondoordringbare massa.
Men zag duidelijk deze herkauwende dieren, deze buffalos zooals de Amerikanen hen noemen met hun rustigen tred voortgaan, nu en dan luid brullende. Zij zijn krachtiger gebouwd dan de europeesche runderen, hebben korten staart en pooten, een hoogen rug die een gespierden bult vormt, met horens van onder wijd uitstaande, terwijl de kop, de nek en de schouders bedekt zijn met lange manen. Het was onmogelijk deze landverhuizers tegen te houden. Wanneer de bizons eenmaal hunne richting genomen hebben, kan men hen met den besten wil niet stuiten of van hun weg doen afwijken. Het is een stortvloed van levend vleesch, die door geen dijk kan beteugeld worden.
Eene prachtige watervlakte. Blz. 165.
De reizigers, die allen op de loopbruggen stonden, aanschouwden dit zonderlinge tooneel. Maar hij, die wel de meeste haast had, Bladzijde 161namelijk Phileas Fogg, was rustig op zijne plaats blijven zitten en wachtte zeer wijsgeerig af tot het den buffels behagen zou den weg vrij te laten. Passepartout was woedend over het oponthoud dat Bladzijde 162door deze opeenhooping van dieren veroorzaakt werd. Hij had al zijne revolvers op hen willen afschieten.
“Wat een land!” riep hij uit, “dat een geheele trein kan worden tegengehouden door zulke stomme dieren, die als eene processie voorttrekken en zich volstrekt niet haasten, alsof zij niemand in den weg stonden. Bij den hemel! ik zou toch wel eens willen weten of Fogg dit onvoorziene oponthoud ook al in zijn programma heeft opgenomen. En de machinist, die de locomotief niet tusschen deze beesten durft doorjagen!
De machinist had volstrekt niet beproefd of hij dit bezwaar ook kon overwinnen, en hij had daarin zeer voorzichtig gehandeld. Hij zou ongetwijfeld de eerste buffels met de spoor van zijn locomotief verpletterd hebben; maar hoe sterk zij ook ware, de machine zou weldra hebben moeten ophouden, de trein zou gederailleerd zijn en zóo beschadigd, dat hij den tocht niet kon vervolgen. Het beste was dus geduldig te wachten en den verloren tijd in te halen door later de vaart van den trein te versnellen.
De optocht der bisons duurde drie volle uren en de weg werd niet eerder vrij dan tegen den avond. Op dat oogenblik trokken de laatste kudden over de rails, terwijl de eerste reeds verdwenen waren aan den horizon.
Het was alzoo acht uur, toen de trein de Humboldt-Ketel overtrok, en half tien toen hij het territorium van Utah bereikte, het land van het Zoutmeer, het merkwaardige land der Mormonen.
Waarin Passepartout met een snelheid van twintig mijlen in het uur een cursus in de geschiedenis der Mormonen volgt.
In den nacht van 5 op 6 December, volgde de trein ongeveer vijftig mijlen de zuid-oostelijke richting; daarop boog hij zich weder evenveel naar het noorden, het Zoutmeer naderende.
Passepartout begaf zich tegen negen uur in den morgen op de loopbrug om eens een luchtje te scheppen. Het was koud, de lucht was betrokken, maar het sneeuwde niet meer. De zon, die in den mist veel grooter scheen, had het voorkomen van een groot goudstuk en Passepartout was bezig om de waarde er van in ponden sterling te berekenen, toen hij van dezen nuttigen arbeid Bladzijde 163afgeleid werd door de verschijning van een zeer zonderling wezen. Deze persoon, die te Elko in den trein was gekomen, was een man van hooge gestalte, donker, met een zwarten knevel, zwarte kousen, zwarten hoed, zwarte broek, zwart vest, witte das en met zeemlederen handschoenen. Men zou gezegd hebben dat het een geestelijke was. Hij ging van het eene einde van den trein naar het andere, en op het portier van eiken waggon plakte hij met een ouweltje eene geschreven aankondiging.
Passepartout naderde het portier en las op een van deze biljetten, dat de eerwaarde “elder” William Hitch, mormoonsch zendeling, gebruik makende van zijne tegenwoordigheid op den trein no. 48, ten elf ure in den waggon no. 117 eene conferentie zou houden over het mormonisme—alle belangstellende heeren tot bijwoning uitnoodigende, ten einde hen te onderrichten in de geheimen van de Heiligen der Laatste Dagen.
“Daar ga ik zeker heen,” zeide Passepartout, die niets van het mormonisme af wist, dan dat de veelwijverij de grondslag van de mormoonsche sekte was.
Het nieuws verspreidde zich oogenblikkelijk door den trein, die een honderdtal reizigers bevatte. Van dat getal waren er dertig hoogstens die, aangelokt door deze redevoering, ten elf ure de banken van den waggon no. 117 innamen. Passepartout zat op de eerste bank der geloovigen. Noch zijn meester, noch Fix wilden er zich eenige moeite voor geven.
Op het bepaalde uur stond de “elder” William Hitch op en begon op driftigen toon, alsof hij dadelijk werd tegengesproken.
“Ik zeg u,” zeide of liever schreeuwde hij, “dat Joe Smith een martelaar is, en dat zijn broeder Hiram ook een martelaar is, en dat de vervolgingen door het Gouvernement van de Vereenigde Staten ingesteld tegen de profeten, ook van Brigham Young een martelaar gaan maken. Wie durft het tegendeel beweren?”
Niemand waagde het om den zendeling tegen te spreken, wiens ontboezeming zeer in strijd was met zijn van nature rustig gelaat. Maar zijn woede was zeker daardoor te verklaren, dat het mormonisme tegenwoordig aan zulke zware beproevingen was blootgesteld. Het Gouvernement der Vereenigde Staten toch kon niet dan zeer moeielijk deze onafhankelijke dweepers tot onderwerping brengen; het had zich meester gemaakt van Utah, en dit doen gehoorzamen aan de wetten der Unie, na Brigham Young in hechtenis te hebben genomen als schuldig aan rebellie en veelwijverij. Van dat oogenblik af verdubbelden de volgelingen van den profeet hun ijver, en in afwachting dat zij tot daden zouden overgaan, verzetten zij zich tegen de aanmatigingen van het Congres.
Zooals men ziet, trachtte de “elder” William Hitch zelfs in den spoortrein proselieten te maken. Hij vertelde met toenemende Bladzijde 164geestdrift, welke uit de verheffing van zijne stem en zijne gebaren bleek, de geschiedenis van het mormonisme sedert de gewijde oudheid. Hoe in Israël een mormoonsch profeet uit den stam van Jozef de jaarboeken van den nieuwen godsdienst gaf en hen aan zijn zoon Morum naliet; hoe vele eeuwen later eene vertaling van dat kostbare boek uitkwam in egyptische karakters, door Jozef Smith junior, een boer in den Staat Vermont, die in 1825 als mystisch profeet opstond; hoe eindelijk een gezant uit den hemel hem in een vurig bosch verschenen was en hem de jaarboeken des Heeren ter hand had gesteld.
Op dit oogenblik verlieten eenige toehoorders, die niet veel belang stelden in dit historisch overzicht, den waggon; maar William Hitch ging voort met vertellen, hoe Smith junior met zijn vader, twee broeders en eenige discipelen vereenigd den godsdienst van de Heiligen der Laatste Dagen stichtte, welke godsdienst niet alleen in Amerika aangenomen werd, maar ook in Engeland, Scandinavië en Duitschland volgelingen telde onder de werklieden en onder hen, die vrije beroepen uitoefenden; hoe in Ohio een kolonie was gesticht; hoe een tempel voor tweehonderd duizend dollars werd opgericht en een stad gebouwd te Kirkland; hoe Smith een groot bankier werd en van een eenvoudig vertooner van mummies een document ontving, dat door Abraham en andere beroemde Egyptenaren geschreven was
Daar dit verhaal een weinig langdradig werd, nam het publiek hoe langer hoe meer af; men telde niet meer dan een twintigtal toehoorders.
Maar de “elder” bekommerde zich volstrekt niet over dit heengaan en vertelde tot in de kleinste bijzonderheden, hoe Joe Smith in 1837 bankroet maakte, hoe de geruïneerde aandeelhouders hem in een teerton staken en vervolgens in veeren rolden, en hoe men hem eenige jaren later, geachter en achtenswaardiger dan ooit, te Indépendance in Missouri terug vond als hoofd van een bloeiende gemeente, die niet minder dan drie duizend zielen telde, en dat hij toen, door den haat der heidenen vervolgd, naar het verre westen moest vluchten.
Tien hoorders waren nog gebleven en onder hen de eerzame Passepartout, die met beide ooren luisterde. Zoo vernam hij hoe na een jarenlange vervolging Smith weder in Illinois terug kwam, in 1839 aan de oevers der Mississippi Nauvoo stichtte, waarvan de bevolking tot vijf en twintig duizend zielen steeg; hoe Smith daar burgemeester, opperrechter en opperbevelhebber werd; hoe hij zich in 1843 kandidaat stelde voor het presidentschap der Vereenigde Staten, en hoe hij eindelijk, te Karthago in eene hinderlaag gelokt, in de gevangenis werd geworpen en door een bende gemaskerden werd vermoord. Bladzijde 165
Op dit oogenblik was Passepartout geheel alleen in den waggon en de “elder” hem strak in het gelaat ziende en door zijn woorden een magnetischen invloed op hem uitoefenende, herinnerde hem dat twee jaren na den moord op Smith gepleegd, diens opvolger, de getuigende profeet Brigham Young, Nauvoo verliet, om zich aan de oevers van het Zoutmeer te vestigen, en dat daar op dat belangrijke grondgebied, omringd door vruchtbare landouwen, op den weg der landverhuizers, die Utah doortrokken om zich naar Californië te begeven, de nieuwe kolonie, dank zij het mormoonsch beginsel der veelwijverij, eene ontzaglijke uitbreiding onderging.
“En ziedaar,” voegde William Hitch er bij, “ziedaar waarom wij aan den naijver van het Congres zijn blootgesteld! Waarom de soldaten van de republiek den bodem van Utah hebben bezoedeld! Waarom ons hoofd, de Profeet Brigham Young, gevangen werd genomen in strijd met alle recht! Zullen wij wijken voor het geweld? Nooit. Verdreven uit Vermont, verdreven uit Illinois, verdreven uit Ohio, verdreven uit Missouri, verdreven uit Utah, zullen wij nogmaals een onafhankelijk grondgebied vinden, waar wij onze tenten zullen nederslaan. En gij, mijn getrouwe,” voegde de “elder” er bij, op zijn eenigen toehoorder een ernstigen blik werpende, “zult gij daar de uwe planten in de schaduw van onzen banier?”
“Neen,” antwoordde Passepartout, op zijn beurt wegloopende, terwijl hij den echtgenoot van vele vrouwen in de woestijn prediken liet.
Gedurende deze conferentie, was de trein met volle snelheid voortgestoomd en tegen half een in den middag bereikte hij het westelijke punt van het groote Zoutmeer. Van daar had men een ruim uitzicht over dit meer, dat ook den naam draagt van Doode Zee en waarin een amerikaanschen Jordaan uitloopt. Het is eene prachtige watervlakte, omsloten door schilderachtige, woeste rotsen met breede kruinen, die met wit zout zijn bedekt. Voorheen strekte zich de zilveren spiegel veel verder uit, maar met den tijd zijn de oevers langzamerhand gerezen, waardoor de oppervlakte kleiner, maar de diepte grooter werd. Het Zoutmeer is zeventig mijlen lang, vijf en dertig breed en drie duizend acht honderd voet boven de oppervlakte der zee gelegen. De visschen kunnen wegens het groote gehalte zout, in dit water niet leven. Die, welke de Jordaan, de Weber en andere rivieren er in werpen, sterven dan ook terstond; maar het is onwaar dat de dichtheid van het water van dit meer zoo groot is, dat een mensch er niet in zwemmen kan.
De omstreken van het meer zijn uitnemend bebouwd; want de Mormonen zijn ver in het bebouwen van den grond. De stallen en schuren voor de huisdieren, de koren-, maïs- en gierst-velden, de weelderige weilanden; tallooze heggen met wilde Bladzijde 166rozen, boschjes van acacia's en wolfsmelk zouden aan dit landschap zes maanden later een bekoorlijk karakter geven, maar voor het oogenblik was de grond met een dunne laag sneeuw bedekt.
Ten twee ure kwamen de reizigers te Odgen aan. De trein behoefde eerst ten zes ure te vertrekken. Fogg, Aouda en hunne twee reisgezellen hadden dus tijd in overvloed om zich naar de Stad der Heiligen te begeven, die door een zijtak met Odgen verbonden is. Twee uren waren voldoende om deze geheel amerikaansche stad te bezichtigen, die gebouwd is naar het model van alle steden uit de Vereenigde Staten—groote schaakborden met lange stijve lijnen en met de somberheid der rechte hoeken, zooals Victor Hugo het uitdrukt. De stichter van de Stad der Heiligen kon niet nalaten de symmetrie van den stijl der Anglo-Saxers na te volgen. In dit zonderlinge land, waar de menschen nog niet op de hoogte zijn van de maatschappelijke instellingen, is alles even groot: de steden, de huizen en de dwaasheden.
Ten drie ure wandelden de reizigers door de straten der stad, welke aan den oever van den Jordaan en de eerste krommingen van het Wahsatchgebergte gebouwd is. Zij zagen weinig of geen kerken, en ook niet veel monumenten, maar wel het huis van den profeet, de beurs en het arsenaal; voorts steenen huisjes met veranda's en galerijen, omringd door tuinen met acacia's, palm- en St. Jansbroodboomen. Een muur van steen en klei was in 1853 om de stad opgericht. In het voornaamste gedeelte, waar de markt wordt gehouden, heeft men eenige aanzienlijke hotels, waaronder ook het Gouvernementsgebouw behoort.
Fogg en zijne reisgezellen vonden die stad niet zeer bevolkt. De straten waren bijna allen verlaten, uitgenomen die waar de tempel is, maar dien zij niet bereikten, dan na eenige wijken te zijn doorgegaan, welke met palissaden waren afgezet. Er waren zeer veel vrouwen, wat te verklaren is door de zonderlinge manier waarop alle mormoonsche huishoudens zijn ingericht. Men moet evenwel niet denken, dat alle Mormonen de polygamie zijn toegedaan; men is geheel vrij, maar men moet wel in aanmerking nemen, dat het de burgeressen van Utah zijn, die er zoo bijzonderen prijs op stellen gehuwd te wezen, want volgens het geloof van dit volk, worden in den mormoonschen hemel geen ongehuwde vrouwen toegelaten. Deze arme wezens schijnen noch gelukkig noch rijk te zijn. Eenigen van haar, zeker de rijksten, dragen een pakje van zwarte zijde, van voren open en een eenvoudige kap of doek om het hoofd. De overigen zijn slechts in katoen gekleed.
Passepartout, in zijne hoedanigheid van ongetrouwd heer, aanschouwde niet zonder eenige huivering deze mormoonsche dames, op wie de taak rust te zamen met eenige anderen het geluk van een Mormoon uit te maken; zijn gezond verstand beklaagde den Bladzijde 167echtgenoot in de eerste plaats. Het scheen hem verschrikkelijk toe om zooveel dames beurtelings door de wisselvalligheid van het leven te moeten leiden; om eene geheele kudde van haar in het mormoonsche paradijs te brengen, met het vooruitzicht haar voor de geheele eeuwigheid terug te vinden in gezelschap van den verheerlijkten Smith, die het sieraad uitmaakt van dit gelukzalige oord. Ongetwijfeld voelde hij er geene roeping toe, en hij meende—misschien vergiste hij zich—dat de burgeressen van Great-Salt-Lake-City op zijn persoon verontrustende blikken wierpen. Gelukkig duurde zijn verblijf in de Stad der Heiligen niet zeer lang. Eenige minuten vóor vieren waren de reizigers weder aan het station en namen zij hunne plaatsen in den waggon weder in. Het fluitje liet zich hooren, maar op het oogenblik dat de wielen van de locomotief in beweging kwamen, hoorde men roepen: “Hou op! Hou op!”
Men laat een trein, die in beweging is, niet stilhouden. De heer, die dit riep, was blijkbaar een Mormoon, die te laat kwam. Hij was geheel buiten adem. Gelukkig voor hem dat het station deuren noch hekken had. Hij rende over den weg, sprong op de trede van den laatsten waggon en viel geheel ademloos op een der banken van een coupé.
Passepartout, die de verschillende momenten van dezen gymnastischen toer met belangstelling had gadegeslagen, kwam eens een kijkje nemen hoe de achtergeblevene, waarin hij een levendig belang stelde, er uit zag, toen hij vernam dat deze een bewoner was van Utah, die de vlucht had genomen ten gevolge van een huiselijk geschil.
Zoodra de Mormoon weder adem kon halen, vroeg Passepartout hem beleefd hoeveel vrouwen hij had. Naar de wijze te oordeelen, waarop hij zocht te ontvluchten, moest hij er zeker een twintigtal hebben.
“Één, mijnheer!” antwoordde de Mormoon, zijn handen ten hemel heffende, “en dat is genoeg!”
Waar Passepartout er maar niet in slagen kan de taal van het gezond verstand ingang te doen vinden.
Toen de trein Great-Salt-Lake en Ogden verlaten had, volgde hij een uur lang eene noordelijke richting tot aan de Weber-Rivier; na San-Francisco had hij ongeveer negen honderd mijlen afgelegd. Bladzijde 168Van dit punt af nam hij zijne westelijke richting weder aan door het gebergte Wahsatch. Het is in dit gedeelte van het grondgebied, begrepen tusschen deze bergen en het eigenlijk Rotsgebergte dat de amerikaansche ingenieurs met de grootste moeielijkheden te kampen hadden. Daarom heeft het gouvernement der Vereenigde Staten in dit bergachtige gedeelte een subsidie moeten toestaan van acht en veertig duizend dollars per mijl, terwijl het slechts zestien duizend dollars voor den weg op de vlakte gaf: maar de ingenieurs hadden, zooals reeds vermeld is, de natuur geen geweld aangedaan; zij hebben haar verschalkt, de moeielijkheden vermeden, en om het meer te bereiken hebben zij een langen tunnel van veertien duizend voet door den berg geboord. Aan het Zoutmeer zelf heeft de lijn haar hoogste toppunt bereikt. Van dit punt af beschrijft het profiel een zeer lange bocht, die tot de vallei van Bitter-Creek daalt om dan te stijgen tot het punt, waar de Atlantic- en de Pacific-baan aaneensluiten. De rivieren waren talrijk in deze rotsachtige landstreek. Men moest over houten bruggen de Muddy, de Green en andere stroomen passeeren.
Passepartout, die, naarmate hij zijn doel naderde, ongeduldig werd, had wel gewild dat deze bezwaren achter den rug waren. Hij vreesde voor een oponthoud; hij duchtte altijd eenig ongeluk en zijn ongeduld stak zonderling af bij de kalmte van zijn meester. Ook Fix, zijnerzijds, verlangde zeer dat men deze moeielijke streek achter den rug had. Hij was bang voor vertraging en vreesde voor ongevallen; hij was nog begeeriger dan Fogg zelf om den voet op engelschen bodem te zetten.
Ten tien ure kwam de trein te Fort-Bridge aan, dat hij terstond weder verliet en twintig mijlen verder overschreed hij de grenzen van den Staat Wyoming—het oude Dakota—de vallei van Bitter-Creek geheel volgende, waarin een aantal rivieren uitmonden, die het hydrographische stelsel van Colorado vormden.
Den anderen morgen, den 7den December, vertoefde men een kwartier aan het station van Green-rivier. Het had den geheelen nacht zwaar gesneeuwd, en de sneeuw, die vergezeld was van regen, was bijna gesmolten. Zij kon dus aan den trein niet hinderen. Maar dit slechte weder verontrustte nochtans Passepartout, daar de opeenhooping van sneeuw voor de wielen de reis kon vertragen.
“Hoe komt mijn meester er ook toe om in den winter te gaan reizen?” zeide hij. “Kon hij den zomer niet afwachten? dan zouden zijne kansen beter zijn geweest!”
Maar op het oogenblik dat hij aan niets dacht dan aan den hemel en het koude weder, was Aouda in doodelijken angst, die uit een geheel andere bron voortsproot.
De brug stortte werkelijk in. Blz. 175.
Er waren eenige reizigers uit de waggons gestapt, die nu op het perron van het station van Green-Rivier heen en weder wandelden, Bladzijde 169het vertrek van den trein afwachtende. Onder dezen herkende de jonge vrouw den kolonel Stamp Proctor, den Amerikaan, die zich tegenover Fogg zoo lomp gedragen had bij de Bladzijde 170meeting te San-Francisco. Aouda wilde niet dat hij haar zag en wierp zich snel achterover. Dit voorval echter maakte diepen indruk op de jonge dame. Zij had zich gehecht aan den man, die, hoe koel hij ook was, haar toch dagelijks bewijzen gaf van zijne genegenheid. Zij begreep ongetwijfeld zelve niet al de diepte van het gevoel, dat haar redder haar inboezemde. Aan dat gevoel gaf zij nog altijd den naam van dankbaarheid, maar, buiten haar weten, was het meer dan dit.
Haar hart kromp dan ook samen toen zij de hooge gestalte herkende van den persoon, aan wien Fogg vroeg of laat rekenschap van zijn gedrag wilde vragen. Waarschijnlijk was het slechts het toeval dat kolonel Proctor in dezen trein had gebracht, maar, hoe het ook zij, hij was er, en men moest tot elken prijs trachten te verhinderen dat Fogg zijn tegenstander bemerkte.
Toen de trein zich weder in beweging zette, en Fogg ingeslapen was, maakte Aouda van het oogenblik gebruik om Fix en Passepartout met den toestand bekend te maken.
“Is die Proctor in den trein!” riep Fix uit. “Welnu, mevrouw, stel u gerust: vóor dat hij het mijnheer Fogg lastig maakt, zal hij met mij te doen hebben. Ik meen toch dat in deze geheele zaak ik het ben, die het grofst beleedigd werd.”
“En ik zal er ook wel voor zorgen, al was hij driemaal kolonel,” zeide Passepartout.
“Mijnheer Fix,” hernam Aouda, “mijnheer Fogg zal aan niemand de taak overlaten om hem te wreken. Hij is man, en hij heeft zijn woord gegeven om naar Amerika weder te keeren, ten einde den beleediger te vinden. Zoo hij dus kolonel Proctor bespeurt, kunnen wij eene ontmoeting niet verhinderen, die misschien betreurenswaardige gevolgen zou kunnen hebben. Wij moeten daarom zorgen dat hij hem niet ziet.”
“Gij hebt gelijk, mevrouw,” antwoordde Fix, “zulk eene ontmoeting zou alles in duigen kunnen doen storten. Overwinnaar of overwonnen, mijnheer Fogg zou toch te laat komen, en....”
“En,” voegde Passepartout er bij, “dat zou juist zijn wat de heeren der Reform-club hopen. Binnen vier dagen zullen wij te New-York zijn. Welnu, zoo mijn meester in die vier dagen zijn waggon niet verlaat, dan kunnen wij hopen dat het toeval hem niet tegenover den verwenschten Amerikaan zal brengen! Wij moeten dus een middel vinden om dit te voorkomen.”
Hier werd het gesprek gestaakt, daar Fogg wakker werd en door het met sneeuwvlokken bedekte raampje naar het landschap staarde.
Eenigen tijd daarna en zonder door zijn meester of Aouda gehoord te worden, zeide Passepartout tot den inspecteur:
“Zoudt gij waarlijk voor hem willen vechten?” Bladzijde 171
“Ik zal alle mogelijke moeite doen om hem levend in Europa te brengen,” antwoordde Fix op een toon, die van onwrikbare kalmte getuigde. Passepartout voelde eene trilling in zijn aderen; maar zijn eenmaal gevestigde overtuiging ten opzichte van zijn reisgezel verzwakte er niet door.
De vraag was thans of er een middel bestond om op de een of andere wijze Fogg in zijn waggon te houden, ten einde elke ontmoeting tusschen den kolonel en hem te voorkomen? Dit kon niet moeielijk zijn, want de gentleman was van nature niet nieuwsgierig of woelig. Ten overvloede vond Fix zulk een middel uit. Eenige oogenblikken later zeide hij tot Fogg:
“Wat gaat de tijd langzaam op een spoorweg voorbij, mijnheer.”
“Inderdaad, maar hij gaat toch voorbij.”
“Aan boord der mailboot was het altijd uwe gewoonte een partijtje te whisten.”
“Ja,” antwoordde Fogg, “maar dat zou hier moeielijk gaan, want ik heb kaarten noch medespelers.”
“O, de kaarten zouden wij wel kunnen koopen. Men verkoopt van alles in een amerikaanschen spoortrein. Wat de medespelers betreft, misschien zou mevrouw wel....”
“Ja zeker, mijnheer, ik whist ook,” antwoordde de jonge vrouw. “Dat maakt een deel uit van eene engelsche opvoeding.”
“En ik,” zeide Fix, “ik beweer het ook vrij wel te kennen. Welnu, wij zijn met ons drieën, dus spelen wij met een blinde.”
“Zooals gij wilt, mijnheer,” zeide Fogg, blijde dat hij zijn geliefkoosd spel weder kon opvatten, zelfs in een spoortrein.
Passepartout werd belast met het zoeken van den stewart en kwam weldra terug met twee volle spellen, fiches, een leitje en een tafeltje met laken overtrokken. Niets ontbrak er. Het spel begon. Aouda kon vrij wel spelen en zij kreeg zelfs nu en dan een complimentje van den ernstigen gentleman. Wat den inspecteur aangaat, deze was van de eerste kracht en waardig de tegenpartij van Fogg te zijn.
“Nu,” dacht Passepartout, “zullen wij hem wel binnen houden. Hij zal zich niet verroeren!”
Ten elf uur bereikte de trein het punt waar de stroomen, die naar de twee oceanen loopen, zich verdeelen. Het was te Passe-Bridger op eene hoogte van zeven duizend vijfhonderd tachtig engelsche voeten boven de oppervlakte der zee; een der hoogste punten van den weg, die door het Rotsgebergte loopt.
Nog ongeveer tweehonderd mijlen en de reizigers waren eindelijk op die uitgestrekte vlakte, welke zich tot aan den Atlantischen Oceaan uitstrekt, en die de natuur zoo geheel geschikt heeft gemaakt voor een spoorweg.
Op de helling naar de Atlantische zee ontspringen reeds de Bladzijde 172rivieren, stroomen of zijstroomen van de Noord-Platte-rivier. De geheele horizon van het noorden naar het oosten was overschaduwd door die onmetelijke halfronde gordijn, welke het noordelijke gedeelte van het Rotsgebergte vormt en waarboven de top van de Laramie zich verheft. Tusschen die rotsgordijn en den spoorweg strekte zich de onafzienbare vlakte uit, welke in alle richtingen door rivieren doorsneden wordt. Rechts van den spoorweg verhieven zich de eerste bergen van den keten, die zich zuidwaarts kromt, tot aan den oorsprong der rivier de Arkansas, een van de groote voedingsstroomen van de Missouri.
Ten half een ure zagen de reizigers even het fort Halleck, dat deze streek in bedwang houdt. Nog eenige uren en de tocht door het Rotsgebergte zou geëindigd zijn. Men mocht dus hopen, dat de reis door deze landstreek zonder ongeluk zou worden volbracht. Het had opgehouden met sneeuwen. Het weer werd koud en droog. Groote vogels vlogen, door de locomotief verschrikt, op. Men ontmoette op de geheele vlakte wolf noch beer. Het was een woestijn in al hare naaktheid. Na een goed ontbijt zetten Fogg en zijne medespelers hun spel weder voort, toen de locomotief een schel gefluit deed hooren. De trein hield op.
Passepartout stak zijn hoofd uit het raampje, maar zag niets, dat tot dit oponthoud aanleiding kon geven. Geen enkel station was in het gezicht.
Aouda en Fix vreesden een oogenblik dat Fogg uit den trein wilde gaan. Maar de gentleman zeide slechts tot zijn knecht:
“Ga eens zien wat er gebeurt.” Passepartout sprong uit den waggon. Een veertigtal reizigers hadden den hunne reeds verlater en onder hen was ook kolonel Stamp Proctor.
De trein had opgehouden voor een omgekeerde roode schijf, die zich boven den weg verhief. De machinist en de conducteur waren afgestegen en praatten zeer levendig met den lijn-opzichter, dien de chef van het station Medicine-Bow, het eerstvolgende station, herwaarts had gezonden. De reizigers waren nu eveneens genaderd en namen aan dit gesprek deel. Ook kolonel Stamp Proctor die op hoogen toon sprak en gebiedende gebaren maakte. Passepartout trad nader en hoorde den opzichter zeggen:
“Men kan er onmogelijk over. De brug van Medicine-Bow is gebroken en zou het gewicht van den trein niet kunnen dragen.”
De brug, waarvan sprake was, was een hangende brug over een waterval, en op een mijl afstands van de plaats waar de trein nu ophield. Volgens den opzichter dreigde hij op meer dan een punt ineen te storten, daar er verscheidene koorden gebroken waren, en het was niet te wagen om er overheen te gaan. De opzichter overdreef dus in het geheel niet, toen hij zeide, dat men er niet over kon. Bovendien met het oog op de gewone zorgeloosheid der Bladzijde 173Amerikanen, zou het, nu zij voor een enkele maal voorzichtig wilden zijn, eene dwaasheid wezen dit niet te zijn.
Passepartout durfde zijn meester dit niet te gaan mededeelen; hij hoorde met zijne tanden op elkaar gedrukt en zoo onbeweeglijk als een standbeeld alles aan.
“Zeg eens,” riep kolonel Proctor, “wij hebben toch geen plan om hier in de sneeuw wortel te schieten.”
“Kolonel,” antwoordde de conducteur, “men heeft naar het station Omaha geseind om een trein, maar het is niet waarschijnlijk dat deze te Medicine-Bow vóor zes uur aankomt.
“Zes uur!” riep Passepartout.
“Ongetwijfeld,” antwoordde de conducteur. “Ook hebben wij dezen tijd wel noodig om te voet naar het station te gaan.”
“Maar het is maar een mijl hier van daan,” merkte een der reizigers op.
“Ja, een mijl, maar aan den anderen kant der rivier.”
“Én kan men deze rivier met een boot oversteken?” vroeg de kolonel.
“Onmogelijk. De kreek is door den regen gezwollen. Het is een waterval en wij zouden dus genoodzaakt zijn een omweg van tien mijlen noordwaarts te maken om eene doorwaadbare plaats te vinden.”
De kolonel gaf aan een reeks van vloeken lucht, deels tegen de reizigers, deels tegen de conducteurs, en Passepartout, die ook woedend was, had zeer veel lust om hem daarin gezelschap te houden. Hier had zich een materieel bezwaar opgedaan, waarop alle banknoten van zijn meester schipbreuk moesten lijden. Alle reizigers waren dan ook teleurgesteld, daar zij, behalve hun oponthoud te rekenen, zich genoodzaakt zagen vijftien mijlen door met sneeuw bedeke vlakte af te leggen. Er ontstond eene wisseling van uitroepingen en verwenschingen, die ongetwijfeld Fogg's aandacht zouden getrokken hebben, zoo hij niet verdiept ware geweest in zijn spel. Toch was Passepartout genoodzaakt om hem alles mede te deelen, en met gebogen hoofd begaf hij zich naar den waggon, toen de machinist van den trein—een echte Yankee, Forster genaamd—zijne stem verhief en zeide:
“Heeren, er is misschien een middel om verder te gaan.”
“Over de brug?”
“Ja, over de brug.”
“Met onzen trein?” vroeg de kolonel.
“Met onzen trein.”
Passepartout stond stil en verslond de woorden van den machinist.
“Maar de brug is op het punt van in te storten!” merkte de conducteur aan. Bladzijde 174
“Dat doet er niet toe,” antwoordde Forster. “ik geloof dat, wanneer de trein in zijn grootste snelheid over de brug gaat, er alle kans bestaat dat wij er goed over komen.”
“Drommels!” zeide Passepartout.
Maar een aantal reizigers had dit voorstel reeds goedgekeurd en het scheen vooral kolonel Proctor zeer aangenaam toe. Deze heethoofd vond de zaak zeer goed uitvoerbaar. Hij herinnerde zich zelfs hoe eenige ingenieurs het plan hadden gevormd om een goed aaneengesloten trein in volle vaart rivieren zonder bruggen te doen passeeren. Bij slot van rekening schaarden alle belanghebbenden zich aan de zijde van den machinist.
“Wij hebben vijftig kansen tegen een,” zeide een der reizigers.
“Zestig! ... tachtig! Wel negentig op de honderd,” zeide een ander. Passepartout was geheel verbijsterd van verbazing; ofschoon hij wel alles had willen doen om de brug van de Medicine-Bow over te komen, scheen hem dit toch een weinig al te amerikaansch toe.
“Daar is bovendien nog wel een eenvoudiger middel, en daar denken die menschen nu in het geheel niet aan!... “Mijnheer,” zeide hij tot een der reizigers, “het middel, dat de machinist voorstelt, schijnt mij een weinig gewaagd toe, maar....”
“Tachtig kansen!” antwoordde de reiziger, die hem den rug toekeerde.
“Ik weet wel,” zeide Passepartout zich tot een ander gentleman richtend, “maar het was toch goed eens even te bedenken....”
“Geen bedenkingen, dat is onnoodig,” antwoordde de aangesproken Amerikaan, zijn schouders ophalend, “daar de machinist u verzekert dat men er over zal gaan.”
“Zeer zeker,” hernam Passepartout, “zal men er over komen, maar was het niet voorzichtiger....”
“Wat! voorzichtiger!” riep kolonel Proctor, dien dit woord, hetwelk hij toevallig hoorde, deed opspringen. “Met volle vaart zeg ik u! Begrijpt ge nu? Met volle vaart!”
“Ik weet het ... ik begrijp het....” herhaalde Passepartout, maar niemand liet hem uitspreken. “Het was toch voorzichtiger, maar daar dit woord u hindert, het was toch natuurlijk....”
“Wie? wat? hoe? Wat moet hij toch met zijn natuurlijk?...” riep men van alle kanten.
De arme knecht wist niet meer tot wien hij zich wenden kon.
“Zijt gij bang?” vroeg hem kolonel Proctor.
“Ik bang!” riep Passepartout. “Nu nog mooier! Ik zal aan deze menschen toonen dat een Franschman even goed Amerikaan kan zijn als zij.”
“Instappen! instappen!” riep de conducteur.
“Ja, instappen,” herhaalde Passepartout, “instappen. En terstond Bladzijde 175maar! Maar men zal mij niet beletten te denken, dat het veel natuurlijker ware geweest, ons reizigers, eerst te voet de brug over te laten gaan, en dan den trein....” Maar niemand hoorde deze verstandige opmerking en niemand wilde er de juistheid van erkennen.
De reizigers zaten weder in hun waggon. Passepartout had ook zijn plaats hernomen, zonder meer over het voorgevallene te spreken. De spelers waren geheel verdiept in hun whisten. De locomotief floot op oorverdoovende wijze. De machinist bracht de trein een mijl terug, achteruitgaande als een springer, die zijn sprong wil nemen. Vervolgens, na een tweede fluitje, ging de trein weder voorwaarts en daarop zoo snel mogelijk. Spoedig werd de snelheid verschrikkelijk, men hoorde niets dan een gesis dat uit de locomotief kwam; de zuigers sloegen twintig slagen in de seconde, de assen der raderen rookten in de bussen. Men gevoelde om zoo te zeggen dat de geheele trein vloog met eene snelheid van honderd mijlen in het uur en niet op de rails drukte. Hij ging zoo snel, dat hij geen gewicht meer had.
En men ging er over! Het was als een bliksemstraal. Men zag niets van de brug. De trein sprong, zou men kunnen zeggen, van den eenen oever naar den anderen en de machinist kon zijn machine niet eer doen stilstaan dan op vijf mijlen afstand van het station. Maar nauwelijks was deze aan de overzijde der rivier of de brug stortte werkelijk in, en viel met een vreeselijk geweld in de Medicine-Bow.